HOOFDSTUK 3.
Toegang tot bestuursdocumenten


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. II.26. Dit hoofdstuk regelt het recht om bestuursdocumenten te raadplegen en er een afschrift van te krijgen, vermeld in artikel 32 van de Grondwet, om uitleg te krijgen bij bestuursdocumenten en om persoonsgegevens in bestuursdocumenten te laten verbeteren.

Art. II.27. Dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan decretale bepalingen die in een ruimere openbaarheid van bestuur voorzien.

Art. II.28. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende overheidsinstanties:
1° de Vlaamse overheid;
2° de lokale overheden;
3° de instellingen met een publieke taak, wat hun publieke taak betreft;
4° de milieu-instanties wat hun milieuverantwoordelijkheden, -functies of -diensten betreft.

Wat betreft de instellingen met een publieke taak die voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel I.3, 6°, c), 1), maar niet aan de voorwaarden, vermeld in artikel I.3, 6°, c), 2) of 3), is dit hoofdstuk alleen van toepassing op de bestuursdocumenten die betrekking hebben op beslissingen die derden binden.

§ 2. Dit hoofdstuk is van toepassing op de bestuursdocumenten die in het bezit zijn van overheidsinstanties als vermeld in paragraaf 1, met uitzondering van:
1° de bestuursdocumenten van het Vlaams Parlement en de instellingen die eraan verbonden zijn, die geen betrekking hebben op overheidsopdrachten of op personeelsaangelegenheden;
2° de bestuursdocumenten van de Vlaamse administratieve rechtscolleges die betrekking hebben op de uitoefening van de rechterlijke functie;
3° de bestuursdocumenten van andere instanties met een rechterlijke hoedanigheid, in de mate dat de documenten betrekking hebben op de uitoefening van de rechterlijke functie.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt milieu-informatie, die in opdracht van een overheidsinstantie als vermeld in paragraaf 1, door een natuurlijke persoon of rechtspersoon wordt beheerd, beschouwd als bestuursdocument.

Art. II.29. Wat de lokale overheden betreft, wordt de beslissing over de aanvraag tot openbaarmaking, onverminderd delegatie, genomen door de volgende personen:
1° voor de gemeenten, de districten en de OCMW's: door de algemeen directeur;
2° voor de provincies: door de griffier;
3° voor de polders en wateringen: door de dijkgraaf van de polder of de voorzitter van de watering;
4° voor de besturen van de erkende kerk- of geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten: door hun voorzitter.

Art. II.30. § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk gaan de beslissings- en uitvoeringstermijnen in op de dag nadat de aanvraag geregistreerd is, of als de aanvraag niet geregistreerd is, op de dag nadat de aanvraag is ontvangen.

§ 2. Die termijnen verstrijken om 24 uur van de laatste dag.

Afdeling 2.
Principes


Art. II.31. De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, zijn verplicht aan iedereen die erom verzoekt, de gewenste bestuursdocumenten openbaar te maken door er inzage in te verlenen of er een afschrift van te overhandigen, of er uitleg over te verschaffen.

De inzage en de uitleg zijn kosteloos. De overheidsinstanties kunnen de overhandiging van een afschrift afhankelijk maken van de betaling van een bedrag op basis van een redelijke kostprijs met behoud van de toepassing van artikel 12, lid 5, en artikel 15, lid 3, van de algemene verordening gegevensbescherming.

De verplichting, vermeld in het eerste lid, brengt niet de verplichting mee om het gevraagde bestuursdocument te verwerken of te analyseren.

Art. II.32. Een bestuursdocument dat in het bezit is van een personeelslid van een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.28, § 1, is een bestuursdocument dat in het bezit is van die instantie als het bestuursdocument betrekking heeft op de uitoefening van de taken van die instantie.

Bij het Vlaams Parlement wordt met het begrip personeelslid als vermeld in het eerste lid, uitsluitend een personeelslid van de diensten van het parlement bedoeld.

