TITEL III.
Organisatorische bepalingen


HOOFDSTUK 1.
Structuur van de Vlaamse administratie


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. III.1. De Vlaamse administratie is opgebouwd op basis van homogene beleidsdomeinen. De Vlaamse Regering stelt de homogene beleidsdomeinen vast.

In elk beleidsdomein kunnen departementen, intern verzelfstandigde agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid, intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen en privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen worden opgericht.

De Vlaamse Regering kan bij een departement of een agentschap adviesraden oprichten.

De Vlaamse Regering kan bij een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid een raadgevend comité oprichten, tenzij een adviesraad als vermeld in het derde lid is opgericht.

In elk beleidsdomein richt de Vlaamse Regering een beleidsraad op. De beleidsraad is het forum waarop het politieke en het administratieve niveau overleg plegen en dat de Vlaamse Regering ondersteunt bij de aansturing van het beleidsdomein. De Vlaamse Regering bepaalt de samenstelling van de beleidsraad.

In afwijking van artikel I.3, 2°, e), worden de investeringsmaatschappijen van de Vlaamse overheid, vermeld in artikel I.3, 4°, w), x) en y), als een onderdeel van de Vlaamse administratie beschouwd voor de toepassing van dit hoofdstuk.

Art. III.2. De taken van beleidsuitvoering kunnen toevertrouwd worden aan de intern en extern verzelfstandigde agentschappen.

Beleidsondersteunende taken kunnen toevertrouwd worden aan de intern verzelfstandigde agentschappen en publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen.

In elk beleidsdomein worden tussen de minister, het departement en de verzelfstandigde agentschappen een structurele samenspraak en samenwerking uitgebouwd, met het oog op de optimale realisatie van de beleidsdoelstellingen, en met respect voor ieders taakstelling en verantwoordelijkheid. Vanuit hun taakstelling leveren de departementen en de verzelfstandigde agentschappen beleidsgerichte input.

Art. III.3. De Vlaamse Regering houdt een volledig en geactualiseerd overzicht bij van alle intern en extern verzelfstandigde agentschappen en hun eventuele statuten, en publiceert dat op de centrale website van de Vlaamse overheid.

Afdeling 2.
Intern verzelfstandige agentschappen met rechtspersoonlijkheid


Art. III.4. § 1. Intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid zijn rechtspersonen die onderworpen zijn aan het gezag van de Vlaamse Regering maar beschikken over operationele autonomie als vermeld in artikel III.5.

§ 2. Intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid worden opgericht bij decreet.

Het oprichtingsdecreet omvat een opsomming van de doelstellingen en taken die aan het intern verzelfstandigde agentschap met rechtspersoonlijkheid worden toevertrouwd. Bij het agentschap kan een raadgevend comité worden opgericht, tenzij bij het agentschap een adviesraad als vermeld in artikel III.1, derde lid, is opgericht.

Art. III.5. De intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid beschikken over operationele autonomie.

Deze operationele autonomie en de wijze waarop de Vlaamse Regering in dat kader ten aanzien van het hoofd van het agentschap van haar hiërarchisch gezag kan gebruikmaken, wordt op eenvormige wijze vastgesteld door de Vlaamse Regering. Er wordt in ieder geval operationele autonomie gewaarborgd voor:
1° de vaststelling en wijziging van de organisatiestructuur van het agentschap;
2° de organisatie van de operationele processen met het oog op de realisatie van de afgesproken doelstellingen;
3° de uitvoering van het personeelsbeleid;
4° de aanwending van de ter beschikking gestelde middelen voor:
a) de werking van het agentschap;
b) de uitvoering van de doelstellingen en taken van het agentschap;
c) het sluiten van contracten om de opdrachten van het agentschap te realiseren;
5° de organisatiebeheersing binnen het agentschap.

Art. III.6. Het hoofd van een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid is het personeelslid dat, onverminderd de mogelijkheid tot delegatie en subdelegatie van die bevoegdheid, en in voorkomend geval bijgestaan door een adjunct, hierna algemeen directeur te noemen, door de Vlaamse Regering wordt belast met de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van het agentschap.

De Vlaamse Regering kan specifieke delegaties aan het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid verlenen.

Afdeling 3.
Extern verzelfstandigde agentschappen


Onderafdeling 1.
Publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen


Art. III.7. De publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen zijn rechtspersonen waarvan de rechtsvorm niet in overeenstemming is met de dwingende bepalingen van het private vennootschaps- of verenigingsrecht.

De publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen worden opgericht bij decreet.

Art. III.8. Ieder publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap heeft een raad van bestuur.

Art. III.9. § 1. De raad van bestuur en de managementfunctie van een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap worden volgens een van de volgende modellen gestructureerd:
1° de Vlaamse Regering stelt de gedelegeerd bestuurder aan die belast is met het dagelijks bestuur en, in voorkomend geval een algemeen directeur;
2° de raad van bestuur stelt het hoofd van het agentschap aan dat belast is met het dagelijks bestuur, en in voorkomend geval een algemeen directeur.

§ 2. De raad van bestuur kan bevoegdheden delegeren aan de organen die hij intern opricht, alsook aan, naargelang van het geval, het hoofd van het agentschap of de gedelegeerd bestuurder.

Art. III.10. § 1. De Vlaamse Regering stelt de leden van de raad van bestuur aan conform de bepalingen van hoofdstuk 2, afdeling 2, voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar die in beginsel aanvangt zes maanden na de beëdiging van een nieuwe Vlaamse Regering na de algehele vernieuwing van het Vlaams Parlement. Als tussen de beëdiging van twee opeenvolgende regeringen minder of meer dan vijf jaar is verlopen, wordt deze termijn overeenkomstig aangepast.

Als in de loop van de termijn, vermeld in het eerste lid, een mandaat van lid van de raad van bestuur vrijkomt, stelt de Vlaamse Regering een nieuwe mandataris aan die het mandaat overneemt voor de nog resterende looptijd ervan.

In voorkomend geval wordt het mandaat van al de zittende bestuurders ambtshalve verlengd tot de Vlaamse Regering bij het verstrijken van de termijn die bepaald is overeenkomstig het eerste lid, de leden van de raad van bestuur heeft aangesteld.

§ 2. De Vlaamse Regering kan de leden van de raad van bestuur die ze heeft voorgedragen, op elk moment ontslaan.

§ 3. De Vlaamse Regering bepaalt de organieke regeling inzake de vergoeding van bestuurders.

Art. III.11. De bestuurders zijn verantwoordelijk voor de vervulling van de taak die aan hen opgedragen is en ze zijn aansprakelijk voor de tekortkomingen in hun bestuur. Ze zijn hetzij jegens het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap, hetzij jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van overtreding van dit decreet, het oprichtingsdecreet van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap en de uitvoeringsbesluiten van die decreten.

De bestuurders worden van die aansprakelijkheid ontheven bij overtredingen waarbij ze niet betrokken waren, als hun geen schuld kan worden verweten en als ze die overtredingen hebben aangeklaagd bij de Vlaamse Regering binnen een maand nadat ze er kennis van hebben gekregen.

Art. III.12. § 1. Onder voorbehoud van eventuele andere onverenigbaarheden, is het mandaat van bestuurder van een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap onverenigbaar met:
1° een mandaat in het Europees Parlement, de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement;
2° het ambt van minister of staatssecretaris en de hoedanigheid van kabinetslid van de minister onder het toezicht van wie het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap valt;
3° het ambt van personeelslid van het extern verzelfstandigde agentschap, de gedelegeerd bestuurder en de algemeen directeur in voorkomend geval uitgezonderd.

§ 2. Als een bestuurder de bepalingen van paragraaf 1 overtreedt, beschikt hij over een termijn van drie maanden om de mandaten of functies die tot de onverenigbaarheid aanleiding geven, neer te leggen.

Als de bestuurder nalaat de onverenigbare mandaten of functies neer te leggen, wordt hij na afloop van de termijn, vermeld in het eerste lid, van rechtswege geacht zijn mandaat in het agentschap te hebben neergelegd, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de handelingen die hij inmiddels heeft gesteld of van de beraadslagingen waaraan hij inmiddels heeft deelgenomen. In zijn vervanging wordt voorzien overeenkomstig de bepalingen in artikel III.10.

Art. III.13. § 1. Een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap staat onder het toezicht van de Vlaamse Regering.

Dat toezicht wordt uitgeoefend door een regeringscommissaris aangesteld bij besluit van de Vlaamse Regering op voordracht van de bevoegde minister onder wie het agentschap ressorteert en door een regeringscommissaris die is aangesteld bij besluit van de Vlaamse Regering op voordracht van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting.

De regeringscommissaris houdt toezicht op de overeenstemming van de verrichtingen en de werking van het agentschap met het algemeen belang en waakt over de naleving van de wetten, decreten, ordonnanties en reglementaire besluiten, het organiek statuut van het agentschap en het ondernemingsplan. De regeringscommissaris die de Vlaamse Regering heeft aangewezen op voordracht van de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begroting, oefent dezelfde toezichtsfunctie uit als de regeringscommissaris die is aangewezen op voordracht van de bevoegde minister onder wie het agentschap ressorteert voor alle beslissingen met een budgettaire of financiële weerslag.

§ 2. De regeringscommissaris of zijn plaatsvervanger zetelt met raadgevende stem in de raad van bestuur van het agentschap en in de comités die de raad van bestuur heeft ingesteld. Hij wordt uitgenodigd op alle vergaderingen van deze bestuursorganen en wordt op dezelfde manier als de leden ervan tijdig op de hoogte gebracht van de dagorde en alle bijbehorende documenten.

Hij is gemachtigd om zich alle documenten en inlichtingen met betrekking tot het bestuur van het betrokken agentschap, die hij nodig acht voor de uitoefening van zijn mandaat, te doen verstrekken.

Het agentschap stelt de menselijke en materiële middelen die nodig zijn voor de uitoefening van zijn mandaat, ter beschikking van de regeringscommissaris.

§ 3. De regeringscommissaris of zijn plaatsvervanger kan bij de minister die hem heeft voorgedragen of aangewezen, binnen een termijn van vier werkdagen een gemotiveerd beroep instellen tegen elke beslissing die hij strijdig acht met het algemeen belang, de wetten, decreten, ordonnanties en reglementaire besluiten, met het organieke statuut van het agentschap of met het ondernemingsplan. Het beroep is opschortend.

Deze termijn gaat in op de dag van de vergadering waarop de beslissing genomen is, als de regeringscommissaris daarvoor regelmatig uitgenodigd is, of, als dat niet het geval is, op de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen.

§ 4. Als de minister, bij wie het beroep is ingesteld, binnen een termijn van tien werkdagen, die ingaat op dezelfde dag als de termijn, vermeld in paragraaf 3, de nietigverklaring niet heeft uitgesproken, wordt de beslissing definitief.

§ 5. De nietigverklaring van de beslissing wordt door de minister aan het betrokken bestuursorgaan betekend.

§ 6. Als de naleving van de wetten, decreten, ordonnanties en reglementaire besluiten, het organieke statuut van het agentschap of het ondernemingsplan dat vereist, kan de minister of de regeringscommissaris het bevoegde bestuursorgaan verplichten om, binnen de termijn die hij vastlegt, te beraadslagen over elke aangelegenheid die hij bepaalt.

§ 7. De Vlaamse Regering stelt de vergoedingen van de regeringscommissaris vast.

