Art. 11.3.3.

Onverminderd de bevoegdheden van de agenten en de officieren van gerechtelijke politie zijn de inspecteur Onroerend Erfgoed en de andere door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren van het Vlaamse Gewest, bevoegd om de misdrijven omschreven in dit hoofdstuk op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal. Hetzelfde geldt voor de personeelsleden van de gemeenten of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, daartoe aangesteld door het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden. De processen-verbaal waarin de misdrijven omschreven in dit hoofdstuk worden vastgesteld, gelden tot bewijs van het tegendeel.

De agenten, officieren van de gerechtelijke politie en ambtenaren, vermeld in het eerste lid, hebben toegang tot de beschermde goederen, erfgoedlandschappen en archeologische sites en tot onroerende goederen waar zich archeologische artefacten kunnen bevinden, om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten.

Als die verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen, mogen ze alleen worden uitgevoerd op voorwaarde dat de politierechter daartoe een machtiging heeft verstrekt.

Om misdrijven omschreven in dit hoofdstuk op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal, krijgen de inspecteurs Onroerend Erfgoed de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.

Een afschrift van het proces-verbaal wordt altijd gericht aan de vermoedelijke overtreders, de inspecteur Onroerend Erfgoed, het agentschap en de gemeente op wiens grondgebied deze handelingen werden uitgevoerd of waar dit gebruik plaatsvond.