Afdeling 3.
Uitzonderingen op de openbaarheid van bestuursdocumenten


Art. II.33. Tenzij het belang van de openbaarheid primeert, mogen de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, een aanvraag afwijzen:
1° als de aanvraag kennelijk onredelijk blijft of op een te algemene wijze geformuleerd blijft, na een verzoek van de betrokken instantie tot herformulering van de eerste aanvraag als vermeld in artikel II.42;
2° als de aanvraag betrekking heeft op bestuursdocumenten die niet af of onvolledig zijn.

Art. II.34. Tenzij de aanvraag betrekking heeft op milieu-informatie, wijzen de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, een aanvraag tot openbaarmaking af als:
1° de openbaarmaking afbreuk doet aan een geheimhoudingsverplichting, vastgesteld in een aangelegenheid waarvoor de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bevoegd is;
2° de openbaarmaking afbreuk doet aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de openbaarmaking instemt;
3° de openbaarmaking afbreuk doet aan het geheim van de beraadslagingen van de organen van de Vlaamse overheid, van de organen van de lokale overheden, van de organen van de instellingen met een publieke taak en van de organen van de milieu-instanties;
4° het om bestuursdocumenten gaat die uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie werden opgesteld;
5° het om bestuursdocumenten gaat die uitsluitend ten behoeve van de mogelijke toepassing van tuchtmaatregelen zijn opgesteld, zolang de mogelijkheid om een tuchtmaatregel te nemen blijft bestaan;
6° het om bestuursdocumenten gaat die informatie bevatten die door een derde is verstrekt zonder dat hij daartoe verplicht is en die hij uitdrukkelijk als vertrouwelijk heeft bestempeld, tenzij die persoon met de openbaarmaking instemt.

Art. II.35. Tenzij de aanvraag betrekking heeft op milieu-informatie, wijzen de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, een aanvraag tot openbaarmaking af als ze van oordeel zijn dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van een van de volgende belangen:
1° een economisch, financieel of commercieel belang van de overheidsinstanties;
2° het vertrouwelijke karakter van de internationale betrekkingen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap en van de betrekkingen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap met de supranationale instellingen, met de federale overheid en met andere gemeenschappen en gewesten;
3° het vertrouwelijke karakter van commerciėle en industriėle informatie, als die informatie beschermd wordt om een gelegitimeerd economisch belang te vrijwaren, tenzij degene van wie de informatie afkomstig is met de openbaarheid instemt;
4° de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid om een eerlijk proces te krijgen;
5° het vertrouwelijke karakter van de handelingen van een overheidsinstantie als die vertrouwelijkheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de administratieve handhaving, een audit die in uitvoering is of de politieke besluitvorming;
6° de openbare orde en de veiligheid.

Art. II.36. § 1. Als de aanvraag tot openbaarmaking betrekking heeft op bestuursdocumenten die milieu-informatie bevatten geldt, in afwijking van artikel II.34 en II.35, de volgende regeling.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, wijzen de aanvraag tot openbaarmaking af als ze van oordeel zijn dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van een van de volgende belangen:
1° de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de openbaarmaking instemt;
2° het geheim van de beraadslagingen van de organen van de Vlaamse overheid, van de organen van de lokale overheden, van de organen van de instellingen met een publieke taak en van de organen van de milieu-instanties;
3° het vertrouwelijke karakter van bestuursdocumenten die uitsluitend ten behoeve van de strafvordering of de vordering van een administratieve sanctie zijn opgesteld;
4° het vertrouwelijke karakter van bestuursdocumenten die uitsluitend ten behoeve van de mogelijke toepassing van tuchtmaatregelen werden opgesteld, zolang de mogelijkheid om een tuchtmaatregel te nemen blijft bestaan;
5° de bescherming van de informatie die een derde heeft verstrekt zonder dat hij daartoe verplicht is, en die hij uitdrukkelijk als vertrouwelijk heeft bestempeld, tenzij die persoon met de openbaarmaking instemt;
6° het vertrouwelijke karakter van de internationale betrekkingen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap en van de betrekkingen van het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap met de supranationale instellingen, met de federale overheid en met andere gemeenschappen en gewesten;
7° het vertrouwelijke karakter van commerciėle en industriėle informatie, als die informatie beschermd wordt om een gelegitimeerd economisch belang te vrijwaren, tenzij degene van wie de informatie afkomstig is, met de openbaarheid instemt;
8° de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid om een eerlijk proces te krijgen;
9° het vertrouwelijke karakter van de handelingen van een overheidsinstantie, als die vertrouwelijkheid noodzakelijk is voor de uitoefening van de administratieve handhaving, een audit die in uitvoering is of de politieke besluitvorming;
10° de openbare orde en de veiligheid;
11° de bescherming van het milieu waarop de informatie betrekking heeft.

