HOOFDSTUK 12.
Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen


Afdeling 1.
Wijzigingsbepalingen


Onderafdeling 1.
Wijziging van het Bosdecreet van 13 juni 1990


Art. 12.1.1. Aan artikel 20 van het Bosdecreet van 13 juni 1990, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Art. 12.1.4. Aan artikel 44, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Art. 12.1.5. In artikel 50 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Art. 12.1.6. In artikel 81 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt tussen het vierde en het vijfde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het vierde lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Art. 12.1.7. Aan artikel 97 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 3. Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in de paragrafen 1 en 2, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Onderafdeling 2.
Wijzigingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten


Art. 12.1.8. In artikel 4, vijfde lid, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten wordt punt 2° opgeheven.

Art. 12.1.9. In artikel 11 van hetzelfde decreet wordt punt 4° opgeheven.

Onderafdeling 3.
Wijzigingen van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996


Art. 12.1.10. In artikel 42, § 2, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, laatst gewijzigd bij het decreet van 29 april 2011, wordt punt 2° opgeheven.

Art. 12.1.11. In artikel 71, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede « zoals bedoeld in artikel 11, § 8, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten » vervangen door de woorden « als vermeld in artikel 10.2.1, 1°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 ».

Onderafdeling 4.
Wijzigingen van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu


Art. 12.1.12. Aan artikel 25, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2002 en 19 mei 2006, wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een ontheffing zoals bedoeld in § 3, 2°, van dit artikel, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Art. 12.1.13. Aan artikel 34, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2002 en 19 mei 2006, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Als voor een onroerend goed naast een beheersplan als vermeld in het eerste lid ook een beheersplan in het kader van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 wordt opgemaakt, worden alle beheersdoelstellingen in één beheersplan geïntegreerd. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de nadere regels. ».

Art. 12.1.14. Aan artikel 35, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2002 en 19 mei 2006, wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een ontheffing zoals vermeld in het vierde en het vijfde lid van paragraaf 2 van dit artikel, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Art. 12.1.15. In artikel 49, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 12 december 2008, wordt de zinsnede « het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg » vervangen door de zinsnede « het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 ».

Art. 12.1.16. In artikel 56 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2002 en 19 mei 2006, wordt tussen het vijfde en het zesde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een afwijking zoals vermeld in het eerste lid van dit artikel, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Onderafdeling 5.
Wijzigingen van het decreet van 3 februari 1998 houdende vaststelling van het wapen van privépersonen en instellingen


Art. 12.1.17. In artikel 2 van het decreet van 3 februari 1998 houdende vaststelling van het wapen van privépersonen en instellingen, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006 en 27 april 2007, wordt punt 5° vervangen door wat volgt :
« 5° de commissie : de Vlaamse Heraldische Raad; ».

Art. 12.1.18. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006 en 27 april 2007, wordt een hoofdstuk III/l ingevoegd, dat luidt als volgt :
« HOOFDSTUK III/l. - Vlaamse Heraldische Raad ».

Art. 12.1.19. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006 en 27 april 2007, wordt in hoofdstuk III/l, ingevoegd bij artikel 12.1.18, een artikel 8/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 8/1. Er wordt een Vlaamse adviescommissie voor heraldiek opgericht onder de benaming Vlaamse Heraldische Raad. ».

Art. 12.1.20. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006 en 27 april 2007, wordt in hetzelfde hoofdstuk III/l, een artikel 8/2 ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 8/2. De Vlaamse Regering :
1° bepaalt de samenstelling, organisatie en werking van de Vlaamse Heraldische Raad;
2° benoemt de leden en plaatsvervangers van de Vlaamse Heraldische Raad;
3° stelt de nodige middelen ter beschikking van de Vlaamse Heraldische Raad;
4° stelt een huishoudelijk reglement vast na de Vlaamse Heraldische Raad te hebben gehoord. ».

