TITEL II.
Relatie tussen burgers en de overheid


HOOFDSTUK 1.
Communicatie tussen burgers en de overheid


Afdeling 1.
Toepassingsgebied


Art. II.1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende overheidsinstanties:
1° de Vlaamse overheid, met uitzondering van de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid;
2° de lokale overheden, behalve wat artikel II.4, II.8, II.9, II.11, eerste lid, en II.12 betreft.

Artikel II.3, eerste lid, II.5, II.6, tweede, derde en vierde lid, II.16 en II.17 zijn ook van toepassing op de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid, op de instellingen met een publieke taak, wat hun publieke taak betreft, en op de milieu-instanties wat hun milieuverantwoordelijkheden, -functies of -diensten betreft.

In afwijking van het eerste lid, 1°, zijn artikel II.11, eerste lid, en II.12 niet van toepassing op de Vlaamse adviesorganen, op het Vlaams Parlement, zijn diensten, de instellingen die aan het Vlaams Parlement verbonden zijn en de autonome diensten die onder toezicht staan van het Vlaams Parlement.

Afdeling 2.
Principes voor informeren en participeren


Art. II.2. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, informeren actief, op eigen initiatief, over hun beleid, regelgeving en dienstverlening, telkens als dat nuttig, belangrijk of noodzakelijk is.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, zien erop toe dat de informatie zo veel mogelijk personen, verenigingen of organisaties van de doelgroep bereikt. Ze kiezen aangepaste communicatiestrategieėn voor thema's die moeilijk te bereiken doelgroepen aanbelangen.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, dragen er zorg voor dat:
1° de informatie correct, betrouwbaar en accuraat is;
2° de informatie relevant is en gericht wordt verspreid;
3° de informatie tijdig en systematisch wordt verspreid.

Er mag geen informatie verspreid worden die valt onder de uitzonderingen, vermeld in artikel II.34, II.35 of II.36.

Art. II.3. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, zorgen ervoor dat de informatie die relevant is voor hun taak en die ze zelf beheren of die voor hen wordt beheerd, zo veel mogelijk geordend, accuraat, vergelijkbaar en geactualiseerd is.

De informatie van de overheid is gemakkelijk te raadplegen voor het beoogde doelpubliek via diverse kanalen en media.

Art. II.4. De Vlaamse Regering wijst de instanties aan die ervoor moeten zorgen dat milieu-informatie op een actieve, systematische en transparante wijze onder de burgers of onder de betrokken doelgroepen verspreid wordt en op een doeltreffende wijze toegankelijk wordt gemaakt.

De Vlaamse Regering bepaalt welke milieu-informatie minimaal wordt verspreid en stelt nadere regels vast voor de wijze waarop milieu-informatie wordt verspreid en toegankelijk wordt gemaakt.

Art. II.5. De Vlaamse overheid bouwt een of meer gezamenlijke gegevensbronnen uit met basisinformatie van de Vlaamse overheid, de lokale overheden, de instellingen met een publieke taak en de milieu-instanties.

Onder basisinformatie wordt verstaan:
1° identificerende informatie;
2° contactgegevens en informatie over dienstverlening;
3° formele hoedanigheden.

De lokale overheden, de instellingen met een publieke taak en de milieu-instanties verlenen hun medewerking aan een of meer gezamenlijke gegevensbronnen met basisinformatie als vermeld in het eerste lid.

Art. II.6. De burger kan met informatievragen terecht bij het centraal contact- en informatiepunt van de Vlaamse overheid. Dat contact- en informatiepunt is bereikbaar via diverse communicatiekanalen.

Daarnaast zijn alle personeelsleden van de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, verplicht om iedereen die informatie zoekt, daarbij te helpen.

Als ze zelf niet beschikken over de gevraagde informatie, sturen ze de vraag rechtstreeks door naar de bevoegde instantie of naar het centrale contact- en informatiepunt.

Informatievragen worden kosteloos en binnen een redelijke termijn beantwoord, met behoud van de toepassing van artikel II.31, tweede lid, en artikel II.59.

Art. II.7. De burger krijgt, zelf of via zijn gemandateerde, een geconsolideerde en burgergerichte toegang tot de gegevens die op hem betrekking hebben en waarover de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, beschikken.

Onder gegevens waarover de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, beschikken wordt verstaan: gegevens die beheerd of verwerkt worden door een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.1, of gegevens die beheerd of verwerkt worden door een externe overheid waartoe een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.1, toegang heeft.

Het gaat onder meer om:
1° gegevens over natuurlijke personen of rechtspersonen;
2° informatie over lopende dossiers;
3° informatie over rechten die voortvloeien uit regelgeving en die kunnen afgeleid worden uit de gegevens, vermeld in punt 1°.

Persoonsgegevens worden verwerkt met inachtneming van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, en in het bijzonder die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of deelstatelijk niveau verder zijn of worden gespecificeerd.

De toegang, vermeld in het eerste lid, geldt niet ten aanzien van de overheidsinstanties en de externe overheden die met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de algemene verordening gegevensbescherming hebben gebruikgemaakt van de mogelijkheid om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon overeenkomstig de specifieke decretale bepalingen ter uitvoering van voormelde verordeningsbepaling.

Deze toegang mag alleen gebruikt worden door de burger om toegang te krijgen tot zijn gegevens en mag voor geen enkel ander doeleinde worden gebruikt.

De manier en de nadere inhoud van de toegang wordt bepaald door het agentschap Informatie Vlaanderen in overleg met de betrokken overheidsinstanties en externe overheden.

In afwijking van het zevende lid, duidt de Vlaamse Regering aan welke overheidsinstantie de manier en de nadere inhoud van de toegang tot gegevens met betrekking tot rechtspersonen en natuurlijke personen in hun hoedanigheid van ondernemer bepaalt in overleg met de betrokken overheidsinstanties en externe overheden.

De Vlaamse Regering kan overheidsinstanties als vermeld in artikel II.1, verplichten mee te werken aan het toegankelijk maken van gegevens, en kan ook andere verplichtingen opleggen voor de toegang, vermeld in het eerste lid.

Art. II.8. Als de Vlaamse Regering de inspraak van burgers wil verzekeren bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van haar beleid, informeert ze daarover minstens via het consultatieportaal op de centrale website van de Vlaamse overheid.

Art. II.9. § 1. De beslissingen van de Vlaamse Regering, met uitzondering van de beslissingen met individuele strekking, worden samen met de bijhorende documenten, systematisch gepubliceerd op de centrale website van de Vlaamse overheid.

§ 2. De Vlaamse Regering informeert de burgers over de Vlaamse regelgeving en in het bijzonder over de rechten en verplichtingen die daaruit voortvloeien, minstens via de centrale website van de Vlaamse overheid.

§ 3. Met toepassing van artikel 5/3, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kunnen de adviezen van de Raad van State over voorontwerpen van decreet die niet zijn ingediend, de amendementen erop, en de ontwerpen van besluiten die niet zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, alsook de teksten van die voorontwerpen, amendementen en ontwerpbesluiten worden bekendgemaakt door de Raad van State na de ontbinding van het Vlaams Parlement.

Afdeling 3.
Normen voor overheidscommunicatie


Art. II.10. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, communiceren in de standaardtaal en hanteren een heldere taal die begrijpelijk is voor de ontvanger.

Art. II.11. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, verspreiden uitsluitend informatie die in overeenstemming is met het beleid van de hele Vlaamse overheid.

Uit de overheidscommunicatie moet duidelijk blijken in welke fase de besluitvorming of het project zich bevindt.

Art. II.12. De communicatie van de Vlaamse overheid is duidelijk en als zodanig herkenbaar.

De Vlaamse overheid profileert zich als één geheel en is altijd, ongeacht het kanaal of medium, herkenbaar als afzender of medeafzender, deelnemer, belanghebbende of betrokkene bij de communicatie. Alle onderdelen van de Vlaamse overheid maken zich herkenbaar door naar de Vlaamse overheid te verwijzen en kunnen daarnaast hun eigen entiteit tot uitdrukking brengen.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de toepassing van dit artikel.

Art. II.13. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, die communiceren namens de overheid, communiceren politiek neutraal.

Art. II.14. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, communiceren commercieel neutraal.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, lenen zich in hun eigen communicatie niet tot reclame of sluikreclame voor private bedrijven, merken of private personen. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, kunnen in de communicatie alleen verwijzen naar private bedrijven of personen, hun merknamen, logo's, of de diensten die ze geleverd hebben, naar hun merken of producten, als die informatie relevant of noodzakelijk is voor hun eigen boodschap.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, kunnen in hun eigen communicatiekanalen of media alleen ruimte laten voor betalende reclame van private bedrijven, merken of personen, als die reclame duidelijk wordt onderscheiden van de communicatie van de overheid zelf.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, aanvaarden voor hun communicatie geen aanbiedingen tot samenwerking van private derden, waarin die derden een duidelijk aanwijsbaar eenzijdig of dominant belang hebben, ook niet als die samenwerking kosteloos is of tegen gunstige voorwaarden kan worden verkregen.

Art. II.15. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, kunnen gebruikmaken van externe media onder de volgende voorwaarden:
1° het initiatief is gericht op een weloverwogen en duidelijk aanwijsbare communicatiedoelstelling van de overheid;
2° de overheid behoudt de volledige zeggenschap over de inhoud van de boodschap;
3° de overheid is duidelijk herkenbaar.