§ 2. Als de aanvraag betrekking heeft op bestuursdocumenten die informatie bevatten over emissies in het milieu, zijn de uitzonderingsgronden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, 2°, 5°, 7°, 9° en 11°, niet van toepassing.

Voor de uitzonderingsgronden, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, 3°, 4°, 6°, 8° en 10°, wordt in aanmerking genomen of de informatie waarom verzocht wordt, betrekking heeft op emissies in het milieu.

§ 3. Als de aanvraag betrekking heeft op bestuursdocumenten die informatie bevatten als vermeld in het samenwerkingsakkoord van 16 februari 2016 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, zijn de bepalingen van paragraaf 1 en 2 van toepassing.

Art. II.37. Als de aanvraag tot openbaarmaking betrekking heeft op bestuursdocumenten die meer dan twintig jaar geleden opgemaakt of ontvangen zijn, kunnen de uitzonderingsgronden, vermeld in artikel II.34, 3°, 4° en 5°, artikel II.35, 1°, 4°, 5° en 6°, en artikel II.36, § 1, tweede lid, 2°, 3°, 4°, 8°, 9°, 10° en 11°, niet ingeroepen worden om de openbaarmaking te weigeren.

Als de aanvraag tot openbaarmaking betrekking heeft op bestuursdocumenten die meer dan vijftig jaar geleden opgemaakt of ontvangen zijn, kunnen ook de uitzonderingsgronden, vermeld in artikel II.34, 1° en 6°, in artikel II.35, 2° en 3°, en in artikel II.36, § 1, tweede lid, 5°, 6° en 7°, niet ingeroepen worden om de openbaarmaking te weigeren.

Als de aanvraag tot openbaarmaking betrekking heeft op bestuursdocumenten die meer dan honderdtwintig jaar geleden opgemaakt of ontvangen zijn of als de aanvraag betrekking heeft op persoonsgegevens van een persoon die meer dan twintig jaar geleden overleden is, kunnen ook de uitzonderingsgronden, vermeld in artikel II.34, 2°, en in artikel II.36, § 1, tweede lid, 1°, niet ingeroepen worden om de openbaarmaking te weigeren.

Art. II.38. Als universiteiten, hogescholen of erkende onderzoeksinstellingen een aanvraag tot openbaarmaking indienen voor wetenschappelijke doeleinden, kunnen de overheidsinstanties, vermeld in artikel II.28, § 1, beslissen de volgende uitzonderingsgronden niet in te roepen:
1° de uitzonderingsgronden, vermeld in artikel II.35 en II.36, § 1, tweede lid, 2° tot en met 11° ;
2° de uitzonderingsgrond, vermeld in artikel II.34, 2°, en II.36, § 1, tweede lid, 1°, binnen de grenzen van artikel 89, eerste lid, van de algemene verordening gegevensbescherming;
3° de uitzonderingsgronden, vermeld in artikel II.34, 5° en 6°, op voorwaarde dat dat de betrokkene toegestemd heeft met de openbaarmaking.

