Art. 84.

§ 1.

Een attest waaruit blijkt dat een perceel niet fosfaatverzadigd is, afgeleverd op grond van artikel 15quater, § 4 van hetzelfde decreet van 23 januari 1991, heeft dezelfde rechtsgevolgen als een attest afgeleverd op grond van artikel 17, § 5.

 

§ 2.

Percelen gelegen in zandgronden, waarvan de landbouwer, in uitvoering van artikel 13, § 2, zoals het gold op 31 december 2010, door een textuuranalyse van het betreffende perceel reeds aangetoond heeft dat de textuurklasse van dat perceel niet textuurklasse P, S of Z is, worden in afwijking van artikel 3, 72°, niet aanzien als zandgrond.

 

§ 3.

Aan landbouwers die in het kalenderjaar 2011 maatregelen opgelegd kregen, in uitvoering van artikel 38, en de opgelegde maatregelen in 2011 niet volledig hebben nageleefd, worden in 2012 de volgende maatregelen opgelegd :


de maatregelen vermeld in artikel 14, § 4, als de landbouwer in 2011 de maatregelen, als vermeld in artikel 2, § 1, van het ministerieel besluit van 11 februari 2011 tot nadere bepaling van de strengere verbodsbepalingen ter uitvoering van artikel 38 van het Mestdecreet van 22 december 2006, opgelegd kreeg;

de maatregelen vermeld in artikel 14, § 5, als de landbouwer in 2011, de maatregelen, als vermeld in artikel 2, § 2, van het ministerieel besluit van 11 februari 2011 tot nadere bepaling van de strengere verbodsbepalingen ter uitvoering van artikel 38 van het Mestdecreet van 22 december 2006, opgelegd kreeg;

de maatregelen vermeld in artikel 14, § 6, als de landbouwer in 2011, de maatregelen, als vermeld in artikel 2, § 3, van het ministerieel besluit van 11 februari 2011 tot nadere bepaling van de strengere verbodsbepalingen ter uitvoering van artikel 38 van het Mestdecreet van 22 december 2006, opgelegd kreeg.

 

 

§ 4.

De Vlaamse Regering kan voor een periode tot en met 1 september 2011, afwijkingen voorzien op artikel 8, als blijkt dat de landbouwers niet bij machte zijn om de wijzigingen die aan dit decreet in 2011 zijn ingevoerd, uit te voeren.

 

§ 5.

Voor overdrachten van nutriëntenemissierechten, als vermeld in artikel 34, gelden de volgende bepalingen:

in afwijking van de annulering met 25 %, vermeld in artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, a), wordt geen annulering van de nutriëntenemissierechten toegepast als de toewijzing van een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder, of de aandelenoverdracht, waarvoor anders een annulering met 25 % van de overgenomen nutriëntenemissierechten door die bepaling is vastgesteld, wordt gedaan vóór de dag van de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 28 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur;
in afwijking van de annulering met 25 %, vermeld in artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, b), 5°, wordt geen annulering van de nutriëntenemissierechten toegepast als de toewijzing van een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder waarvoor anders een annulering met 25 % van de overgenomen nutriëntenemissierechten door die bepaling is vastgesteld, wordt gedaan vóór de dag van de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 28 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur;
in afwijking van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, b), 5°, tweede lid, eerste zin, § 1, eerste lid, 2°, f), 5°, tweede zin, en § 1, eerste lid, 2°, f), 11°, tweede zin, zijn de nutriëntenemissierechten op grond van alle overdrachtsmogelijkheden, vermeld in artikel 34, overdraagbaar, als de akteneming van de overgenomen nutriëntenemissierechten is gedaan vóór de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 28 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur.



 

§ 6.

Voor alle overdrachten van nutriëntenemissierechten, vermeld in artikel 34, waarvan de datum van overname van de nutriëntenemissierechten is vastgesteld vóór de datum van de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 28 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur, waarbij de overname werd goedgekeurd op grond van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, b), 5°, of § 1, eerste lid, 2°, f), en waarbij de datum van de aandelenoverdrachten of de toewijzingen van een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder, vermeld in punt 2°, zich situeert vóór de datum van inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 28 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur, gelden volgende overgangsregelingen:

