HOOFDSTUK 6.
Beschermingen en erfgoedlandschappen


Afdeling 1.
Beschermingsprocedure


Onderafdeling 1.
Voorlopige bescherming


Art. 6.1.1. De Vlaamse Regering kan een archeologische site, monument, cultuurhistorisch landschap, stadsgezicht of dorpsgezicht, desgevallend met inbegrip van een overgangszone, beschermen.

Art. 6.1.1/1. De beschermingsvoorschriften kunnen geen beperkingen opleggen die werken of handelingen absoluut verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, noch de realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen.

Art. 6.1.2. De door de Vlaamse Regering daartoe aangewezen ambtenaren hebben voor het onderzoek naar de erfgoedwaarden toegang tot de archeologische sites, monumenten, cultuurhistorische landschappen en stads- en dorpsgezichten die in aanmerking komen voor bescherming. Tot particuliere woningen en bedrijfslokalen hebben ze evenwel alleen toegang tussen negen uur en eenentwintig uur en met machtiging van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.

Art. 6.1.3.

De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan de voorlopige bescherming het advies in bij de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeentebesturen en de departementen of agentschappen van de Vlaamse overheid bevoegd voor omgeving, mobiliteit en openbare werken en landbouw en visserij. Deze adviezen worden uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan de voorlopige bescherming het advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van zestig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

De Vlaamse Regering brengt voorafgaand aan de voorlopige bescherming de zakelijkrechthouders van een monument of een onroerend goed in een archeologische site of stads- of dorpsgezicht op de hoogte. De zakelijkrechthouders kunnen binnen een vervaltermijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving, schriftelijk opmerkingen bezorgen aan het agentschap over de voorlopige bescherming.

Aan de verplichtingen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, kan worden voorbijgegaan in geval van dringende noodzakelijkheid.


Art. 6.1.4.

§ 1. De Vlaamse Regering stelt het besluit tot voorlopige bescherming vast.

§ 2. Het besluit tot voorlopige bescherming bevat minstens de volgende gegevens :
1° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop de onroerende goederen zich bevinden;
2° de vermelding of het een bescherming van een archeologische site, monument, cultuurhistorisch landschap of stads- of dorpsgezicht betreft met, in voorkomend geval, een overgangszone;
3° de benaming van het beschermde onroerend goed;
4° een beknopte wetenschappelijke beschrijving;
5° de erfgoedwaarden;
6° de erfgoedelementen en de erfgoedkenmerken;
7° de toekomstige beheersdoelstellingen die de optimale verwezenlijking van de erfgoedwaarden omschrijven die aanleiding gegeven hebben tot de bescherming;
8° de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud;
9° in voorkomend geval de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud in de overgangszone.

Bij elk besluit tot voorlopige bescherming worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het beschermde goed en, in voorkomend geval, de overgangszone nauwkeurig worden afgelijnd en waarop de plaats van aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot voorlopige bescherming of in de bijlage moeten worden opgenomen, nader omschrijven of uitbreiden.


Art. 6.1.5. Het besluit tot voorlopige bescherming wordt na de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.6, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Art. 6.1.6.

Het besluit tot voorlopige bescherming van een archeologische site, monument of stads- of dorpsgezicht wordt met bijlagen per beveiligde zending aan de zakelij krechthouders ter kennis gebracht.

Het agentschap hoort, op hun verzoek, de zakelijkrechthouders. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij het agentschap binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving, vermeld in het eerste lid.

De zakelijkrechthouders die, overeenkomstig het eerste lid, van het besluit tot voorlopige bescherming op de hoogte gebracht zijn:
1° brengen de gebruikers van het onroerend goed per beveiligde zending op de hoogte van het besluit tot voorlopige bescherming binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld;
2° brengen de zakelijkrechthouders van de cultuurgoederen per beveiligde zending op de hoogte van het besluit tot voorlopige bescherming binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld;
3° brengen het agentschap schriftelijk op de hoogte van de eventuele verkoop, overdracht van het eigendomsrecht of overdracht van een ander zakelijk recht, waarbij de nodige stavingsdocumenten gevoegd zijn, binnen een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de kennisgeving vermeld. De nieuwe zakelijkrechthouders worden op hun beurt, overeenkomstig het eerste lid, op de hoogte gebracht van het besluit tot voorlopige bescherming.


Art. 6.1.7.

Het besluit tot voorlopige bescherming wordt per beveiligde zending aan de betrokken gemeenten bezorgd voor een openbaar onderzoek van dertig dagen.

