Afdeling 2.
Sancties


Onderafdeling 1.
Basisbepalingen


Art. 11.2.1. De in artikel 11.2.2, eerste lid 1° tot en met 8°, en artikel 11.2.2, eerste lid, 11°, bepaalde misdrijven worden gestraft door de strafrechter. De in artikel 11.2.4 bepaalde inbreuken worden gestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete. De in artikel 11.2.2, eerste lid, 9° en 10°, bepaalde misdrijven worden bestraft door de strafrechter of met een alternatieve bestuurlijke geldboete.

Onderafdeling 2.
Misdrijven Onroerend Erfgoed


Art. 11.2.2.

De volgende handelingen of nalatigheden worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met een van die straffen alleen :
1° het slopen van een in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed opgenomen onroerend goed zonder over de daartoe vereiste uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen te beschikken;
2° het niet naleven van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud van een voorlopige of definitieve bescherming of het niet naleven van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.1.4, § 2, eerste lid, 8° en 9°, artikel 6.1.14, eerste lid, 8° en 9°, artikel 6.2.5, eerste lid, 7° en 8°, en artikel 6.2.6, eerste lid, 7°;
3° het uitvoeren van overeenkomstig artikel 6.4.4, 6.4.5 of 6.4.7 aan een toelating, stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, milieuvergunning, omgevingsvergunning, machtiging, ontheffing of afwijking onderworpen handeling zonder of in strijd met de toelating, stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, milieuvergunning, omgevingsvergunning, machtiging, ontheffing of afwijking;
4° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 5.1.3, zonder uitvoerbare toelating of in strijd met de code van goede praktijk, de voorwaarden of maatregelen van de toelating, de bekrachtigde archeologienota, de archeologienota waarvan akte is genomen, de bekrachtigde nota of de nota waarvan akte is genomen;
5° het niet aangeven van een toevalsvondst overeenkomstig de bepalingen van artikel 5.1.4 of het niet naleven van de verplichtingen bepaald in dit artikel;
6° het niet naleven van het actiefbehoudsbeginsel, vermeld in artikel 5.2.1, 6.4.1 en 6.4.2;
7° het niet naleven van het passiefbehoudsbeginsel, vermeld in artikel 5.1.1 en 6.4.3;
8° het in stand houden van schade aan erfgoedwaarden, veroorzaakt door de misdrijven, vermeld in dit lid;
9° het voortzetten van handelingen in strijd met het stakingsbevel, bepaald in artikel 11.5.5, tenzij het stakingsbevel ondertussen ingevolge het uitblijven van de bekrachtiging, vermeld in artikel 11.5.5, § 3, is vervallen;
10° het gebruiken van detectoren in strijd met de bepalingen van artikel 5.1.2;
11° het toestaan of aanvaarden door de zakelijkrechthouder dat een van de misdrijven, vermeld in dit lid, wordt gepleegd of in stand gehouden.

De minimumstraffen zijn een gevangenisstraf van vijftien dagen en een geldboete van 2.000 euro of een van die straffen alleen als een misdrijf als vermeld in het eerste lid wordt begaan binnen een termijn van twee jaar na de uitspraak van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest houdende veroordeling wegens een van de misdrijven, vermeld in het eerste lid.


Art. 11.2.3.

De dagvaarding is maar ontvankelijk na de overschrijving in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven dagvaarding of van het overgeschreven exploot ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet.

Een afschrift van de dagvaarding en de eindbeslissing wordt verstuurd aan de gemeente.


Onderafdeling 3.
Inbreuken Onroerend Erfgoed


Art. 11.2.4.

