Onderafdeling 7.
Procedure bij de onmogelijkheid of de onwenselijkheid om voorafgaand aan het aanvragen van de vergunning een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren


Art. 5.4.12. In het geval dat er alleen een archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem plaatsvond omdat een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem onmogelijk of juridisch, economisch of maatschappelijk onwenselijk was voorafgaand aan het aanvragen van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden, meldt de door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog een archeologienota aan het agentschap of in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente via het digitale platform dat het agentschap daarvoor beschikbaar stelt. Als de archeologienota betrekking heeft op percelen die op het grondgebied van meerdere gemeenten liggen, meldt de erkende archeoloog de archeologienota bij het agentschap.

Die archeologienota bevat minstens de volgende gegevens:
1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;
2° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;
3° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;
4° de locatie van het archeologisch vooronderzoek met in voorkomend geval de kadastrale gegevens van de betrokken percelen;
5° de redenen en motivering waarom het vooronderzoek voor het indienen van de vergunning beperkt wordt tot een vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
6° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
7° een plan waarop de betrokken percelen, de precieze plaats van het archeologisch vooronderzoek en de geplande werken nauwkeuring worden afgelijnd;
8° de voorgestelde uitvoeringswijze van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem.

De Vlaamse Regering kan de in de archeologienota op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden.

Art. 5.4.13. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente gaat na of de gemelde archeologienota in overeenstemming is met de code van goede praktijk, vermeld in artikel 5.3.1. In bevestigend geval neemt het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente akte van de melding. Als het voorgestelde programma van maatregelen in de gemelde archeologienota geen adequate omgang met het archeologisch erfgoed garandeert of geen nuttige kenniswinst oplevert, neemt het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente geen akte van de melding.

Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente bezorgt binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de melding is ingediend, de meldingsakte per beveiligde zending aan de initiatiefnemer en de erkende archeoloog of stelt die digitaal ter beschikking via het daarvoor voorziene digitale platform. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente kan in de meldingsakte voorwaarden opleggen. Als de termijn van vijftien dagen wordt overschreden, wordt het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente geacht akte te hebben genomen van de archeologienota. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen.

Als het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente van de archeologienota akte neemt, er geen akte van neemt of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer, de door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog of het agentschap een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.

In voorkomend geval geldt de aktename als toelating voor het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

Art. 5.4.14. De erkende archeoloog aangesteld door de initiatiefnemer, meldt de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, opgenomen in de archeologienota waarvan akte is genomen, aan het agentschap en in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

Art. 5.4.15. Het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem moet worden uitgevoerd overeenkomstig de uitvoeringswijze in de archeologienota waarvan akte is genomen, de eventuele voorwaarden van het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente in de aktename en de code van goede praktijk.

Art. 5.4.16. Na het beëindigen van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem meldt de erkende archeoloog een nota aan het agentschap of in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente. Als de nota betrekking heeft op percelen die op het grondgebied van meerdere gemeenten liggen, meldt de erkende archeoloog de nota aan het agentschap.

Die nota bevat minstens de volgende gegevens:
1° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem;
2° een gemotiveerd advies over het al dan niet moeten nemen van maatregelen met in voorkomend geval een programma hierover;
3° in voorkomend geval de noodzakelijke competenties die de uitvoerders van de voorgestelde maatregelen moeten bezitten;
4° in voorkomend geval een kostenraming en de geschatte duur van de voorgestelde maatregelen;
5° in voorkomend geval een gemotiveerd voorstel over het bewaren of deponeren van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de archeologische opgraving.

De nota kan:
1° voorzien in een fasering van de in voorkomend geval uit te voeren archeologische opgravingen;
2° voorzien dat delen van de kadastrale percelen waar de ingreep in de bodem is gepland van archeologische opgraving worden vrijgesteld.

De Vlaamse Regering kan de in de nota op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden.

Art. 5.4.17. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente gaat na of de gemelde nota in overeenstemming is met de code van goede praktijk, vermeld in artikel 5.3.1. In bevestigend geval neemt het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente akte van de melding. Als het voorgestelde programma van maatregelen in de gemelde nota geen adequate omgang met het archeologisch erfgoed garandeert of geen nuttige kenniswinst oplevert, neemt het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente geen akte van de melding.

Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente bezorgt binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de melding is ingediend, de meldingsakte per beveiligde zending aan de initiatiefnemer en de erkende archeoloog of stelt die digitaal ter beschikking via het daarvoor voorziene digitale platform. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente kan in de meldingsakte voorwaarden opleggen. Als de termijn van vijftien dagen wordt overschreden, wordt het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente geacht akte te hebben genomen van de archeologienota. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen.

Als het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente van de nota akte neemt, er geen akte van neemt of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer, de door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog of het agentschap een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.

In voorkomend geval geldt de aktename als toelating voor de in de nota omschreven archeologische opgraving in de mate dat de vergunde werken, vermeld in artikel 5.4.3, overeenstemmen met de werken zoals omschreven in de nota waarvan akte is genomen. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels over het verspreiden van de informatie uit de nota waarvan akte is genomen ten aanzien van alle belanghebbenden.

Art. 5.4.18. De erkende archeoloog meldt de aanvang van de archeologische opgraving aan het agentschap en in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

Art. 5.4.19. De archeologische opgraving, beperkt tot de zone die daadwerkelijk verstoord wordt door de geplande ingreep in de bodem, moet worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden van de aktename en de code van goede praktijk.

Bij verkavelingsdossiers heeft de opgraving in voorkomend geval betrekking op de volledige zone die voor ontwikkeling in aanmerking komt en op het volledige projectgebied.