HOOFDSTUK 2.
Deugdelijk bestuur


Afdeling 1.
Rechtspositie van de personeelsleden


Art. III.22.

Tenzij het anders is vermeld in deze afdeling, is deze afdeling van toepassing op de personeelsleden van de volgende overheidsinstanties:

1° de departementen, de intern verzelfstandigde agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid, de Dienst van de Bestuursrechtscolleges, de onderwijsinspectie met uitzondering van de leden van de inspectie;

2° de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid;

3° de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;

4° de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;

5° de secretariaten van de strategische adviesraden;

6° de Vlaamse openbare instellingen De Watergroep, de Vlaamse Radio- en Televisieomroep, het Vlaams Fonds voor de Letteren en de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek;

7° het Ondersteunend Centrum van het Agentschap voor Natuur en Bos, het Eigen Vermogen van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek, het Eigen Vermogen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, het Eigen Vermogen Flanders Hydraulics;

8° de instanties die niet vallen onder punt 1° tot en met 7° maar die voldoen aan alle volgende kenmerken:

a) ze maken deel uit van de Vlaamse deelstaatoverheid of zijn in handen van de Vlaamse deelstaatoverheid en vallen onder het exclusief toezicht van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, in overeenstemming met het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen, vermeld in verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie;

b) ze bezitten rechtspersoonlijkheid;

c) het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen of hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochterondernemingen hebben minimaal de helft van de stemmen in de algemene vergadering;

9° de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.

 

De universitaire instellingen, met inbegrip van hun patrimonium, en de hogescholen vallen niet onder het toepassingsgebied.


Art. III.23. De Vlaamse Regering bepaalt de rechtspositieregeling van het personeel van de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen en de secretariaten van de strategische adviesraden. De regelingen die de Vlaamse Regering uitwerkt, voorzien in een globale interne arbeidsmarkt.

Art. III.24.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, 3° tot en met 9°, stellen een deontologische code op voor hun personeelsleden.

 

De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, 3° tot en met 6°, stellen een regeling op voor de bescherming van klokkenluiders.

 

Onder klokkenluiders als vermeld in het tweede lid, wordt verstaan: de personeelsleden die bij de uitoefening van hun ambt nalatigheden, misbruiken of misdrijven binnen de instantie waar ze werken, hebben vastgesteld en gemeld.


Art. III.25.

De jaarlijkse bezoldiging van de personeelsleden van de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, mag niet meer bedragen dan de jaarlijkse bezoldiging van de minister-president van de Vlaamse Regering.

 

De Vlaamse Regering kan, op advies van het Remuneratiecomité van de Vlaamse overheid, toestaan dat afgeweken wordt van de maximumbezoldiging, vermeld in het eerste lid.


Art. III.26.

Het is verboden om de jaarlijkse bezoldiging, sociale voordelen, voordelen van alle aard, onkostenvergoedingen en eventuele andere bezoldigingselementen geheel of gedeeltelijk toe te kennen in aandelen of aandelenopties.

 

Het is verboden de bezoldiging van personeelsleden, vermeld in het eerste lid, te betalen aan een managementvennootschap.


Art. III.27.

Als de arbeidsovereenkomst een vertrekpremie vaststelt, kan die premie hoogstens het bedrag van één vast jaarsalaris bedragen.

 

In afwijking van het eerste lid, wordt een hogere premie toegekend als de wettelijke bepalingen over het arbeidsrecht daartoe aanleiding geven.

 

De vertrekpremie omvat de opzegvergoeding, de eventuele vergoeding wegens concurrentiebeding, voordelen in natura of stortingen in een pensioenfonds die betrokkene ontvangt na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

 

Bij vrijwillig vertrek heeft het personeelslid geen recht op een vertrekpremie.


Art. III.28.

De pensioenregeling mag niet voordeliger zijn dan die van een minister van de Vlaamse Regering.

 

Het verbod, vermeld in het eerste lid, betreft zowel het te ontvangen bedrag, de persoonlijke bijdrage als de instapvoorwaarden in de aanvullende pensioenregeling.


Art. III.29. Het bevoegde orgaan van de overheidsinstantie, vermeld in artikel III.22, eerste lid, bepaalt het bedrag van de variabele verloning en houdt daarbij rekening met het langetermijnperspectief en de realisatie van financiële en niet-financiële doelstellingen.

Art. III.30. Het bedrag van de variabele verloning is beperkt tot 20 procent van het jaarsalaris, inclusief mandaattoelage.

Art. III.31.

Het bedrag van de jaarlijkse bezoldiging, opgesplitst in vast en variabel gedeelte, en de eventuele vertrekpremies worden openbaar gemaakt door publicatie in het jaarverslag van de betrokken overheidsinstantie.

 

Voor de entiteiten die onder het toepassingsgebied van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 vallen, of waar de bezoldiging in een ander besluit van de Vlaamse Regering is vastgesteld, is de openbaarmaking, zoals bepaald in het eerste lid, beperkt tot de bezoldiging van de leidend ambtenaar en de algemeen directeur(s).

 

Voor de andere entiteiten is de openbaarmaking, zoals bepaald in het eerste lid, van toepassing op de bezoldiging van de leidend ambtenaar en de andere leden van het management- of directiecomité.

 

Het jaarverslag, vermeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt op de website van de betrokken overheidsinstantie of op de centrale website van de Vlaamse overheid.


Art. III.32. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, 1° tot en met 6°, bezorgen de toekenningsmodaliteiten van de bedragen, vermeld in artikel III.31, jaarlijks aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling in de Vlaamse administratie, die ze op zijn beurt bezorgt aan de Vlaamse Regering.