De Vlaamse Regering stelt de nadere bepalingen vast voor de toepassing van dit artikel.

Art. II.39. De uitzonderingen, vermeld in deze afdeling, worden geval per geval restrictief uitgelegd.

De uitzonderingen, vermeld in deze afdeling, gelden met behoud van de toepassing van de andere uitzonderingen die bij de wet, het decreet of de ordonnantie bepaald zijn en die verband houden met de uitoefening van de bevoegdheden van de federale overheid of andere gemeenschappen of gewesten.

De uitzonderingen, vermeld in deze afdeling, gelden ook voor de administratieve overheden van andere gemeenschappen en gewesten en op federaal niveau in de mate dat die uitzonderingen de openbaarheid van bestuursdocumenten verbieden of beperken op gronden die tot de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest behoren.

Afdeling 4.
De aanvraagprocedure


Art. II.40. § 1. De aanvraag wordt per brief, e-mail of, in voorkomend geval, webformulier ingediend bij de overheidsinstantie die het bestuursdocument bezit.

Als de aanvraag wordt ingediend bij een overheidsinstantie die het bestuursdocument niet bezit, stuurt de overheidsinstantie de aanvraag zo snel mogelijk door naar de overheidsinstantie die het document vermoedelijk bezit. De aanvrager wordt daarvan onmiddellijk op de hoogte gebracht.

§ 2. De aanvraag bevat de volgende informatie:
1° de naam van de aanvrager;
2° het adres van de aanvrager;
3° de informatie die nodig is om het gevraagde bestuursdocument te identificeren;
4° de keuze voor inzage of afschrift.

De aanvrager kan eventueel ook de vorm aangeven waarin hij de gevraagde informatie wil ontvangen.

§ 3. De aanvrager hoeft geen belang aan te tonen.

Voor de openbaarmaking van informatie van persoonlijke aard moet de aanvrager evenwel aantonen dat hij rechtstreeks en persoonlijk in zijn rechtssituatie kan worden geraakt door ofwel:
1° de informatie;
2° de beslissing waarop de informatie betrekking heeft;
3° de beslissing ter voorbereiding waarvan het document dat de informatie bevat, is opgesteld.

Onder informatie van persoonlijke aard wordt verstaan: informatie die betrekking heeft op een beoordeling of een waardeoordeel, of die de beschrijving van een gedrag bevat van een bij name genoemd of een gemakkelijk identificeerbare natuurlijke persoon.

Het tweede lid is niet van toepassing als de aanvraag betrekking heeft op:
1° informatie van persoonlijke aard over de aanvrager zelf;
2° milieu-informatie;
3° bestuursdocumenten die meer dan dertig jaar geleden opgemaakt of ontvangen zijn;
4° bestuursdocumenten die aangevraagd worden in het kader van wetenschappelijk onderzoek als vermeld in artikel II.38.

§ 4. Als de aanvraag betrekking heeft op milieu-informatie kan de aanvrager zelf een redelijke termijn voorstellen waarin hij de informatie wil ontvangen.

Als de aanvraag betrekking heeft op milieu-informatie kan de aanvrager bijkomend vragen welke meetmethodes gebruikt zijn om de informatie samen te stellen, met inbegrip van de methodes voor analysering, monstername en voorbehandeling van de monsters.

Art. II.41. De overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, die een aanvraag ontvangt voor een bestuursdocument dat het bezit, noteert de aanvraag zo snel mogelijk in een register, met vermelding van de ontvangstdatum.

De registratie is openbaar voor de aanvrager.

Art. II.42. Als de aanvraag kennelijk onredelijk is of op een te algemene wijze is geformuleerd, verzoekt de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, zo spoedig mogelijk, en uiterlijk binnen twintig kalenderdagen, de aanvrager om zijn aanvraag te specificeren of te vervolledigen.