§ 8. De kosten die verbonden zijn aan de uitoefening van het ambt van regeringscommissaris zijn ten laste van het agentschap waarbij de toezichthouder is aangesteld.

Onderafdeling 2.
Privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen


Art. III.14. De privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen zijn de rechtspersonen waarvan de rechtsvorm volledig in overeenstemming is met de dwingende bepalingen van het private vennootschaps- of verenigingsrecht.

Art. III.15. De Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest kunnen een privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap oprichten of erin deelnemen, op grond van een machtiging die de decreetgever daartoe uitdrukkelijk heeft verstrekt. Die machtiging stelt de beleidsuitvoerende taken vast met het oog waarop die oprichting of deelname kan plaatsvinden, en de personeelsleden, infrastructuur en middelen die daarvoor aan de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen ter beschikking kunnen worden gesteld.

Art. III.16. Tussen een privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap en de Vlaamse Regering, die optreedt voor de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, wordt na onderhandeling een samenwerkingsovereenkomst gesloten over de samenwerking tussen de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, enerzijds, en het privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap, anderzijds, en, in voorkomend geval, over de aanwending van de personeelsleden, middelen en infrastructuur die aan het agentschap ter beschikking gesteld zijn.

De Vlaamse Regering houdt een volledig en geactualiseerd overzicht bij van de samenwerkingsovereenkomsten en publiceert dat op de centrale website van de Vlaamse overheid.

De Vlaamse Regering publiceert de jaarverslagen van de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen op de centrale website van de Vlaamse overheid.

Afdeling 4.
Deelname in andere rechtspersonen


Art. III.17. De Vlaamse Gemeenschap, het Vlaamse Gewest en de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid zijn gemachtigd om op grond van het private vennootschaps- of verenigingsrecht, instellingen, verenigingen en ondernemingen op te richten, erin deel te nemen of zich erin te laten vertegenwoordigen, als die oprichting, deelneming of vertegenwoordiging niet gebeurt met het oog op de overdracht van een publieke taak.

De machtiging, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor participaties in het kader van Vlaamse publiek-private samenwerkingsprojecten.

Art. III.18. De extern verzelfstandigde agentschappen kunnen binnen de perken van hun maatschappelijk doel instellingen, verenigingen en ondernemingen oprichten, erin deelnemen of zich erin laten vertegenwoordigen.

Als deze oprichting, deelneming of vertegenwoordiging gebeurt met het oog op de uitvoering van taken van beleidsuitvoering waarmee het agentschap belast werd, moet daartoe een voorafgaande machtiging door de Vlaamse Regering worden verleend. De verleende machtigingen worden binnen dertig kalenderdagen meegedeeld aan het Vlaams Parlement.

Een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap kan de uitvoering van de taken van beleidsondersteuning waarmee het belast is niet overdragen aan de instellingen, verenigingen en ondernemingen die het opricht of waarin het deelneemt of vertegenwoordigd is.

Dit artikel is niet van toepassing op participaties in het kader van Vlaamse publiek-private samenwerkingsprojecten of op de oprichtingen en participaties van de investeringsmaatschappijen van de Vlaams overheid.

Afdeling 5.
Diverse bepalingen


Art. III.19. De Vlaamse Regering kan intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid en publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen, rekening houdend met hun autonomie in het dagelijks functioneren, verplichten om gemeenschappelijke dienstverlening af te nemen, zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering.

Art. III.20. De intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid en de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen worden met de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest gelijkgesteld voor de toepassing van de wetten en decreten over de indirecte en directe belastingen waarvoor de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bevoegd is om het toepassingsgebied te bepalen.

Art. III.21. § 1. Op verzoek van een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid of een publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap, en met het akkoord van de Vlaamse Regering kunnen de personeelsleden die de Vlaamse Regering aanstelde belast worden met de invordering van de onbetwiste en opeisbare niet-fiscale schuldvorderingen, met de invordering van de administratieve geldboeten en met de invordering van de toebehoren in naam en voor rekening van het agentschap.

In dit artikel wordt verstaan onder toebehoren: interesten, invorderingskosten, rechtsplegingsvergoedingen, gerechtskosten en betekeningskosten.

De met invordering belaste personeelsleden zijn gemachtigd om de onbetwiste en opeisbare niet-fiscale schuldvorderingen, de administratieve geldboeten en de toebehoren in te vorderen op de wijze, vermeld in artikel 2 van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren voor de gemeenschapsaangelegenheden en in artikel 2 van het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren voor de gewestelijke aangelegenheden.

§ 2. Met behoud van de toepassing van specifieke regelingen in wetten, decreten en verordeningen, zijn de personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, gemachtigd om, na instemming van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid of het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap in kwestie, aan de schuldenaars van onbetwiste en opeisbare niet-fiscale schuldvorderingen, van administratieve geldboeten en van toebehoren die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel van betaling toe te staan en gedeeltelijke betalingen vooreerst op het kapitaal aan te rekenen.

De personeelsleden, vermeld in paragraaf 1, kunnen, met instemming van het betrokken publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap of intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid in kwestie, gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld in intresten verlenen als de schuldenaar kennelijk onvermogend is.

HOOFDSTUK 2.
Deugdelijk bestuur


Afdeling 1.
Rechtspositie van de personeelsleden


Art. III.22. Tenzij het anders is vermeld in deze afdeling, is deze afdeling van toepassing op de personeelsleden van de volgende overheidsinstanties:
1° de departementen, de intern verzelfstandigde agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid, de Dienst van de Bestuursrechtscolleges, de onderwijsinspectie met uitzondering van de leden van de inspectie;
2° de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid;
3° de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;
4° de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;
5° de secretariaten van de strategische adviesraden;
6° de Vlaamse openbare instellingen De Watergroep, de Vlaamse Radio- en Televisieomroep, het Vlaams Fonds voor de Letteren en de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek;
7° het Ondersteunend Centrum van het Agentschap voor Natuur en Bos, het Eigen Vermogen van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek, het Eigen Vermogen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, het Eigen Vermogen Flanders Hydraulics;
8° de instanties die niet vallen onder punt 1° tot en met 7° maar die voldoen aan alle volgende kenmerken:
a) ze maken deel uit van de Vlaamse deelstaatoverheid of zijn in handen van de Vlaamse deelstaatoverheid en vallen onder het exclusief toezicht van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, in overeenstemming met het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen, vermeld in verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie;
b) ze bezitten rechtspersoonlijkheid;
c) het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen of hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochterondernemingen hebben minimaal de helft van de stemmen in de algemene vergadering;
9° de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.

De universitaire instellingen, met inbegrip van hun patrimonium, en de hogescholen vallen niet onder het toepassingsgebied.

Art. III.23. De Vlaamse Regering bepaalt de rechtspositieregeling van het personeel van de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen en de secretariaten van de strategische adviesraden. De regelingen die de Vlaamse Regering uitwerkt, voorzien in een globale interne arbeidsmarkt.

Art. III.24. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, 3° tot en met 9°, stellen een deontologische code op voor hun personeelsleden.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, 3° tot en met 6°, stellen een regeling op voor de bescherming van klokkenluiders.

Onder klokkenluiders als vermeld in het tweede lid, wordt verstaan: de personeelsleden die bij de uitoefening van hun ambt nalatigheden, misbruiken of misdrijven binnen de instantie waar ze werken, hebben vastgesteld en gemeld.

Art. III.25. De jaarlijkse bezoldiging van de personeelsleden van de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, mag niet meer bedragen dan de jaarlijkse bezoldiging van de minister-president van de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering kan, op advies van het Remuneratiecomité van de Vlaamse overheid, toestaan dat afgeweken wordt van de maximumbezoldiging, vermeld in het eerste lid.

Art. III.26. Het is verboden om de jaarlijkse bezoldiging, sociale voordelen, voordelen van alle aard, onkostenvergoedingen en eventuele andere bezoldigingselementen geheel of gedeeltelijk toe te kennen in aandelen of aandelenopties.

Het is verboden de bezoldiging van personeelsleden, vermeld in het eerste lid, te betalen aan een managementvennootschap.

Art. III.27. Als de arbeidsovereenkomst een vertrekpremie vaststelt, kan die premie hoogstens het bedrag van één vast jaarsalaris bedragen.

In afwijking van het eerste lid, wordt een hogere premie toegekend als de wettelijke bepalingen over het arbeidsrecht daartoe aanleiding geven.

De vertrekpremie omvat de opzegvergoeding, de eventuele vergoeding wegens concurrentiebeding, voordelen in natura of stortingen in een pensioenfonds die betrokkene ontvangt na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Bij vrijwillig vertrek heeft het personeelslid geen recht op een vertrekpremie.

Art. III.28. De pensioenregeling mag niet voordeliger zijn dan die van een minister van de Vlaamse Regering.

Het verbod, vermeld in het eerste lid, betreft zowel het te ontvangen bedrag, de persoonlijke bijdrage als de instapvoorwaarden in de aanvullende pensioenregeling.

Art. III.29. Het bevoegde orgaan van de overheidsinstantie, vermeld in artikel III.22, eerste lid, bepaalt het bedrag van de variabele verloning en houdt daarbij rekening met het langetermijnperspectief en de realisatie van financiële en niet-financiële doelstellingen.

Art. III.30. Het bedrag van de variabele verloning is beperkt tot 20 procent van het jaarsalaris, inclusief mandaattoelage.

Art. III.31. Het bedrag van de jaarlijkse bezoldiging, opgesplitst in vast en variabel gedeelte, en de eventuele vertrekpremies worden openbaar gemaakt door publicatie in het jaarverslag van de betrokken overheidsinstantie.

Voor de entiteiten die onder het toepassingsgebied van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 vallen, of waar de bezoldiging in een ander besluit van de Vlaamse Regering is vastgesteld, is de openbaarmaking, zoals bepaald in het eerste lid, beperkt tot de bezoldiging van de leidend ambtenaar en de algemeen directeur(s).

Voor de andere entiteiten is de openbaarmaking, zoals bepaald in het eerste lid, van toepassing op de bezoldiging van de leidend ambtenaar en de andere leden van het management- of directiecomité.

Het jaarverslag, vermeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt op de website van de betrokken overheidsinstantie of op de centrale website van de Vlaamse overheid.

Art. III.32. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, 1° tot en met 6°, bezorgen de toekenningsmodaliteiten van de bedragen, vermeld in artikel III.31, jaarlijks aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling in de Vlaamse administratie, die ze op zijn beurt bezorgt aan de Vlaamse Regering.

Art. III.33. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, winnen voor strategische beloningskwesties het advies in van hetzij het Remuneratiecomité van de Vlaamse overheid hetzij van hun eigen remuneratiecomité.

Het eerste lid is niet van toepassing op de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.

Art. III.34. De remuneratiecomités bezorgen hun adviezen ter informatie aan de minister-president en de viceministers-presidenten van de Vlaamse Regering.

Het eerste lid is niet van toepassing op de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.

Art. III.35. De beperkingen aan de geldelijke arbeidsvoorwaarden die in deze afdeling opgenomen zijn, gelden niet voor de personeelsleden die in dienst genomen zijn vóór 19 januari 2014 of in voorkomend geval vóór de datum waarop deze beperkingen van toepassing zijn op de overheidsinstantie die hen in dienst heeft genomen, ook niet als hun mandaat verlengd wordt na die datum.