De betrokken gemeenten openen het openbaar onderzoek binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag na de kennisgeving van het besluit tot voorlopige bescherming door :
1° een bericht over het openbaar onderzoek op te hangen op de plaats die aangeduid is op het plan dat als bijlage bij het besluit tot voorlopige bescherming is gevoegd;
2° een bericht te publiceren op de website van de betrokken gemeenten.

De besluiten tot voorlopige bescherming van een cultuurhistorisch landschap worden ook aangekondigd door een bericht in ten minste drie dagbladen die in de betrokken gemeenten worden verspreid.

De gemeenten melden aan het agentschap de datum waarop zij het openbaar onderzoek openen. Het agentschap publiceert een bericht over het openbaar onderzoek op zijn website.

De berichten, vermeld in het tweede en derde lid, vermelden minstens het volgende :
1° het voorwerp van het openbaar onderzoek;
2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
3° de plaats waar het besluit tot voorlopige bescherming en het beschermingsdossier ter inzage liggen;
4° het adres waarop opmerkingen en bezwaren schriftelijk kunnen worden ter kennis gebracht.

Tijdens het openbaar onderzoek :
1° liggen het besluit tot voorlopige bescherming en het beschermingsdossier ter inzage bij de betrokken gemeenten en het agentschap;
2° kunnen opmerkingen en bezwaren schriftelijk aan de betrokken gemeenten ter kennis worden gebracht;
3° kunnen de betrokken gemeenten een hoorzitting organiseren.

De betrokken gemeenten stellen een proces-verbaal op waarin de opmerkingen, de bezwaren en in voorkomend geval een advies en het verslag van de hoorzitting worden opgenomen en sluiten het openbaar onderzoek af. Binnen een ordetermijn van vijftien dagen die ingaat op de dag na het afsluiten van het openbaar onderzoek bezorgen ze het proces-verbaal schriftelijk aan het agentschap.

Als de gemeente het openbaar onderzoek niet opent binnen de vooropgestelde termijn van dertig dagen, is het aan het agentschap dit openbaar onderzoek op te starten en af te ronden binnen de termijn, vermeld in artikel 6.1.9.


Art. 6.1.8. De Vlaamse Regering wint over de voorlopige bescherming het advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als er overeenkomstig artikel 6.1.3, vierde lid, omwille van dringende noodzakelijkheid geen voorafgaand advies werd gevraagd. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van zestig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

Art. 6.1.9.

§ 1. Vanaf de dag van de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.6, zijn op de onroerende goederen, vermeld in het besluit tot voorlopige bescherming, gedurende een termijn van maximaal 270 dagen de rechtsgevolgen van een bescherming voorlopig van toepassing.

Vanaf de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.5, zijn op de onroerende goederen, vermeld in het besluit tot voorlopige bescherming van een cultuurhistorisch landschap, gedurende een termijn van maximaal 270 dagen de rechtsgevolgen van een bescherming voorlopig van toepassing.

§ 2. De Vlaamse Regering kan die termijn eenmalig met maximaal negentig dagen verlengen.

Het besluit tot verlenging van de voorlopige bescherming van een archeologische site, monument of stads- of dorpsgezicht wordt aan de zakelijkrechthouders per beveiligde zending ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 6.1.6.

Het besluit tot verlenging van de voorlopige bescherming van een cultuurhistorisch landschap wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.


Art. 6.1.10. De rechtsgevolgen van een besluit tot voorlopige bescherming zijn van toepassing :
1° op de zakelijkrechthouders vanaf de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.6;
2° op de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen vanaf de kennisgeving door de zakelijkrechthouders, vermeld in artikel 6.1.6;
3° op iedereen vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.5.

Art. 6.1.11. Het besluit tot voorlopige bescherming vervalt van rechtswege als de Vlaamse Regering binnen de termijn, vermeld in artikel 6.1.9, geen besluit tot definitieve bescherming genomen heeft.

Onderafdeling 2.
Definitieve bescherming


Art. 6.1.12. De Vlaamse Regering kan over de definitieve bescherming advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed.

Art. 6.1.13. De Vlaamse Regering stelt het besluit tot definitieve bescherming vast.

Art. 6.1.14.

