HOOFDSTUK 1.
Communicatie tussen burgers en de overheid


Afdeling 1.
Toepassingsgebied


Art. II.1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende overheidsinstanties:
1° de Vlaamse overheid, met uitzondering van de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid;
2° de lokale overheden, behalve wat artikel II.4, II.8, II.9, II.11, eerste lid, en II.12 betreft.

Artikel II.3, eerste lid, II.5, II.6, tweede, derde en vierde lid, II.16 en II.17 zijn ook van toepassing op de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid, op de instellingen met een publieke taak, wat hun publieke taak betreft, en op de milieu-instanties wat hun milieuverantwoordelijkheden, -functies of -diensten betreft.

In afwijking van het eerste lid, 1°, zijn artikel II.11, eerste lid, en II.12 niet van toepassing op de Vlaamse adviesorganen, op het Vlaams Parlement, zijn diensten, de instellingen die aan het Vlaams Parlement verbonden zijn en de autonome diensten die onder toezicht staan van het Vlaams Parlement.

Afdeling 2.
Principes voor informeren en participeren


Art. II.2. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, informeren actief, op eigen initiatief, over hun beleid, regelgeving en dienstverlening, telkens als dat nuttig, belangrijk of noodzakelijk is.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, zien erop toe dat de informatie zo veel mogelijk personen, verenigingen of organisaties van de doelgroep bereikt. Ze kiezen aangepaste communicatiestrategieën voor thema's die moeilijk te bereiken doelgroepen aanbelangen.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, dragen er zorg voor dat:
1° de informatie correct, betrouwbaar en accuraat is;
2° de informatie relevant is en gericht wordt verspreid;
3° de informatie tijdig en systematisch wordt verspreid.

Er mag geen informatie verspreid worden die valt onder de uitzonderingen, vermeld in artikel II.34, II.35 of II.36.

Art. II.3. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, zorgen ervoor dat de informatie die relevant is voor hun taak en die ze zelf beheren of die voor hen wordt beheerd, zo veel mogelijk geordend, accuraat, vergelijkbaar en geactualiseerd is.

De informatie van de overheid is gemakkelijk te raadplegen voor het beoogde doelpubliek via diverse kanalen en media.

Art. II.4. De Vlaamse Regering wijst de instanties aan die ervoor moeten zorgen dat milieu-informatie op een actieve, systematische en transparante wijze onder de burgers of onder de betrokken doelgroepen verspreid wordt en op een doeltreffende wijze toegankelijk wordt gemaakt.

De Vlaamse Regering bepaalt welke milieu-informatie minimaal wordt verspreid en stelt nadere regels vast voor de wijze waarop milieu-informatie wordt verspreid en toegankelijk wordt gemaakt.

Art. II.5. De Vlaamse overheid bouwt een of meer gezamenlijke gegevensbronnen uit met basisinformatie van de Vlaamse overheid, de lokale overheden, de instellingen met een publieke taak en de milieu-instanties.

Onder basisinformatie wordt verstaan:
1° identificerende informatie;
2° contactgegevens en informatie over dienstverlening;
3° formele hoedanigheden.

De lokale overheden, de instellingen met een publieke taak en de milieu-instanties verlenen hun medewerking aan een of meer gezamenlijke gegevensbronnen met basisinformatie als vermeld in het eerste lid.

Art. II.6. De burger kan met informatievragen terecht bij het centraal contact- en informatiepunt van de Vlaamse overheid. Dat contact- en informatiepunt is bereikbaar via diverse communicatiekanalen.

Daarnaast zijn alle personeelsleden van de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, verplicht om iedereen die informatie zoekt, daarbij te helpen.

Als ze zelf niet beschikken over de gevraagde informatie, sturen ze de vraag rechtstreeks door naar de bevoegde instantie of naar het centrale contact- en informatiepunt.

Informatievragen worden kosteloos en binnen een redelijke termijn beantwoord, met behoud van de toepassing van artikel II.31, tweede lid, en artikel II.59.

Art. II.7. De burger krijgt, zelf of via zijn gemandateerde, een geconsolideerde en burgergerichte toegang tot de gegevens die op hem betrekking hebben en waarover de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, beschikken.

Onder gegevens waarover de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, beschikken wordt verstaan: gegevens die beheerd of verwerkt worden door een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.1, of gegevens die beheerd of verwerkt worden door een externe overheid waartoe een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.1, toegang heeft.