Afdeling 2.
Raad van bestuur


Onderafdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. III.36. § 1. Tenzij het anders is vermeld in deze afdeling, is deze afdeling van toepassing op de raden van bestuur van de volgende overheidsinstanties:
1° de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;
2° de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;
3° de Vlaamse openbare instellingen De Watergroep, de Vlaamse Radio- en Televisieomroep, het Vlaams Fonds voor de Letteren en de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek;
4° de instanties die niet vallen onder punt 1° tot en met 3° maar die voldoen aan al de volgende kenmerken:
a) ze maken deel uit van de Vlaamse deelstaatoverheid of zijn in handen van de Vlaamse deelstaatoverheid en vallen onder het exclusief toezicht van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, in overeenstemming met het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen, vermeld in verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie;
b) ze bezitten rechtspersoonlijkheid;
c) het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen of hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochterondernemingen hebben minimaal de helft van de stemmen in de algemene vergadering.

De universitaire instellingen, met inbegrip van hun patrimonium, en de hogescholen vallen niet onder het toepassingsgebied.

Dochterondernemingen vallen niet onder het toepassingsgebied van onderafdeling 2 als het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap niet rechtstreeks over minimaal de helft van de stemmen beschikt in de algemene vergadering.

§ 2. Onderafdeling 1 is ook van toepassing op de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.

Art. III.37. § 1. Om belangenvermenging te voorkomen leggen de leden van de raad van bestuur bij hun aanstelling een overzicht van hun andere lopende mandaten en activiteiten voor aan de overheid die bevoegd is voor de aanstelling.

Latere wijzigingen in mandaten of activiteiten worden ook voorgelegd.

§ 2. Als een bestuurder, rechtstreeks of onrechtstreeks, een belang van vermogensrechtelijke aard heeft dat strijdig is met een beslissing of een verrichting die tot de bevoegdheid van de raad van bestuur behoort, mag hij niet deelnemen aan de beraadslagingen van de raad van bestuur over die verrichting of beslissing, noch aan de stemming daarover.

Art. III.38. De raad van bestuur stelt een deontologische code op voor zijn leden.

Art. III.39. Artikel III.25, III.26, eerste lid, en III.31 zijn van overeenkomstige toepassing op de jaarlijkse bezoldiging, zitpenningen en vergoedingen van de leden van de raad van bestuur van de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.36.

Artikel III.32 is van overeenkomstige toepassing op de jaarlijkse bezoldiging, zitpenningen en vergoedingen van de leden van de raad van bestuur van de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.36, § 1, 1°, 2° en 3°.

De beperkingen aan de geldelijke voorwaarden die volgen uit de toepassing van het eerste en tweede lid gelden niet voor de bestuurders die aangesteld zijn vóór 19 januari 2014 of, in voorkomend geval, vóór de datum waarop die beperkingen van toepassing zijn op de overheidsinstantie die hen aangesteld heeft, ook niet als hun mandaat verlengd wordt na deze datum.

Het eerste lid is eveneens van toepassing op raden van bestuur van de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, 7°, en van het Eigen Vermogen van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen en het Eigen Vermogen Informatie Vlaanderen.

Onderafdeling 2.
Onafhankelijke bestuurders


Art. III.40. Minimaal een derde van het aantal stemgerechtigde leden van de raad van bestuur van de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.36, § 1, is een onafhankelijke bestuurder.

De Vlaamse Regering kan op gemotiveerd verzoek van de betrokken overheidsinstantie, om gegronde redenen, een uitzondering toestaan op de bepaling van het eerste lid.

Art. III.41. De raad van bestuur stelt de vereisten vast waaraan kandidaten voor het mandaat van onafhankelijk bestuurder moeten voldoen op het vlak van bekwaamheden, kennis en ervaring.

De raad van bestuur doet een open oproep tot kandidaatstelling voor een mandaat van onafhankelijk bestuurder. De oproep bevat een weergave van de vereisten waaraan kandidaten moeten voldoen en regelt de wijze van kandidaatstelling, waarbij minstens een curriculum vitae wordt voorgelegd.

De raad van bestuur vergelijkt de respectieve verdiensten van de kandidaten.

De onafhankelijke bestuurders worden uit lijsten van twee kandidaten per vacant mandaat door de Vlaamse Regering aangesteld, op voordracht van de raad van bestuur.

Als de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.36, § 1, 2°, 3° en 4°, onder wettelijke bepalingen vallen die de algemene vergadering bevoegd maken voor de aanstelling van de bestuurders, worden de onafhankelijke bestuurders aangesteld door de algemene vergadering, op voordracht van de raad van bestuur.

Art. III.42. § 1. De onafhankelijke bestuurder wordt aangesteld op grond van zijn deskundigheid inzake het algemeen bestuur van de betrokken overheidsinstantie, zijn specifieke deskundigheid inzake de inhoudelijke materie en het beleidsveld waarin de overheidsinstantie actief is, en zijn onafhankelijkheid ten aanzien van de deelgenoten en het dagelijks bestuur van de overheidsinstantie.

Onder deelgenoten als vermeld in het eerste lid, wordt verstaan: het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap en de andere personen die participeren of vertegenwoordigd zijn in de overheidsinstantie.

§ 2. Om de onafhankelijkheid, vermeld in paragraaf 1, te bepalen zijn de criteria van het Wetboek van Vennootschappen richtinggevend.

Art. III.43. In geval van ernstige redenen kunnen de onafhankelijke bestuurders op elk moment worden ontslagen door de Vlaamse Regering, op voordracht van de raad van bestuur.

Als de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.36, § 1, 2°, 3° en 4°, onder wettelijke bepalingen vallen die de algemene vergadering bevoegd maken voor het ontslag van de bestuurders, worden de onafhankelijke bestuurders ontslagen door de algemene vergadering, op voordracht van de raad van bestuur.

Onderafdeling 3.
Evenwichtige participatie van vrouwen en mannen


Art. III.44. Om een meer evenwichtige participatie van mannen en vrouwen te bevorderen, mag ten hoogste twee derde van de stemgerechtigde leden van de raad van bestuur van de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.36, van hetzelfde geslacht zijn.

Dat quotum is, in voorkomend geval, afzonderlijk van toepassing op de effectieve leden en op de plaatsvervangende leden.

Art. III.45. Als bij de aanwijzing van leden in een raad van bestuur een voordrachtprocedure gevolgd moet worden, en de voorgedragen kandidaturen het niet mogelijk maken om te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel III.44, dan moet de voordrachtprocedure hernomen worden. In voorkomend geval moeten de voordragende instanties die geen kandidaat van het ondervertegenwoordigde geslacht hadden voorgedragen, een extra kandidaat voordragen die van het ondervertegenwoordigde geslacht is.

Zolang een voordragende instantie niet voldoet aan die voorwaarde, blijft het mandaat open.

Als zes maanden nadat het mandaat vacant geworden is, nog niet aan de verplichting, vermeld in artikel III.44, voldaan is, kan de Vlaamse Regering, op voordracht van de minister onder de bevoegdheid van wie de betrokken overheidsinstantie ressorteert, het vacante mandaat invullen zonder de voordrachtprocedure te volgen.

Art. III.46. Met behoud van de toepassing van artikel III.45 kan de Vlaamse Regering, als onmogelijk kan worden voldaan aan de voorwaarde, vermeld in artikel III.44, op gemotiveerd verzoek van de minister onder de bevoegdheid van wie de betrokken overheidsinstantie ressorteert, afwijkingen toestaan.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan dat verzoek moet voldoen en stelt de procedure vast.

Als er geen afwijking is toegestaan, beschikt de minister onder de bevoegdheid van wie de betrokken overheidsinstantie ressorteert, over een termijn van drie maanden om te voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel III.44.

Art. III.47. Behalve als conform artikel III.46 een uitzondering is toegestaan, kan een raad van bestuur alleen geldig beraadslagen en beslissen als het conform artikel III.44 samengesteld is.

Afdeling 3.
Rechtspositie van de regeringscommissarissen


Art. III.48. Deze afdeling is van toepassing op de regeringscommissarissen die aangewezen zijn bij de volgende overheidsinstanties:
1° de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;
2° de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;
3° de Vlaamse openbare instellingen De Watergroep, de Vlaamse Radio- en Televisieomroep, het Vlaams Fonds voor de Letteren en de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek;
4° de instanties die niet vallen onder punt 1° tot en met 3° maar die voldoen aan alle volgende kenmerken:
a) ze maken deel uit van de Vlaamse deelstaatoverheid of zijn in handen van de Vlaamse deelstaatoverheid en vallen onder het exclusief toezicht van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, in overeenstemming met het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen, vermeld in verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie;
b) ze bezitten rechtspersoonlijkheid;
c) het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen of hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochterondernemingen hebben minimaal de helft van de stemmen in de algemene vergadering.

De universitaire instellingen, met inbegrip van hun patrimonium, en de hogescholen vallen niet onder het toepassingsgebied.

Onder regeringscommissaris wordt verstaan: de persoon die de Vlaamse Regering aanwijst, ongeacht de benaming van zijn mandaat, om opdrachten uit te oefenen inzake informatieverstrekking en controle van de wettelijkheid en het algemeen belang.

Art. III.49. § 1. Als krachtens de reglementering tot oprichting van een overheidsinstantie, vermeld in artikel III.48, een regeringscommissaris wordt aangesteld bij die instantie, is de Vlaamse Regering bevoegd voor zijn aanstelling. Voor de aanstelling gaat de Vlaamse Regering na:
1° of de kandidaat voldoende beschikbaar is om zijn functie uit te oefenen;
2° via de voorlegging van een curriculum vitae, of de kandidaat over ervaring en kennis van het bestuur en de werking van de Vlaamse overheid en van de beslissingsprocessen en -procedures beschikt;
3° of de kandidaat geen enkele strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen die onverenigbaar is met het mandaat van regeringscommissaris:
a) voor de kandidaat met de Belgische nationaliteit door de voorlegging van een recent uittreksel uit het strafregister en een verklaring op erewoord dat hij een dergelijke veroordeling niet heeft opgelopen;
b) voor de kandidaat die niet beschikt over de Belgische nationaliteit: door een verklaring op erewoord dat hij een dergelijke veroordeling niet heeft opgelopen;
4° of er bij de kandidaat geen rechtstreeks of onrechtstreeks functioneel of persoonlijk belangenconflict bestaat.

Naast de vereiste op het vlak van ervaring met en kennis van het bestuur en de werking van de Vlaamse overheid en van de beslissingsprocessen en -procedures, vermeld in het eerste lid, 2°, geldt voor de functie van inhoudelijke commissaris die de minister onder wie de betrokken overheidsinstantie ressorteert, vertegenwoordigt, ook de vereiste van specifieke kennis van de inhoudelijke materie en van het beleidsveld waarin de betrokken overheidsinstantie actief is.

Naast de vereiste op het vlak van ervaring met en kennis van het bestuur en de werking van de Vlaamse overheid en van de beslissingsprocessen en -procedures, vermeld in het eerste lid, 2°, geldt voor de functie van commissaris die de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, vertegenwoordigt, ook de vereiste van inzicht in en kennis van financiële en budgettaire aangelegenheden.

§ 2. Bij ontslag of overlijden van de regeringscommissaris of als hij een onverenigbaar ambt uitoefent, vervangt de Vlaamse Regering hem zo spoedig mogelijk conform de bepalingen, vermeld in paragraaf 1.