Het besluit tot definitieve bescherming bevat minstens de volgende gegevens :
1° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop de onroerende goederen zich bevinden;
2° de vermelding of het een bescherming van een archeologische site, cultuurhistorisch landschap, monument of stads- of dorpsgezicht betreft met, in voorkomend geval, een overgangszone;
3° de benaming van het beschermde onroerend goed;
4° een beknopte wetenschappelijke beschrijving;
5° de erfgoedwaarden;
6° de erfgoedelementen en de erfgoedkenmerken;
7° de beheersdoelstellingen die de optimale verwezenlijking omschrijven van de waarden die aanleiding gegeven hebben tot de bescherming;
8° bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud;
9° in voorkomend geval bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud in de overgangszone.

Bij elk besluit tot definitieve bescherming worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het onroerend goed en in voorkomend geval de overgangszone nauwkeurig wordt afgelijnd;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het onroerend goed;
4° een document waarin het agentschap zich uitspreekt over de ingediende bezwaren en opmerkingen en in voorkomend geval over de uitgebrachte adviezen en het verslag van de hoorzitting.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot definitieve bescherming of in de bijlagen zijn opgenomen, nader omschrijven of uitbreiden.


Art. 6.1.15. Het besluit tot definitieve bescherming wordt na de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.16, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Art. 6.1.16.

Het besluit tot definitieve bescherming van een archeologische site, monument of stads- of dorpsgezicht wordt met bijlagen per beveiligde zending aan de zakelijkrechthouders ter kennis gebracht.

De zakelijkrechthouders die, overeenkomstig het eerste lid, van het besluit tot definitieve bescherming op de hoogte gebracht zijn:
1° brengen de gebruikers van het onroerend goed per beveiligde zending op de hoogte van het besluit tot definitieve bescherming binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. De beveiligde zending vermeldt die verplichting;
2° brengen de zakelijkrechthouders van de cultuurgoederen per beveiligde zending op de hoogte van het besluit tot definitieve bescherming binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld;
3° brengen het agentschap schriftelijk op de hoogte van de eventuele verkoop, overdracht van het eigendomsrecht of overdracht van een ander zakelijk recht, waarbij de nodige stavingsdocumenten gevoegd zijn, binnen een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de kennisgeving vermeld. De nieuwe zakelijkrechthouders worden op hun beurt, overeenkomstig het eerste lid, op de hoogte gebracht van het besluit.


Art. 6.1.17. Het besluit tot definitieve bescherming wordt per beveiligde zending ter kennis gebracht van de gemeenten op het grondgebied waarvan het beschermde goed ligt.

Art. 6.1.18. De rechtsgevolgen van een besluit tot definitieve bescherming zijn van toepassing :
1° op de zakelijkrechthouders vanaf de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.16;
2° op de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen vanaf de kennisgeving door de zakelij krechthouders, vermeld in artikel 6.1.16;
3° op iedereen vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.15.

Afdeling 2.
Wijzigen en opheffen van een besluit tot definitieve bescherming


Onderafdeling 1.
Wijziging of opheffing van een besluit tot definitieve bescherming


Art. 6.2.1. De Vlaamse Regering kan een besluit tot definitieve bescherming in de volgende gevallen geheel of gedeeltelijk wijzigen of opheffen :
1° de erfgoedwaarden van het beschermde goed zijn onherstelbaar aangetast of verloren gegaan;
2° een verplaatsing van het beschermde goed is noodzakelijk voor het behoud van de erfgoedwaarden ervan of is vereist omwille van het algemeen belang;
3° de gehele of gedeeltelijke wijziging of opheffing is vereist omwille van het algemeen belang;
4° het goed beheer vereist de toevoeging van gegevens zoals vermeld in artikel 6.1.14, 7° tot en met 9°.
5° de toevoeging als bijlage van een lijst van cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van een beschermd goed als vermeld in artikel 6.1.4, § 2, tweede lid, 3°, of de aanpassing van een lijst van cultuurgoederen is noodzakelijk.

Art. 6.2.2. De Vlaamse Regering kan in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een bescherming geheel of gedeeltelijk wijzigen of opheffen als dit vereist is omwille van het algemeen belang.

Art. 6.2.3. § 1. In de gevallen, vermeld in artikel 6.2.1, 1° of 3°, kan een besluit tot definitieve bescherming geheel of gedeeltelijk gewijzigd of opgeheven worden onder de voorwaarden en in de vorm die vastgesteld zijn voor een bescherming in artikel 6.1.2, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.7, 6.1.13, 6.1.15, 6.1.16, 6.1.17 en 6.1.18.

