Afdeling 3.
Overgangsbepalingen


Onderafdeling 1.
Lopende beschermingsprocedures


Art. 12.3.1. De onder het stelsel van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium en het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg begonnen beschermingsprocedures worden voortgezet overeenkomstig voormelde decreten. Als op het moment van de inwerkingtreding van hoofdstuk 3, afdeling 1, van dit decreet het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen nog niet ter kennis werd gebracht, wordt het advies tijdens de voorlopige bescherming aan de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed gevraagd.

Onderafdeling 2.
Oude beschermingsbesluiten


Art. 12.3.2.

De besluiten tot bescherming als monument genomen bij toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen of het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vastgesteld overeenkomstig artikel 6.4.2 voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit en de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als monument.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als archeologische site, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht en er de rechtsgevolgen van een bescherming als archeologische site, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht overeenkomstig dit decreet aan koppelen.


Art. 12.3.3. De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld voor de bescherming in artikel 6.1.2, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.7, 6.1.13, 6.1.15, 6.1.16, 6.1.17 en 6.1.18.

Art. 12.3.4. De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan de voorlopige omzetting advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed.

Art. 12.3.5.

Het besluit tot voorlopige omzetting bevat minstens de volgende gegevens :
1° het opschrift van het besluit dat omgezet wordt;
2° de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit dat omgezet wordt;
3° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop het beschermde goed zich bevindt;
4° de redenen van omzetting;
5° een beschrijving van de impact op de beheersdoelstellingen, een beschrijving van de impact op de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud.

Bij elk besluit tot omzetting worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het beschermde goed na omzetting nauwkeurig wordt afgelijnd en waarop de plaats van aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot omzetting zijn opgenomen, nader omschrijven of uitbreiden.


Art. 12.3.6.

Het besluit tot definitieve omzetting bevat minstens de volgende gegevens :
1° het opschrift van het besluit dat omgezet wordt;
2° de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit dat omgezet wordt;
3° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop het beschermde goed zich bevindt;
4° de redenen van omzetting;
5° een beschrijving van de impact op de beheersdoelstellingen, een beschrijving van de impact op de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud.

Bij elk besluit tot definitieve omzetting worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het beschermde goed na omzetting nauwkeurig wordt afgelijnd en waarop de plaats van de aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed;
4° een document waaruit de behandeling van de bezwaren blijkt.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot definitieve omzetting of in de bijlagen zijn opgenomen nader omschrijven of uitbreiden.


Art. 12.3.7. Tot de vaststelling van het besluit tot definitieve omzetting blijven de rechtsgevolgen van het vorige besluit tot definitieve bescherming van kracht. De rechtsgevolgen van een besluit tot omzetting zijn van toepassing :
1° op de zakelijkrechthouders vanaf de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.16;
2° op de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen vanaf de kennisgeving door de zakelij krechthouders, vermeld in artikel 6.1.16;
3° op iedereen vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.15.

Art. 12.3.8.

De besluiten tot bescherming als landschap genomen in toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vastgesteld overeenkomstig artikel 6.4.2 voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit en de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als cultuurhistorisch landschap.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als archeologische site, monument of stads- en dorpsgezicht en er de rechtsgevolgen van een bescherming als archeologische site, monument of stads- en dorpsgezicht overeenkomstig dit decreet aan koppelen.

De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in de artikelen 12.3.3 tot en met 12.3.7.


Art. 12.3.9.

De besluiten tot bescherming als stads- of dorpsgezicht in de zin van artikel 2, 3°, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten voor de wijziging bij het decreet van 22 februari 1995, de besluiten als stads- of dorpsgezicht in de zin van artikel 2, 3°, eerste streepje, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten na de wijziging bij het decreet van 22 februari 1995 behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als stads- en dorpsgezicht.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als archeologische site, monument of cultuurhistorisch landschap en er de rechtsgevolgen van een bescherming als archeologische site, monument of cultuurhistorisch landschap overeenkomstig dit decreet aan koppelen.

De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in de artikelen 12.3.3 tot en met 12.3.7.


Art. 12.3.10.

De besluiten tot bescherming als stads- of dorpsgezicht in de zin van artikel 2, 3°, tweede streepje, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vastgesteld overeenkomstig artikel 6.4.2 voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit en de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als overgangszone bij een monument.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als cultuurhistorisch landschap en er de rechtsgevolgen van een bescherming als cultuurhistorisch landschap overeenkomstig dit decreet aan koppelen.

De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in de artikelen 12.3.3 tot en met 12.3.7.


Art. 12.3.11.

De besluiten tot bescherming als archeologisch monument of als archeologische zone genomen bij toepassing van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vastgesteld overeenkomstig artikel 6.4.2 voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit en de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als archeologische site.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als monument, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht en er de rechtsgevolgen van een bescherming als monument, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht overeenkomstig dit decreet aan koppelen.

De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in de artikelen 12.3.3 tot en met 12.3.7.