Afdeling 4.
Toegankelijkheid van websites en mobiele applicaties


Art. II.16. De websites en de mobiele applicaties van de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, moeten voldoen aan de norm die opgelegd is met toepassing van richtlijn EU 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties, als dat geen onevenredige last met zich meebrengt voor de betrokken instantie.

De onevenredigheid van de last wordt beoordeeld op grond van de volgende criteria:
1° de omvang, de middelen en de aard van de betrokken overheidsinstantie;
2° de geraamde kosten en baten voor de betrokken overheidsinstantie in verhouding tot de geraamde voordelen voor personen met een beperking, rekening houdend met de frequentie en de duur van het gebruik van de specifieke website of mobiele applicatie.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, publiceren op hun website een toegankelijkheidsverklaring over de conformiteit van hun website of mobiele applicatie met de norm, vermeld in het eerste lid.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen voor de modaliteiten van de toegankelijkheidsverklaring.

Art. II.17. Artikel II.16 is niet van toepassing op de websites en mobiele applicaties van de publieke omroepen.

Artikel II.16 is niet van toepassing op de volgende content van websites en mobiele applicaties:
1° documenten die niet primair voor gebruik op het internet bestemd zijn en die in webpagina's zijn verwerkt en die zijn gepubliceerd voor 23 september 2018, tenzij de inhoud nodig is voor actieve administratieve processen in het kader van taken die de betrokken overheidsinstanties vervullen;
2° vooraf opgenomen, op tijd gebaseerde media, die gepubliceerd zijn vóór 23 september 2020;
3° live uitgezonden media van het type louter geluid, louter videobeeld, audio-video, audio of video in combinatie met interactie;
4° online kaarten en karteringsdiensten, als bij de kaarten die bestemd zijn voor navigatie, essentiėle informatie op een toegankelijke, digitale wijze wordt verstrekt;
5° reproducties van stukken die in particulier of openbaar bezit zijn en die van historisch, artistiek, archeologisch, esthetisch, wetenschappelijk of technisch belang zijn en deel uitmaken van verzamelingen die worden bewaard door culturele instellingen zoals bibliotheken, archiefinstellingen en musea, die niet volledig toegankelijk gemaakt kunnen worden omdat:
a) de toegankelijkheidseisen onverenigbaar zijn met de bewaring van het stuk in kwestie of de authenticiteit van de reproductie;
b) geautomatiseerde en kostenefficiėnte oplossingen ontbreken om de tekst van manuscripten of andere stukken uit erfgoedcollecties te extraheren en om te zetten in inhoud die met de toegankelijkheidseisen strookt;
6° inhoud van websites die alleen beschikbaar is voor een beperkt aantal personen en die gepubliceerd is vóór 23 september 2019, tot dergelijke websites ingrijpend herzien worden;
7° inhoud die afkomstig is van derden en die niet door de betrokken overheidsinstantie wordt gefinancierd of ontwikkeld en evenmin onder haar gezag staat;
8° content van websites en mobiele applicaties die niet noodzakelijk is voor actieve administratieve processen en die niet is bijgewerkt of aangepast na 23 september 2019.

Voor scholen en voorzieningen voor kinderopvang van baby's en peuters en buitenschoolse opvang is artikel II.16 alleen van toepassing op de wezenlijke online administratieve functies. De Vlaamse Regering kan een lijst opstellen van die wezenlijke online administratieve functies. De scholen en voorzieningen voor kinderopvang van baby's en peuters en buitenschoolse opvang hoeven niet elk apart een toegankelijke website of mobiele applicatie te hebben als de toegang tot de wezenlijke online administratieve functies ook verzekerd kan worden via een centrale website.

Op vzw's of stichtingen is artikel II.16 alleen van toepassing als ze diensten verstrekken die essentieel zijn voor het publiek of diensten die specifiek gericht zijn op de behoeften van, of bedoeld zijn voor, personen met een beperking.

HOOFDSTUK 2.
Individuele bestuurshandelingen


Afdeling 1.
Toepassingsgebied


Art. II.18. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende overheidsinstanties:
1° de Vlaamse overheid, met uitzondering van de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid;
2° de lokale overheden.

Afdeling 2.
Uitwisseling van berichten


Onderafdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. II.19. Deze afdeling regelt de uitwisseling van berichten tussen een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.18, en gebruikers in de mate dat die berichten beogen rechtsgevolgen tot stand te brengen bij de toepassing van wettelijke of reglementaire bepalingen.

Art. II.20. Elk bericht dat uitgaat van een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.18, bevat de contactgegevens van degene die meer inlichtingen kan verstrekken over het dossier.

Art. II.21. Bij de kennisgeving van een beslissing of een administratieve handeling van individuele strekking die rechtsgevolgen heeft voor een gebruiker, wordt vermeld of beroep tegen de beslissing kan worden ingesteld, bij welke instantie en binnen welke termijn.

Als de kennisgeving niet voldoet aan de bepalingen van het eerste lid, start de termijn om een beroep in te dienen bij een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.18, pas vier maanden na de kennisgeving.

Onderafdeling 2.
Elektronische uitwisseling van berichten


Art. II.22. § 1. Overheidsinstanties als vermeld in artikel II.18, voorzien voor een procedure in een elektronische weg om berichten uit te wisselen met gebruikers, ook als de toepasselijke regelgeving alleen voorziet in de uitwisseling via analoge weg, vanaf het moment waarop de overheidsinstantie de beslissing dat elektronische uitwisseling mogelijk is voor de procedure, heeft bekendgemaakt.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.18, kunnen beperkingen en technische eisen opleggen aan de uitwisseling via elektronische weg.

De Vlaamse Regering kan overheidsinstanties als vermeld in artikel II.18, verplichten om in procedures uitwisseling van berichten via elektronische weg mogelijk te maken.

§ 2. Als de toepasselijke regelgeving niet voorziet in elektronische uitwisseling van berichten, gelden de volgende voorwaarden voor de elektronische uitwisseling met burgers of externe overheden:
1° de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.18, moeten burgers en externe overheden vooraf informeren over de te volgen procedures en over de rechtsgevolgen die de elektronische uitwisseling heeft;
2° de burgers of externe overheden moeten vooraf uitdrukkelijk ingestemd hebben met de uitwisseling van berichten via elektronische weg;
3° de burgers en externe overheden moeten die instemming op elk moment kunnen intrekken.

§ 3. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.18, die berichten via elektronische weg uitwisselen, garanderen voor de elektronische communicatie een voldoende graad van informatieveiligheid en onweerlegbaarheid.

Ze stellen maatregelen vast die aangepast zijn aan de omstandigheden en die gelijkwaardige garanties bieden voor informatieveiligheid en onweerlegbaarheid als de uitwisseling op analoge dragers. Die maatregelen worden bekendgemaakt.

De Vlaamse Regering kan de minimumnormen bepalen waaraan de maatregelen, vermeld in het tweede lid, moeten voldoen.

§ 4. Onder de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 2 en 3, brengt de uitwisseling via elektronische weg dezelfde rechtsgevolgen tot stand als de uitwisseling op analoge dragers.

Art. II.23. Tenzij het anders voorzien is in de toepasselijke regelgeving, geldt als tijdstip waarop een bericht door een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.18, elektronisch is verzonden aan de geadresseerde, het tijdstip waarop het bericht het informatiesysteem verlaat dat de overheidsinstantie gebruikt. Als de overheidsinstantie en de geadresseerde gebruikmaken van hetzelfde informatiesysteem, geldt het tijdstip waarop het bericht toegankelijk wordt voor de geadresseerde als tijdstip van verzending door de overheidsinstantie en als tijdstip van ontvangst door de geadresseerde.

Tenzij het anders voorzien is in de toepasselijke regelgeving, geldt als tijdstip waarop een bericht elektronisch is ontvangen door een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.18, het tijdstip waarop het bericht het informatiesysteem dat die overheidsinstantie gebruikt, bereikt.

Als de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.18, en de geadresseerde gebruikmaken van hetzelfde informatiesysteem geldt een elektronisch bericht als aangetekende zending.

Afdeling 3.
Bestuurshandelingen in elektronische vorm


Art. II.24. § 1. Overheidsinstanties als vermeld in artikel II.18, kunnen bestuursdocumenten op een elektronische informatiedrager opmaken, ook als de toepasselijke regelgeving alleen voorziet in bestuursdocumenten op analoge informatiedragers, op voorwaarde dat bewaring conform titel III, hoofdstuk 3, afdeling 5, mogelijk is.

§ 2. Als een bestuursdocument moet worden ondertekend om rechtsgevolgen tot stand te brengen, kan aan die vereiste worden voldaan door een elektronische procedure die op een aantoonbare wijze, die is aangepast aan de omstandigheden, de authenticiteit en de integriteit van de gegevens waarborgt.

Deze procedure wordt door de overheidsinstantie zelf vastgesteld.

§ 3. De Vlaamse Regering kan standaarden opleggen voor en nadere regels bepalen met betrekking tot de opmaak van bestuursdocumenten op een elektronische drager als vermeld in paragraaf 1, en met betrekking tot de vaststelling van de procedures, vermeld in paragraaf 2, tweede lid.