§ 2. Een besluit tot definitieve bescherming kan gewijzigd worden omwille van een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, op gezamenlijk verzoek of na akkoord van de betrokken zakelijkrechthouders van de oorspronkelijke locatie en de locatie waarnaar het beschermd goed wordt verplaatst en onder de voorwaarden en in de vorm die vastgesteld zijn voor een bescherming in artikel 6.1.2, 6.1.3, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.7, 6.1.9, 6.1.10, 6.1.13, 6.1.15, 6.1.16, 6.1.17 en 6.1.18.

Voorafgaand aan het besluit tot voorlopige wijziging worden volgens artikel 6.1.3 adviezen ingewonnen en worden de zakelijkrechthouders van het beschermd monument of van het onroerend goed dat deel uitmaakt van een beschermde archeologische site of een beschermd stads- of dorpsgezicht en de zakelijkrechthouders van het perceel waar het beschermd goed naar wordt verplaatst op de hoogte gebracht. Aan de verplichtingen, vermeld in artikel 6.1.3, eerste tot en met derde lid, kan niet worden voorbijgegaan volgens artikel 6.1.3, vierde lid.

Het agentschap hoort, in afwijking van artikel 6.1.6, tweede lid, de zakelijkrechthouders op hun verzoek en voorafgaand aan het besluit tot voorlopige wijziging. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij het agentschap binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van het ontwerp van besluit tot voorlopige wijziging, vermeld in artikel 6.1.3, derde lid.

De zakelijkrechthouders brengen de gebruikers van het onroerend goed en de zakelijkrechthouders van de cultuurgoederen per beveiligde zending op de hoogte van het ontwerp van besluit tot voorlopige wijziging binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van het ontwerp van besluit tot voorlopige wijziging, vermeld in artikel 6.1.3, derde lid.

Voorafgaand aan het besluit tot voorlopige wijziging wordt een openbaar onderzoek georganiseerd onder de voorwaarden en in de vorm, vermeld in artikel 6.1.7. Dat openbaar onderzoek heeft betrekking op de oorspronkelijke locatie en de locatie waarnaar het beschermd goed wordt verplaatst. Als het beschermd goed verplaatst wordt naar een andere gemeente, wordt in beide gemeenten een openbaar onderzoek georganiseerd. De betrokken gemeenten hangen een bericht over het openbaar onderzoek uit op beide plaatsen die aangeduid zijn op het plan dat als bijlage bij het ontwerp van besluit tot voorlopige wijziging is gevoegd en publiceren een bericht op hun website.

In afwijking van artikel 6.1.6 en 6.1.16 worden de zakelijkrechthouders van de oorspronkelijke locatie en de locatie waarnaar het beschermde goed wordt verplaatst, per beveiligde zending op de hoogte gebracht van het besluit tot voorlopige en definitieve wijziging van een besluit tot definitieve bescherming van een archeologische site, een monument of een stads- of dorpsgezicht.

§ 3. In de gevallen, vermeld in artikel 6.2.1, 4° of 5°, kan een besluit tot definitieve bescherming gewijzigd worden als de eigenaar schriftelijk toestemming verleent en als het advies van de Commissie wordt gevraagd. Als de eigenaar geen schriftelijke toestemming verleent, dan gebeurt de wijziging, vermeld in artikel 6.2.1, 4°, onder de voorwaarden en in de vorm die vastgesteld zijn voor de bescherming, vermeld in artikel 6.1.2, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.7, 6.1.13, 6.1.15, 6.1.16, 6.1.17 en 6.1.18. Als de eigenaar geen schriftelijke toestemming verleent, dan gebeurt de wijziging in het geval, vermeld in artikel 6.2.1, 5°, onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld voor de bescherming, vermeld in artikel 6.1.2, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.13, 6.1.15, 6.1.16, 6.1.17 en 6.1.18.

Onderafdeling 2.
Voorlopige wijziging of opheffing van een besluit tot definitieve bescherming


Art. 6.2.4. De Vlaamse Regering wint over de voorlopige wijziging of opheffing van het besluit tot definitieve bescherming in de gevallen, vermeld onder artikel 6.2.1, 1°, 3°, 4° of 5°, advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn. De termijn van dertig dagen kan door de Vlaamse Regering eenmalig worden verlengd met dertig dagen op vraag van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed.

Art. 6.2.5.