in afwijking van artikel 34, § 1, derde lid, kan tot zes maanden na de datum van de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 28 februari 2014 houdende diverse bepalingen inzake leefmilieu en natuur, een geldige melding worden gedaan;
in afwijking van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, b), 5°, laatste zin, § 1, eerste lid, 2°, f), 5°, laatste zin, en § 1, eerste lid, 2°, f), 11°, laatste zin, worden de niet-ingevulde nutriëntenemissierechten bepaald op grond van de invulling van de nutriëntenemissierechten gedurende de laatste drie gekende kalenderjaren die voorafgaan aan de datum waarop:
a) een aandelenoverdracht werd gedaan waardoor niet meer voldaan is aan de voorwaarde dat minstens 80 % van de aandelen van de personenvennootschap nog eigendom moet zijn van een of meer personen als vermeld in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6° van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, b), 5°;
b) de functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder is toegewezen aan een derde die niet vermeld is in punt 1° tot en met punt 4° of punt 6° van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, f), 5°, of een aandelenoverdracht is gedaan aan een of meer personen die niet vermeld zijn in punt 7° tot en met punt 10° of punt 12° van artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, f), 11°;
in afwijking van artikel 31, § 2, wordt, als een annulering wordt toegepast op grond van artikel 34, § 1, 2°, b), 5°, of § 1, eerste lid, 2°, f), de niet correct afgezette mestproductie bepaald op grond van de mestafzet op het bedrijf gedurende de drie gekende kalenderjaren die voorafgaan aan de datum waarop een functie van zaakvoerder, beherende vennoot of bestuurder is toegewezen of waarop een aandelenoverdracht, als vermeld in punt 2°, a) of b), is gedaan.



 

§ 7.

In afwachting van een vaststelling door de Vlaamse Regering van de nadere regels om vast te stellen welke meststoffen als traagwerkende meststof beschouwd worden en aangaande de wijze waarop aangetoond wordt dat een meststof een traagwerkende meststof is als vermeld in artikel 3, § 5, 22°, worden als traagwerkende meststof beschouwd, de andere meststoffen en bewerkte dierlijke mest die stikstof in dusdanige vorm bevatten, dat slechts een beperkt gedeelte van de totale stikstof vrijkomt in het jaar van opbrenging als vermeld in artikel 8, § 4, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014.

 

§ 8.

In afwachting van een bepaling door de Vlaamse Regering van de meststoffen die een meststof zijn waarvan de stikstofinhoud laag is als vermeld in artikel 8, § 4, derde lid, worden als meststoffen type 3 waarvan de stikstofinhoud laag is beschouwd, de andere meststoffen en bewerkte dierlijke mest waarvan de stikstofinhoud laag is als vermeld in artikel 8, § 4, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, met dien verstande dat bij het gebruik van deze meststoffen, er moet op toegezien worden dat de opgebrachte hoeveelheid in overeenstemming is met de bepalingen van artikel 8, § 4, derde lid, van dit decreet.

 

§ 9.

Voor het jaar 2015 wordt voor de toepassing van artikel 8, § 4, derde lid, 15 november gelezen als 31 december.

 

§ 10.

In afwijking van artikel 13, § 1 en § 2, kunnen landbouwers in het jaar 2015 nog opteren voor een systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof als vermeld in artikel 13, § 1, vijfde lid, 1°, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014. Een landbouwer die hiervoor opteert moet in het jaar 2015 zijn stikstofbemesting beperken tot de hoeveelheden, vermeld in artikel 13, § 2, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, met dien verstande dat voor het bepalen van de toegelaten hoeveelheden, sierteelt en boomkweek als een groente van groep II en dat aardbeien op zandgronden of op niet-zandgronden, aanzien worden als een groente van groep II op zandgronden.


De landbouwer die voor het jaar 2015 kiest voor het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof, deelt dit in het jaar 2016 mee bij de aangifte, vermeld in artikel 23.


Voor de landbouwer die in het jaar 2015 kiest voor het systeem van bemestingsnormen, gebaseerd op de totale opgebrachte hoeveelheid stikstof als vermeld in artikel 13, § 1, vijfde lid, 1°, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, wordt voor de berekening van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 63, § 1, voor het kalenderjaar 2015, het aantal nutriënten dat niet is afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, bepaald als de som van het aantal kg N die niet is afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 63, § 1, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, en het aantal kg P2O5 die de landbouwer niet heeft afgezet overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 63, § 2, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014.

 

§ 11.

In afwijking van artikel 13, § 3, tweede lid, kan de hoeveelheid plantbeschikbare fosfaat in de bodem ook bepaald worden op basis van een bodemanalyse die uitgevoerd is vóór 1 augustus 2015 en waarbij, hoewel de X-Y-coördinaten niet vermeld zijn, het geanalyseerde perceel toch op een eenduidige manier geïdentificeerd kan worden.

 

§ 12.

In afwijking van artikel 13, § 3, derde lid, worden, in afwachting van de aanpassing van het door de Mestbank ter beschikking gestelde internetloket, mogen de bodemanalyses, vermeld in artikel 13, § 3, op een andere wijze aan de Mestbank overgemaakt worden.

 

§ 13.