De Vlaamse Regering kan een plaatsvervanger aanstellen voor het geval dat de regeringscommissaris verhinderd is.

Art. III.50. De Vlaamse Regering bepaalt bij de aanvang van de aanstelling tot regeringscommissaris de omvang en inhoud van zijn functie.

Art. III.51. Met behoud van de toepassing van andere onverenigbaarheden, bepaald bij of krachtens een wet, een decreet, een besluit of de statuten is de opdracht van de regeringscommissaris onverenigbaar met het mandaat of ambt van:
1° lid van de Commissie van de Europese Unie;
2° lid van het Europees Parlement, de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement;
3° minister of staatssecretaris;
4° provinciegouverneur of lid van de deputatie van de provincieraad;
5° burgemeester, schepen of lid van het districtscollege;
6° bestuurder of personeelslid van de betrokken overheidsinstantie.

Als de regeringscommissaris in de loop van zijn mandaat aanvaardt om een ambt of mandaat als vermeld in het eerste lid, uit te oefenen, wordt zijn mandaat van rechtswege beëindigd. Hij wordt vervangen door een regeringscommissaris die aangesteld wordt conform artikel III.49, § 1.

Art. III.52. Met behoud van de toepassing van de verplichtingen die bepaald zijn bij of krachtens een wet of decreet, kan de regeringscommissaris inlichtingen waarvan hij in het kader van zijn opdrachten kennis gekregen heeft niet gebruiken of verspreiden, als het gebruik of de verspreiding ervan schade kan berokkenen aan de belangen van de betrokken overheidsinstantie.

Met toepassing van de uitzonderingsgronden in titel 2, hoofdstuk 3, wordt de briefwisseling tussen de regeringscommissaris en de minister die hem heeft voorgedragen voor aanstelling door de Vlaamse Regering, als vertrouwelijk beschouwd.

Art. III.53. De regeringscommissaris informeert zich over alle evoluties van de regelgeving betreffende zijn functie en de opdracht of het maatschappelijk doel van de overheidsinstantie waarbij hij is aangesteld.

Als dat nodig is, kan deoverheidsinstantie ten behoeve van de regeringscommissaris informatievergaderingen of vormingscursussen organiseren of financieren om de regeringscommissaris in de mogelijkheid te stellen om zijn permanente vorming te waarborgen.

Art. III.54. De regeringscommissaris brengt over de toevertrouwde taken verslag uit bij de minister die hem heeft voorgedragen voor aanstelling door de Vlaamse Regering.

Art. III.55. Het mandaat van regeringscommissaris vereist een vertrouwensrelatie met de Vlaamse Regering. Als die vertrouwensrelatie verbroken wordt, kan de Vlaamse Regering het mandaat op elk moment beëindigen.

Art. III.56. De minister die hem heeft voorgedragen voor aanstelling door de Vlaamse Regering evalueert het werk van de regeringscommissaris. De Vlaamse Regering stelt de evaluatieprocedure daarvoor vast.

De evaluatie vindt minstens om de twee jaar plaats, op basis van een functiebeschrijving en competentieprofiel vastgesteld door de minister, vermeld in het eerste lid, bij de aanstelling van de regeringscommissaris. Van de evaluatie wordt een schriftelijke weerslag bijgehouden.

Afdeling 4.
Adviesorganen


Onderafdeling 1.
Presentiegelden en vergoedingen voor leden van strategische adviesraden


Art. III.57. De Vlaamse Regering stelt de presentiegelden en de vergoedingen van de leden van strategische adviesraden vast.

Artikel III.25 en III.26, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de presentiegelden en vergoedingen van de leden van de strategische adviesraden.

De beperkingen aan de geldelijke voorwaarden die volgen uit de toepassing van het tweede lid gelden niet voor de leden die benoemd zijn vóór de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling of, in voorkomend geval, vóór de datum waarop die beperkingen van toepassing zijn op de strategische adviesraad waarbij ze benoemd zijn, ook niet als hun mandaat verlengd wordt na die datum.

Onderafdeling 2.
Evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in Vlaamse adviesorganen


Art. III.58. De bepalingen van afdeling 2, onderafdeling 3, zijn van overeenkomstige toepassing op de Vlaamse adviesorganen.

Structurele onderverdelingen van een adviesorgaan als vermeld in het eerste lid, worden ook als adviesorgaan beschouwd als ze zelf bevoegd zijn om advies te verlenen aan het Vlaams Parlement, de Vlaamse Regering, een Vlaamse minister of de Vlaamse administratie.

Afdeling 5.
Vrijwaring van de strategische belangen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest


Art. III.59. Deze afdeling is van toepassing op de volgende overheidsinstanties:
1° de Vlaamse overheid, met uitzondering van het Vlaams Parlement, zijn diensten en de instellingen die aan het Vlaams Parlement verbonden zijn;
2° de lokale overheden;
3° de instellingen die niet onder punt 1° of 2° vallen, maar die voldoen aan al de volgende kenmerken:
a) ze zijn opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang;
b) ze bezitten rechtspersoonlijkheid;
c) 1) ofwel worden ze voor meer dan de helft gefinancierd door een instantie die onder het toepassingsgebied van deze afdeling valt;
2) ofwel heeft een instantie die onder het toepassingsgebied van deze afdeling valt meer dan de helft van de stemmen in de raad van bestuur;
3) ofwel staat hun beheer onder het toezicht van een instantie die onder het toepassingsgebied van deze afdeling valt.

Art. III.60. Als een rechtshandeling van een overheidsinstantie als vermeld in artikel III.59, tot gevolg heeft dat buitenlandse natuurlijke personen of rechtspersonen zeggenschap of beslissingsmacht krijgen in die overheidsinstantie, en als daardoor de strategische belangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bedreigd worden, met name als de continuïteit van vitale processen in het gedrang komt, als bepaalde strategische of gevoelige kennis in buitenlandse handen dreigt te vallen of als de strategische onafhankelijkheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest in het gedrang komt, kan de Vlaamse Regering die rechtshandeling nietig verklaren of buiten toepassing verklaren.

De Vlaamse Regering kan alleen toepassing maken van het eerste lid als ze kan aantonen dat ze gepoogd heeft de vrijwaring van de strategische belangen te realiseren met instemming van de betrokken overheidsinstantie.

HOOFDSTUK 3.
Werking


Afdeling 1.
Planning van en rapportering over de algemene werking


Art. III.61. § 1. Voor de departementen en de intern verzelfstandigde agentschappen stelt de Vlaamse Regering, op voorstel van het hoofd van het departement of het intern verzelfstandigd agentschap, jaarlijks een ondernemingsplan vast.

Voor de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen stelt de raad van bestuur, in samenspraak met de Vlaamse Regering, jaarlijks een ondernemingsplan vast.

§ 2. Het ondernemingsplan omvat onder meer de beleids- en beheersdoelstellingen, zowel meerjarig als voor het komende jaar, en de operationele vertaling ervan.

In afwijking van het eerste lid omvat het jaarlijkse ondernemingsplan van de Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn geen meerjarige beleids- en beheersdoelstellingen.

§ 3. Het ondernemingsplan voor het lopende kalenderjaar wordt uiterlijk op 31 maart van dat jaar vastgesteld.

Art. III.62. Voor de departementen, de intern verzelfstandigde agentschappen en de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen wordt jaarlijks een rapport opgesteld over de uitvoering van het ondernemingsplan conform artikel III.61, § 1.

Het jaarrapport omvat onder meer de status van de uitvoering van de beleids- en beheersdoelstellingen.

Het jaarrapport over de uitvoering van het ondernemingsplan wordt uiterlijk op 31 maart van het volgende jaar vastgesteld.

Art. III.63. § 1. De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen voor de inhoud, de vorm, de modaliteiten, de opvolging en de evaluatie van de ondernemingsplannen en de jaarrapporten.

§ 2. Uiterlijk een maand nadat ze effectief vastgesteld zijn, worden de ondernemingsplannen en de jaarrapporten van de departementen, de intern verzelfstandigde agentschappen en de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen gepubliceerd op de centrale website van de Vlaamse overheid.

Afdeling 2.
Organisatie van het communicatiebeleid


Art. III.64. § 1. Elke instantie van de Vlaamse administratie draagt zorg voor de organisatie van de communicatie conform de bepalingen van titel II, hoofdstuk 1, en wijst daarvoor een communicatieverantwoordelijke aan.

De communicatieverantwoordelijken hebben de taak om het communicatiebeleid te plannen, te realiseren en te evalueren. Ze stimuleren, coördineren en begeleiden de communicatie van hun instantie en zorgen ervoor dat die spoort met het gemeenschappelijke communicatiebeleid van de Vlaamse administratie.

Ze hebben tot taak toe te zien op de naleving van de normen voor overheidscommunicatie, vermeld in titel II, hoofdstuk 1, afdeling 3, binnen hun instantie.

Elke instantie van de Vlaamse administratie stemt het takenpakket van de communicatieverantwoordelijke en dat van de klachtenvoorziening, vermeld in titel II, hoofdstuk 5, op elkaar af met het oog op een meer geïntegreerde klantenwerking.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen voor de generieke aspecten en de coördinatie van het communicatiebeleid van de Vlaamse administratie.

§ 2. Elke provincieraad, gemeenteraad en raad voor maatschappelijk welzijn stelt een communicatieverantwoordelijke aan.

De communicatieverantwoordelijken hebben de taak om het communicatiebeleid te plannen, te realiseren en te evalueren. Ze stimuleren, coördineren en begeleiden de communicatie van hun overheid.

Ze hebben tot taak toe te zien op de naleving van de normen voor overheidscommunicatie, vermeld in titel II, hoofdstuk 1, afdeling 3, binnen hun instantie.

Afdeling 3.
Elektronisch bestuurlijk gegevensverkeer


Onderafdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. III.65. § 1. Deze afdeling regelt het intra- en interbestuurlijke gegevensverkeer.

§ 2. Deze afdeling is van toepassing op de volgende overheidsinstanties:
1° de Vlaamse overheid;
2° de lokale overheden.

Artikel III.70 is ook van toepassing op de instellingen met een publieke taak, wat hun publieke taak betreft, en op de milieu-instanties wat hun milieuverantwoordelijkheden, -functies of -diensten betreft.

§ 3. In deze afdeling wordt verstaan onder:
1° metagegevens: documentatie die beschrijft wat de inhoud en de frequentie van actualisering van de authentieke gegevensbron is, en op welke technische wijze die bron benaderd en ontsloten kan worden;
2° testgegevens: een kopie van de authentieke gegevensbron waarvan de omvang beperkt is, die technisch dezelfde kenmerken als de authentieke gegevensbron heeft, maar die uit anonieme, geanonimiseerde of fictieve gegevens bestaat;
3° stuurorgaan: het stuurorgaan Vlaams Informatie- en ICT-beleid, vermeld in artikel III.74.

Onderafdeling 2.
Authentieke gegevensbronnen


Art. III.66. § 1. De Vlaamse Regering erkent, op voorstel van het stuurorgaan, als authentieke gegevensbron de meest volledige, kwalitatief hoogstaande verzamelingen van gegevens die op elektronische wijze worden bijgehouden, en die voor de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.65, § 2, nuttig of noodzakelijk zijn bij de uitvoering van de taken van algemeen belang waarmee ze zijn belast of bij de uitvoering van de verplichtingen die op hen rusten.

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden om als een authentieke gegevensbron te worden erkend.

§ 2. De Vlaamse Regering kan, op voorstel van het stuurorgaan, kandidaat authentieke gegevensbronnen aanwijzen. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop de aanpassingen die noodzakelijk zijn om te evolueren naar een erkende authentieke gegevensbron, worden gefinancierd.

§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen voor de toepassing van dit artikel.

Art. III.67. § 1. Bij elke erkenning als authentieke gegevensbron bepaalt de Vlaamse Regering welke overheidsinstantie de betreffende gegevensbron beheert en kan ze bepalen onder welke voorwaarden en op welke wijze de gegevens worden verwerkt.

De overheidsinstanties die authentieke gegevensbronnen beheren, zijn verantwoordelijk voor de instandhouding, de terbeschikkingstelling, de veiligheid, de toegang en het gebruik van de authentieke gegevensbron en van de gegevens van de authentieke gegevensbron in kwestie. Ze kunnen daarvoor zelf of via gegevensinitiatoren als vermeld in paragraaf 2, gegevens bij de burger opvragen.

§ 2. De Vlaamse Regering kan de modaliteiten voor samenwerking tussen gegevensinitiatoren en de overheidsinstanties die authentieke gegevensbronnen beheren nader bepalen en daarbij verplichtingen opleggen.

Onder gegevensinitiator wordt verstaan een overheidsinstantie, vermeld in artikel III.65, § 2, of een derde die exclusieve eindverantwoordelijkheid heeft voor het bijhouden van de levensloop of een of meer eigenschappen van een object.

Onderafdeling 3.
Rechten en verplichtingen


Art. III.68. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.65, § 2, moeten de gegevens die ze nodig hebben voor de uitvoering van de taken van algemeen belang waarmee ze zijn belast of voor de uitvoering van de verplichtingen die op hen rusten, opvragen bij gegevensbronnen als vermeld in artikel III.66, § 1. De Vlaamse Regering kan daarbij per voormelde gegevensbron en per overheidsinstantie of groep van overheidsinstanties een tijdschema vastleggen na advies van het stuurorgaan.

De Vlaamse Regering stelt vast, op voorstel van het stuurorgaan, welke gegevensbronnen die een externe overheid beheert, de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.65, § 2, moeten raadplegen voor de uitvoering van de taken van algemeen belang waarmee ze zijn belast, of voor de uitvoering van de verplichtingen die op hen rusten. De Vlaamse Regering kan daarbij per voormelde gegevensbron en per overheidsinstantie of groep van overheidsinstanties een tijdschema vastleggen na advies van het stuurorgaan.

De Vlaamse Regering kan met de externe overheden de nodige akkoorden sluiten zodat de gegevens die in die voormelde gegevensbronnen opgenomen zijn, kunnen worden gebruikt.

Art. III.69. Alleen als er geen verplicht te gebruiken gegevensbron bestaat, kunnen de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.65, § 2, gegevens bij de burger opvragen.

De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van het stuurorgaan, de datum vanaf wanneer de burgers gerechtigd zijn om, zonder verlies van rechten, te weigeren bepaalde gegevens als vermeld in artikel III.68, eerste en tweede lid, ter beschikking te stellen van de overheidsinstantie. De Vlaamse Regering bepaalt daarbij telkens nader onder welke voorwaarden het weigeringsrecht wordt toegestaan en welke gevolgen het weigeringsrecht voor de betrokken burger en voor de betrokken overheidsinstantie heeft.

Art. III.70. § 1. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.65, § 2, zijn in ieder geval verplicht:
1° persoonsgegevens te verwerken overeenkomstig de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens;
2° bij iedere nieuwe toepassing van het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer vooraf adequate technische en organisatorische maatregelen in te bouwen voor de naleving van de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens;
3° op elk moment te waken over de kwaliteit en de veiligheid van gegevens en alle maatregelen te treffen om een perfecte bewaring van persoonsgegevens te garanderen.

§ 2. De elektronische mededeling van gegevens uit gegevensbronnen als vermeld in artikel III.66, § 1, aan andere overheidsinstanties als vermeld in artikel III.65, § 2, is kosteloos.

De Vlaamse Regering kan regels bepalen om de kosten voor de elektronische mededeling van die gegevens aan externe overheden aan te rekenen.

Art. III.71. § 1. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.65, § 2, stellen de metagegevens van de gegevensbronnen, vermeld in artikel III.66, § 1, kosteloos en publiekelijk open, zonder evenwel inbreuk te plegen op de intellectuele rechten en de confidentialiteitsverplichtingen die met die gegevensbronnen samenhangen, en zonder informatie bekend te maken die ongeoorloofde toegang of ongeoorloofd gebruik van de gegevensbronnen mogelijk maakt of de integriteit ervan in gevaar brengt.

Ze stellen testgegevens ter beschikking overeenkomstig titel II, hoofdstuk 4.

§ 2. Om te verhinderen dat misbruik wordt gemaakt van de metagegevens of de testgegevens, kan de Vlaamse Regering nadere bepalingen uitvaardigen over de registratie van de raadpleging van de metagegevens en het gebruik van de testgegevens.

Art. III.72. De bestuursdocumenten die vatbaar zijn voor hergebruik als vermeld in artikel II.55, worden tussen de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.65, § 2, kosteloos uitgewisseld met het oog op de vervulling van hun publieke taak. Op eenvoudig verzoek van een overheidsinstantie bezorgt de overheidsinstantie die de gevraagde bestuursdocumenten bezit, de betreffende bestuursdocumenten aan de vragende overheidinstantie, en als dat mogelijk en passend is, in een open en machinaal leesbaar formaat.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de bezorging van bestuursdocumenten, vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering kan regels bepalen om de kosten voor de bezorging van bestuursdocumenten aan externe overheden met het oog op de vervulling van hun publieke taak aan te rekenen.

Art. III.73. Als de ontvangende overheidsinstantie vaststelt dat de gegevens in de ontvangen bestuursdocumenten onnauwkeurig, onvolledig of onjuist zijn, is ze verplicht dat onmiddellijk te melden aan de overheidsinstantie die de bestuursdocumenten in kwestie beheert.

De Vlaamse Regering kan de regels voor die melding bepalen.

Afdeling 4.
Stuurorgaan Vlaams Informatie- en ICT-beleid


Art. III.74. Er wordt een stuurorgaan Vlaams Informatie- en ICT-beleid opgericht.

Het stuurorgaan heeft, binnen de krijtlijnen van het strategische plan van de Vlaamse Regering, vermeld in artikel III.78, de volgende opdrachten:
1° afspraken maken en maatregelen nemen opdat het strategische plan, vermeld in artikel III.78, door de Vlaamse administratie wordt uitgevoerd;
2° initiatief nemen ter bevordering en ter bestendiging van de digitale dienstverlening;
3° aan de Vlaamse Regering alle nuttige maatregelen voorstellen die kunnen bijdragen tot een veilige en vertrouwelijke behandeling van persoonsgegevens of tot administratieve vereenvoudiging en digitalisering;
4° beraadslagen over alle relevante overkoepelende en entiteitsoverschrijdende aspecten van het inzetten van ICT-oplossingen die gebruikt worden binnen de processen van de Vlaamse administratie;
5° overleg plegen met het Voorzitterscollege, opgericht bij de beslissing van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2014.

Het stuurorgaan organiseert op regelmatige tijdstippen een overleg met de verschillende belanghebbenden om de eenvormigheid in beraadslagingen na te streven ter bevordering en bestendiging van de samenwerking tussen de Vlaamse administratie, lokale overheden en externe overheden op het vlak van het informatie- en het ICT-beleid.

Het stuurorgaan stelt, binnen de krijtlijnen van het strategische plan, vermeld in artikel III.78, technische voorschriften en richtlijnen voor de Vlaamse administratie en de lokale overheden vast over de aanmaak, het beheer, de uitwisseling, het gebruik, het hergebruik en de archivering van de gegevens en diensten van de Vlaamse administratie en de lokale overheden met het oog op de realisatie van een efficiënt en interoperabel gebruik van gegevens.

Art. III.75. Het stuurorgaan staat het agentschap Informatie Vlaanderen in zijn hoedanigheid van dienstenintegrator bij in de vervulling van zijn opdrachten, en formuleert daarbij voorstellen en aanbevelingen.

Het stuurorgaan brengt advies uit over:
1° de mogelijke ontsluiting via de Vlaamse dienstenintegrator, vermeld in artikel 3 van het decreet van 13 juli 2012 houdende de oprichting en organisatie van een Vlaamse dienstenintegrator, en de geografische data-infrastructuur, vermeld in artikel 12 van het GDI-decreet van 20 februari 2009, van gegevensbronnen of authentieke gegevensbronnen en diensten;
2° de mogelijke aanpassing van de gegevensbronnen zodat, als dat mogelijk is, alleen authentieke gegevens worden ontsloten en als dusdanig kunnen worden erkend;
3° de optimalisering binnen de Vlaamse overheid en de lokale overheden van de aanmaak, het gebruik, het beheer van en de uitwisseling tussen gegevensbronnen en authentieke gegevensbronnen;
4° een gestructureerde aanpak bij de uitbouw van een stelsel van Vlaamse authentieke gegevensbronnen, met inbegrip van het promoten, begeleiden en coördineren van Vlaamse authentieke gegevensbronnen bij de Vlaamse overheid en de lokale overheden;
5° het gebruik van verwijzingen naar het gegeven in de gegevensbron of de authentieke gegevensbron voor gegevens die geheel of gedeeltelijk overlappen met een authentiek gegeven in een authentieke gegevensbron;
6° het vastleggen van regels voor de gegevensbron of de authentieke gegevensbron inzake de voorwaarden voor raadpleging door of mededeling van bepaalde gegevens.

Art. III.76. Het stuurorgaan is samengesteld uit de volgende leden:
1° een vertegenwoordiger van N-niveau of N-1-niveau per beleidsdomein als vermeld in artikel III.1, op voorstel van de managementcomités van de respectieve beleidsdomeinen;
2° drie vertegenwoordigers van de lokale overheden, van wie één vertegenwoordiger van de provincies en twee vertegenwoordigers van de gemeenten;
3° een vertegenwoordiger van het agentschap Facilitair Bedrijf;
4° een vertegenwoordiger van het agentschap Informatie Vlaanderen;
5° twee externe innovators. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de aanstelling van die externe innovators en de vereisten waaraan ze moeten voldoen;
6° een vertegenwoordiger van de Vlaamse minister, bevoegd voor het informatiebeleid;
7° een vertegenwoordiger van de Vlaamse minister, bevoegd voor het IT-beleid.

De Vlaamse Regering kan de samenstelling, vermeld in het eerste lid, verder uitbreiden.

De leden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 5°, zijn effectief stemgerechtigde leden. De leden, vermeld in het eerste lid, 6° en 7°, zijn waarnemende leden met raadgevende stem.

Op de wijze, vermeld in het eerste lid, wordt voor elke vertegenwoordiger in een plaatsvervangend lid voorzien. De plaatsvervanger van de voorzitter is een van de vertegenwoordigers, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 4°.

Het lidmaatschap van het stuurorgaan is onverenigbaar met een mandaat in het Europees Parlement, de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement, het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, de provincieraad, de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn, met het ambt van minister, staatssecretaris, gouverneur, burgemeester en met het lidmaatschap van een deputatie of een schepencollege.

De Vlaamse Regering kan de leden van het stuurorgaan ontslaan op eigen verzoek of om ernstige redenen.