Art. II.25. Overheidsinstanties als vermeld in artikel II.18, kunnen de analoge bestuursdocumenten die ze opmaken of ontvangen bij de toepassing van wettelijke of reglementaire bepalingen, vervangen door elektronische kopieėn.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor die vervanging.

Elektronische kopieėn die worden opgemaakt en bewaard conform deze regels, behouden dezelfde geldigheid als de originelen voor de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen, vermeld in het eerste lid.

HOOFDSTUK 3.
Toegang tot bestuursdocumenten


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. II.26. Dit hoofdstuk regelt het recht om bestuursdocumenten te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, vermeld in artikel 32 van de Grondwet, om uitleg te krijgen bij bestuursdocumenten en om persoonsgegevens in bestuursdocumenten te laten verbeteren.

Art. II.27. Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan decretale bepalingen die in een ruimere openbaarheid van bestuur voorzien.

Art. II.28. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende overheidsinstanties:
1° de Vlaamse overheid;
2° de lokale overheden;
3° de instellingen met een publieke taak, wat hun publieke taak betreft;
4° de milieu-instanties wat hun milieuverantwoordelijkheden, -functies of -diensten betreft.

Wat betreft de instellingen met een publieke taak die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel I.3, 6°, c), 1), maar niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel I.3, 6°, c), 2) of 3), is dit hoofdstuk alleen van toepassing op de bestuursdocumenten die betrekking hebben op beslissingen die derden binden.

§ 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de bestuursdocumenten die in het bezit zijn van overheidsinstanties als vermeld in paragraaf 1, met uitzondering van:
1° de bestuursdocumenten van het Vlaams Parlement en de instellingen die eraan verbonden zijn, die geen betrekking hebben op overheidsopdrachten of op personeelsaangelegenheden;
2° de bestuursdocumenten van de Vlaamse administratieve rechtscolleges die betrekking hebben op de uitoefening van de rechterlijke functie;
3° de bestuursdocumenten van andere instanties met een rechterlijke hoedanigheid, in de mate dat de documenten betrekking hebben op de uitoefening van de rechterlijke functie.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt milieu-informatie, die in opdracht van een overheidsinstantie als vermeld in paragraaf 1, door een natuurlijke persoon of rechtspersoon wordt beheerd, beschouwd als bestuursdocument.

Art. II.29. Wat de lokale overheden betreft, wordt de beslissing over de aanvraag tot openbaarmaking, onverminderd delegatie, genomen door de volgende personen:
1° voor de gemeenten, de districten en de OCMW's: door de algemeen directeur;
2° voor de provincies: door de griffier;
3° voor de polders en wateringen: door de dijkgraaf van de polder of de voorzitter van de watering;
4° voor de besturen van de erkende kerk- of geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten: door hun voorzitter.

Art. II.30. § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk gaan de beslissings- en uitvoeringstermijnen in op de dag nadat de aanvraag geregistreerd is, of als de aanvraag niet geregistreerd is, op de dag nadat de aanvraag is ontvangen.

§ 2. Die termijnen verstrijken om 24 uur van de laatste dag.

Afdeling 2.
Principes


Art. II.31. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, zijn verplicht aan iedereen die erom verzoekt, de gewenste bestuursdocumenten openbaar te maken door er inzage in te verlenen of er een afschrift van te overhandigen, of er uitleg over te verschaffen.

De inzage en de uitleg zijn kosteloos. De overheidsinstanties kunnen de overhandiging van een afschrift afhankelijk maken van de betaling van een bedrag op basis van een redelijke kostprijs met behoud van de toepassing van artikel 12, lid 5, en artikel 15, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming.

De verplichting, vermeld in het eerste lid, brengt niet de verplichting mee om het gevraagde bestuursdocument te verwerken of te analyseren.

Art. II.32. Een bestuursdocument dat in het bezit is van een personeelslid van een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.28, § 1, is een bestuursdocument dat in het bezit is van die instantie als het bestuursdocument betrekking heeft op de uitoefening van de taken van die instantie.

Bij het Vlaams Parlement wordt met het begrip personeelslid als vermeld in het eerste lid, uitsluitend een personeelslid van de diensten van het parlement bedoeld.

Afdeling 3.
Uitzonderingen op de openbaarheid van bestuursdocumenten


Art. II.33. Tenzij het belang van de openbaarheid primeert, mogen de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, een aanvraag afwijzen:
1° als de aanvraag kennelijk onredelijk blijft of op een te algemene wijze geformuleerd blijft, na een verzoek van de betrokken instantie tot herformulering van de eerste aanvraag als vermeld in artikel II.42;
2° als de aanvraag betrekking heeft op bestuursdocumenten die niet af of onvolledig zijn.

Art. II.34. Tenzij de aanvraag betrekking heeft op milieu-informatie, wijzen de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, een aanvraag tot openbaarmaking af als:
1° de openbaarmaking afbreuk doet aan een geheimhoudingsverplichting, vastgesteld in een aangelegenheid waarvoor de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bevoegd is;
2° de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de openbaarmaking instemt;
3° de openbaarmaking afbreuk doet aan het geheim van de beraadslagingen van de organen van de Vlaamse overheid, van de organen van de lokale overheden, van de organen van de instellingen met een publieke taak en van de organen van de milieu-instanties;
4° het om bestuursdocumenten gaat die uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie werden opgesteld;
5° het om bestuursdocumenten gaat die uitsluitend ten behoeve van de mogelijke toepassing van tuchtmaatregelen zijn opgesteld, zolang de mogelijkheid om een tuchtmaatregel te nemen blijft bestaan;
6° het om bestuursdocumenten gaat die informatie bevatten die door een derde is verstrekt zonder dat hij daartoe verplicht is en die hij uitdrukkelijk als vertrouwelijk heeft bestempeld, tenzij die persoon met de openbaarmaking instemt.

Art. II.35. Tenzij de aanvraag betrekking heeft op milieu-informatie, wijzen de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, een aanvraag tot openbaarmaking af als ze van oordeel zijn dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van een van de volgende belangen:
1° een economisch, financieel of commercieel belang van de overheidsinstanties;
2° het vertrouwelijke karakter van de internationale betrekkingen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap en van de betrekkingen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap met de supranationale instellingen, met de federale overheid en met andere gemeenschappen en gewesten;
3° het vertrouwelijke karakter van commerciėle en industriėle informatie, als die informatie beschermd wordt om een gelegitimeerd economisch belang te vrijwaren, tenzij degene van wie de informatie afkomstig is met de openbaarheid instemt;
4° de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid om een eerlijk proces te krijgen;
5° het vertrouwelijke karakter van de handelingen van een overheidsinstantie als die vertrouwelijkheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de administratieve handhaving, een audit die in uitvoering is of de politieke besluitvorming;
6° de openbare orde en de veiligheid.

Art. II.36. § 1. Als de aanvraag tot openbaarmaking betrekking heeft op bestuursdocumenten die milieu-informatie bevatten geldt, in afwijking van artikel II.34 en II.35, de volgende regeling.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, wijzen de aanvraag tot openbaarmaking af als ze van oordeel zijn dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van een van de volgende belangen:
1° de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de openbaarmaking instemt;
2° het geheim van de beraadslagingen van de organen van de Vlaamse overheid, van de organen van de lokale overheden, van de organen van de instellingen met een publieke taak en van de organen van de milieu-instanties;
3° het vertrouwelijke karakter van bestuursdocumenten die uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie zijn opgesteld;
4° het vertrouwelijke karakter van bestuursdocumenten die uitsluitend ten behoeve van de mogelijke toepassing van tuchtmaatregelen werden opgesteld, zolang de mogelijkheid om een tuchtmaatregel te nemen blijft bestaan;
5° de bescherming van de informatie die een derde heeft verstrekt zonder dat hij daartoe verplicht is, en die hij uitdrukkelijk als vertrouwelijk heeft bestempeld, tenzij die persoon met de openbaarmaking instemt;
6° het vertrouwelijke karakter van de internationale betrekkingen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap en van de betrekkingen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap met de supranationale instellingen, met de federale overheid en met andere gemeenschappen en gewesten;
7° het vertrouwelijke karakter van commerciėle en industriėle informatie, als die informatie beschermd wordt om een gelegitimeerd economisch belang te vrijwaren, tenzij degene van wie de informatie afkomstig is, met de openbaarheid instemt;
8° de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid om een eerlijk proces te krijgen;
9° het vertrouwelijke karakter van de handelingen van een overheidsinstantie, als die vertrouwelijkheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de administratieve handhaving, een audit die in uitvoering is of de politieke besluitvorming;
10° de openbare orde en de veiligheid;
11° de bescherming van het milieu waarop de informatie betrekking heeft.

§ 2. Als de aanvraag betrekking heeft op bestuursdocumenten die informatie bevatten over emissies in het milieu, zijn de uitzonderingsgronden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, 2°, 5°, 7°, 9° en 11°, niet van toepassing.

Voor de uitzonderingsgronden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, 4°, 6°, 8° en 10°, wordt in aanmerking genomen of de informatie waarom verzocht wordt, betrekking heeft op emissies in het milieu.

§ 3. Als de aanvraag betrekking heeft op bestuursdocumenten die informatie bevatten als vermeld in het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, zijn de bepalingen van paragraaf 1 en 2 van toepassing.