In afwachting van een bepaling door de Vlaamse Regering, van het aantal staalnames met bijhorend bemestingsadvies dat in een bepaald jaar minimaal uitgevoerd moet worden opdat er een voldoende aantal staalnames als vermeld in artikel 13, § 7, eerste lid, zou zijn, wordt het aantal staalnames met bijhorend bemestingsadvies dat in een bepaald jaar minimaal uitgevoerd moet worden bepaald als de som, afgerond naar het hogere geheel getal, van de volgende twee getallen:

één zesde van het aantal hectares landbouwgrond dat tot het bedrijf behoort, en waarop in het betreffende jaar, overeenkomstig de verzamelaanvraag, een blijvende teelt wordt geteeld, die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II;
de helft van het aantal hectares landbouwgrond dat tot het bedrijf behoort, en waarop in het betreffende jaar, overeenkomstig de verzamelaanvraag, een teelt wordt geteeld, die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien en die geen blijvende teelt is.

 

Het aantal hectares waarop in een bepaald jaar, overeenkomstig de verzamelaanvraag, zowel een teelt wordt geteeld, die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien en die geen blijvende teelt is, als een teelt die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien en die een blijvende teelt is, wordt enkel meegerekend voor het bepalen van het getal, vermeld in het eerste lid, 2°.


Als de som, vermeld in het eerste lid, groter is dan het aantal percelen waarop een teelt wordt geteeld, die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien, dan wordt het aantal staalnames met bijhorend bemestingsadvies beperkt tot het aantal percelen waarop een teelt wordt geteeld, die behoort tot de teeltgroep sierteelt of boomkweek, groenten van groep I of groenten van groep II of aardbeien.

 

§ 14.

Voor het jaar 2015 zijn de focusgebieden als vermeld in artikel 14, § 1, vierde lid, de focusgebieden, aangeduid op de kaart die als bijlage opgenomen is bij het besluit van de Vlaamse Regering van 10 februari 2012 tot bepaling van de nitraatresidudrempelwaarde, vermeld in artikel 14, § 1, vijfde lid, van het Mestdecreet van 22 december 2006.

 

§ 15.

In afwijking van artikel 14, § 5, tweede lid, moeten de aanvragen tot vrijstelling in het jaar 2015 uiterlijk op 1 augustus bij de Mestbank ingediend worden.

 

§ 16.

In het jaar 2015 is de maatregel, vermeld in artikel 14, § 6, 2°, niet van toepassing.

 

§ 17.

In afwachting van een vaststelling door de Vlaamse Regering van de nadere regels aangaande het bemestingsplan als vermeld in artikel 14, § 7, 6°, en § 8, eerste lid, 6°, is het bemestingsplan dat bijgehouden moet worden, een bemestingsplan als vermeld in artikel 14, § 4, eerste lid, 3°, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014.

 

§ 18.

In het jaar 2015 moet een nitraatresidu-evaluatie op bedrijfsniveau als vermeld in artikel 15 uitgevoerd worden door:

de landbouwer die in het jaar 2015 maatregelen als vermeld in artikel 14, § 4, § 5 of § 6, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, opgelegd kreeg;
de landbouwer die in het jaar 2015 maatregelen als vermeld in artikel 14, § 3, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, opgelegd kreeg, en in het jaar 2015 omwille van zijn ligging, beschouwd wordt als een focusbedrijf, overeenkomstig de bepalingen van artikel 14, § 4, tweede lid, 1°.

 

In het jaar 2015 moet een nitraatresidu-evaluatie uitgevoerd worden op één door de Mestbank aangeduid perceel landbouwgrond door de landbouwer die in het jaar 2015 maatregelen als vermeld in artikel 14, § 3, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, opgelegd kreeg, en in het jaar 2015 omwille van zijn ligging, niet beschouwd wordt als een focusbedrijf, overeenkomstig de bepalingen van artikel 14, § 4, tweede lid, 1°.

 

§ 19.

Percelen die beschikken over een attest als vermeld in artikel 17, § 6, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, worden ingedeeld in klasse IV als vermeld in artikel 13, § 3, tenzij ze beschikken over een analyse op basis waarvan ze, in toepassing van artikel 13, § 3, in een lagere klasse ingedeeld worden.

 

§ 20.

Voor het kalenderjaar 2015 of een eerder kalenderjaar wordt de mestverwerkingsplicht, vermeld in artikel 29, opgelegd aan bedrijfsgroepen als vermeld in artikel 29 van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, en wordt, bij het niet voldoen aan deze mestverwerkingsplicht, aan de bedrijfsgroep een administratieve geldboete als vermeld in artikel 63, § 21, van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014, opgelegd.

 

§ 21.

Voor feiten, gepleegd in het kalenderjaar 2015 of een eerder kalenderjaar, worden de administratieve geldboetes opgelegd op basis van de bepalingen van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 28 februari 2014.


In afwijking hiervan worden gedragingen of feiten die betrekking hebben op het jaar 2015 en die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 63, § 1, § 2, § 4, § 7, § 8 en § 9, opgelegd op basis van de bepalingen van dit decreet, zoals laatst gewijzigd door het decreet van 12 juni 2015 tot wijziging van het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen.