Art. 12.3.4.

Elke in het Vlaamse Gewest gevestigde ontvanger van financiële middelen die worden aangewend voor onderzoek dat betrekking heeft op het gebruik van genetische rijkdommen of traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen, dient conform artikel 5 van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/1866, de zorgvuldigheidsverklaring, vermeld in artikel 7, lid 1, van de (EU) nr. verordening 511/2014, in.

 

Met toepassing van artikel 5, lid 1 tot en met lid 3 en lid 5, van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/1866, wordt de zorgvuldigheidsverklaring, vermeld in het eerste lid, in de volgende gevallen ingediend bij de bevoegde instantie:

het onderzoeksproject ontvangt middelen uit meer dan één bron of betreft meer dan één ontvanger van de middelen en de ontvanger of ontvangers beslissen om maar één verklaring in te dienen, door de projectcoördinator die in het Vlaamse Gewest gevestigd is;
het onderzoeksproject wordt in een lidstaat van de Europese Unie gevoerd, heeft een projectcoördinator die niet in de Unie gevestigd is, ontvangt middelen uit meer dan één bron of betreft meer dan één ontvanger van de middelen, en de ontvanger of ontvangers beslissen de enige verklaring in te dienen in het Vlaamse Gewest door de projectcoördinator;
in andere gevallen dan de gevallen, vermeld in punt 1° of 2°, als één van de volgende gevallen van toepassing is:
  a) als de ontvanger van de middelen in het Vlaamse Gewest gevestigd is;
  b)

als de ontvanger van de middelen niet in de Europese Unie gevestigd is, maar het onderzoek in het Vlaamse Gewest wordt gevoerd.

 

Voor het gebruik van genetische rijkdommen of traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen, dient elke gebruiker die in het Vlaamse Gewest gevestigd is, de zorgvuldigheidsverklaring, vermeld in het eerste lid, in bij de bevoegde instantie, conform artikel 7, lid 2, van de verordening (EU) nr. 511/2014 en artikel 6 van de uitvoeringsverordening (EU) 2015/1866.