Art. II.44. 1. Als de overheidsinstantie, vermeld in artikel II.28, 1, beslist dat de aanvraag kan worden ingewilligd of gedeeltelijk kan worden ingewilligd, voert ze die beslissing zo snel mogelijk uit en uiterlijk binnen de termijn van twintig kalenderdagen, vermeld in artikel II.43, 1 of 2.

Als de overheidsinstantie oordeelt dat ze de gevraagde informatie moeilijk tijdig kan verzamelen, kan ze de termijn verlengen tot veertig kalenderdagen conform artikel II.43, 3.

2. Als de aanvrager wil gebruikmaken van zijn recht op inzage, stelt de overheidsinstantie die het bestuursdocument bezit, in overleg met de aanvrager de plaats, de datum en het tijdstip van inzage vast. De aanvrager moet het bestuursdocument onder redelijke omstandigheden kunnen inkijken en moet daarvoor ook voldoende tijd krijgen. De overheidsinstanties kunnen nadere regels vaststellen voor de wijze waarop het inzagerecht kan worden uitgevoerd.

3. De overheidsinstantie die een aanvraag tot openbaarmaking inwilligt, vermeldt in voorkomend geval in de beslissing dat die inwilliging geen toestemming inhoudt om de gevraagde bestuursdocumenten te hergebruiken als vermeld in hoofdstuk 4.