Art. 12.1.21. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006 en 27 april 2007, wordt in hetzelfde hoofdstuk III/l een artikel 8/3 ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 8/3. Het secretariaat van de Vlaamse Heraldische Raad wordt uitgevoerd door het secretariaat van de strategische adviesraad opgericht bij het decreet van 10 maart 2006 houdende oprichting van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering kan daarover nadere regels bepalen. ».

Art. 12.1.22. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006 en 27 april 2007, wordt in hetzelfde hoofdstuk III/l een artikel 8/4 ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 8/4. De Vlaamse Heraldische Raad verstrekt adviezen in de gevallen en rekening houdend met de termijnen, vermeld in dit decreet. ».

Onderafdeling 6.
Wijzigingen van het decreet van 8 december 1998 houdende diverse bepalingen naar aanleiding van de begrotingscontrole 1998


Art. 12.1.23. In artikel 1 van het decreet van 8 december 1998 houdende diverse bepalingen naar aanleiding van de begrotingscontrole 1998 wordt de zinsnede « artikel 11, § 8, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten » vervangen door de zinsnede « artikel 10.2.1, 1°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 ».

Onderafdeling 7.
Wijzigingen aan het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed


Art. 12.1.24. In artikel 2 van het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt punt 5° vervangen door wat volgt :
« 5° de commissie : de Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed. ».

Art. 12.1.25. Aan hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt een hoofdstuk VI toegevoegd, dat luidt als volgt :
« HOOFDSTUK VI. - Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed ».

Art. 12.1.26. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt in hoofdstuk VI, toegevoegd bij artikel 12.1.25, een artikel 14 toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 14. Er wordt een Vlaamse adviescommissie voor het varend erfgoed opgericht onder de benaming Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed. ».

Art. 12.1.27. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt aan hetzelfde hoofdstuk VI een artikel 15 toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 15. De Vlaamse Regering :
1° bepaalt de samenstelling, organisatie en werking van de Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed;
2° benoemt de leden en plaatsvervangers van de Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed;
3° stelt de nodige middelen ter beschikking van de Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed. ».

Art. 12.1.28. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt aan hetzelfde hoofdstuk VI een artikel 16 toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 16. Het secretariaat van de Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed wordt uitgevoerd door het secretariaat van de strategische adviesraad opgericht bij het decreet van 10 maart 2006 houdende oprichting van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering kan hierover de nadere regels bepalen. ».

Art. 12.1.29. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt aan hetzelfde hoofdstuk VI een artikel 17 toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 17. De Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed stelt haar huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering. ».

Art. 12.1.30. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt aan hetzelfde hoofdstuk VI een artikel 18 toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 18. De Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed verstrekt adviezen in de gevallen en rekening houdend met de termijnen, vermeld in dit decreet. ».

Onderafdeling 8.
Wijzigingen aan het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang


Art. 12.1.31. Artikel 3, § 2, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang wordt vervangen door wat volgt :
« § 2. Op de roerende goederen die reeds beschermd zijn op grond van Vlaamse regelgeving of regelgeving van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest inzake onroerend erfgoed, en die ook zijn opgenomen in de lijst, zijn artikel 8 tot 10 van dit decreet slechts van toepassing als de Vlaamse Regering dit uitdrukkelijk bepaalt. ».

Onderafdeling 9.
Wijzigingen aan het decreet van 10 maart 2006 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed


Art. 12.1.32. In artikel 6, eerste lid, van het decreet van 10 maart 2006 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed, gewijzigd bij het decreet van 18 november 2011, wordt de zinsnede « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, vermeld in het decreet van 3 maart 1976 houdende bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, of een van haar afdelingen » vervangen door « de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed ».

Onderafdeling 10.
Wijzigingen aan het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen


Art. 12.1.33. In artikel 20, § 3, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen wordt punt 3° opgeheven.

Onderafdeling 11.
Wijzigingen aan het decreet van 27 april 2007 houdende vaststelling van het wapen en de vlag van de provincies, gemeenten en districten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie


Art. 12.1.34. In artikel 3, § 3, eerste lid, van het decreet van 27 april 2007 houdende vaststelling van het wapen en de vlag van de provincies, gemeenten en districten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden de woorden « de afdeling Heraldiek van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » vervangen door de woorden « de Vlaamse Heraldische Raad ».