Het gaat onder meer om:
1° gegevens over natuurlijke personen of rechtspersonen;
2° informatie over lopende dossiers;
3° informatie over rechten die voortvloeien uit regelgeving en die kunnen afgeleid worden uit de gegevens, vermeld in punt 1°.

Persoonsgegevens worden verwerkt met inachtneming van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens, en in het bijzonder die van toepassing is bij de mededeling van persoonsgegevens, zoals ze in voorkomend geval op federaal of deelstatelijk niveau verder zijn of worden gespecificeerd.

De toegang, vermeld in het eerste lid, geldt niet ten aanzien van de overheidsinstanties en de externe overheden die met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de algemene verordening gegevensbescherming hebben gebruikgemaakt van de mogelijkheid om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon overeenkomstig de specifieke decretale bepalingen ter uitvoering van voormelde verordeningsbepaling.

Deze toegang mag alleen gebruikt worden door de burger om toegang te krijgen tot zijn gegevens en mag voor geen enkel ander doeleinde worden gebruikt.

De manier en de nadere inhoud van de toegang wordt bepaald door het agentschap Informatie Vlaanderen in overleg met de betrokken overheidsinstanties en externe overheden.

In afwijking van het zevende lid, duidt de Vlaamse Regering aan welke overheidsinstantie de manier en de nadere inhoud van de toegang tot gegevens met betrekking tot rechtspersonen en natuurlijke personen in hun hoedanigheid van ondernemer bepaalt in overleg met de betrokken overheidsinstanties en externe overheden.

De Vlaamse Regering kan overheidsinstanties als vermeld in artikel II.1, verplichten mee te werken aan het toegankelijk maken van gegevens, en kan ook andere verplichtingen opleggen voor de toegang, vermeld in het eerste lid.

Art. II.8. Als de Vlaamse Regering de inspraak van burgers wil verzekeren bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van haar beleid, informeert ze daarover minstens via het consultatieportaal op de centrale website van de Vlaamse overheid.

Art. II.9. § 1. De beslissingen van de Vlaamse Regering, met uitzondering van de beslissingen met individuele strekking, worden samen met de bijhorende documenten, systematisch gepubliceerd op de centrale website van de Vlaamse overheid.

§ 2. De Vlaamse Regering informeert de burgers over de Vlaamse regelgeving en in het bijzonder over de rechten en verplichtingen die daaruit voortvloeien, minstens via de centrale website van de Vlaamse overheid.

§ 3. Met toepassing van artikel 5/3, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kunnen de adviezen van de Raad van State over voorontwerpen van decreet die niet zijn ingediend, de amendementen erop, en de ontwerpen van besluiten die niet zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, alsook de teksten van die voorontwerpen, amendementen en ontwerpbesluiten worden bekendgemaakt door de Raad van State na de ontbinding van het Vlaams Parlement.

Afdeling 3.
Normen voor overheidscommunicatie


Art. II.10. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, communiceren in de standaardtaal en hanteren een heldere taal die begrijpelijk is voor de ontvanger.

Art. II.11. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, verspreiden uitsluitend informatie die in overeenstemming is met het beleid van de hele Vlaamse overheid.

Uit de overheidscommunicatie moet duidelijk blijken in welke fase de besluitvorming of het project zich bevindt.

Art. II.12. De communicatie van de Vlaamse overheid is duidelijk en als zodanig herkenbaar.

De Vlaamse overheid profileert zich als één geheel en is altijd, ongeacht het kanaal of medium, herkenbaar als afzender of medeafzender, deelnemer, belanghebbende of betrokkene bij de communicatie. Alle onderdelen van de Vlaamse overheid maken zich herkenbaar door naar de Vlaamse overheid te verwijzen en kunnen daarnaast hun eigen entiteit tot uitdrukking brengen.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de toepassing van dit artikel.

Art. II.13. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, die communiceren namens de overheid, communiceren politiek neutraal.

Art. II.14. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, communiceren commercieel neutraal.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, lenen zich in hun eigen communicatie niet tot reclame of sluikreclame voor private bedrijven, merken of private personen. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, kunnen in de communicatie alleen verwijzen naar private bedrijven of personen, hun merknamen, logo's, of de diensten die ze geleverd hebben, naar hun merken of producten, als die informatie relevant of noodzakelijk is voor hun eigen boodschap.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, kunnen in hun eigen communicatiekanalen of media alleen ruimte laten voor betalende reclame van private bedrijven, merken of personen, als die reclame duidelijk wordt onderscheiden van de communicatie van de overheid zelf.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, aanvaarden voor hun communicatie geen aanbiedingen tot samenwerking van private derden, waarin die derden een duidelijk aanwijsbaar eenzijdig of dominant belang hebben, ook niet als die samenwerking kosteloos is of tegen gunstige voorwaarden kan worden verkregen.