Art. II.37. Als de aanvraag tot openbaarmaking betrekking heeft op bestuursdocumenten die meer dan twintig jaar geleden opgemaakt of ontvangen zijn, kunnen de uitzonderingsgronden, vermeld in artikel II.34, 3°, 4° en 5°, artikel II.35, 1°, 4°, 5° en 6°, en artikel II.36, § 1, tweede lid, 2°, 3°, 4°, 8°, 9°, 10° en 11°, niet ingeroepen worden om de openbaarmaking te weigeren.

Als de aanvraag tot openbaarmaking betrekking heeft op bestuursdocumenten die meer dan vijftig jaar geleden opgemaakt of ontvangen zijn, kunnen ook de uitzonderingsgronden, vermeld in artikel II.34, 1° en 6°, in artikel II.35, 2° en 3°, en in artikel II.36, § 1, tweede lid, 5°, 6° en 7°, niet ingeroepen worden om de openbaarmaking te weigeren.

Als de aanvraag tot openbaarmaking betrekking heeft op bestuursdocumenten die meer dan honderdtwintig jaar geleden opgemaakt of ontvangen zijn of als de aanvraag betrekking heeft op persoonsgegevens van een persoon die meer dan twintig jaar geleden overleden is, kunnen ook de uitzonderingsgronden, vermeld in artikel II.34, 2°, en in artikel II.36, § 1, tweede lid, 1°, niet ingeroepen worden om de openbaarmaking te weigeren.

Art. II.38. Als universiteiten, hogescholen of erkende onderzoeksinstellingen een aanvraag tot openbaarmaking indienen voor wetenschappelijke doeleinden, kunnen de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, beslissen de volgende uitzonderingsgronden niet in te roepen:
1° de uitzonderingsgronden, vermeld in artikel II.35 en II.36, § 1, tweede lid, 2° tot en met 11° ;
2° de uitzonderingsgrond, vermeld in artikel II.34, 2°, en II.36, § 1, tweede lid, 1°, binnen de grenzen van artikel 89, eerste lid, van de algemene verordening gegevensbescherming;
3° de uitzonderingsgronden, vermeld in artikel II.34, 5° en 6°, op voorwaarde dat dat de betrokkene toegestemd heeft met de openbaarmaking.

De Vlaamse Regering stelt de nadere bepalingen vast voor de toepassing van dit artikel.

Art. II.39. De uitzonderingen, vermeld in deze afdeling, worden geval per geval restrictief uitgelegd.

De uitzonderingen, vermeld in deze afdeling, gelden met behoud van de toepassing van de andere uitzonderingen die bij de wet, het decreet of de ordonnantie bepaald zijn en die verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden van de federale overheid of andere gemeenschappen of gewesten.

De uitzonderingen, vermeld in deze afdeling, gelden ook voor de administratieve overheden van andere gemeenschappen en gewesten en op federaal niveau in de mate dat die uitzonderingen de openbaarheid van bestuursdocumenten verbieden of beperken op gronden die tot de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest behoren.

Afdeling 4.
De aanvraagprocedure


Art. II.40. § 1. De aanvraag wordt per brief, e-mail of, in voorkomend geval, webformulier ingediend bij de overheidsinstantie die het bestuursdocument bezit.

Als de aanvraag wordt ingediend bij een overheidsinstantie die het bestuursdocument niet bezit, stuurt de overheidsinstantie de aanvraag zo snel mogelijk door naar de overheidsinstantie die het document vermoedelijk bezit. De aanvrager wordt daarvan onmiddellijk op de hoogte gebracht.

§ 2. De aanvraag bevat de volgende informatie:
1° de naam van de aanvrager;
2° het adres van de aanvrager;
3° de informatie die nodig is om het gevraagde bestuursdocument te identificeren;
4° de keuze voor inzage of afschrift.

De aanvrager kan eventueel ook de vorm aangeven waarin hij de gevraagde informatie wil ontvangen.

§ 3. De aanvrager hoeft geen belang aan te tonen.

Voor de openbaarmaking van informatie van persoonlijke aard moet de aanvrager evenwel aantonen dat hij rechtstreeks en persoonlijk in zijn rechtssituatie kan worden geraakt door ofwel:
1° de informatie;
2° de beslissing waarop de informatie betrekking heeft;
3° de beslissing ter voorbereiding waarvan het document dat de informatie bevat, is opgesteld.

Onder informatie van persoonlijke aard wordt verstaan: informatie die betrekking heeft op een beoordeling of een waardeoordeel, of die de beschrijving van een gedrag bevat van een bij name genoemd of een gemakkelijk identificeerbare natuurlijke persoon.

Het tweede lid is niet van toepassing als de aanvraag betrekking heeft op:
1° informatie van persoonlijke aard over de aanvrager zelf;
2° milieu-informatie;
3° bestuursdocumenten die meer dan dertig jaar geleden opgemaakt of ontvangen zijn;
4° bestuursdocumenten die aangevraagd worden in het kader van wetenschappelijk onderzoek als vermeld in artikel II.38.

§ 4. Als de aanvraag betrekking heeft op milieu-informatie kan de aanvrager zelf een redelijke termijn voorstellen waarin hij de informatie wil ontvangen.

Als de aanvraag betrekking heeft op milieu-informatie kan de aanvrager bijkomend vragen welke meetmethodes gebruikt zijn om de informatie samen te stellen, met inbegrip van de methodes voor analysering, monstername en voorbehandeling van de monsters.

Art. II.41. De overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, die een aanvraag ontvangt voor een bestuursdocument dat het bezit, noteert de aanvraag zo snel mogelijk in een register, met vermelding van de ontvangstdatum.

De registratie is openbaar voor de aanvrager.

Art. II.42. Als de aanvraag kennelijk onredelijk is of op een te algemene wijze is geformuleerd, verzoekt de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, zo spoedig mogelijk, en uiterlijk binnen twintig kalenderdagen, de aanvrager om zijn aanvraag te specificeren of te vervolledigen.

De overheidsinstantie motiveert dat verzoek en geeft, indien mogelijk, aan welke bijkomende gegevens nodig zijn om de aanvraag te kunnen onderzoeken.

Art. II.43. § 1. Nadat ze de aanvraag geregistreerd heeft, onderzoekt de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, of de aanvraag ingewilligd kan worden met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk.

De aanvraag wordt zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twintig kalenderdagen per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier beantwoord.

Bij de kennisgeving van de beslissing wordt vermeld dat beroep kan ingesteld worden bij de beroepsinstantie, vermeld in artikel III.90, binnen de termijn, vermeld in artikel II.48, § 1.

§ 2. Als de aanvraag overeenkomstig artikel II.42 kennelijk onredelijk is of op een te algemene wijze geformuleerd is, begint een nieuwe termijn van twintig kalenderdagen te lopen vanaf het moment dat de aanvrager zijn aanvraag gespecificeerd of vervolledigd heeft.

§ 3. Als de overheidsinstantie oordeelt dat ze de aanvraag moeilijk tijdig kan toetsen aan de uitzonderingen deelt ze mee aan de aanvrager dat de termijn van twintig kalenderdagen verlengd wordt tot een termijn van veertig kalenderdagen. De verlengingsbeslissing vermeldt de reden of de redenen voor het uitstel.

Art. II.44. § 1. Als de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, beslist dat de aanvraag kan worden ingewilligd of gedeeltelijk kan worden ingewilligd, voert ze die beslissing zo snel mogelijk uit en uiterlijk binnen de termijn van twintig kalenderdagen, vermeld in artikel II.43, § 1 of § 2.

Als de overheidsinstantie oordeelt dat ze de gevraagde informatie moeilijk tijdig kan verzamelen, kan ze de termijn verlengen tot veertig kalenderdagen conform artikel II.43, § 3.

§ 2. Als de aanvrager wil gebruikmaken van zijn recht op inzage, stelt de overheidsinstantie die het bestuursdocument bezit, in overleg met de aanvrager de plaats, de datum en het tijdstip van inzage vast. De aanvrager moet het bestuursdocument onder redelijke omstandigheden kunnen inkijken en moet daarvoor ook voldoende tijd krijgen. De overheidsinstanties kunnen nadere regels vaststellen voor de wijze waarop het inzagerecht kan worden uitgevoerd.

§ 3. De overheidsinstantie die een aanvraag tot openbaarmaking inwilligt, vermeldt in voorkomend geval in de beslissing dat die inwilliging geen toestemming inhoudt om de gevraagde bestuursdocumenten te hergebruiken als vermeld in hoofdstuk 4.

Art. II.45. § 1. Als het bestuursdocument niet in de gevraagde vorm beschikbaar is of redelijkerwijze ter beschikking kan gesteld worden, deelt de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, in haar beslissing aan de aanvrager mee in welke andere vorm of vormen het bestuursdocument beschikbaar is of redelijkerwijze ter beschikking gesteld kan worden.

§ 2. Een bestuursdocument wordt gedeeltelijk openbaar gemaakt als informatie waarop een uitzondering van toepassing is als vermeld in afdeling 3 of waarvoor de verplichting geldt inzake het aantonen van het belang, vermeld in artikel II.40, § 3, tweede lid, samen met andere informatie in een bestuursdocument opgenomen is, en het mogelijk is om de informatie die niet openbaar kan gemaakt worden, te scheiden van de andere informatie.