De Vlaamse Regering stelt het besluit tot voorlopige wijziging of opheffing vast. Het besluit tot voorlopige wijziging of opheffing bevat minstens de volgende gegevens :
1° het opschrift van het besluit dat gewijzigd of opgeheven wordt;
2° de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit dat gewijzigd of opgeheven wordt;
3° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop het beschermde goed zich bevindt;
4° de redenen van wijziging of opheffing;
5° in geval van wijziging een beschrijving van de impact op de erfgoedwaarden, een beschrijving van de impact op de beheersdoelstellingen, een beschrijving van de impact op de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud en, in voorkomend geval, een beschrijving van de impact op de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud in de overgangszone;
6° de aanduiding van de te registeren en te documenteren erfgoedwaarden die verloren gaan;
7° in geval van gedeeltelijke of volledige opheffing de eventuele verplichting om het beschermde goed te verplaatsen of om onderdelen met erfgoedwaarde in een erkend onroerenderfgoeddepot te plaatsen;
8° in geval van wijziging vanwege een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, de maatregelen die nodig zijn voor de ontmanteling, de verplaatsing en de heroprichting op een geschikte plaats en de termijnen waarbinnen die maatregelen uitgevoerd moeten zijn.

Bij elk besluit tot voorlopige wijziging of tot gedeeltelijke opheffing worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het beschermde goed en in voorkomend geval de overgangszone na wijziging of gedeeltelijke opheffing nauwkeurig wordt afgelijnd en waarop de plaats van aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid; In het geval van een wijziging wegens een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, worden zowel de oorspronkelijke locatie als de locatie waarnaar het beschermd goed wordt verplaatst, nauwkeurig afgelijnd en worden de plaatsen van aanplakking aangeduid;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed.
4° in geval van een wijziging wegens een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, een document waarin het agentschap zich uitspreekt over de ingediende bezwaren en opmerkingen en in voorkomend geval over de uitgebrachte adviezen en het verslag van de hoorzitting.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot voorlopige wijziging of opheffing of in de bijlagen zijn opgenomen, nader omschrijven of uitbreiden.


Onderafdeling 3.
Definitieve wijziging of opheffing van een besluit tot definitieve bescherming


Art. 6.2.6.

Het besluit tot definitieve wijziging of opheffing bevat minstens de volgende gegevens :
1° het opschrift van het besluit dat gewijzigd of opgeheven wordt;
2° de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit dat gewijzigd of opgeheven wordt;
3° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop het beschermde goed zich bevindt;
4° de redenen van wijziging of opheffing;
5° in geval van wijziging een beschrijving van de impact op de erfgoedwaarden, een beschrijving van de gevolgen voor de beheersdoelstellingen, een beschrijving van de gevolgen voor de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud en, in voorkomend geval, de gevolgen voor de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud in de overgangszone;
6° de aanduiding van de te registeren en te documenteren erfgoedwaarden die verloren gaan;
7° in geval van opheffing de eventuele verplichting om het beschermde goed te verplaatsen of om de onderdelen met erfgoedwaarde in een onroerenderfgoeddepot te plaatsen;
8° ...

Bij elk besluit tot definitieve wijziging of tot gedeeltelijke opheffing worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het beschermde goed en in voorkomend geval de overgangszone na wijziging of gedeeltelijke opheffing nauwkeurig wordt afgelijnd en waarop de plaats van de aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed;
4° een document waarin het agentschap zich uitspreekt over de ingediende bezwaren en opmerkingen en in voorkomend geval over de uitgebrachte adviezen en het verslag van de hoorzitting.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot definitieve wijziging of opheffing of in de bijlagen zijn opgenomen nader omschrijven of uitbreiden.


Art. 6.2.7. Bij een gehele of gedeeltelijke wijziging of opheffing van een besluit tot definitieve bescherming in de gevallen, vermeld in artikel 6.2.1, 1°, 3°, 4° en 5°, blijven tot de vaststelling van het besluit tot definitieve wijziging of opheffing de rechtsgevolgen van het vorige besluit tot definitieve bescherming van kracht. De rechtsgevolgen van een besluit tot wijziging of opheffing zijn van toepassing :
1° op de zakelijkrechthouders vanaf de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.16;
2° op de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen vanaf de kennisgeving door de zakelijkrechthouders, vermeld in artikel 6.1.16;
3° op iedereen vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.15.

Art. 6.2.8. § 1. Bij een wijziging van een besluit tot definitieve bescherming wegens een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, blijven, met behoud van de toepassing van de rechtsgevolgen, vermeld in artikel 6.1.9, de rechtsgevolgen van het vorige besluit tot definitieve bescherming van kracht tot de definitieve wijziging van het beschermingsbesluit wegens een verplaatsing.