Art. III.77. De Vlaamse Regering bepaalt de werking van het secretariaat dat belast is met de administratieve ondersteuning en de organisatie van het stuurorgaan en zijn werkgroepen, omschrijft, zo nodig, nader zijn bevoegdheden, bepaalt de nadere regels voor de werking en benoemt de voorzitter en de leden voor een termijn van vijf jaar, met uitzondering van de externe innovators, vermeld in artikel III.76, eerste lid, 5°, die voor een termijn van twee jaar worden benoemd.

Art. III.78. De Vlaamse Regering bepaalt de strategie en de prioriteiten op het vlak van het informatie- en het ICT-beleid met een strategisch plan en voorziet in bindende afspraken binnen de Vlaamse administratie zelf, en om interoperabiliteit te bewerkstelligen tussen de Vlaamse administratie en de lokale overheden.

Het strategische plan kan de volgende informatie bevatten:
1° alle nuttige maatregelen die kunnen bijdragen tot een veilige en vertrouwelijke behandeling van persoonsgegevens of tot administratieve vereenvoudiging en digitalisering;
2° de regels voor de aanmaak, het beheer, de uitwisseling, het gebruik, het hergebruik en de archivering van de gegevens en diensten van de Vlaamse admi-nistratie en de lokale overheden met het oog op de realisatie van een efficiënt en interoperabel gebruik van gegevens;
3° beslissingen over entiteitsoverschrijdende aspecten van het inzetten van ICT-oplossingen die gebruikt worden binnen de processen van de Vlaamse admi-nistratie.

Afdeling 5.
Beheren, bewaren en vernietigen van bestuursdocumenten


Onderafdeling 1.
Algemene bepaling


Art. III.79. § 1. Tenzij het anders wordt vermeld in deze afdeling, is deze afdeling van toepassing op de volgende overheidsinstanties:
1° de Vlaamse administratie;
2° de Vlaamse administratieve rechtscolleges;
3° de Vlaamse adviesorganen;
4° de Vlaamse openbare instellingen die niet behoren tot de Vlaamse administratie, behalve wat artikel III.84 betreft;
5° de lokale overheden, behalve wat artikel III.83, § 2, III.84 en III.88, § 2, betreft.

§ 2. Deze afdeling is van toepassing op de bestuursdocumenten die de overheidsinstanties, vermeld in paragraaf 1, bezitten, met uitzondering van de bestuursdocumenten van de lokale overheden die geen intergemeentelijke samenwerkingsverbanden zijn, als die bestuursdocumenten geen nut meer hebben voor de administratie of als ze betrekking hebben op federale aangelegenheden.

Onderafdeling 2.
Zorg en beheer


Art. III.80. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.79, § 1, dragen de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het beheren en bewaren van de bestuursdocumenten die ze hebben opgemaakt of ontvangen naar aanleiding van hun activiteiten of taken of ter handhaving van hun rechten, of die zij hebben verworven van derden, gedurende de volledige levenscyclus van de creatie, verwerving of ontvangst tot aan de eventuele vernietiging.

Art. III.81. § 1. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.79, § 1, beheren en bewaren de bestuursdocumenten die onder hun bestuurlijke verantwoordelijkheid vallen in goede, geordende en toegankelijke staat.

§ 2. Het beheer en de bewaring van bestuursdocumenten wordt vastgelegd in beheersregels.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.79, § 1, wijzen een verantwoordelijke aan die de beheersregels vastlegt, opvolgt en uitvoert.

Elke overheidsinstantie waakt erover dat de beheersregels toegepast en geëvalueerd worden, overeenkomstig hun eigen systeem van interne controle.

§ 3. De Vlaamse Regering stelt de nadere bepalingen vast met betrekking tot de beheersregels en regelt de taken, de deskundigheid en de deontologische code van de verantwoordelijke.

Art. III.82. § 1. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.79, § 1, maken de categorieën van bestuursdocumenten bekend waarvoor ze de bestuurlijke verantwoordelijkheid dragen.

Het eerste lid is ook van toepassing op de bestuursdocumenten die de overheidsinstantie verworven heeft van een derde en die door de wilsuiting van die derde niet of beperkt openbaar gemaakt mogen worden.

§ 2. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.79, § 1, publiceren de categorieën van bestuursdocumenten waarvoor ze de bestuurlijke verantwoordelijkheid dragen en de selectieregels in het centrale register van de Vlaamse overheid.

§ 3. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor dat register en kan bepalen onder welke voorwaarden afgeweken kan worden van de publicatie in het centrale register.

Art. III.83. § 1. De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de bestuursdocumenten van opgeheven, ontbonden of samengevoegde overheidsinstanties wordt overgedragen aan de rechtsopvolger.

De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor bestuursdocumenten van overheidsinstanties die opgeheven of ontbonden worden zonder rechtsopvolger, wordt overgedragen aan de overheidsinstantie die is aangewezen bij de ontbinding.

Overheidsinstanties die gesplitst worden dragen de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor hun bestuursdocumenten over aan de overheidsinstantie die verantwoordelijk wordt voor de taken waaruit de desbetreffende bestuursdocumenten voortvloeien.

§ 2. Als een overheidsinstantie opgeheven of ontbonden is zonder dat een rechtsopvolger of verantwoordelijke instantie aangewezen is, of als een van haar taken is stopgezet, worden de bestuursdocumenten en de bestuurlijke verantwoordelijkheid daarvoor overgedragen aan het depot, vermeld in artikel III.84.

In afwijking van het eerste lid, wordt voor de Vlaamse openbare instellingen die niet behoren tot de Vlaamse administratie en die ontbonden zijn zonder dat een rechtsopvolger of verantwoordelijke instantie aangewezen is, of waarvan een van de taken is stopgezet, de overheidsinstantie die bestuurlijk verantwoordelijk wordt voor de bestuursdocumenten aangewezen door de Vlaamse Regering, na advies van het stuurorgaan Vlaams Informatie- en ICT-beleid, vermeld in artikel III.74.

§ 3. De Vlaamse Regering kan nadere bepalingen vaststellen voor de rechtsopvolging en de overdracht van bestuursdocumenten die daarmee gepaard gaat.

Art. III.84. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.79, § 1, dragen hun bestuursdocumenten waarvan de bewaartermijn, vermeld in artikel III.87, § 1, 2°, verstreken is en waarvan de definitieve bestemming, vermeld in artikel III.87, § 1, 3°, permanente bewaring is, over aan het depot dat de Vlaamse Regering daarvoor aangewezen heeft.

De instanties van de Vlaamse administratie zijn verplicht hun bestuursdocumenten die administratief zijn afgehandeld, onmiddellijk over te dragen aan het depot, vermeld in het eerste lid.

De Vlaamse Regering stelt de nadere bepalingen vast inzake de kwaliteitscriteria van het depot en de procedures voor de overdracht van bestuursdocumenten aan het depot.

Art. III.85. De Vlaamse Regering kan een externe audit van het beheer en de bewaring van bestuursdocumenten bij de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.79, § 1, uitvoeren.

De Vlaamse Regering stelt de nadere bepalingen vast voor de werking, de financiering en de periodiciteit van de audit.

Onderafdeling 3.
Ondersteuning


Art. III.86. De Vlaamse Regering zorgt in het kader van de ondersteuning van de toepassing van deze afdeling voor de uitoefening van de volgende taken:
1° de administratieve ondersteuning van de selectiecommissies, vermeld in artikel III.88, § 1;
2° het bevorderen en organiseren van kennisdeling;
3° het verlenen van advies;
4° het ontwikkelen van een instrumentarium;
5° het beheren van het register, vermeld in artikel III.82, § 2.

De Vlaamse Regering kan de taken, vermeld in het eerste lid, concretiseren of aanvullen.

Onderafdeling 4.
Selectie en vernietiging


Art. III.87. § 1. Voor elke categorie van bestuursdocumenten worden selectieregels opgesteld die minstens de volgende gegevens bevatten:
1° een betekenisvolle naam en omschrijving;
2° het administratieve of juridische nut, verduidelijkt door een bewaartermijn met bijbehorende motivering;
3° de aanduiding van de waarde voor het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden, verduidelijkt door de definitieve bestemming, die ofwel een vernietiging ofwel een permanente bewaring inhoudt, met bijbehorende motivering.

De selectiecommissie, vermeld in artikel III.88, § 1, kan beslissen dat de selectieregels meer gegevens moeten bevatten.

§ 2. De selectieregels hebben uitwerking vanaf de bekendmaking ervan in het register, vermeld in artikel III.82, § 2.

§ 3. De bekendgemaakte selectieregels zijn geldig voor de duur van ten hoogste vijf jaar of tot op het moment dat de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor bestuursdocumenten overgedragen wordt conform artikel III.83.

§ 4. De Vlaamse Regering stelt de nadere bepalingen vast voor de opmaak, de goedkeuring en de onderlinge consistentie van de selectieregels.

Art. III.88. § 1. De Vlaamse Regering richt een selectiecommissie op voor de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.79, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, en kan een of meer selectiecommissies oprichten voor de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.79, § 1, 5°. Deze selectiecommissies zijn belast met het opstellen en actualiseren of goedkeuren van de selectieregels.

§ 2. Voor de categorieën van bestuursdocumenten die betrekking hebben op activiteiten of taken die toegewezen zijn aan een overheidsinstantie, stelt de overheidsinstantie, in samenwerking met de selectiecommissie, de selectieregels op.

§ 3. De Vlaamse Regering stelt de nadere bepalingen vast voor de samenstelling en de werking van de opgerichte selectiecommissies en stelt de vergoedingen van de leden ervan vast.

Art. III.89. § 1. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.79, § 1, kunnen bestuursdocumenten alleen vernietigen conform de toepasselijke bekendgemaakte selectieregels.

§ 2. Tot op het moment dat selectieregels als vermeld in artikel III.87 worden bekendgemaakt, blijven de selectielijsten, vermeld in artikel 5 van de Archiefwet van 24 juni 1955 of in artikel 11 van het Archiefdecreet van 9 juli 2010, gelden en kunnen de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.79, § 1, bestuursdocumenten vernietigen conform de selectielijsten.

De selectielijsten, vermeld in het eerste lid, verliezen hun geldigheid vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling.

§ 3. Bestuursdocumenten waarvoor geen selectieregels als vermeld in artikel III.87, of geldige selectielijsten als vermeld in paragraaf 2, bekendgemaakt zijn, kunnen alleen vernietigd worden met toestemming van de bevoegde selectiecommissie.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor die procedure.

§ 4. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.79, § 1, houden van de vernietiging van bestuursdocumenten een gedateerde verklaring bij die ten minste een specificatie van de vernietigde bestuursdocumenten bevat en een verwijzing naar de bepaling die de vernietiging toelaat.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de inhoud en de bekendmaking van deze verklaring.

Afdeling 6.
Beroepsinstantie openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie


Art. III.90. Er wordt een beroepsinstantie opgericht, samengesteld uit personeelsleden van de Vlaamse administratie of van de lokale overheden, die belast is met het behandelen van beroepen over:
1° de toegang tot bestuursdocumenten als vermeld in artikel II.48;
2° het hergebruik van overheidsinformatie als vermeld in artikel II.69.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de samenstelling en de werkwijze van de beroepsinstantie.

Art. III.91. De beroepsinstantie oefent haar taak volledig onafhankelijk en neutraal uit.