In dat geval vermeldt de overheidsinstantie uitdrukkelijk in haar beslissing dat een bestuursdocument maar gedeeltelijk openbaar mag worden gemaakt. Ze geeft zo veel mogelijk aan op welke plaatsen informatie is weggelaten en op grond van welke bepaling dit gebeurde.

§ 3. Als de overheidsinstantie de milieu-informatie niet ter beschikking kan stellen van de aanvrager binnen de termijn die hij voorstelt met toepassing van artikel II.40, § 4, eerste lid, motiveert ze dat in haar beslissing.

Art. II.46. Als de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, de aanvraag afwijst, deelt ze de aanvrager de gronden voor die afwijzing mee.

Als de aanvraag wordt afgewezen op grond van artikel II.33, 2°, vermeldt de beslissing ook welke overheidsinstantie verantwoordelijk is voor de afwerking van het bestuursdocument, alsook de geschatte termijn voor de voltooiing ervan.

Als de aanvraag wordt afgewezen op grond van artikel II.34, 2° of 6°, artikel II.35, 3°, of artikel II.36, § 1, tweede lid, 1°, 5° of 7°, neemt de overheidsinstantie contact op met de betrokkene en vraagt ze of de aanvrager toestemming krijgt om alsnog toegang te krijgen tot het gevraagde bestuursdocument.

Afdeling 5.
De aanvraag tot aanvulling of verbetering van bestuursdocumenten


Art. II.47. § 1. Onverminderd de toepassing van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens kan elke burger die vaststelt dat een bestuursdocument onjuiste of onvolledige persoonsgegevens over hem bevat, de bevoegde overheidsinstantie verplichten de informatie te verbeteren of aan te vullen, op voorwaarde dat hij de nodige bewijsstukken kan voorleggen.

De verbetering of aanvulling is kosteloos.

Tenzij door of krachtens een wet of een decreet een specifieke aanpassingsprocedure is voorgeschreven, dient hij daarvoor een aanvraag in bij de bevoegde overheidsinstantie per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier.

§ 2. De aanvraag bevat, naast de gegevens, vermeld in artikel II.40, § 2, ook de nodige bewijsstukken.

§ 3. De overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, die een aanvraag ontvangt tot aanvulling of verbetering van een bestuursdocument waarvoor het bevoegd is, noteert de aanvraag onmiddellijk in het register, vermeld in artikel II.41.

Als de aanvraag op een te algemene wijze is geformuleerd of als de nodige bewijsstukken ontbreken, verzoekt de overheidsinstantie de aanvrager, zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twintig kalenderdagen, om zijn aanvraag te specificeren of te vervolledigen. De termijn, vermeld in paragraaf 4, begint opnieuw te lopen op het moment dat de aanvrager zijn aanvraag gespecificeerd of vervolledigd heeft.

§ 4. Als de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, beslist dat de aanvraag tot verbetering of aanvulling kan worden ingewilligd, voert ze die beslissing onmiddellijk uit en bezorgt ze de aanvrager binnen twintig kalenderdagen een afschrift van het aangepaste bestuursdocument.

Als de overheidsinstantie de verbetering of aanvulling onmogelijk binnen twintig kalenderdagen kan doorvoeren, deelt ze aan de aanvrager mee dat de termijn van twintig kalenderdagen verlengd wordt tot veertig kalenderdagen. Deze verlenging kan alleen gemotiveerd worden door procedurevoorschriften die door of krachtens een wet of decreet zijn opgelegd.

§ 5. Als de overheidsinstantie oordeelt dat de aanvraag ongegrond is, deelt ze de gronden voor de afwijzing van de aanvraag per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier mee aan de aanvrager binnen twintig kalenderdagen na de aanvraag of na de specificatie of vervollediging van de aanvraag door de aanvrager.

Afdeling 6.
Beroepsprocedure


Art. II.48. § 1. De aanvrager kan beroep instellen tegen:
1° een beslissing van een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.28, § 1, over een aanvraag als vermeld in artikel II.40 of II.47;
2° het uitblijven van een beslissing nadat de termijn waarbinnen de beslissing moest worden genomen, verstreken is;
3° een onwillige uitvoering van een beslissing tot openbaarmaking, aanvulling of verbetering.

Hij stelt dat beroep in bij de beroepsinstantie, vermeld in artikel III.90.

De aanvrager dient het beroep per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier in binnen een termijn van dertig kalenderdagen die, naargelang het geval, ingaat op de dag nadat de beslissing verstuurd is, of op de dag nadat de termijn, vermeld in artikel II.44, § 1, verstreken is.

Als de kennisgeving van de beslissing niet voldoet aan de bepalingen van artikel II.43, § 1, derde lid, start de termijn om een beroep in te dienen pas vier maanden na de kennisgeving.

De termijn om een beroep in te stellen neemt geen aanvang bij ontstentenis van een beslissing.

§ 2. De aanvrager bezorgt aan de beroepsinstantie een afschrift van zijn oorspronkelijke aanvraag en de beslissing van de betrokken overheidsinstantie waartegen beroep wordt ingesteld, als er een beslissing is genomen.

Als de voormelde documenten ontbreken, dan wordt de behandelingstermijn, vermeld in artikel II.50, § 1, opgeschort, tot de beroepsinstantie in het bezit is van de vereiste documenten.

Art. II.49. De beroepsinstantie die een beroep ontvangt, noteert dat zo snel mogelijk in een register, met vermelding van de ontvangstdatum. De registratie is openbaar voor de aanvrager die het beroep heeft ingesteld en voor de betrokken overheidsinstantie.

De beroepsinstantie brengt de betrokken overheidsinstantie onmiddellijk op de hoogte van het beroep.

Art. II.50. § 1. De beroepsinstantie spreekt zich uit over het beroep en brengt zowel de aanvrager als de betrokken overheidsinstantie binnen een termijn van dertig kalenderdagen per brief, e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier op de hoogte van haar beslissing.

Als de beroepsinstantie oordeelt dat ze de aanvraag moeilijk tijdig kan toetsen aan de uitzonderingsgronden, vermeld in dit hoofdstuk, deelt ze aan de indiener van het beroep mee dat de termijn van dertig kalenderdagen verlengd wordt tot een termijn van vijfenveertig kalenderdagen. De verlengingsbeslissing vermeldt de reden of de redenen voor het uitstel.

Als de aanvraag tot openbaarmaking wordt afgewezen op grond van artikel II.34, 2° of 6°, artikel II.35, 3°, of artikel II.36, § 1, tweede lid, 1°, 5° of 7°, neemt de beroepsinstantie contact op met de betrokkene en vraagt ze of de aanvrager toestemming krijgt om alsnog toegang te krijgen tot het gevraagde bestuursdocument, als die toestemming nog niet is gevraagd door de betrokken overheidsinstantie.

§ 2. Als de beroepsinstantie het beroep inwilligt, staat zij de openbaarmaking of de verbetering of aanvulling toe.

§ 3. De overheidsinstantie die de informatie bezit, voert de beslissing tot inwilliging van het beroep zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van de beslissing van de beroepsinstantie uit.

Als de overheidsinstantie de beslissing niet heeft uitgevoerd binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, voert de beroepsinstantie de beslissing zo snel mogelijk uit voor zover ze de gevraagde bestuursdocumenten bezit.

Voor de lokale overheden kan de beroepsinstantie een personeelslid gelasten zich ter plaatse te begeven om zelf de beslissing ten uitvoer te leggen. Dat kan alleen na een waarschuwing per brief of per e-mail.

Artikel II.44, § 2, is van overeenkomstige toepassing.

Art. II.51. Als er een beroep aanhangig wordt gemaakt, kan de beroepsinstantie alle bestuursdocumenten ter plaatse inzien of een afschrift ervan opvragen bij de betrokken overheidsinstantie.

De beroepsinstantie kan alle betrokken partijen en deskundigen horen en de personeelsleden van de betrokken overheidsinstantie om extra inlichtingen vragen.

HOOFDSTUK 4.
Hergebruik van overheidsinformatie


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. II.52. Dit hoofdstuk regelt het recht van burgers om bestuursdocumenten te hergebruiken voor andere commerciėle of niet-commerciėle doeleinden dan het oorspronkelijke doel binnen de publieke taak waarvoor de bestuursdocumenten zijn geproduceerd.

Het gebruik van bestuursdocumenten binnen de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.53, § 1, uitsluitend voor andere doeleinden binnen de publieke taak en de uitwisseling van bestuursdocumenten tussen overheidsinstanties, vermeld in artikel II.53, § 1, uitsluitend met het oog op de vervulling van hun publieke taak zijn geen hergebruik. De uitwisseling van gegevens tussen overheidsinstanties wordt geregeld in titel III, hoofdstuk 3, afdeling 3.

Art. II.53. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende overheidsinstanties:
1° de Vlaamse overheid;
2° de lokale overheden, behalve wat artikel II.62 betreft;
3° de instellingen met een publieke taak, wat hun publieke taak betreft;
4° de milieu-instanties wat hun milieuverantwoordelijkheden, -functies of -diensten betreft, behalve wat artikel II.62 betreft.

Wat betreft de instellingen met een publieke taak die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel I.3, 6°, c), 1), maar niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel I.3, 6°, c), 2) of 3), is dit hoofdstuk alleen van toepassing op de bestuursdocumenten die betrekking hebben op beslissingen die derden binden.