In afwijking van artikel 6.1.9, § 2, kan de Vlaamse Regering de termijn, vermeld in artikel 6.1.9, § 1, eenmalig verlengen met maximaal 270 dagen.

Het verkrijgen van een toelating of vergunning voor de ontmanteling en de verplaatsing van het onroerend goed schorst de termijn, vermeld in artikel 6.1.9 en eventueel verlengd overeenkomstig het tweede lid.

§ 2. Het besluit tot voorlopige wijziging vervalt van rechtswege als:
1° er geen toelating of vergunning voor de ontmanteling, de verplaatsing en de heroprichting van het onroerend goed verleend is binnen de termijn, vermeld in artikel 6.1.9 en eventueel verlengd overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid;
2° de verwezenlijking van de toegelaten of vergunde handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de toelating of vergunning.

De termijn van twee jaar, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt geschorst in de gevallen, vermeld in artikel 101 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

Afdeling 3.
Informatie over beschermde goederen


Onderafdeling 1.
Databank van beschermde goederen


Art. 6.3.1.

Het agentschap stelt een databank van beschermd onroerend erfgoed digitaal beschikbaar. Deze databank bevat de voorlopige en definitieve erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten en de wijzigings- en opheffingsbesluiten genomen bij toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en hoofdstuk 6 van dit decreet.

De entiteit die door de Vlaamse Regering belast is met de handhaving houdt een databank bij van elk proces-verbaal dat wordt opgemaakt voor inbreuken en misdrijven op dit decreet, het verdere gevolg dat aan die processen-verbaal wordt gegeven en de uitvoering van eventuele herstelmaatregelen. Deze databank en de inhoud ervan worden beschouwd als een bestuursdocument, vermeld in artikel I.4, 3°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Onverminderd titel II, hoofdstuk 3, afdeling 4, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 krijgen de personen, vermeld in artikel 6.4.8, eerste lid, op eerste verzoek onmiddellijk toegang tot de benodigde documenten uit deze databank.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de op te nemen informatie in de databanken, vermeld in het eerste en tweede lid, voor de integratie van beide databanken en voor beveiligingsmaatregelen.


Onderafdeling 2.
Herkenningsteken


Art. 6.3.2.

Er kan een herkenningsteken worden aangebracht op beschermde goederen.

De Vlaamse Regering stelt de modellen van het herkenningsteken voor beschermde archeologische sites, beschermde monumenten, beschermde cultuurhistorische landschappen en beschermde stads- en dorpsgezichten vast.


Afdeling 4.
Rechtsgevolgen van een bescherming


Onderafdeling 1.
Actiefbehoudsbeginsel


Art. 6.4.1. De zakelijkrechthouders en gebruikers van een beschermd goed behouden het in goede staat door de nodige instandhoudings-, beveiligings-, beheers-, herstellings- en onderhoudswerken.

Art. 6.4.2. De Vlaamse Regering stelt de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vast. Deze zijn slechts van toepassing voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit.

Onderafdeling 2.
Passiefbehoudsbeginsel


Art. 6.4.3. Het is verboden beschermde goederen te ontsieren, te beschadigen, te vernielen of andere handelingen te stellen die de erfgoedwaarde ervan aantasten.

Onderafdeling 3.
Handelingen aan of in beschermde goederen


Art. 6.4.4. § 1. Handelingen aan of in beschermde goederen opgelijst door de Vlaamse Regering of opgenomen in het beschermingsbesluit waarvoor geen omgevingsvergunning of geen vergunning, geen toelating, geen machtiging, geen ontheffing of geen afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu vereist is, kunnen niet worden aangevat zonder toelating van het agentschap of, in voorkomend geval, van de erkende onroerenderfgoedgemeente waar het beschermde goed ligt tenzij zij zijn vrijgesteld in een overeenkomstig artikel 8.1.1 goedgekeurd beheersplan.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het aanvragen en afleveren van de toelating.

§ 2. Als voor handelingen aan of in beschermde goederen een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden vereist is, wint de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg advies in bij het agentschap overeenkomstig de procedurebepalingen van de VCRO of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. Dit advies heeft de gevolgen als omschreven in artikel 4.3.3 en 4.3.4 van de VCRO. Het advies toetst de voorliggende handelingen aan het actief- en passiefbehoudsbeginsel alsook aan de bepalingen van het individuele beschermingsbesluit van het betrokken onroerend erfgoed.

