Afdeling 5.
Beroepsprocedure


Art. II.69. 1. De aanvrager kan beroep instellen tegen:
1 een afwijzende beslissing die gebaseerd is op artikel II.53, 2;
2 de beslissing waarbij het bedrag van de vergoedingen, vermeld in artikel II.59, wordt vastgesteld;
3 de beslissing waarbij de voorwaarden, vermeld in artikel II.61, worden vastgesteld;
4 het niet-naleven van de termijnen, vermeld in artikel II.66;
5 het uitblijven van een beslissing nadat de termijn waarbinnen de beslissing moest worden genomen, verstreken is.

Hij stelt dat beroep in bij de beroepsinstantie, vermeld in artikel III.90.

2. De aanvrager dient het beroep per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier in binnen een termijn van dertig kalenderdagen die, naargelang van het geval, ingaat op de dag nadat de beslissing verstuurd is, of op de dag nadat de uitvoeringstermijn, vermeld in artikel II.66, verstreken is.

Als de kennisgeving van de beslissing niet voldoet aan de bepalingen van artikel II.43, 1, derde lid, start de termijn om een beroep in te dienen pas vier maanden na de kennisgeving.

De termijn om beroep in te stellen neemt geen aanvang bij ontstentenis van een beslissing.

3. De aanvrager bezorgt aan de beroepsinstantie een afschrift van zijn oorspronkelijke aanvraag en de beslissing van de betrokken overheidsinstantie waartegen beroep wordt ingesteld, als er een beslissing is genomen.

Als de voormelde documenten ontbreken, dan wordt de behandelingstermijn, vermeld in artikel II.71, 1, opgeschort, tot de beroepsinstantie in het bezit is van de vereiste documenten.

Art. II.70. De beroepsinstantie die een beroep ontvangt, noteert dat beroep zo snel mogelijk in een register, met vermelding van de ontvangstdatum. De registratie is openbaar voor de aanvrager die het beroep heeft ingesteld en voor de betrokken overheidsinstantie.

De beroepsinstantie brengt de betrokken overheidsinstantie onmiddellijk op de hoogte van het beroep.

Art. II.71. 1. De beroepsinstantie spreekt zich uit over het beroep en brengt de aanvrager en de betrokken overheidsinstantie per brief, per e-mail of, in voorkomend geval, per webformulier binnen een termijn van dertig kalenderdagen op de hoogte van haar beslissing, conform artikel II.50, 1.

2. Als de beroepsinstantie oordeelt dat ze de aanvraag moeilijk tijdig kan toetsen aan de uitzonderingsgronden, vermeld in artikel II.53, 2, deelt ze aan de indiener van het beroep mee dat de termijn van dertig kalenderdagen verlengd wordt tot een termijn van vijfenveertig kalenderdagen. De verlengingsbeslissing vermeldt de reden of de redenen van het uitstel.

Art. II.72. De overheidsinstantie, vermeld in artikel II.53, 1, verricht, voor het individuele verzoek tot hergebruik, de nieuwe noodzakelijke bestuurshandelingen die in overeenstemming zijn met de elementen waarover de beroepsinstantie zich uitgesproken heeft, binnen vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de beslissing van de beroepsinstantie.

Als de beroepsinstantie oordeelt dat een afwijzende beslissing die gebaseerd is op artikel II.53, 2, ongegrond is en als de overheidsinstantie verzuimt om de noodzakelijke bestuurshandelingen te verrichten conform het eerste lid, kan de beroepsinstantie onvoorwaardelijk hergebruik als vermeld in artikel II.61, 3, toestaan, als ze de gevraagde bestuursdocumenten bezit.

Art. II.73. Als er een beroep aanhangig wordt gemaakt, kan de beroepsinstantie alle bestuursdocumenten ter plaatse inzien of een afschrift ervan opvragen bij de betrokken overheidsinstantie.

De beroepsinstantie kan alle betrokken partijen en deskundigen horen en de personeelsleden van de betrokken overheidsinstantie om extra inlichtingen vragen.