§ 1. De volgende handelingen of nalatigheden worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete van maximaal 10.000 euro :
1° het niet naleven van de informatieplichten, vermeld in artikel 4.1.11, 6.4.8, 6.4.9, 11.4.5, § 2, tweede en derde lid, en artikel 11.5.9, § 2;
2° a) het niet melden door de aangestelde archeoloog van een archeologienota, als vermeld in artikel 5.4.8 en 5.4.12;
b) het niet melden van een nota, als vermeld in artikel 5.4.16;
c) het niet melden van de aanvang van een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, als vermeld in artikel 5.4.14 en 5.5.4, eerste lid;
d) het niet tijdig bezorgen van een archeologierapport, als vermeld in artikel 5.4.20 en 5.5.4, tweede lid;
e) het niet tijdig bezorgen en publiceren van een eindverslag, als vermeld in artikel 5.4.21 en 5.5.4, derde lid;
f) het niet melden van de aanvang van een archeologische opgraving, als vermeld in artikel 5.4.10, 5.4.18 en 5.5.4, eerste lid;;
3° het niet naleven van de plicht tot kennisgeving aan de gebruikers van het onroerend goed en aan de zakelijkrechthouders van de cultuurgoederen, vermeld in artikel 6.1.6, derde lid, 1° en 2°, en artikel 6.1.16, tweede lid, 1° en 2° ;
4° het niet melden van een wijziging van bewaarplaats of zakelijk rechthouder, als vermeld in artikel 5.2.2, en het niet melden van het voornemen, als vermeld in artikel 5.2.3.

Een exclusieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan alle deelnemers aan de inbreuk. Zij wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. De hoogte van de bestuurlijke geldboete wordt afgestemd op de ernst van de inbreuk en eventuele verkregen vermogensvoordelen.

§ 2. Voor de toepassing van dit decreet worden schendingen van artikel 6.5.2 gelijkgesteld met inbreuken, zonder dat zij aanleiding kunnen geven tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete.

§ 3. Op vraag van de vermoedelijke overtreder, kan de boete worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen. Aan dit uitstel kan de voorwaarde worden gekoppeld van het feitelijk herstel van de door de inbreuk veroorzaakte schade in een originele, goede staat binnen de termijn van de proefperiode.

Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf of een nieuwe inbreuk in de zin van dit decreet is gepleegd, met een veroordeling tot een straf of het opleggen van een bestuurlijke geldboete tot gevolg.

Als het aan het uitstel gekoppelde feitelijk herstel niet of niet volledig werd uitgevoerd binnen de proefperiode, kan de inspecteur Onroerend Erfgoed besluiten tot het herroepen van het uitstel. Deze beslissing wordt genomen met inachtneming van de procedure, vermeld in artikel 11.2.5, met dien verstande dat het voornemen tot herroeping van het uitstel aan de overtreder moet worden meegedeeld binnen het jaar na afloop van de proefperiode.


Art. 11.2.5.

§ 1. Na de ontvangst van een verslag van vaststelling bedoeld in artikel 11.3.4 of een proces-verbaal, bedoeld in artikel 11.3.3, waaruit het bestaan van een inbreuk blijkt, kan de inspecteur Onroerend Erfgoed binnen een termijn van zestig dagen de vermoedelijke overtreder of overtreders per beveiligde zending op de hoogte brengen van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen. De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de betekening van dit bericht schriftelijk zijn verweer mee te delen. De mededeling wordt vergezeld van het verslag of proces-verbaal waarop het opleggen van een bestuurlijke geldboete berust.

Tevens wordt de verzoeker erop gewezen dat hij mondeling zijn schriftelijk verweer kan toelichten. De vermoedelijke overtreder richt daartoe aan de inspecteur Onroerend Erfgoed een aanvraag binnen dertig dagen na de betekening.

De inspecteur Onroerend Erfgoed, bedoeld in deze paragraaf, mag nooit zelf de auteur zijn van het verslag of het proces-verbaal van vaststelling. Hij kan deze laatste wel verzoeken om aanvullende inlichtingen te verstrekken, of zelf bijkomende vaststellingen verrichten.

§ 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het bericht beslist de inspecteur Onroerend Erfgoed over het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Deze beslissing wordt per beveiligde zending aan de vermoedelijke overtreder betekend binnen een termijn van tien dagen na de dag waarop zij werd genomen. Het verstrijken van één van deze termijnen maakt het opleggen van een bestuurlijke geldboete voor de inbreuk, zoals ze bleek uit het verslag van vaststelling of het proces-verbaal, onmogelijk.