§ 3. Als voor handelingen aan of in beschermde goederen een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vereist is, wint de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg advies in bij het agentschap overeenkomstig de procedurebepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

Als voor handelingen aan of in beschermde goederen een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu vereist is, wint de overheid die de vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking verleent in eerste aanleg advies in bij het agentschap overeenkomstig de procedurebepalingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

Het advies van het agentschap, vermeld in het eerste en tweede lid, toetst de voorliggende handelingen aan het actief- en passiefbehoudsbeginsel alsook aan de bepalingen van het individuele beschermingsbesluit  en in voorkomend geval aan de beheersdoelstellingen, opgenomen in het goedgekeurde beheersplan van het betrokken onroerend erfgoed.

Het advies van het agentschap, vermeld in het eerste en tweede lid, heeft de volgende rechtsgevolgen :
1° als uit het advies blijkt dat het aangevraagde strijdig is met direct werkende normen binnen het beleidsveld onroerend erfgoed of als dergelijke strijdigheid manifest reeds uit het aanvraagdossier blijkt, wordt de vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking geweigerd of worden in de aan de vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking verbonden voorwaarden waarborgen opgenomen met betrekking tot de naleving van de regelgeving betreffende het onroerend erfgoed. Onder « direct werkende normen » wordt verstaan : supranationale, wetskrachtige, reglementaire of beschikkende bepalingen die op zichzelf volstaan om toepasbaar te zijn, zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is;
2° als uit het advies blijkt dat het aangevraagde onwenselijk is in het licht van doelstellingen of zorgplichten die gehanteerd worden binnen het beleidsveld onroerend erfgoed kan de vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking worden geweigerd. Onder « doelstellingen of zorgplichten » wordt verstaan : internationaalrechtelijke, Europeesrechtelijke, wetskrachtige, reglementaire of beschikkende bepalingen die de overheid bij de uitvoering of de interpretatie van de regelgeving of het voeren van een beleid verplichten tot de inachtneming van een bepaalde doelstelling of van bepaalde voorzorgen, zonder dat deze op zichzelf beschouwd voldoende juridisch duidelijk zijn om onmiddellijk te kunnen worden uitgevoerd.

§ 4. Weigeringen van toelatingen voor de aanleg van elementen van elektronische-communicatienetwerken met hoge snelheid zijn met redenen omkleed op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria.

Elektronische-communicatienetwerken met hoge snelheid zijn transmissiesystemen, schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, zoals niet-actieve netwerkelementen, die het mogelijk maken signalen over te brengen en breedbandtoegangsdiensten te leveren met een snelheid van minstens 30 Mbps via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen, zoals satellietnetwerken, vaste en mobiele terrestrische netwerken, elektriciteitsnetten, als die voor de overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor de transmissie van radio-omroep en televisie, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie. Vaste terrestrische netwerken omvatten circuit- en pakketgeschakelde netwerken, met inbegrip van internet.

Art. 6.4.5. De cultuurgoederen die opgenomen zijn in een besluit tot bescherming van een monument, mogen niet buiten het monument worden verplaatst zonder toelating van het agentschap. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

Art. 6.4.6.

Als het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente de toelating toekent, weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de aanvrager, het agentschap of iedere belanghebbende een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed.

Elke instantie die een administratief beroep behandelt over een beslissing tot toekenning of weigering van een omgevingsvergunning; een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juli 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wint advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed in zoverre het verzoekschrift middelen opwerpt over het advies van het agentschap, vermeld in artikel 6.4.4, § 2 en § 3, of de behandeling van dat advies door de vergunningverlenende overheid. De Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bezorgt het advies overeenkomstig de procedurebepalingen van de betreffende decreten aan de Vlaamse Regering of de instantie die het administratief beroep behandelt. Als het uitvoeren van de vergunning ernstige schade kan toebrengen aan een beschermd goed, kan de Vlaamse Regering het advies van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bindend verklaren.

Het administratief rechtscollege dat jurisdictionele beroepen behandelt over beslissingen tot toekenning of weigering van een omgevingsvergunning; een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juli 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu kan advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als het verzoekschrift middelen opwerpt over de toekenning of weigering van een toelating van handelingen aan of in beschermde goederen.

De Vlaamse Regering regelt de administratieve beroepsprocedure en adviesprocedure, vermeld in het eerste, tweede en derde lid.


Art. 6.4.7.

De sloop van een beschermd monument is verboden.