Onderafdeling 12.
Wijzigingen aan het decreet van 29 juni 2007 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2007


Art. 12.1.35. In artikel 18 van het decreet van 29 juni 2007 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2007 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
« De ontvangsten die voortvloeien uit herstelvorderingen, dwangsommen, administratieve geldboeten, recuperatie van de kosten van een ambtshalve uitvoering en van alle ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van andere handhavingsmaatregelen op grond van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 worden toegewezen aan de DAB Herstelfonds, vermeld in artikel 6.1.56 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009. De ontvangsten van de DAB Herstelfonds kunnen tevens aangewend worden voor het verrichten van uitgaven die betrekking hebben op de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. ».

Onderafdeling 13.
Wijziging van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid


Art. 12.1.36. In artikel 3.2.21, tweede lid, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid worden punt 3° en punt 4° opgeheven.

Onderafdeling 14.
Wijzigingen aan het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2009


Art. 12.1.37. In artikel 34 van het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2009 wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
« § 1. Vanaf het werkingsjaar 2009 worden de volgende decreten uitgevoerd binnen de perken van de op de begroting goedgekeurde kredieten : 1° het decreet van 28 april 1998 betreffende het Vlaamse integratiebeleid; 2° het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. ».

Onderafdeling 15.
Wijzigingen aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening


Art. 12.1.38. Aan artikel 2.2.2, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Als een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een overzicht bevat van de geheel of gedeeltelijk gewijzigde of opgeheven erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten genomen bij toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 dan worden er in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in voorkomend geval de gegevens vermeld in artikel 6.2.5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 opgenomen met uitzondering van de aanduiding van de plaats van de aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek op het gegeorefereerd plan. ».

Art. 12.1.39. Aan artikel 2.2.7, § 2, van dezelfde codex wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Als in het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een erkennings-, rangschikkings- of beschermingsbesluit genomen bij toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg of het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd of opgeheven, wordt het ontwerp per beveiligde zending aan de natuurlijke personen en rechtspersonen die houder zijn van het recht van eigendom, erfpacht, opstal, leasing of vruchtgebruik van de betrokken beschermde onroerende goederen ter kennis gebracht. Die personen stellen de gebruikers in kennis van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de kennisgeving. Ze stellen de administratie per beveiligde zending in kennis van de eventuele verkoop, overdracht van het eigendomsrecht of overdracht van een ander zakelijk recht, vergezeld van de nodige stavingsdocumenten, binnen een termijn van tien dagen, ingaand de dag na deze van de kennisgeving. Deze verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld. De nieuwe eigenaars worden op hun beurt van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in kennis gesteld. ».

Art. 12.1.40. Aan artikel 2.2.8 van dezelfde codex wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Als in het definitief vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een erkennings-, rangschikkings- of beschermingsbesluit genomen bij toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg of het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd of opgeheven, wordt het ontwerp per beveiligde zending aan eigenaar, blote eigenaar, erfpachthouders, opstalhouder en leasinggever van de betrokken beschermde onroerende goederen ter kennis gebracht. Die personen stellen de gebruikers in kennis van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de kennisgeving. Ze stellen de administratie per beveiligde zending in kennis van de eventuele verkoop, overdracht van het eigendomsrecht of overdracht van een ander zakelijk recht, vergezeld van de nodige stavingsdocumenten, binnen een termijn van tien dagen, ingaand de dag na deze van de kennisgeving. Deze verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld. De nieuwe eigenaars worden op hun beurt van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in kennis gesteld. ».

Art. 12.1.41. In artikel 3.1.2, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punten 1°, 4° en 7°, worden opgeheven;
2° er wordt een punt 13° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 13° het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. ».

Art. 12.1.42. In artikel 4.7.16, § 1, tweede lid, van dezelfde codex wordt de zinsnede « of in artikel 11, § 4, vierde lid, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- of dorpsgezichten » opgeheven.