§ 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de bestuursdocumenten van de overheidsinstanties, vermeld in paragraaf 1, met uitzondering van:
1° de bestuursdocumenten waarvan de verstrekking een activiteit is die niet valt onder de publieke taak van de betrokken overheidsinstanties, op voorwaarde dat de omvang van de publieke taken transparant is en aan toetsing is onderworpen;
2° de bestuursdocumenten waarvoor een overheidsinstantie niet de nodige rechten heeft om hergebruik toe te staan;
3° de bestuursdocumenten of onderdelen ervan waarvoor de toegang is uitgesloten op basis van de geldende regeling inzake toegang tot bestuursdocumenten;
4° de bestuursdocumenten waarover openbare omroepen of hun dochterondernemingen en andere instellingen of hun dochterondernemingen beschikken om een publiekeomroeptaak te vervullen;
5° de bestuursdocumenten waarover onderwijs- of onderzoeksinstellingen beschikken, met inbegrip van overheidsinstanties die zijn opgericht voor de overdracht van onderzoeksresultaten, scholen en instellingen voor hoger onderwijs, met uitzondering van bibliotheken van instellingen voor hoger onderwijs;
6° de bestuursdocumenten waarover andere culturele instellingen dan musea, bibliotheken en archiefinstellingen beschikken;
7° de gedeelten van bestuursdocumenten die alleen logo's, wapens en insignes bevatten;
8° de broncode van computerprogramma's.

Art. II.54. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° machinaal leesbaar formaat: een bestandsformaat dat zodanig is gestructureerd dat softwaretoepassingen specifieke gegevens, met inbegrip van individuele feitenbeschrijvingen, en de interne structuur ervan gemakkelijk kunnen identificeren, herkennen en extraheren;
2° open formaat: een bestandsformaat dat platformonafhankelijk is en voor het publiek beschikbaar is zonder enige beperking die het hergebruik van informatie verhindert;
3° formele open standaard: een standaard die schriftelijk is vastgesteld, met vermelding van specificaties voor de wijze waarop de interoperabiliteit van de software moet worden gegarandeerd;
4° metagegevens: de beschrijving van bestuursdocumenten die het mogelijk maakt die bestuursdocumenten te zoeken, te inventariseren en te gebruiken;
5° instellingen voor hoger onderwijs: overheidsinstanties die postsecundair hoger onderwijs verstrekken dat tot een academische graad leidt.

Afdeling 2.
Principes van hergebruik van bestuursdocumenten


Art. II.55. Elke overheidsinstantie, vermeld in artikel II.53, § 1, staat het hergebruik van de bestuursdocumenten die ze bezit en waarop ze de nodige rechten heeft toe, zowel voor commerciėle als niet-commerciėle doeleinden, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

In afwijking van het eerste lid bepalen de bibliotheken, met inbegrip van de bibliotheken van instellingen voor hoger onderwijs, de musea en de archiefinstellingen, met betrekking tot de bestuursdocumenten die ze bezitten en waarop ze de nodige rechten hebben om hergebruik toe te staan, autonoom of het hergebruik van die bestuursdocumenten is toegestaan voor zowel commerciėle als niet-commerciėle doeleinden en onder welke voorwaarden.

In geval van hergebruik stelt de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.53, § 1, de bestuursdocumenten zo veel mogelijk via elektronische weg beschikbaar in de al bestaande formaten of talen en, als dat mogelijk en passend is, in een open en machinaal leesbaar formaat, samen met de metagegevens ervan. Zowel het formaat als de metagegevens voldoen zo veel mogelijk aan formele open standaarden.

Art. II.56. Als de bestuursdocumenten voor hergebruik in aanmerking komen en onder de voorwaarden, vermeld in artikel II.66, stelt de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.53, § 1, de bestuursdocumenten ter beschikking in de vorm die de aanvrager vraagt.

Als de bestuursdocumenten niet in de gevraagde vorm beschikbaar zijn, deelt de overheidsinstantie in haar beslissing aan de aanvrager mee in welke andere vorm of vormen de bestuursdocumenten beschikbaar zijn of redelijkerwijze ter beschikking gesteld kunnen worden.

Art. II.57. De verplichtingen, vermeld in artikel II.55 en II.56, brengen voor de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.53, § 1, niet de verplichting mee om bestuursdocumenten te creėren of aan te passen om aan een aanvraag tot hergebruik te voldoen, of om uittreksels van bestuursdocumenten te verstrekken, als dat een onevenredige inspanning vereist die verder gaat dan een eenvoudige handeling.

Art. II.58. De verplichtingen, vermeld in artikel II.55 en II.56, brengen voor de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.53, § 1, niet de verplichting mee om een bepaalde categorie van bestuursdocumenten te blijven produceren en te bewaren met het oog op hergebruik ervan.

Als een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.53, § 1, beslist om een categorie van bestuursdocumenten niet meer te produceren of te bewaren, maakt ze deze beslissing, zo snel als redelijkerwijze mogelijk is, openbaar.

Art. II.59. Als een vergoeding wordt gevraagd voor het hergebruik van bestuursdocumenten, blijft deze vergoeding beperkt tot de marginale kosten voor de vermenigvuldiging, verstrekking en verspreiding ervan.

Het eerste lid is niet van toepassing op:
1° de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.53, § 1, die verplicht zijn inkomsten te genereren om een aanzienlijk deel van de kosten van de uitoefening van hun publieke taken te dekken;
2° bij wijze van uitzondering, bestuursdocumenten waarvoor de betrokken overheidsinstantie bij of krachtens een decreet verplicht is voldoende inkomsten te genereren om een aanzienlijk deel van de kosten van de verzameling, productie, vermenigvuldiging en verspreiding ervan te dekken. Die verplichtingen worden vooraf vastgesteld en, als dat mogelijk en passend is, via elektronische weg bekendgemaakt;
3° bibliotheken, met inbegrip van bibliotheken van instellingen voor hoger onderwijs, musea en archiefinstellingen.

In de gevallen, vermeld in het tweede lid, 1° en 2°, berekenen de betrokken overheidsinstanties de totale vergoeding aan de hand van objectieve, transparante en controleerbare criteria die de Vlaamse Regering vaststelt. De totale inkomsten van die overheidsinstanties uit het verstrekken en het verlenen van toestemming voor hergebruik van bestuursdocumenten mogen gedurende de desbetreffende berekeningsperiode niet hoger zijn dan de kosten van de verzameling, productie, vermenigvuldiging en verspreiding, vermeerderd met een redelijk rendement op investeringen. De vergoeding wordt berekend overeenkomstig de boekhoudkundige beginselen die op de betrokken overheidsinstanties van toepassing zijn. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nodige verduidelijkingen uitwerken.

Als de overheidsinstanties, vermeld in het tweede lid, 3°, een vergoeding vragen, mogen de totale inkomsten uit het verstrekken en het verlenen van toestemming voor het hergebruik van bestuursdocumenten gedurende de desbetreffende berekeningsperiode niet hoger zijn dan de kosten van de verzameling, productie, vermenigvuldiging, verspreiding, conservering en vereffening van rechten, vermeerderd met een redelijk rendement op investeringen. De vergoeding wordt berekend overeenkomstig de boekhoudkundige beginselen die op de betrokken overheidsinstanties van toepassing zijn. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nodige verduidelijkingen uitwerken.

Art. II.60. In geval van standaardvergoedingen voor het hergebruik van bestuursdocumenten, worden de eventuele voorwaarden en het eigenlijke bedrag van die vergoedingen, met inbegrip van de berekeningsgrondslag ervoor, vooraf vastgesteld en bekendgemaakt, als dat mogelijk en passend is, via elektronische weg.

In geval van andere vergoedingen dan de vergoedingen voor het hergebruik, vermeld in het eerste lid, geeft de betrokken overheidsinstantie vooraf aan met welke factoren rekening wordt gehouden bij de berekening van die vergoedingen. Op verzoek geeft de betrokken overheidsinstantie ook aan hoe die vergoedingen zijn berekend met betrekking tot het specifieke verzoek om hergebruik.

Art. II.61. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt een of meerdere modellicenties met de voorwaarden voor hergebruik.

De modellicenties, vermeld in het eerste lid, die aan specifieke licentieaanvragen kunnen worden aangepast, worden in digitaal formaat beschikbaar gesteld en kunnen elektronisch worden verwerkt.

§ 2. De voorwaarden voor hergebruik mogen de mogelijkheden van hergebruik niet nodeloos beperken, noch gebruikt worden om de mededinging aan banden te leggen.

De voorwaarden voor hergebruik bevatten de toestemming om de bestuursdocumenten in hun geheel of gedeeltelijk te hergebruiken op om het even welke wijze, in oorspronkelijke, gewijzigde of bewerkte vorm, zonder uitsluiting van categorieėn van aanvragers, zonder beperkingen in de tijd of in geografische draagwijdte van het hergebruik, tenzij dat om juridische, technische of heel gegronde redenen niet mogelijk is.

§ 3. In geval van hergebruik als vermeld in artikel II.55, derde lid, hanteert de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.53, § 1, een van de modellicenties, vermeld in paragraaf 1.