De overheidsinstantie motiveert dat verzoek en geeft, indien mogelijk, aan welke bijkomende gegevens nodig zijn om de aanvraag te kunnen onderzoeken.

Art. II.43. § 1. Nadat ze de aanvraag geregistreerd heeft, onderzoekt de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, of de aanvraag ingewilligd kan worden met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk.

De aanvraag wordt zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twintig kalenderdagen per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier beantwoord.

Bij de kennisgeving van de beslissing wordt vermeld dat beroep kan ingesteld worden bij de beroepsinstantie, vermeld in artikel III.90, binnen de termijn, vermeld in artikel II.48, § 1.

§ 2. Als de aanvraag overeenkomstig artikel II.42 kennelijk onredelijk is of op een te algemene wijze geformuleerd is, begint een nieuwe termijn van twintig kalenderdagen te lopen vanaf het moment dat de aanvrager zijn aanvraag gespecificeerd of vervolledigd heeft.

§ 3. Als de overheidsinstantie oordeelt dat ze de aanvraag moeilijk tijdig kan toetsen aan de uitzonderingen deelt ze mee aan de aanvrager dat de termijn van twintig kalenderdagen verlengd wordt tot een termijn van veertig kalenderdagen. De verlengingsbeslissing vermeldt de reden of de redenen voor het uitstel.

Art. II.44. § 1. Als de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, beslist dat de aanvraag kan worden ingewilligd of gedeeltelijk kan worden ingewilligd, voert ze die beslissing zo snel mogelijk uit en uiterlijk binnen de termijn van twintig kalenderdagen, vermeld in artikel II.43, § 1 of § 2.

Als de overheidsinstantie oordeelt dat ze de gevraagde informatie moeilijk tijdig kan verzamelen, kan ze de termijn verlengen tot veertig kalenderdagen conform artikel II.43, § 3.

§ 2. Als de aanvrager wil gebruikmaken van zijn recht op inzage, stelt de overheidsinstantie die het bestuursdocument bezit, in overleg met de aanvrager de plaats, de datum en het tijdstip van inzage vast. De aanvrager moet het bestuursdocument onder redelijke omstandigheden kunnen inkijken en moet daarvoor ook voldoende tijd krijgen. De overheidsinstanties kunnen nadere regels vaststellen voor de wijze waarop het inzagerecht kan worden uitgevoerd.

§ 3. De overheidsinstantie die een aanvraag tot openbaarmaking inwilligt, vermeldt in voorkomend geval in de beslissing dat die inwilliging geen toestemming inhoudt om de gevraagde bestuursdocumenten te hergebruiken als vermeld in hoofdstuk 4.

Art. II.45. § 1. Als het bestuursdocument niet in de gevraagde vorm beschikbaar is of redelijkerwijze ter beschikking kan gesteld worden, deelt de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, in haar beslissing aan de aanvrager mee in welke andere vorm of vormen het bestuursdocument beschikbaar is of redelijkerwijze ter beschikking gesteld kan worden.

§ 2. Een bestuursdocument wordt gedeeltelijk openbaar gemaakt als informatie waarop een uitzondering van toepassing is als vermeld in afdeling 3 of waarvoor de verplichting geldt inzake het aantonen van het belang, vermeld in artikel II.40, § 3, tweede lid, samen met andere informatie in een bestuursdocument opgenomen is, en het mogelijk is om de informatie die niet openbaar kan gemaakt worden, te scheiden van de andere informatie.

In dat geval vermeldt de overheidsinstantie uitdrukkelijk in haar beslissing dat een bestuursdocument maar gedeeltelijk openbaar mag worden gemaakt. Ze geeft zo veel mogelijk aan op welke plaatsen informatie is weggelaten en op grond van welke bepaling dit gebeurde.