Afdeling 2.
Opheffingsbepalingen


Art. 12.2.1. De volgende regelingen worden opgeheven :
1° de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen;
2° het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het laatst gewijzigd bij het decreet van 27 maart 2009;
3° het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 28 februari 2003, 10 maart 2006 en 27 maart 2009;
4° het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 8 december 2000, 21 december 2001, 19 juli 2002, 13 februari 2004, 10 maart 2006, 16 juni 2006 en 27 maart 2009.

Afdeling 3.
Overgangsbepalingen


Onderafdeling 1.
Lopende beschermingsprocedures


Art. 12.3.1. De onder het stelsel van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium en het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg begonnen beschermingsprocedures worden voortgezet overeenkomstig voormelde decreten. Als op het moment van de inwerkingtreding van hoofdstuk 3, afdeling 1, van dit decreet het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen nog niet ter kennis werd gebracht, wordt het advies tijdens de voorlopige bescherming aan de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed gevraagd.

Onderafdeling 2.
Oude beschermingsbesluiten


Art. 12.3.2.

De besluiten tot bescherming als monument genomen bij toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen of het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vastgesteld overeenkomstig artikel 6.4.2 voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit en de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als monument.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als archeologische site, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht en er de rechtsgevolgen van een bescherming als archeologische site, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht overeenkomstig dit decreet aan koppelen.


Art. 12.3.3. De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld voor de bescherming in artikel 6.1.2, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.7, 6.1.13, 6.1.15, 6.1.16, 6.1.17 en 6.1.18.

Art. 12.3.4. De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan de voorlopige omzetting advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed.

Art. 12.3.5.

Het besluit tot voorlopige omzetting bevat minstens de volgende gegevens :
1° het opschrift van het besluit dat omgezet wordt;
2° de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit dat omgezet wordt;
3° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop het beschermde goed zich bevindt;
4° de redenen van omzetting;
5° een beschrijving van de impact op de beheersdoelstellingen, een beschrijving van de impact op de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud.

Bij elk besluit tot omzetting worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het beschermde goed na omzetting nauwkeurig wordt afgelijnd en waarop de plaats van aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot omzetting zijn opgenomen, nader omschrijven of uitbreiden.


Art. 12.3.6.

Het besluit tot definitieve omzetting bevat minstens de volgende gegevens :
1° het opschrift van het besluit dat omgezet wordt;
2° de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit dat omgezet wordt;
3° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop het beschermde goed zich bevindt;
4° de redenen van omzetting;
5° een beschrijving van de impact op de beheersdoelstellingen, een beschrijving van de impact op de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud.

Bij elk besluit tot definitieve omzetting worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het beschermde goed na omzetting nauwkeurig wordt afgelijnd en waarop de plaats van de aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed;
4° een document waaruit de behandeling van de bezwaren blijkt.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot definitieve omzetting of in de bijlagen zijn opgenomen nader omschrijven of uitbreiden.


Art. 12.3.7. Tot de vaststelling van het besluit tot definitieve omzetting blijven de rechtsgevolgen van het vorige besluit tot definitieve bescherming van kracht. De rechtsgevolgen van een besluit tot omzetting zijn van toepassing :
1° op de zakelijkrechthouders vanaf de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.16;
2° op de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen vanaf de kennisgeving door de zakelij krechthouders, vermeld in artikel 6.1.16;
3° op iedereen vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.15.

Art. 12.3.8.

De besluiten tot bescherming als landschap genomen in toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vastgesteld overeenkomstig artikel 6.4.2 voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit en de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als cultuurhistorisch landschap.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als archeologische site, monument of stads- en dorpsgezicht en er de rechtsgevolgen van een bescherming als archeologische site, monument of stads- en dorpsgezicht overeenkomstig dit decreet aan koppelen.

De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in de artikelen 12.3.3 tot en met 12.3.7.


Art. 12.3.9.