In afwijking van het eerste lid kan de overheidsinstantie, met behoud van de toepassing van paragraaf 2, zonder motivering toestemming geven voor onvoorwaardelijk hergebruik of kan de overheidsinstantie, na motivering, andere voorwaarden voor het hergebruik bepalen. De motivering wordt voorafgaand ter goedkeuring voorgelegd aan het stuurorgaan Vlaams Informatie- en ICT-beleid, vermeld in artikel III.74.

Art. II.62. Om het zoeken naar bestuursdocumenten die voor hergebruik beschikbaar zijn, te vereenvoudigen, wordt voor de belangrijkste bestuursdocumenten die de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.53, § 1, bezitten, voorzien in overzichtslijsten met relevante metagegevens, die, als dat mogelijk en passend is, online en in machinaal leesbare formaten toegankelijk zijn, en in portaalsites met links naar die overzichtslijsten. Als dat mogelijk is, wordt het taaloverschrijdend zoeken naar bestuursdocumenten vergemakkelijkt.

De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere bepalingen vastleggen.

Afdeling 3.
Aanvraagprocedure


Art. II.63. De aanvraag tot hergebruik wordt ingediend overeenkomstig artikel II.40, met dien verstande dat de aanvraag de volgende informatie bevat:
1° de voor- en achternaam van de aanvrager;
2° het adres van de aanvrager;
3° de informatie die nodig is om het gevraagde bestuursdocument te identificeren;
4° een beschrijving van het beoogde hergebruik;
5° de vorm waarin het bestuursdocument bij voorkeur ter beschikking wordt gesteld.

Art. II.64. De overheidsinstantie, vermeld in artikel II.53, § 1, die een aanvraag tot hergebruik ontvangt voor een bestuursdocument dat ze in haar bezit heeft, behandelt deze aanvraag overeenkomstig artikel II.41, II.42 en II.43, en gaat na of het gevraagde bestuursdocument ter beschikking mag worden gesteld met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Art. II.65. Als de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.53, § 1, de aanvraag tot hergebruik afwijst, deelt ze de aanvrager de gronden voor de afwijzing van het verzoek mee.

Als de overheidsinstantie niet de nodige rechten heeft om hergebruik toe te staan, verwijst ze in haar beslissing naar de natuurlijke of rechtspersoon bij wie de intellectuele eigendomsrechten berusten, als die bekend is, of naar de licentiegever van wie de overheidsinstantie de gevraagde bestuursdocumenten heeft verkregen. Bibliotheken, met inbegrip van bibliotheken van instellingen voor hoger onderwijs, musea en archiefinstellingen zijn niet verplicht de aanvrager door te verwijzen.

Art. II.66. § 1. Als de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.53, § 1, beslist dat hergebruik toegestaan is, stelt ze in geval van onvoorwaardelijk hergebruik uiterlijk binnen de termijn van twintig kalenderdagen, vermeld in artikel II.43, § 1, de bestuursdocumenten in kwestie ter beschikking van de aanvrager.

Als de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.53, § 1, oordeelt dat ze de gevraagde bestuursdocumenten moeilijk tijdig kan verzamelen, wordt de termijn, vermeld in het eerste lid, op veertig kalenderdagen gebracht, conform artikel II.43, § 3.

§ 2. In geval van voorwaardelijk hergebruik, bezorgt de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.53, § 1, de bestuursdocumenten in kwestie aan de aanvrager, samen met een modellicentie als vermeld in artikel II.61, § 1, binnen de termijnen, vermeld in paragraaf 1.

Als de overheidsinstantie afwijkt van de modellicenties, vermeld in artikel II.61, § 1, bezorgt ze de motivering van die afwijking aan de aanvrager, samen met de voorwaarden die van toepassing zijn, conform artikel II.61, § 2.

Afdeling 4.
Discriminatieverbod en eerlijke handel


Art. II.67. De voorwaarden voor het hergebruik van bestuursdocumenten mogen niet discriminerend zijn voor vergelijkbare categorieėn van hergebruik.

Als een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.53, § 1, bestuursdocumenten hergebruikt als basismateriaal voor activiteiten die buiten de publieke taak vallen, zijn op de verstrekking van die bestuursdocumenten voor de activiteiten dezelfde vergoedingen en voorwaarden van toepassing als die welke gelden voor andere gebruikers.

Art. II.68. § 1. Het hergebruik van bestuursdocumenten staat open voor alle potentiėle marktdeelnemers, zelfs als een of meer marktdeelnemers die bestuursdocumenten al hergebruiken in producten of diensten met toegevoegde waarde.

Contracten of andere overeenkomsten tussen de overheidsinstantie die de bestuursdocumenten bezit en derden mogen in principe geen exclusiviteitsrechten verlenen.

§ 2. Als een exclusief recht noodzakelijk is om een dienst van algemeen belang te verlenen, moet periodiek, en in ieder geval om de drie jaar, worden nagegaan of de redenen daarvoor nog altijd geldig zijn.

Exclusiviteitsregelingen die na de datum van de inwerkingtreding van dit decreet worden gesloten, zijn transparant en worden openbaar gemaakt.

§ 3. Op de digitalisering van culturele hulpbronnen is paragraaf 2 niet van toepassing.

§ 4. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, duurt de periode van exclusiviteit in het algemeen niet langer dan tien jaar, als een exclusief recht betrekking heeft op de digitalisering van culturele hulpbronnen. Als die periode meer dan tien jaar bedraagt, wordt de duur ervan tijdens het elfde jaar en, als dat van toepassing is, daarna om de zeven jaar getoetst.

De regelingen die exclusieve rechten toekennen, zijn transparant en worden openbaar gemaakt.

In geval van een exclusief recht als vermeld in het eerste lid, wordt in de desbetreffende overeenkomst vastgesteld dat de desbetreffende overheidsinstantie kosteloos een kopie van de gedigitaliseerde culturele hulpbronnen krijgt. Die kopie is na afloop van de exclusiviteitsperiode beschikbaar voor hergebruik.

§ 5. De exclusiviteitsregelingen die al bestaan op 17 juli 2013 en die niet vallen onder een uitzonderingsregeling als vermeld in paragraaf 2 en 4, worden aan het einde van het contract of in elk geval uiterlijk op 18 juli 2043 beėindigd.

Afdeling 5.
Beroepsprocedure


Art. II.69. § 1. De aanvrager kan beroep instellen tegen:
1° een afwijzende beslissing die gebaseerd is op artikel II.53, § 2;
2° de beslissing waarbij het bedrag van de vergoedingen, vermeld in artikel II.59, wordt vastgesteld;
3° de beslissing waarbij de voorwaarden, vermeld in artikel II.61, worden vastgesteld;
4° het niet-naleven van de termijnen, vermeld in artikel II.66;
5° het uitblijven van een beslissing nadat de termijn waarbinnen de beslissing moest worden genomen, verstreken is.

Hij stelt dat beroep in bij de beroepsinstantie, vermeld in artikel III.90.

§ 2. De aanvrager dient het beroep per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier in binnen een termijn van dertig kalenderdagen die, naargelang van het geval, ingaat op de dag nadat de beslissing verstuurd is, of op de dag nadat de uitvoeringstermijn, vermeld in artikel II.66, verstreken is.

Als de kennisgeving van de beslissing niet voldoet aan de bepalingen van artikel II.43, § 1, derde lid, start de termijn om een beroep in te dienen pas vier maanden na de kennisgeving.

De termijn om beroep in te stellen neemt geen aanvang bij ontstentenis van een beslissing.

§ 3. De aanvrager bezorgt aan de beroepsinstantie een afschrift van zijn oorspronkelijke aanvraag en de beslissing van de betrokken overheidsinstantie waartegen beroep wordt ingesteld, als er een beslissing is genomen.

Als de voormelde documenten ontbreken, dan wordt de behandelingstermijn, vermeld in artikel II.71, § 1, opgeschort, tot de beroepsinstantie in het bezit is van de vereiste documenten.

Art. II.70. De beroepsinstantie die een beroep ontvangt, noteert dat beroep zo snel mogelijk in een register, met vermelding van de ontvangstdatum. De registratie is openbaar voor de aanvrager die het beroep heeft ingesteld en voor de betrokken overheidsinstantie.

De beroepsinstantie brengt de betrokken overheidsinstantie onmiddellijk op de hoogte van het beroep.

Art. II.71. § 1. De beroepsinstantie spreekt zich uit over het beroep en brengt de aanvrager en de betrokken overheidsinstantie per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier binnen een termijn van dertig kalenderdagen op de hoogte van haar beslissing, conform artikel II.50, § 1.

§ 2. Als de beroepsinstantie oordeelt dat ze de aanvraag moeilijk tijdig kan toetsen aan de uitzonderingsgronden, vermeld in artikel II.53, § 2, deelt ze aan de indiener van het beroep mee dat de termijn van dertig kalenderdagen verlengd wordt tot een termijn van vijfenveertig kalenderdagen. De verlengingsbeslissing vermeldt de reden of de redenen van het uitstel.

Art. II.72. De overheidsinstantie, vermeld in artikel II.53, § 1, verricht, voor het individuele verzoek tot hergebruik, de nieuwe noodzakelijke bestuurshandelingen die in overeenstemming zijn met de elementen waarover de beroepsinstantie zich uitgesproken heeft, binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de beslissing van de beroepsinstantie.