§ 3. Als de overheidsinstantie de milieu-informatie niet ter beschikking kan stellen van de aanvrager binnen de termijn die hij voorstelt met toepassing van artikel II.40, § 4, eerste lid, motiveert ze dat in haar beslissing.

Art. II.46. Als de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, de aanvraag afwijst, deelt ze de aanvrager de gronden voor die afwijzing mee.

Als de aanvraag wordt afgewezen op grond van artikel II.33, 2°, vermeldt de beslissing ook welke overheidsinstantie verantwoordelijk is voor de afwerking van het bestuursdocument, alsook de geschatte termijn voor de voltooiing ervan.

Als de aanvraag wordt afgewezen op grond van artikel II.34, 2° of 6°, artikel II.35, 3°, of artikel II.36, § 1, tweede lid, 1°, 5° of 7°, neemt de overheidsinstantie contact op met de betrokkene en vraagt ze of de aanvrager toestemming krijgt om alsnog toegang te krijgen tot het gevraagde bestuursdocument.

Afdeling 5.
De aanvraag tot aanvulling of verbetering van bestuursdocumenten


Art. II.47. § 1. Onverminderd de toepassing van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens kan elke burger die vaststelt dat een bestuursdocument onjuiste of onvolledige persoonsgegevens over hem bevat, de bevoegde overheidsinstantie verplichten de informatie te verbeteren of aan te vullen, op voorwaarde dat hij de nodige bewijsstukken kan voorleggen.

De verbetering of aanvulling is kosteloos.

Tenzij door of krachtens een wet of een decreet een specifieke aanpassingsprocedure is voorgeschreven, dient hij daarvoor een aanvraag in bij de bevoegde overheidsinstantie per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier.

§ 2. De aanvraag bevat, naast de gegevens, vermeld in artikel II.40, § 2, ook de nodige bewijsstukken.

§ 3. De overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, die een aanvraag ontvangt tot aanvulling of verbetering van een bestuursdocument waarvoor het bevoegd is, noteert de aanvraag onmiddellijk in het register, vermeld in artikel II.41.

Als de aanvraag op een te algemene wijze is geformuleerd of als de nodige bewijsstukken ontbreken, verzoekt de overheidsinstantie de aanvrager, zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twintig kalenderdagen, om zijn aanvraag te specificeren of te vervolledigen. De termijn, vermeld in paragraaf 4, begint opnieuw te lopen op het moment dat de aanvrager zijn aanvraag gespecificeerd of vervolledigd heeft.

§ 4. Als de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, § 1, beslist dat de aanvraag tot verbetering of aanvulling kan worden ingewilligd, voert ze die beslissing onmiddellijk uit en bezorgt ze de aanvrager binnen twintig kalenderdagen een afschrift van het aangepaste bestuursdocument.

Als de overheidsinstantie de verbetering of aanvulling onmogelijk binnen twintig kalenderdagen kan doorvoeren, deelt ze aan de aanvrager mee dat de termijn van twintig kalenderdagen verlengd wordt tot veertig kalenderdagen. Deze verlenging kan alleen gemotiveerd worden door procedurevoorschriften die door of krachtens een wet of decreet zijn opgelegd.

§ 5. Als de overheidsinstantie oordeelt dat de aanvraag ongegrond is, deelt ze de gronden voor de afwijzing van de aanvraag per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier mee aan de aanvrager binnen twintig kalenderdagen na de aanvraag of na de specificatie of vervollediging van de aanvraag door de aanvrager.

Afdeling 6.
Beroepsprocedure


Art. II.48. § 1. De aanvrager kan beroep instellen tegen:
1° een beslissing van een overheidsinstantie als vermeld in artikel II.28, § 1, over een aanvraag als vermeld in artikel II.40 of II.47;
2° het uitblijven van een beslissing nadat de termijn waarbinnen de beslissing moest worden genomen, verstreken is;
3° een onwillige uitvoering van een beslissing tot openbaarmaking, aanvulling of verbetering.