De besluiten tot bescherming als stads- of dorpsgezicht in de zin van artikel 2, 3°, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten voor de wijziging bij het decreet van 22 februari 1995, de besluiten als stads- of dorpsgezicht in de zin van artikel 2, 3°, eerste streepje, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten na de wijziging bij het decreet van 22 februari 1995 behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als stads- en dorpsgezicht.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als archeologische site, monument of cultuurhistorisch landschap en er de rechtsgevolgen van een bescherming als archeologische site, monument of cultuurhistorisch landschap overeenkomstig dit decreet aan koppelen.

De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in de artikelen 12.3.3 tot en met 12.3.7.


Art. 12.3.10.

De besluiten tot bescherming als stads- of dorpsgezicht in de zin van artikel 2, 3°, tweede streepje, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vastgesteld overeenkomstig artikel 6.4.2 voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit en de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als overgangszone bij een monument.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als cultuurhistorisch landschap en er de rechtsgevolgen van een bescherming als cultuurhistorisch landschap overeenkomstig dit decreet aan koppelen.

De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in de artikelen 12.3.3 tot en met 12.3.7.


Art. 12.3.11.

De besluiten tot bescherming als archeologisch monument of als archeologische zone genomen bij toepassing van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vastgesteld overeenkomstig artikel 6.4.2 voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit en de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als archeologische site.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als monument, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht en er de rechtsgevolgen van een bescherming als monument, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht overeenkomstig dit decreet aan koppelen.

De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in de artikelen 12.3.3 tot en met 12.3.7.


Onderafdeling 3.
Premies


Art. 12.3.12. De aanvragen van een premie overeenkomstig het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium die bij het agentschap per beveiligde zending ter kennis werden gebracht voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 10, afdeling 2, worden afgehandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum met uitzondering van de kwaliteitseisen voor de uitvoering van de beheersmaatregelen, werkzaamheden en diensten. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de kwaliteitseisen.

Voor de in het eerste lid vermelde aanvragen voor een premie voor beschermde monumenten die bestemd zijn voor een erkende eredienst kan geen premie worden toegekend zolang er geen actueel kerkenbeleidsplan aan het agentschap is bezorgd. Als het agentschap op 1 oktober 2017 geen kennis heeft genomen van een actueel kerkenbeleidsplan, moet een nieuwe premieaanvraag overeenkomstig artikel 10.2.1 worden ingediend.

Voor de berekening van de restauratiepremie op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten wordt de aanvaarde kostenraming niet vermeerderd met de btw.

Art. 12.3.12/1. Meerjarige subsidiëringsovereenkomsten als vermeld in artikel 11, § 8, tweede lid, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en gesloten uiterlijk op 31 december 2014 overeenkomstig afdeling VI/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten, kunnen in onderlinge overeenstemming gewijzigd worden door middel van addenda en dit overeenkomstig de regels die golden voor de inwerkingtreding van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.

Onderafdeling 4.
Beheersplannen beschermde landschappen en erfgoedlandschappen


Art. 12.3.13. De herwaarderingsplannen goedgekeurd overeenkomstig het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en de beheersplannen opgemaakt overeenkomstig het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven. Ten aanzien van deze beheersplannen gelden alle gevolgen die dit decreet verbindt aan de beheersplannen, vermeld in hoofdstuk 8.

Onderafdeling 5.
Vergunningsaanvragen en beroepsprocedures


Art. 12.3.14.

Behoudens andersluidende bepalingen is dit decreet vanaf de datum van inwerkingtreding van toepassing op alle toelatings-, vergunnings- en beroepsprocedures, vermeld in dit decreet, in de stand waarin zij zich bevinden.

Beslissingen van het agentschap tot toekenning of weigering van een machtiging of schriftelijke vergunning voor werken waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is betreffende beschermde monumenten, constructies binnen beschermde stads- en dorpsgezichten, beschermde landschappen, beschermde archeologische monumenten en beschermde archeologische zones, genomen voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.

