Art. 11.2.4.

§ 1. De volgende handelingen of nalatigheden worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete van maximaal 10.000 euro :
1° het niet naleven van de informatieplichten, vermeld in artikel 4.1.11, 6.4.8, 6.4.9, 11.4.5, § 2, tweede en derde lid, en artikel 11.5.9, § 2;
2° a) het niet melden door de aangestelde archeoloog van een archeologienota, als vermeld in artikel 5.4.8 en 5.4.12;
b) het niet melden van een nota, als vermeld in artikel 5.4.16;
c) het niet melden van de aanvang van een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, als vermeld in artikel 5.4.14 en 5.5.4, eerste lid;
d) het niet tijdig bezorgen van een archeologierapport, als vermeld in artikel 5.4.20 en 5.5.4, tweede lid;
e) het niet tijdig bezorgen en publiceren van een eindverslag, als vermeld in artikel 5.4.21 en 5.5.4, derde lid;
f) het niet melden van de aanvang van een archeologische opgraving, als vermeld in artikel 5.4.10, 5.4.18 en 5.5.4, eerste lid;;
3° het niet naleven van de plicht tot kennisgeving aan de gebruikers van het onroerend goed en aan de zakelijkrechthouders van de cultuurgoederen, vermeld in artikel 6.1.6, derde lid, 1° en 2°, en artikel 6.1.16, tweede lid, 1° en 2° ;
4° het niet melden van een wijziging van bewaarplaats of zakelijk rechthouder, als vermeld in artikel 5.2.2, en het niet melden van het voornemen, als vermeld in artikel 5.2.3.

Een exclusieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan alle deelnemers aan de inbreuk. Zij wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. De hoogte van de bestuurlijke geldboete wordt afgestemd op de ernst van de inbreuk en eventuele verkregen vermogensvoordelen.

§ 2. Voor de toepassing van dit decreet worden schendingen van artikel 6.5.2 gelijkgesteld met inbreuken, zonder dat zij aanleiding kunnen geven tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete.

§ 3. Op vraag van de vermoedelijke overtreder, kan de boete worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen. Aan dit uitstel kan de voorwaarde worden gekoppeld van het feitelijk herstel van de door de inbreuk veroorzaakte schade in een originele, goede staat binnen de termijn van de proefperiode.

Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf of een nieuwe inbreuk in de zin van dit decreet is gepleegd, met een veroordeling tot een straf of het opleggen van een bestuurlijke geldboete tot gevolg.

Als het aan het uitstel gekoppelde feitelijk herstel niet of niet volledig werd uitgevoerd binnen de proefperiode, kan de inspecteur Onroerend Erfgoed besluiten tot het herroepen van het uitstel. Deze beslissing wordt genomen met inachtneming van de procedure, vermeld in artikel 11.2.5, met dien verstande dat het voornemen tot herroeping van het uitstel aan de overtreder moet worden meegedeeld binnen het jaar na afloop van de proefperiode.