Onderafdeling 3.
Premies


Art. 12.3.12. De aanvragen van een premie overeenkomstig het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium die bij het agentschap per beveiligde zending ter kennis werden gebracht voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 10, afdeling 2, worden afgehandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum met uitzondering van de kwaliteitseisen voor de uitvoering van de beheersmaatregelen, werkzaamheden en diensten. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de kwaliteitseisen.

Voor de in het eerste lid vermelde aanvragen voor een premie voor beschermde monumenten die bestemd zijn voor een erkende eredienst kan geen premie worden toegekend zolang er geen actueel kerkenbeleidsplan aan het agentschap is bezorgd. Als het agentschap op 1 oktober 2017 geen kennis heeft genomen van een actueel kerkenbeleidsplan, moet een nieuwe premieaanvraag overeenkomstig artikel 10.2.1 worden ingediend.

Voor de berekening van de restauratiepremie op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten wordt de aanvaarde kostenraming niet vermeerderd met de btw.

Art. 12.3.12/1. Meerjarige subsidiëringsovereenkomsten als vermeld in artikel 11, § 8, tweede lid, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en gesloten uiterlijk op 31 december 2014 overeenkomstig afdeling VI/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten, kunnen in onderlinge overeenstemming gewijzigd worden door middel van addenda en dit overeenkomstig de regels die golden voor de inwerkingtreding van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.

Onderafdeling 4.
Beheersplannen beschermde landschappen en erfgoedlandschappen


Art. 12.3.13. De herwaarderingsplannen goedgekeurd overeenkomstig het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en de beheersplannen opgemaakt overeenkomstig het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven. Ten aanzien van deze beheersplannen gelden alle gevolgen die dit decreet verbindt aan de beheersplannen, vermeld in hoofdstuk 8.

Onderafdeling 5.
Vergunningsaanvragen en beroepsprocedures


Art. 12.3.14.

Behoudens andersluidende bepalingen is dit decreet vanaf de datum van inwerkingtreding van toepassing op alle toelatings-, vergunnings- en beroepsprocedures, vermeld in dit decreet, in de stand waarin zij zich bevinden.

Beslissingen van het agentschap tot toekenning of weigering van een machtiging of schriftelijke vergunning voor werken waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is betreffende beschermde monumenten, constructies binnen beschermde stads- en dorpsgezichten, beschermde landschappen, beschermde archeologische monumenten en beschermde archeologische zones, genomen voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.

Als er in de in het tweede lid omschreven gevallen voor beschermde monumenten en constructies binnen beschermde stads- en dorpsgezichten bij het instellen van het georganiseerd administratief beroep bij de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 11, § 4/1, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten nog geen advies van de expertencommissie is verleend en hoofdstuk 3, afdeling 1, is al in werking getreden, wint de Vlaamse Regering het advies in van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies heeft de gevolgen als omschreven in artikel 11, § 4/1, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en de bijhorende uitvoeringsbesluiten.

Aanvragen voor de in het tweede lid opgesomde machtigingen en vergunningen die bij het agentschap werden betekend voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, maar waarover het agentschap nog niet heeft beslist als het hoofdstuk 6 in werking treedt, worden behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. Die genomen beslissingen kunnen worden bestreden overeenkomstig artikel 6.4.6, eerste lid.

Meldingen van werken betreffende niet als monument beschermde constructies binnen beschermde stads- of dorpsgezichten waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is, overeenkomstig artikel 11, § 4, derde lid, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, worden behandeld overeenkomstig de procedureregels die golden voorafgaand aan die datum. Als het college van burgemeester en schepenen van oordeel is dat er voor de aangemelde werken een machtiging vereist is, gelden de regels overeenkomstig het tweede, derde en vierde lid van dit artikel.

Beslissingen tot toekenning of weigering van een omgevingsvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin een machtiging of vergunning geweigerd of verleend wordt voor werken betreffende beschermde monumenten, constructies binnen beschermde stads- en dorpsgezichten, beschermde landschappen en beschermde archeologische monumenten en beschermde archeologische zones, genomen voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, worden wat die werken betreft bekendgemaakt en kunnen uitgevoerd en bestreden worden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.

Aanvragen voor een omgevingsvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin ook moet geoordeeld worden over werken betreffende beschermde monumenten, constructies binnen beschermde stads- en dorpsgezichten, beschermde landschappen, beschermde archeologische monumenten en beschermde archeologische zones en die betekend werden voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, maar waarover de vergunningverlenende overheid nog niet heeft beslist bij de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, worden behandeld overeenkomstig de procedureregels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. Die genomen beslissingen kunnen worden bestreden overeenkomstig artikel 6.4.6, tweede lid.

Als er voor beschermde monumenten en constructies binnen stads- en dorpsgezichten bij het instellen van het beroep nog geen advies van de expertencommissie is verleend en hoofdstuk 3, afdeling 1, is al in werking getreden, wint de Vlaamse Regering het advies in van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies heeft de gevolgen als omschreven in artikel 11, § 4/2, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en de bijhorende uitvoeringsbesluiten.