De leden van de beroepsinstantie:
1° worden beschermd tegen beïnvloeding of druk, in het bijzonder van personen die betrokken zijn bij het bestuursdocument waarop het beroep betrekking heeft;
2° beschikken over voldoende tijd om de beroepen te behandelen;
3° worden niet geëvalueerd op of tuchtrechtelijk vervolgd vanwege hun bevindingen in het onderzoek of hun oordeel over het beroep.

Art. III.92. De beroepsinstantie bezorgt jaarlijks aan de Vlaamse Regering een verslag over de beroepen die zijn ingesteld en inzake de toepassing van de bepalingen over toegang tot bestuursdocumenten.

Afdeling 7.
Strategische adviesraden


Onderafdeling 1.
Taakomschrijving strategische adviesraden


Art. III.93. Een strategische adviesraad is een permanent orgaan, opgericht bij decreet, dat tot taak heeft om het Vlaams Parlement, de Vlaamse Regering of de individuele ministers te adviseren over strategische beleidsaangelegenheden.

Het oprichtingsdecreet bepaalt de wijze van samenstelling, de opdracht en het werkterrein, de werking en het toezicht. Voor wat niet in het oprichtingsdecreet bepaald is, gelden de bepalingen van deze afdeling.

Art. III.94. § 1. Een strategische adviesraad heeft de volgende opdrachten:
1° de maatschappelijke ontwikkelingen volgen en interpreteren;
2° bijdragen tot het vormen van een beleidsvisie;
3° uit eigen beweging of op verzoek advies uitbrengen over de hoofdlijnen van het beleid;
4° advies uitbrengen over voorontwerpen van decreet;
5° uit eigen beweging of op verzoek advies uitbrengen over voorstellen van decreet;
6° uit eigen beweging of op verzoek advies uitbrengen over ontwerpen van besluit van de Vlaamse Regering;
7° reflecties leveren over de bij het Vlaams Parlement ingediende beleidsnota's;
8° uit eigen beweging of op verzoek advies uitbrengen over conceptnota's, groen- en witboeken;
9° uit eigen beweging of op verzoek advies uitbrengen over ontwerpen van samenwerkingsakkoord die de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest wil sluiten met de staat of met andere gemeenschappen en gewesten;
10° uit eigen beweging of op verzoek advies uitbrengen over beleidsvoornemens, beleidsplannen en regelgeving die voorbereid wordt op het niveau van de Europese Unie, en over internationale verdragen die voorbereid worden.

§ 2. De leden van de Vlaamse Regering zijn verplicht om advies te vragen aan de strategische adviesraad, die bevoegd is voor de betrokken beleidsmaterie, over een voorontwerp van decreet of een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering dat van strategisch belang is. Ze kunnen dat advies vragen vóór de Vlaamse Regering collegiaal beraadslaagd heeft over het voorontwerp van decreet of ontwerp van besluit.

Onder ontwerpen van besluit van de Vlaamse Regering die van strategisch belang zijn, wordt verstaan: ontwerpen van reglementair of organiek besluit die uitvoering geven aan de inhoud van een decreet en waarvan de Vlaamse Regering beslist dat het basisuitvoeringsbesluiten zijn.

De verplichting, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor voorontwerpen van decreet houdende instemming met internationale verdragen.

§ 3. De Vlaamse Regering geeft duiding en toelichting aan de strategische adviesraad over het gevolg dat ze aan de adviezen geeft, vermeld in paragraaf 2.

§ 4. De strategische adviesraden publiceren hun adviezen op hun website.

Onderafdeling 2.
Samenstelling


Art. III.95. Een strategische adviesraad wordt samengesteld uit vertegenwoordigers van het maatschappelijke middenveld binnen het werkterrein van de adviesraad, in voorkomend geval, aangevuld met onafhankelijke deskundigen binnen het werkterrein van de adviesraad en vertegenwoordigers van de lokale overheden.

Art. III.96. § 1. De Vlaamse Regering benoemt de leden van de strategische adviesraden voor een termijn van vier jaar. Vertegenwoordigers van het maatschappelijke middenveld worden benoemd op voordracht van representatieve middenveldorganisaties. Onafhankelijke deskundigen worden benoemd na een openbare oproep tot kandidaatstelling. Vertegenwoordigers van lokale overheden worden benoemd op voordracht van de Vereniging van Vlaamse Provincies of van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten.

§ 2. Onder de leden van de strategische adviesraad wordt een voorzitter aangewezen, hetzij door de Vlaamse Regering, hetzij door de leden van de adviesraad.

Als de strategische adviesraad rechtspersoonlijkheid heeft, wordt de raad in rechte vertegenwoordigd door de voorzitter, onverminderd de mogelijkheid tot delegatie van die bevoegdheid.

Art. III.97. Leden van strategische adviesraden oefenen hun functie uit in volledige onafhankelijkheid van de Vlaamse overheid.

Het lidmaatschap van een strategische adviesraad of van een werkcommissie als vermeld in artikel III.99, is onverenigbaar met:
1° een mandaat in het Europees Parlement, de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement;
2° het ambt van minister, staatssecretaris of kabinetslid;
3° het ambt van personeelslid van een departement of agentschap van de Vlaamse overheid, dat in een hiërarchische verhouding staat tot de minister die bevoegd is voor de betrokken strategische adviesraad;
4° het ambt van personeelslid van het Vlaams Parlement of van de instellingen die verbonden zijn aan het Vlaams Parlement;
5° het ambt van personeelslid van de strategische adviesraad.

Art. III.98. De Vlaamse Regering kan leden van strategische adviesraden ontslaan op eigen verzoek of om ernstige redenen. Vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld kunnen alleen ontslagen worden op verzoek van de representatieve middenveldorganisatie. Vertegenwoordigers van lokale overheden kunnen alleen ontslagen worden op verzoek van de Vereniging van Vlaamse Provincies of van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten.

Onderafdeling 3.
Werking strategische adviesraden


Art. III.99. Een strategische adviesraad regelt zijn interne werking, met behoud van de toepassing van artikel III.103, § 1, eerste lid, en kan ter voorbereiding van adviezen werkcommissies instellen.

Art. III.100. Een strategische adviesraad beschikt over een eigen secretariaat dat onder het gezag van de strategische adviesraad wordt geleid door een secretaris.

Het secretariaat, vermeld in het eerste lid, staat in voor de administratieve, logistieke en inhoudelijke ondersteuning van de strategische adviesraad.

Art. III.101. Een strategische adviesraad beschikt over een jaarlijkse toelage.

Art. III.102. De leden van de Vlaamse Regering stellen de strategische adviesraad uit eigen beweging of op zijn verzoek alle informatie ter beschikking die noodzakelijk is voor de adviesopdracht.

Tussen de Vlaamse Regering en de strategische adviesraad worden structurele afspraken gemaakt over de informatie-uitwisseling en andere samenwerkingsmodaliteiten bij het begin van elke regeerperiode.

Art. III.103. § 1. Een strategische adviesraad beraadslaagt collegiaal over de uit te brengen adviezen, volgens de procedure van de consensus.

Als er geen consensus kan worden bereikt, wordt gestemd en wordt de stemmenverhouding in het advies vermeld. Er kan een minderheidsnota bij het advies worden gevoegd.

§ 2. De strategische adviesraden verstrekken adviezen binnen een termijn van dertig kalenderdagen nadat ze de adviesaanvraag hebben ontvangen of binnen de bijkomende termijn die door de adviesaanvrager werd verleend, met behoud van artikel III.104, § 3, derde lid.

In geval van spoed, die met redenen wordt omkleed, kan de aanvrager van het advies de termijn inkorten. De termijn mag echter nooit minder dan tien werkdagen bedragen.

Art. III.104. § 1. Strategische adviesraden kunnen onderling samenwerken en gezamenlijk advies uitbrengen. Ze kunnen ook samenwerken met andere adviesorganen.

§ 2. Strategische adviesraden kunnen externe experten, betrokkenen of personeelsleden van de Vlaamse administratie verzoeken informatie te verschaffen ter voorbereiding van een advies.

§ 3. Strategische adviesraden kunnen ter voorbereiding van een advies een open consultatie organiseren.

In dat geval kondigen ze deze consultatie minstens aan via het consultatieportaal, vermeld in artikel II.8.

Als aan strategische adviesraden gevraagd wordt een open consultatie te organiseren ter voorbereiding van een advies, wordt de adviestermijn met de termijn van deze open consultatie verlengd.

§ 4. Strategische adviesraden geven aan op welke informatie ze hun advies gebaseerd hebben en welke externe experten, betrokkenen of personeelsleden van de Vlaamse administratie ze geraadpleegd hebben.

Onderafdeling 4.
Programmering en verslaggeving


Art. III.105. Een strategische adviesraad stelt zijn werkprogramma vast in overleg met de Vlaamse Regering.

Art. III.106. Een strategische adviesraad brengt jaarlijks verslag uit van zijn werkzaamheden en publiceert dat op zijn website.

Afdeling 8.
Organisatie van het statistiekbeleid


Art. III.107. § 1. Deze afdeling is van toepassing op de volgende overheidsinstanties:
1° de departementen;
2° de intern verzelfstandigde agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid;
3° de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid;
4° de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;
5° de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
6° de gemeenten en de provincies;
7° de Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie;
8° de administratieve diensten van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs;
9° het Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek;
10° de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.

§ 2. Onder Vlaamse openbare statistieken wordt verstaan: de statistieken die de overheidsinstanties, vermeld in paragraaf 1, ontwikkelen, produceren en verspreiden, die relevant en nodig zijn bij de uitwerking, uitvoering, opvolging of evaluatie van het Vlaamse beleid of die tegemoet komen aan verplichtingen die zijn opgelegd door het Interfederaal Instituut voor Statistiek of internationale statistiekinstellingen en die publiek beschikbaar zijn als open data.

Art. III.108. De Vlaamse Regering wijst de Vlaamse Statistische Autoriteit aan die belast wordt met de coördinatie van de ontwikkeling, productie en verspreiding van de Vlaamse openbare statistieken en de kwaliteitszorg ervan. De Vlaamse Statistische Autoriteit is wetenschappelijk en professioneel onafhankelijk.

Deze dienst treedt op als Vlaamse Statistische Autoriteit als vermeld in artikel 36 van het samenwerkingsakkoord van 15 juli 2014 tussen de federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest, de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad en de Franse Gemeenschapscommissie betreffende nadere regels voor de werking van het Interfederaal Instituut voor Statistiek, van de raad van bestuur en de wetenschappelijke comités van het Instituut voor de Nationale Rekeningen.

Art. III.109. § 1. De Vlaamse openbare statistieken moeten relevant, nauwkeurig en betrouwbaar, actueel en stipt, toegankelijk en duidelijk, vergelijkbaar en coherent zijn.

§ 2. Vlaamse openbare statistieken worden ontwikkeld, geproduceerd en verspreid op basis van onpartijdigheid en objectiviteit, kostenefficiëntie, wetenschappelijke en professionele onafhankelijkheid, met gebruik van degelijke methoden en passende statistische procedures en met respect voor de statistische geheimhouding.

De ontwikkeling, productie en verspreiding mogen geen onevenredige lasten met zich brengen. De respondenten worden zo weinig mogelijk belast.

Art. III.110. De Vlaamse Statistische Autoriteit draagt er zorg voor dat de Vlaamse openbare statistieken worden ontwikkeld, geproduceerd en verspreid conform artikel III.109.