Hij stelt dat beroep in bij de beroepsinstantie, vermeld in artikel III.90.

De aanvrager dient het beroep per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier in binnen een termijn van dertig kalenderdagen die, naargelang het geval, ingaat op de dag nadat de beslissing verstuurd is, of op de dag nadat de termijn, vermeld in artikel II.44, § 1, verstreken is.

Als de kennisgeving van de beslissing niet voldoet aan de bepalingen van artikel II.43, § 1, derde lid, start de termijn om een beroep in te dienen pas vier maanden na de kennisgeving.

De termijn om een beroep in te stellen neemt geen aanvang bij ontstentenis van een beslissing.

§ 2. De aanvrager bezorgt aan de beroepsinstantie een afschrift van zijn oorspronkelijke aanvraag en de beslissing van de betrokken overheidsinstantie waartegen beroep wordt ingesteld, als er een beslissing is genomen.

Als de voormelde documenten ontbreken, dan wordt de behandelingstermijn, vermeld in artikel II.50, § 1, opgeschort, tot de beroepsinstantie in het bezit is van de vereiste documenten.

Art. II.49. De beroepsinstantie die een beroep ontvangt, noteert dat zo snel mogelijk in een register, met vermelding van de ontvangstdatum. De registratie is openbaar voor de aanvrager die het beroep heeft ingesteld en voor de betrokken overheidsinstantie.

De beroepsinstantie brengt de betrokken overheidsinstantie onmiddellijk op de hoogte van het beroep.

Art. II.50. § 1. De beroepsinstantie spreekt zich uit over het beroep en brengt zowel de aanvrager als de betrokken overheidsinstantie binnen een termijn van dertig kalenderdagen per brief, e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier op de hoogte van haar beslissing.

Als de beroepsinstantie oordeelt dat ze de aanvraag moeilijk tijdig kan toetsen aan de uitzonderingsgronden, vermeld in dit hoofdstuk, deelt ze aan de indiener van het beroep mee dat de termijn van dertig kalenderdagen verlengd wordt tot een termijn van vijfenveertig kalenderdagen. De verlengingsbeslissing vermeldt de reden of de redenen voor het uitstel.

Als de aanvraag tot openbaarmaking wordt afgewezen op grond van artikel II.34, 2° of 6°, artikel II.35, 3°, of artikel II.36, § 1, tweede lid, 1°, 5° of 7°, neemt de beroepsinstantie contact op met de betrokkene en vraagt ze of de aanvrager toestemming krijgt om alsnog toegang te krijgen tot het gevraagde bestuursdocument, als die toestemming nog niet is gevraagd door de betrokken overheidsinstantie.

§ 2. Als de beroepsinstantie het beroep inwilligt, staat zij de openbaarmaking of de verbetering of aanvulling toe.

§ 3. De overheidsinstantie die de informatie bezit, voert de beslissing tot inwilliging van het beroep zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijftien kalenderdagen na ontvangst van de beslissing van de beroepsinstantie uit.

Als de overheidsinstantie de beslissing niet heeft uitgevoerd binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, voert de beroepsinstantie de beslissing zo snel mogelijk uit voor zover ze de gevraagde bestuursdocumenten bezit.

Voor de lokale overheden kan de beroepsinstantie een personeelslid gelasten zich ter plaatse te begeven om zelf de beslissing ten uitvoer te leggen. Dat kan alleen na een waarschuwing per brief of per e-mail.

Artikel II.44, § 2, is van overeenkomstige toepassing.

Art. II.51. Als er een beroep aanhangig wordt gemaakt, kan de beroepsinstantie alle bestuursdocumenten ter plaatse inzien of een afschrift ervan opvragen bij de betrokken overheidsinstantie.

De beroepsinstantie kan alle betrokken partijen en deskundigen horen en de personeelsleden van de betrokken overheidsinstantie om extra inlichtingen vragen.