Als er in de in het tweede lid omschreven gevallen voor beschermde monumenten en constructies binnen beschermde stads- en dorpsgezichten bij het instellen van het georganiseerd administratief beroep bij de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 11, § 4/1, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten nog geen advies van de expertencommissie is verleend en hoofdstuk 3, afdeling 1, is al in werking getreden, wint de Vlaamse Regering het advies in van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies heeft de gevolgen als omschreven in artikel 11, § 4/1, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en de bijhorende uitvoeringsbesluiten.

Aanvragen voor de in het tweede lid opgesomde machtigingen en vergunningen die bij het agentschap werden betekend voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, maar waarover het agentschap nog niet heeft beslist als het hoofdstuk 6 in werking treedt, worden behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. Die genomen beslissingen kunnen worden bestreden overeenkomstig artikel 6.4.6, eerste lid.

Meldingen van werken betreffende niet als monument beschermde constructies binnen beschermde stads- of dorpsgezichten waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is, overeenkomstig artikel 11, § 4, derde lid, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, worden behandeld overeenkomstig de procedureregels die golden voorafgaand aan die datum. Als het college van burgemeester en schepenen van oordeel is dat er voor de aangemelde werken een machtiging vereist is, gelden de regels overeenkomstig het tweede, derde en vierde lid van dit artikel.

Beslissingen tot toekenning of weigering van een omgevingsvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin een machtiging of vergunning geweigerd of verleend wordt voor werken betreffende beschermde monumenten, constructies binnen beschermde stads- en dorpsgezichten, beschermde landschappen en beschermde archeologische monumenten en beschermde archeologische zones, genomen voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, worden wat die werken betreft bekendgemaakt en kunnen uitgevoerd en bestreden worden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.

Aanvragen voor een omgevingsvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin ook moet geoordeeld worden over werken betreffende beschermde monumenten, constructies binnen beschermde stads- en dorpsgezichten, beschermde landschappen, beschermde archeologische monumenten en beschermde archeologische zones en die betekend werden voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, maar waarover de vergunningverlenende overheid nog niet heeft beslist bij de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, worden behandeld overeenkomstig de procedureregels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. Die genomen beslissingen kunnen worden bestreden overeenkomstig artikel 6.4.6, tweede lid.

Als er voor beschermde monumenten en constructies binnen stads- en dorpsgezichten bij het instellen van het beroep nog geen advies van de expertencommissie is verleend en hoofdstuk 3, afdeling 1, is al in werking getreden, wint de Vlaamse Regering het advies in van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies heeft de gevolgen als omschreven in artikel 11, § 4/2, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en de bijhorende uitvoeringsbesluiten.

Beslissingen over schriftelijke vergunningen om archeologische opgravingen, prospecties met ingrepen in de bodem en graafwerken uit te voeren en om detectoren te gebruiken met de bedoeling onroerende archeologische monumenten op te sporen en vrij te leggen en roerende archeologische monumenten te verzamelen of uit hun originele context te verwijderen, genomen overeenkomstig het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 5 van dit decreet, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.

Aanvragen voor schriftelijke vergunningen voor de in het vorige lid omschreven ingrepen die werden betekend voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 5 van dit decreet worden behandeld, bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.


Onderafdeling 6.
Ankerplaatsen en erfgoedlandschappen


Art. 12.3.15.

De ankerplaatsen definitief aangeduid overeenkomstig het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg worden beschouwd als een vaststelling van de landschapsatlas als vermeld in hoofdstuk 4 van dit decreet en als onroerenderfgoedrichtplannen als vermeld in hoofdstuk 7 van dit decreet. Voor die ankerplaatsen geldt de motiverings- en zorgplicht, vermeld in artikel 4.1.9 van dit decreet.

De ankerplaatsen voorlopig aangeduid overeenkomstig het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg kunnen overeenkomstig dat decreet definitief worden aangeduid.


Art. 12.3.16. De erfgoedlandschappen afgebakend overeenkomstig het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg worden beschouwd als erfgoedlandschap in de zin van dit decreet.

Onderafdeling 7.
Inspecteurs Onroerend Erfgoed


Art. 12.3.17.