De Vlaamse Statistische Autoriteit voert een grondige en systematische kwaliteitsmonitoring uit op de ontwikkeling, productie en verspreiding van de Vlaamse openbare statistieken en kan methodologische aanbevelingen geven.

Art. III.111. De Vlaamse Regering stelt jaarlijks het statistische programma vast waarin de planning en afspraken worden vastgelegd voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van de Vlaamse openbare statistieken. De Vlaamse Statistische Autoriteit coördineert het proces van de voorbereiding en opvolging van het statistische programma.

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop het statistische programma voor de Vlaamse openbare statistieken wordt opgesteld.

Art. III.112. De Vlaamse Statistische Autoriteit bereidt met de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.107, § 1, standpunten voor internationale statistiekfora voor en verdedigt die in het Interfederaal Instituut voor Statistiek.

Art. III.113. Om de opdrachten, vermeld in artikel III.110 tot en met III.112, te kunnen uitoefenen, is de Vlaamse Statistische Autoriteit bevoegd om:
1° de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.107, § 1, te verplichten mee te werken aan het opstellen van het statistische programma en de statistieken te ontwikkelen, te produceren en te verspreiden ter uitvoering van het statistische programma voor de Vlaamse openbare statistieken;
2° natuurlijke personen of rechtspersonen, als dat nodig is, te verplichten deel te nemen aan statistische onderzoekingen ter uitvoering van het statistische programma;
3° toegang te krijgen tot alle informatie en documenten, ongeacht de drager ervan, waarover de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.107, § 1, beschikken voor de ontwikkeling, productie en verspreiding van de Vlaamse openbare statistieken.

Afdeling 9.
Organisatiebeheersing en interne audit


Art. III.114. De departementen, intern verzelfstandigde agentschappen en de extern verzelfstandigde agentschappen staan in voor hun organisatiebeheersing.

Organisatiebeheersing is het geheel van maatregelen en procedures die ontworpen zijn om een redelijke zekerheid te verschaffen dat:
1° de vastgelegde doelstellingen bereikt worden en dat de risico's om ze te bereiken bekend en beheerst zijn;
2° wetgeving en procedures nageleefd worden;
3° betrouwbare financiële en beheersrapportering beschikbaar is;
4° er op een effectieve en efficiënte wijze gewerkt wordt en dat de beschikbare middelen economisch ingezet worden;
5° de activa beschermd worden en dat fraude voorkomen wordt.

Art. III.115. § 1. In elk departement, intern verzelfstandigd agentschap en publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap wordt periodiek een audit uitgevoerd door Audit Vlaanderen.

Audit Vlaanderen evalueert de organisatiebeheersing, gaat na of ze adequaat is en formuleert aanbevelingen om ze te verbeteren. Audit Vlaanderen voert daarvoor organisatie- en procesaudits uit.

Audit Vlaanderen is ook bevoegd voor de uitvoering van forensische audits bij de overheidsinstanties, vermeld in het eerste lid.

De bevoegdheid en het werkterrein van Audit Vlaanderen omvatten ook de Vlaamse openbare instellingen van categorie A en de Eigen Vermogens met rechtspersoonlijkheid, die verbonden zijn aan de overheidsinstanties, vermeld in het eerste lid.

De Vlaamse Regering regelt de oprichting en de interne werking van Audit Vlaanderen.

§ 2. Om zijn bevoegdheid te kunnen uitoefenen, heeft Audit Vlaanderen toegang tot alle informatie en documenten, ongeacht de drager ervan, en tot alle gebouwen, ruimtes en installaties waar taken van de Vlaamse administratie worden uitgevoerd. Audit Vlaanderen kan aan ieder personeelslid de inlichtingen vragen die voor de uitvoering van zijn opdrachten nodig worden geacht. Ieder personeelslid is ertoe gehouden zo snel mogelijk en zonder voorafgaande machtiging op een volledige wijze te antwoorden en alle relevante informatie en documenten te verstrekken.

Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kan Audit Vlaanderen beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het derde tot en met het elfde lid.

De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het tweede lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van Audit Vlaanderen, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.

De persoonsgegevens, vermeld in het tweede lid, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.

De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het tweede lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het tweede lid, rechtvaardigt.

Als de betrokkene in het geval, vermeld in het tweede lid, tijdens de periode, vermeld in het derde lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.

De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het tweede lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van Audit Vlaanderen zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het negende lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel..

De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.

De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.

Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.

Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het tweede lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.

§ 3. Elk personeelslid heeft het recht om Audit Vlaanderen rechtstreeks op de hoogte te brengen van onregelmatigheden die hij bij de uitoefening van zijn functie vaststelt.

Buiten de gevallen van kwade trouw, persoonlijk voordeel of valse aangifte die een dienst of een persoon schade toebrengen, kan een rapportering aan Audit Vlaanderen nooit aanleiding geven tot een tuchtsanctie of een ontslag.

§ 4. Bij Audit Vlaanderen worden twee auditcomités opgericht, die elk bestaan uit zeven leden:
1° het auditcomité van de Vlaamse administratie, dat bestaat uit vier onafhankelijke deskundigen en drie vertegenwoordigers van de Vlaamse Regering;
2° het auditcomité van de lokale besturen, dat bestaat uit vier onafhankelijke deskundigen, twee leden op voordracht van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten en één lid op voordracht van de Vereniging van de Vlaamse Provincies. De Vlaamse minister, bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden, of zijn vertegenwoordiger woont de vergadering van het auditcomité van de lokale besturen als waarnemer bij.

De auditcomités staan in voor de aansturing en opvolging van, en de controle en het toezicht op Audit Vlaanderen. Beide auditcomités worden voorgezeten door een onafhankelijke deskundige.

§ 5. Buiten de uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht waarin artikel 27 van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor voorziet, geldt deze plicht tevens niet voor:
1° de informatie-uitwisseling over de auditstrategie en -planning, de monitoring en risicoanalyse, de controle en rapportering en de controlemethodieken door de bedrijfsrevisor aan het Rekenhof en Audit Vlaanderen inzake de lokale en provinciale besturen die zij gemeenschappelijk hebben als controledomein;
2° de overdracht aan het Rekenhof en Audit Vlaanderen van informatie uit werkdocumenten van de bedrijfsrevisor inzake lokale en provinciale besturen die zij gemeenschappelijk hebben als controledomein.

Afdeling 10.
Rapportering aan het Vlaams Parlement


Art. III.116. De Vlaamse Regering brengt jaarlijks verslag uit aan het Vlaams Parlement over de toepassing van de bepalingen over de toegang tot bestuursdocumenten en over de beroepen die werden ingesteld bij de beroepsinstantie openbaarheid van bestuur en hergebruik van overheidsinformatie.

Art. III.117. Om de drie jaar brengt de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement verslag uit over:
1° de beschikbaarheid van overheidsinformatie voor hergebruik, de voorwaarden waaronder de overheidsinformatie beschikbaar wordt gesteld, de praktijk op het vlak van rechtsmiddelen en in het bijzonder de toepassing van artikel II.59, namelijk met betrekking tot vergoedingen die de marginale kosten overstijgen;
2° de mate waarin websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties voldoen aan de toegankelijkheidseisen, vermeld in artikel II.16, de resultaten van het toezicht daarop, met inbegrip van de meetgegevens en informatie over de handhavingsprocedures.

Deze verslagen worden telkens ook aan de Europese Commissie bezorgd.

Art. III.118. § 1. In het derde jaar van elke regeerperiode brengt de Vlaamse Regering aan het Vlaams Parlement verslag uit over de wijze waarop hoofdstuk 2 is toegepast.

De overheidsinstanties die onder het toepassingsgebied van hoofdstuk 2 vallen, zijn verplicht daarvoor de nodige gegevens aan te leveren.

Deze paragraaf is niet van toepassing op de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, 8°, III.36, § 1, 4°, en III.48, eerste lid, 4°, waarin minder dan twee jaar wordt geparticipeerd.

§ 2. Twee jaar na het verslag, vermeld in paragraaf 1, brengt de Vlaamse Regering nog een bijkomend tussentijds verslag uit over de wijze waarop de bepalingen over evenwichtige participatie van vrouwen en mannen, vermeld in hoofdstuk 2, afdeling 2, onderafdeling 3, en afdeling 4, onderafdeling 2, worden toegepast.

HOOFDSTUK 4.
Experimentregelgeving en regelluwe zones


Art. III.119. De Vlaamse Regering kan experimentregelgeving en regelluwe zones invoeren onder de voorwaarden die bepaald zijn in deze afdeling.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1° experimentregelgeving: tijdelijke regelgeving met een geldingsduur van maximaal tien jaar, die geldt voor een specifieke ruimte of voor een specifieke doelgroep of in een specifieke situatie, en die bij wijze van experiment wordt ingevoerd;
2° regelluwe zone: tijdelijke regelgeving met een geldingsduur van maximaal tien jaar, die bestaande regelgeving voor een specifieke ruimte of voor een specifieke doelgroep of in een specifieke situatie buiten toepassing stelt.

Deze afdeling geldt alleen voor experimentregelgeving en regelluwe zones waarvoor geen specifieke decretale regeling bestaat.

Art. III.120. Telkens als de Vlaamse Regering experimentregelgeving of regelluwe zones invoert, bepaalt ze minstens:
1° de inhoud en het toepassingsgebied van de experimentregelgeving of de regelluwe zone;
2° de motivering en de doelstellingen;
3° de tijdsduur en de voorwaarden voor eventuele verlenging of vroegtijdige beëindiging;
4° de wijze waarop de experimentregelgeving of regelluwe zone zal geëvalueerd worden;
5° de voorwaarden en modaliteiten van een eventuele financiële tegemoetkoming bij de beëindiging.

De verlenging, vermeld in het eerste lid, 3°, is maar één keer mogelijk en kan niet langer duren dan vijf jaar.

Art. III.121. § 1. De experimentregelgeving of regelluwe zone kan afwijken en kan afwijkingen toestaan van decretale en wettelijke bepalingen als die afwijking noodzakelijk is om de doelstelling ervan te verwezenlijken.

In dat geval wijst de Vlaamse Regering per experiment of regelluwe zone de decretale en wettelijke bepalingen aan waarvan afgeweken wordt, en motiveert ze de noodzaak om van die bepalingen af te wijken en het verband met de doelstelling van het experiment of de regelluwe zone.

§ 2. De afwijkingen kunnen evenwel geen betrekking hebben op:
1° bepalingen die betrekking hebben op de verweermogelijkheden en beroepsmogelijkheden;
2° bepalingen die de grondrechten van de burgers beschermen;
3° bepalingen die betrekking hebben op de veiligheid en gezondheid van de burgers;
4° bepalingen die Europese richtlijnen omzetten of Europese verordeningen uitvoeren.

§ 3. Als de experimentregelgeving of regelluwe zone afwijkt van bestaande wettelijke of decretale bepalingen, bevat de afwijkende regeling in elk geval een gelijkwaardige rechtssituatie voor de rechtssubjecten als de bestaande, en laat ze definitief verworven rechten onaangetast.

Art. III.122. Besluiten van de Vlaamse Regering die afwijken van of die afwijkingen toestaan op bestaande decretale of wettelijke bepalingen, of die nieuwe bepalingen vaststellen die bij decreet vastgesteld moeten worden, kunnen pas uitwerking hebben op voorwaarde dat ze binnen zes maanden na hun goedkeuring bekrachtigd worden bij decreet.