Beslissingen over schriftelijke vergunningen om archeologische opgravingen, prospecties met ingrepen in de bodem en graafwerken uit te voeren en om detectoren te gebruiken met de bedoeling onroerende archeologische monumenten op te sporen en vrij te leggen en roerende archeologische monumenten te verzamelen of uit hun originele context te verwijderen, genomen overeenkomstig het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 5 van dit decreet, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.

Aanvragen voor schriftelijke vergunningen voor de in het vorige lid omschreven ingrepen die werden betekend voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 5 van dit decreet worden behandeld, bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.


Onderafdeling 6.
Ankerplaatsen en erfgoedlandschappen


Art. 12.3.15.

De ankerplaatsen definitief aangeduid overeenkomstig het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg worden beschouwd als een vaststelling van de landschapsatlas als vermeld in hoofdstuk 4 van dit decreet en als onroerenderfgoedrichtplannen als vermeld in hoofdstuk 7 van dit decreet. Voor die ankerplaatsen geldt de motiverings- en zorgplicht, vermeld in artikel 4.1.9 van dit decreet.

De ankerplaatsen voorlopig aangeduid overeenkomstig het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg kunnen overeenkomstig dat decreet definitief worden aangeduid.


Art. 12.3.16. De erfgoedlandschappen afgebakend overeenkomstig het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg worden beschouwd als erfgoedlandschap in de zin van dit decreet.

Onderafdeling 7.
Inspecteurs Onroerend Erfgoed


Art. 12.3.17.

De ambtenaren, vermeld in artikel 14 en 15 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, artikel 30 tot en met 32 en 37 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium en artikel 40 en 42 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, behouden hun respectieve bevoegdheden van opsporing, vaststelling, herstelvordering en uitvoering van gerechtelijke titels met overeenkomstige toepassing met afdelingen 3 en 4 zolang de inspecteurs Onroerend Erfgoed nog niet zijn benoemd.

Zodra de inspecteurs Onroerend Erfgoed benoemd zijn, nemen zij de bevoegdheden van de ambtenaren, vermeld in het eerste lid, over. Zij zetten de herstelvorderingen voort die door de daartoe gemachtigde ambtenaren reeds werden ingeleid bij het parket of aanhangig gemaakt bij de burgerlijke rechter, en dragen zorg voor de uitvoering van gerechtelijke titels, gewezen onder gelding van de decreten, vermeld in het eerste lid, en de wetten en de decreten die vervangen zijn door de bedoelde decreten.

De stakingsbevelen, regelmatig gegeven en gehandhaafd onder gelding van de decreten, vermeld in het eerste lid, verkrijgen dezelfde rechtsgevolgen als omschreven in hoofdstuk 11, afdeling 5, onderafdeling 2.


Onderafdeling 8.
Inventaris bouwkundig erfgoed


Art. 12.3.18.

De bestaande reglementaire gevolgen van de inventaris bouwkundig erfgoed, vastgesteld door de administrateur-generaal van het agentschap Onroerend Erfgoed op basis van artikel 12/1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten blijven van kracht totdat hoofdstuk 4 van dit decreet en dit artikel in werking treden.

De laatste vaststelling van de inventaris bouwkundig erfgoed bij besluit van de administrateur-generaal van het agentschap Onroerend Erfgoed op basis van artikel 12/1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten voorafgaand aan de inwerkingtreding van hoofdstuk 4 van dit decreet, geldt als vaststelling overeenkomstig artikel 4.1.1. Artikel 4.1.9 is op deze inventaris enkel van toepassing voor de goederen die aan een openbaar onderzoek overeenkomstig artikel 4.1.3 zijn onderworpen.


Onderafdeling 9.
Informatieplicht met betrekking tot publiciteit en onderhandse en authentieke akten


Art. 12.3.19. Artikel 4.1.11 en 6.4.9 zijn pas van toepassing op de onderhandse en authentieke akten afgesloten na de datum van inwerkingtreding van het decreet.

Onderafdeling 10.
Bestaande reglementaire bepalingen


Art. 12.3.20. De bestaande reglementaire bepalingen die onder het toepassingsgebied van dit decreet vallen en niet zonder voorwerp noch in tegenstrijd zijn met dit decreet, blijven van kracht totdat ze worden gewijzigd, opgeheven of vervangen door besluiten genomen ter uitvoering van dit decreet.

[Onderafdeling 11.
Bekrachtiging van de archeologienota of nota en de melding van het voornemen van een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem (ing. Decr. 13 juli 2018, art. 64, I: 1 april 2019)]


Art. 12.3.21. De bekrachtiging van een archeologienota of een nota overeenkomstig de bepalingen die golden voor de datum van de inwerkingtreding van dit artikel, wordt gelijkgesteld met een aktename van een gemelde archeologienota of nota.

Art. 12.3.22. De melding van het voornemen om een archeologisch onderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren, gemeld overeenkomstig de bepalingen die golden voor de datum van de inwerkingtreding van dit artikel, en waarbij die melding niet werd geweigerd door het agentschap of in voorkomend geval de onroerenderfgoedgemeente, wordt gelijkgesteld met een toelating om een archeologisch vooronderzoek uit te voeren met ingreep in de bodem.