De ambtenaren, vermeld in artikel 14 en 15 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, artikel 30 tot en met 32 en 37 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium en artikel 40 en 42 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, behouden hun respectieve bevoegdheden van opsporing, vaststelling, herstelvordering en uitvoering van gerechtelijke titels met overeenkomstige toepassing met afdelingen 3 en 4 zolang de inspecteurs Onroerend Erfgoed nog niet zijn benoemd.

Zodra de inspecteurs Onroerend Erfgoed benoemd zijn, nemen zij de bevoegdheden van de ambtenaren, vermeld in het eerste lid, over. Zij zetten de herstelvorderingen voort die door de daartoe gemachtigde ambtenaren reeds werden ingeleid bij het parket of aanhangig gemaakt bij de burgerlijke rechter, en dragen zorg voor de uitvoering van gerechtelijke titels, gewezen onder gelding van de decreten, vermeld in het eerste lid, en de wetten en de decreten die vervangen zijn door de bedoelde decreten.

De stakingsbevelen, regelmatig gegeven en gehandhaafd onder gelding van de decreten, vermeld in het eerste lid, verkrijgen dezelfde rechtsgevolgen als omschreven in hoofdstuk 11, afdeling 5, onderafdeling 2.


Onderafdeling 8.
Inventaris bouwkundig erfgoed


Art. 12.3.18.

De bestaande reglementaire gevolgen van de inventaris bouwkundig erfgoed, vastgesteld door de administrateur-generaal van het agentschap Onroerend Erfgoed op basis van artikel 12/1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten blijven van kracht totdat hoofdstuk 4 van dit decreet en dit artikel in werking treden.

De laatste vaststelling van de inventaris bouwkundig erfgoed bij besluit van de administrateur-generaal van het agentschap Onroerend Erfgoed op basis van artikel 12/1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten voorafgaand aan de inwerkingtreding van hoofdstuk 4 van dit decreet, geldt als vaststelling overeenkomstig artikel 4.1.1. Artikel 4.1.9 is op deze inventaris enkel van toepassing voor de goederen die aan een openbaar onderzoek overeenkomstig artikel 4.1.3 zijn onderworpen.


Onderafdeling 9.
Informatieplicht met betrekking tot publiciteit en onderhandse en authentieke akten


Art. 12.3.19. Artikel 4.1.11 en 6.4.9 zijn pas van toepassing op de onderhandse en authentieke akten afgesloten na de datum van inwerkingtreding van het decreet.

Onderafdeling 10.
Bestaande reglementaire bepalingen


Art. 12.3.20. De bestaande reglementaire bepalingen die onder het toepassingsgebied van dit decreet vallen en niet zonder voorwerp noch in tegenstrijd zijn met dit decreet, blijven van kracht totdat ze worden gewijzigd, opgeheven of vervangen door besluiten genomen ter uitvoering van dit decreet.

[Onderafdeling 11.
Bekrachtiging van de archeologienota of nota en de melding van het voornemen van een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem (ing. Decr. 13 juli 2018, art. 64, I: 1 april 2019)]


Art. 12.3.21. De bekrachtiging van een archeologienota of een nota overeenkomstig de bepalingen die golden voor de datum van de inwerkingtreding van dit artikel, wordt gelijkgesteld met een aktename van een gemelde archeologienota of nota.

Art. 12.3.22. De melding van het voornemen om een archeologisch onderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren, gemeld overeenkomstig de bepalingen die golden voor de datum van de inwerkingtreding van dit artikel, en waarbij die melding niet werd geweigerd door het agentschap of in voorkomend geval de onroerenderfgoedgemeente, wordt gelijkgesteld met een toelating om een archeologisch vooronderzoek uit te voeren met ingreep in de bodem.

Afdeling 4.
Inwerkingtreding


Art. 12.4.1. Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering per artikel te bepalen datum.

Art. 12.4.2. Hoofdstuk 5 en artikel 12.2.1, 3°, treden in werking op de datum bepaald in het besluit houdende de vaststelling van lijst van aangeduide erkende archeologen.