De Vlaamse Regering kan een toelating verlenen voor de gedeeltelijke sloop van een beschermd monument en voor de gehele of gedeeltelijke sloop of voor het optrekken, plaatsen of herbouwen van een gebouw of constructie in een beschermd stads- en dorpsgezicht als dat de erfgoedwaarde ervan niet wezenlijk aantast. De toelating vermeldt de voorwaarden waaronder de sloop en het optrekken, plaatsen of herbouwen van het gebouw of de constructie worden toegelaten.

De Vlaamse Regering kan bij een wijziging van het besluit tot definitieve bescherming wegens een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, na de vaststelling van het besluit tot voorlopige wijziging een toelating verlenen voor de gehele sloop van een beschermd goed. De toelating vermeldt de voorwaarden waaronder de ontmanteling, de verplaatsing en de heroprichting worden toegelaten.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.


Onderafdeling 4.
Informatieplicht met betrekking tot publiciteit


Art. 6.4.8.

Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een beschermd goed verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een erfpacht of een opstalrecht vestigt of overdraagt of op andere wijze de eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de hieraan verbonden publiciteit dat het onroerend goed beschermd is en de rechtsgevolgen die aan de bescherming verbonden zijn.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen voor de vorm en de modaliteiten van de vermeldingen in de publiciteit en voor de vrijstelling van deze bepalingen voor bepaalde vormen van publiciteit.


Onderafdeling 5.
Informatieplicht onderhandse en authentieke akten


Art. 6.4.9.

Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een beschermd goed verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een erfpacht of een opstalrecht vestigt of overdraagt of op andere wijze de eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de onderhandse of authentieke akte dat het onroerend goed beschermd is en de rechtsgevolgen die aan de bescherming verbonden zijn door een verwijzing naar hoofdstuk 6 van dit decreet en het beschermingsbesluit in de akte op te nemen. De instrumenterend ambtenaar meldt de overdracht aan het agentschap.

Als de instrumenterend ambtenaar een onderhandse akte in een authentieke akte dient op te nemen, waarbij de eerste niet beantwoordt aan de voorschriften van het eerste lid, dan wijst hij de partijen bij de opmaak van de akte op het eerste lid.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de informatieplicht bepalen.


Onderafdeling 6.
Onteigening


Art. 6.4.10.

De Vlaamse Regering en de gemeente op het grondgebied waarvan het beschermd goed ligt, kunnen om redenen van algemeen nut overgaan tot onteigening van een beschermd goed als dat dreigt te vervallen, te worden beschadigd of te worden vernield.

Een autonoom gemeentebedrijf kan door de gemeenteraad van de gemeente op wiens grondgebied het voorwerp van de onteigening zich bevindt, hiertoe gemachtigd worden.


Afdeling 5.
Erfgoedlandschappen


Art. 6.5.1. Op basis van de onroerenderfgoedrichtplannen, vermeld in artikel 7.1.1, of van een vastgestelde inventaris, vermeld in artikel 4.1.1, kunnen in ruimtelijke uitvoeringsplannen erfgoedlandschappen worden afgebakend.

Art. 6.5.2.

Iedereen die werken en handelingen verricht of daarvoor de opdracht verleent, neemt zo veel mogelijk zorg in acht voor de erfgoedwaarden van een erfgoedlandschap, zoals bepaald in het plan dat van toepassing is.

De Vlaamse Regering kan hierover de nadere regelen bepalen.


Art. 6.5.3.

De administratieve overheid mag geen werkzaamheden en handelingen ondernemen, noch toestemming of een vergunning verlenen voor een activiteit die een erfgoedlandschap geheel of gedeeltelijk kan vernietigen of die een betekenisvolle schade kan veroorzaken aan de erfgoedwaarden ervan.

De administratieve overheid moet in al haar beslissingen over eigen werken, over het verlenen van een opdracht daarvoor of over een eigen plan of verordening die een erfgoedlandschap nadelig kunnen beïnvloeden :
1° voorkomen dat aan erfgoedwaarden ervan, zoals bepaald in de vastgestelde landschapsatlas of in het onroerenderfgoedrichtplan dat van toepassing is, schade wordt veroorzaakt;
2° betekenisvolle schade aan de erfgoedwaarden zo veel mogelijk beperken door schadebeperkende maatregelen te nemen.

De administratieve overheid geeft in al haar beslissingen aan hoe ze rekening heeft gehouden met de verplichtingen van dit artikel.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.


Art. 6.5.4. Deze afdeling doet geen afbreuk aan strengere voorschriften voor beschermde goederen.