Art. 11.5.11.

1. De inspecteur Onroerend Erfgoed die bestuursdwang heeft toegepast, kan van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de daartoe door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaar en wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend.

2. Binnen een termijn van dertig dagen na de dag van betekening van het dwangbevel kan de overtreder dat dwangbevel aanvechten door dagvaarding van het Vlaamse Gewest voor de beslagrechter van het arrondissement van de plaats waar de goederen liggen.

Het aanvechten van dat dwangbevel schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Op verzoek van de inspecteur Onroerend Erfgoed namens het Vlaamse Gewest kan de beslagrechter voorafgaand aan de behandeling van het verzet de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Als hij het beroep in de zin van artikel 11.5.8 kennelijk gegrond acht, kan de beslagrechter de schorsing, vermeld in het tweede lid van deze paragraaf, handhaven tot aan de definitieve uitspraak over dat beroep.