Als de beroepsinstantie oordeelt dat een afwijzende beslissing die gebaseerd is op artikel II.53, § 2, ongegrond is en als de overheidsinstantie verzuimt om de noodzakelijke bestuurshandelingen te verrichten conform het eerste lid, kan de beroepsinstantie onvoorwaardelijk hergebruik als vermeld in artikel II.61, § 3, toestaan, als ze de gevraagde bestuursdocumenten bezit.

Art. II.73. Als er een beroep aanhangig wordt gemaakt, kan de beroepsinstantie alle bestuursdocumenten ter plaatse inzien of een afschrift ervan opvragen bij de betrokken overheidsinstantie.

De beroepsinstantie kan alle betrokken partijen en deskundigen horen en de personeelsleden van de betrokken overheidsinstantie om extra inlichtingen vragen.

HOOFDSTUK 5.
Klachten, meldingen en voorstellen


Afdeling 1.
Algemene bepaling


Art. II.74. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende overheidsinstanties:
1° de Vlaamse administratie, met uitzondering van het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Geel en het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Rekem;
2° de Vlaamse openbare instellingen die niet behoren tot de Vlaamse administratie, met uitzondering van de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid.

Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan bepalingen die in een strengere klachtenregeling voorzien.

Afdeling 2.
Klachten


Art. II.75. Iedereen heeft het recht om kosteloos een klacht in te dienen bij een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.74, eerste lid, over een handeling die die overheidsinstantie heeft verricht of over de werking van die overheidsinstantie.

Een handeling van een persoon die werkt onder de verantwoordelijkheid van een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.74, eerste lid, wordt beschouwd als een handeling van die overheidsinstantie.

Art. II.76. § 1. Een klacht kan mondeling of schriftelijk ingediend worden.

Onder schriftelijk wordt verstaan: per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier.

§ 2. Een schriftelijke klacht is ontvankelijk als:
1° de naam en het adres van de indiener van de klacht bekend zijn;
2° de klacht een omschrijving bevat van de feiten waartegen ze gericht is.

Art. II.77. § 1. Een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.74, eerste lid, is niet verplicht de klacht te behandelen als:
1° de indiener geen belang kan aantonen;
2° de klacht kennelijk ongegrond is;
3° de klacht kennelijk onredelijk is;
4° de klacht betrekking heeft op feiten:
a) waarover de indiener eerder een klacht had ingediend die conform de toepasselijke decretale regeling werd behandeld;
b) die langer dan een jaar vóór de indiening van de klacht hebben plaatsgevonden;
c) waarover alle georganiseerde administratieve beroepsmogelijkheden niet werden aangewend of waarover een jurisdictioneel beroep aanhangig is.

§ 2. Als de klacht niet in behandeling genomen wordt op grond van paragraaf 1, brengt de overheidsinstantie de indiener daarvan op de hoogte binnen tien kalenderdagen nadat ze de klacht heeft ontvangen. De beslissing om een klacht niet te behandelen wordt gemotiveerd.

Art. II.78. Als de klacht wordt gericht aan een onbevoegde overheidsinstantie, stuurt de overheidsinstantie de klacht zo snel mogelijk door naar de overheidsinstantie die vermoedelijk bevoegd is.

Als de klacht betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij verschillende overheidsinstanties betrokken zijn, wijzen die overheidsinstanties in gezamenlijk overleg een coördinerende overheidsinstantie aan die verantwoordelijk is voor de behandeling van de klacht conform dit hoofdstuk.

Art. II.79. De indiening van de klacht geldt als een toestemming voor de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.74, eerste lid, om de gegevens in het kader van de klachtenbehandeling te verwerken, meer bepaald om de naam van de indiener en het voorwerp van de klacht bekend te maken bij het personeelslid of de dienst tegen wie de klacht gericht is of bij andere betrokken overheidsinstanties, behalve als de indiener zich daartegen verzet.

Art. II.80. De overheidsinstantie, vermeld in artikel II.74, eerste lid, bevestigt de ontvangst van de ontvankelijke schriftelijke klacht schriftelijk binnen tien kalenderdagen nadat ze de klacht ontvangen heeft, als ze binnen die termijn de klacht nog niet afgehandeld heeft.

Art. II.81. De klacht wordt behandeld door de klachtenvoorziening van de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.74, eerste lid, die een strikte neutraliteit in acht neemt. In geen geval wordt de klacht behandeld door een persoon die betrokken is of was bij de feiten waarop de klacht betrekking heeft.

Het is de klachtenvoorziening verboden feiten bekend te maken waarvan de bekendmaking de indiener of de betrokken overheidsinstantie kan schaden.

Art. II.82. De klachtenvoorziening van de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.74, eerste lid, beoordeelt of het aangewezen is om bemiddeling te organiseren tussen de indiener en de personen die betrokken zijn bij de feiten waarop de klacht betrekking heeft, waarbij de klachtenvoorziening als bemiddelaar optreedt.

Binnen de termijn die de overheidsinstantie daarvoor heeft bepaald, dient de indiener te antwoorden of hij al dan niet van de aangeboden bemiddelingsmogelijkheid gebruik maakt. Als de indiener niet binnen deze termijn antwoordt, wordt ervan uitgegaan dat hij afziet van bemiddeling.

Art. II.83. De klachtenvoorziening van de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.74, eerste lid, handelt de klacht af binnen vijfenveertig kalenderdagen nadat ze de klacht heeft ontvangen.

Die termijn kan in uitzonderlijke omstandigheden eenmalig verlengd worden tot maximaal negentig kalenderdagen. In dat geval worden de partijen schriftelijk geļnformeerd over de verlenging van de termijn en de motivering daarvoor, voor de termijn, vermeld in het eerste lid, verstreken is.

Art. II.84. De klachtenvoorziening van de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.74, eerste lid, brengt de indiener van een schriftelijke klacht schriftelijk op de hoogte van de bevindingen in het onderzoek naar de klacht, haar oordeel daarover en de eventuele conclusies of initiatieven die ze daaraan verbindt.

Als de bemiddeling, vermeld in artikel II.82, resulteert in een gezamenlijke conclusie die tot gevolg heeft dat aan de klacht is tegemoetgekomen, is die kennisgeving niet nodig.

Als nog een klacht kan worden ingediend bij de Vlaamse Ombudsdienst, conform het decreet van 7 juli 1998, of bij een andere tweedelijnsvoorziening, wordt daarvan bij de kennisgeving melding gemaakt.

Art. II.85. De indiener kan, conform het decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse Ombudsdienst, een klacht indienen bij de Vlaamse ombudsdienst:
1° tegen de beslissing van de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.74, eerste lid, om de klacht niet te behandelen op grond van artikel II.77;
2° als de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.74, eerste lid, de klacht niet behandelt binnen de termijn, vermeld in artikel II.83;
3° als de indiener oordeelt dat het antwoord van de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.84, onvoldoende tegemoetkomt aan zijn klacht.

Het eerste lid geldt niet voor klachten die betrekking hebben op beroepsethiek, als er een beroepsorde of een beroepsinstituut werd opgericht dat aangewezen werd om deze klachten te behandelen.

Afdeling 3.
Organisatie van de klachtenbehandeling


Art. II.86. Elke overheidsinstantie, vermeld in artikel II.74, eerste lid, draagt zorg voor een behoorlijke behandeling van de klachten en richt daarvoor een klachtenvoorziening in.

De klachtenvoorziening moet zo georganiseerd zijn dat:
1° elke klacht behandeld kan worden door een persoon die niet betrokken was bij de feiten waarop de klacht betrekking heeft;
2° elke klachtenbehandelaar zijn opdracht onafhankelijk, neutraal en met kennis van zaken kan uitoefenen.

Het hoofd van de overheidsinstantie waarborgt dat de klachtenbehandelaars:
1° beschermd worden tegen beļnvloeding of druk, in het bijzonder van personen die betrokken zijn bij de feiten waarop de klacht betrekking heeft;
2° over voldoende tijd beschikken om de klachten te behandelen;
3° niet geėvalueerd worden op of tuchtrechtelijk vervolgd worden vanwege hun bevindingen in het onderzoek of hun oordeel over de klacht.

Art. II.87. Elke overheidsinstantie, vermeld in artikel II.74, eerste lid, brengt jaarlijks vóór 10 februari een schriftelijk verslag uit bij de Vlaamse ombudsman over de binnengekomen klachten en over het resultaat van het onderzoek naar deze klachten. Voor de Vlaamse administratie wordt het verslag uitgebracht per beleidsdomein.

De Vlaamse Regering kan nadere regels opleggen over de modaliteiten van de verslaggeving.

Afdeling 4.
Voorstellen en meldingen


Art. II.88. Iedereen heeft het recht om kosteloos een voorstel in te dienen of een melding te doen bij een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.74, eerste lid, of via het centrale contact- en informatiepunt over het functioneren van de Vlaamse overheid, over het beleid van de Vlaamse Regering en over de Vlaamse regelgeving.

De overheidsinstantie brengt de burger binnen een redelijke termijn op de hoogte van haar standpunt over het voorstel of de melding en de eventuele conclusies of initiatieven die ze daaraan verbindt.

De overheidsinstantie is niet verplicht te reageren als het voorstel of de melding kennelijk ongegrond of kennelijk onredelijk is.