Art. II.15. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, kunnen gebruikmaken van externe media onder de volgende voorwaarden:
1° het initiatief is gericht op een weloverwogen en duidelijk aanwijsbare communicatiedoelstelling van de overheid;
2° de overheid behoudt de volledige zeggenschap over de inhoud van de boodschap;
3° de overheid is duidelijk herkenbaar.

Afdeling 4.
Toegankelijkheid van websites en mobiele applicaties


Art. II.16. De websites en de mobiele applicaties van de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, moeten voldoen aan de norm die opgelegd is met toepassing van richtlijn EU 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties, als dat geen onevenredige last met zich meebrengt voor de betrokken instantie.

De onevenredigheid van de last wordt beoordeeld op grond van de volgende criteria:
1° de omvang, de middelen en de aard van de betrokken overheidsinstantie;
2° de geraamde kosten en baten voor de betrokken overheidsinstantie in verhouding tot de geraamde voordelen voor personen met een beperking, rekening houdend met de frequentie en de duur van het gebruik van de specifieke website of mobiele applicatie.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.1, publiceren op hun website een toegankelijkheidsverklaring over de conformiteit van hun website of mobiele applicatie met de norm, vermeld in het eerste lid.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen voor de modaliteiten van de toegankelijkheidsverklaring.

Art. II.17. Artikel II.16 is niet van toepassing op de websites en mobiele applicaties van de publieke omroepen.

Artikel II.16 is niet van toepassing op de volgende content van websites en mobiele applicaties:
1° documenten die niet primair voor gebruik op het internet bestemd zijn en die in webpagina's zijn verwerkt en die zijn gepubliceerd voor 23 september 2018, tenzij de inhoud nodig is voor actieve administratieve processen in het kader van taken die de betrokken overheidsinstanties vervullen;
2° vooraf opgenomen, op tijd gebaseerde media, die gepubliceerd zijn vóór 23 september 2020;
3° live uitgezonden media van het type louter geluid, louter videobeeld, audio-video, audio of video in combinatie met interactie;
4° online kaarten en karteringsdiensten, als bij de kaarten die bestemd zijn voor navigatie, essentiële informatie op een toegankelijke, digitale wijze wordt verstrekt;
5° reproducties van stukken die in particulier of openbaar bezit zijn en die van historisch, artistiek, archeologisch, esthetisch, wetenschappelijk of technisch belang zijn en deel uitmaken van verzamelingen die worden bewaard door culturele instellingen zoals bibliotheken, archiefinstellingen en musea, die niet volledig toegankelijk gemaakt kunnen worden omdat:
a) de toegankelijkheidseisen onverenigbaar zijn met de bewaring van het stuk in kwestie of de authenticiteit van de reproductie;
b) geautomatiseerde en kostenefficiënte oplossingen ontbreken om de tekst van manuscripten of andere stukken uit erfgoedcollecties te extraheren en om te zetten in inhoud die met de toegankelijkheidseisen strookt;
6° inhoud van websites die alleen beschikbaar is voor een beperkt aantal personen en die gepubliceerd is vóór 23 september 2019, tot dergelijke websites ingrijpend herzien worden;
7° inhoud die afkomstig is van derden en die niet door de betrokken overheidsinstantie wordt gefinancierd of ontwikkeld en evenmin onder haar gezag staat;
8° content van websites en mobiele applicaties die niet noodzakelijk is voor actieve administratieve processen en die niet is bijgewerkt of aangepast na 23 september 2019.

Voor scholen en voorzieningen voor kinderopvang van baby's en peuters en buitenschoolse opvang is artikel II.16 alleen van toepassing op de wezenlijke online administratieve functies. De Vlaamse Regering kan een lijst opstellen van die wezenlijke online administratieve functies. De scholen en voorzieningen voor kinderopvang van baby's en peuters en buitenschoolse opvang hoeven niet elk apart een toegankelijke website of mobiele applicatie te hebben als de toegang tot de wezenlijke online administratieve functies ook verzekerd kan worden via een centrale website.

Op vzw's of stichtingen is artikel II.16 alleen van toepassing als ze diensten verstrekken die essentieel zijn voor het publiek of diensten die specifiek gericht zijn op de behoeften van, of bedoeld zijn voor, personen met een beperking.