§ 3. Met inachtneming van de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vermeldt de beslissing minstens het eventueel opgelegde bedrag, de beroepsmogelijkheden en de voorwaarden van het beroep, alsmede de termijn waarbinnen en de manier waarop de exclusieve bestuurlijke geldboete moet worden betaald.

§ 4. Binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de beslissing van de inspecteur Onroerend Erfgoed tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete aan de vermoedelijke overtreder ter kennis wordt gebracht, kan degene aan wie de boete werd opgelegd, beroep indienen bij het handhavingscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgens de procedure voorgeschreven in hoofdstuk 3, afdelingen 1 en 2, en hoofdstuk 4, afdelingen 1 en 2, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het beroep schorst de bestreden beslissing.

§ 5. De vordering tot betaling van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de in paragraaf 2 bedoelde beslissing is opgenomen. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Bij gebrek aan voldoening van de bestuurlijke geldboete en toebehoren vaardigt de inspecteur Onroerend Erfgoed een dwangbevel uit. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die daartoe is aangewezen door de Vlaamse Regering.

Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of ter kennis gebracht per beveiligde zending.

Op het dwangbevel zijn de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.

§ 6. Voor de toepassing van dit artikel wordt de betekening per beveiligde zending geacht te zijn geschied op de derde werkdag na de afgifte ter post.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen ter uitvoering van dit artikel.


Onderafdeling 4.
Alternatieve bestuurlijke geldboete voor bepaalde misdrijven


Art. 11.2.6.

§ 1. Bij de vaststelling van een misdrijf in de zin van artikel 11.2.2, eerste lid, 9° of 10°, bezorgt de verbalisant samen met het proces-verbaal een schriftelijk verzoek aan de procureur des Konings, waarin deze laatste gevraagd wordt zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het misdrijf in de zin van artikel 11.2.2, eerste lid, 9° of 10°. De verbalisant bezorgt, voor zover als mogelijk, de procureur des Konings tevens een overzicht van zowel de vroegere als de tegelijkertijd met het misdrijf in de zin van artikel 11.2.2, eerste lid, 9° of 10°, vastgestelde andere misdrijven en inbreuken, bepaald door dit decreet.

§ 2. De procureur des Konings beschikt voor een beslissing over het verzoek over een periode van honderdtachtig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop hij het proces-verbaal heeft ontvangen. Voor die periode verstreken is, kan ze gemotiveerd eenmalig verlengd worden met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen. Van die verlenging stelt de procureur des Konings de inspecteur Onroerend Erfgoed onmiddellijk in kennis. Tijdens die periode van honderdtachtig dagen, eventueel verlengd met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen, kan er geen bestuurlijke geldboete worden opgelegd.

§ 3. De procureur des Konings deelt zijn beslissing mee aan de inspecteur Onroerend Erfgoed.

Een beslissing houdende strafrechtelijke behandeling sluit het opleggen van een bestuurlijke geldboete uit. Een beslissing houdende geen strafrechtelijke behandeling van het misdrijf in de zin van artikel 11.2.2, eerste lid, 9° of 10°, houdt het verval van de strafvordering met betrekking tot deze misdrijven in, maar laat de strafvordering met betrekking tot andere misdrijven onverminderd bestaan, zelfs in geval van eenheid van opzet.

Het verzuim om een beslissing te nemen binnen de termijnen, bepaald in paragraaf 2, heeft dezelfde gevolgen als een beslissing houdende geen strafrechtelijke behandeling.

§ 4. Een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan alle deelnemers aan de inbreuk. Zij bedraagt maximaal 50.000 euro.

Een opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboete wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. De hoogte van de bestuurlijke geldboete wordt afgestemd op de ernst van het misdrijf en eventuele verkregen vermogensvoordelen. Artikel 11.2.4, § 3, is van overeenkomstige toepassing.

De bestuurlijke geldboete wordt opgelegd en ingevorderd overeenkomstig artikel 11.2.5, met dien verstande dat de termijn van zestig dagen waarbinnen de vermoedelijke overtreder op de hoogte dient te worden gebracht van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, eerst aanvangt na ontvangst van de beslissing, bedoeld in paragraaf 3 of na het verstrijken van de termijnen, bedoeld in paragraaf 2, verlengd met een periode van twintig dagen.