Art. III.33.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, winnen voor strategische beloningskwesties het advies in van hetzij het Remuneratiecomité van de Vlaamse overheid hetzij van hun eigen remuneratiecomité.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.


Art. III.34.

De remuneratiecomités bezorgen hun adviezen ter informatie aan de minister-president en de viceministers-presidenten van de Vlaamse Regering.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.


Art. III.35. De beperkingen aan de geldelijke arbeidsvoorwaarden die in deze afdeling opgenomen zijn, gelden niet voor de personeelsleden die in dienst genomen zijn vóór 19 januari 2014 of in voorkomend geval vóór de datum waarop deze beperkingen van toepassing zijn op de overheidsinstantie die hen in dienst heeft genomen, ook niet als hun mandaat verlengd wordt na die datum.

Afdeling 2.
Raad van bestuur


Onderafdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. III.36.

§ 1. Tenzij het anders is vermeld in deze afdeling, is deze afdeling van toepassing op de raden van bestuur van de volgende overheidsinstanties:

1° de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;

2° de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;

3° de Vlaamse openbare instellingen De Watergroep, de Vlaamse Radio- en Televisieomroep, het Vlaams Fonds voor de Letteren en de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek;

4° de instanties die niet vallen onder punt 1° tot en met 3° maar die voldoen aan al de volgende kenmerken:

a) ze maken deel uit van de Vlaamse deelstaatoverheid of zijn in handen van de Vlaamse deelstaatoverheid en vallen onder het exclusief toezicht van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, in overeenstemming met het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen, vermeld in verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie;

b) ze bezitten rechtspersoonlijkheid;

c) het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen of hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochterondernemingen hebben minimaal de helft van de stemmen in de algemene vergadering.

 

De universitaire instellingen, met inbegrip van hun patrimonium, en de hogescholen vallen niet onder het toepassingsgebied.

 

Dochterondernemingen vallen niet onder het toepassingsgebied van onderafdeling 2 als het Vlaamse Gewest of de Vlaamse Gemeenschap niet rechtstreeks over minimaal de helft van de stemmen beschikt in de algemene vergadering.

 

§ 2. Onderafdeling 1 is ook van toepassing op de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.


Art. III.37.

§ 1. Om belangenvermenging te voorkomen leggen de leden van de raad van bestuur bij hun aanstelling een overzicht van hun andere lopende mandaten en activiteiten voor aan de overheid die bevoegd is voor de aanstelling.

 

Latere wijzigingen in mandaten of activiteiten worden ook voorgelegd.

 

§ 2. Als een bestuurder, rechtstreeks of onrechtstreeks, een belang van vermogensrechtelijke aard heeft dat strijdig is met een beslissing of een verrichting die tot de bevoegdheid van de raad van bestuur behoort, mag hij niet deelnemen aan de beraadslagingen van de raad van bestuur over die verrichting of beslissing, noch aan de stemming daarover.


Art. III.38. De raad van bestuur stelt een deontologische code op voor zijn leden.

Art. III.39.

Artikel III.25, III.26, eerste lid, en III.31 zijn van overeenkomstige toepassing op de jaarlijkse bezoldiging, zitpenningen en vergoedingen van de leden van de raad van bestuur van de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.36.

 

Artikel III.32 is van overeenkomstige toepassing op de jaarlijkse bezoldiging, zitpenningen en vergoedingen van de leden van de raad van bestuur van de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.36, § 1, 1°, 2° en 3°.

 

De beperkingen aan de geldelijke voorwaarden die volgen uit de toepassing van het eerste en tweede lid gelden niet voor de bestuurders die aangesteld zijn vóór 19 januari 2014 of, in voorkomend geval, vóór de datum waarop die beperkingen van toepassing zijn op de overheidsinstantie die hen aangesteld heeft, ook niet als hun mandaat verlengd wordt na deze datum.

 

Het eerste lid is eveneens van toepassing op raden van bestuur van de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, 7°, en van het Eigen Vermogen van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen en het Eigen Vermogen Digitaal Vlaanderen.


Onderafdeling 2.
Onafhankelijke bestuurders


Art. III.40.

Minimaal een derde van het aantal stemgerechtigde leden van de raad van bestuur van de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.36, § 1, is een onafhankelijke bestuurder.

 

De Vlaamse Regering kan op gemotiveerd verzoek van de betrokken overheidsinstantie, om gegronde redenen, een uitzondering toestaan op de bepaling van het eerste lid.


Art. III.41.

De raad van bestuur stelt de vereisten vast waaraan kandidaten voor het mandaat van onafhankelijk bestuurder moeten voldoen op het vlak van bekwaamheden, kennis en ervaring.

 

De raad van bestuur doet een open oproep tot kandidaatstelling voor een mandaat van onafhankelijk bestuurder. De oproep bevat een weergave van de vereisten waaraan kandidaten moeten voldoen en regelt de wijze van kandidaatstelling, waarbij minstens een curriculum vitae wordt voorgelegd.

 

De raad van bestuur vergelijkt de respectieve verdiensten van de kandidaten.

 

De onafhankelijke bestuurders worden uit lijsten van twee kandidaten per vacant mandaat door de Vlaamse Regering aangesteld, op voordracht van de raad van bestuur.

 

Als de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.36, § 1, 2°, 3° en 4°, onder wettelijke bepalingen vallen die de algemene vergadering bevoegd maken voor de aanstelling van de bestuurders, worden de onafhankelijke bestuurders aangesteld door de algemene vergadering, op voordracht van de raad van bestuur.


Art. III.42.

§ 1. De onafhankelijke bestuurder wordt aangesteld op grond van zijn deskundigheid inzake het algemeen bestuur van de betrokken overheidsinstantie, zijn specifieke deskundigheid inzake de inhoudelijke materie en het beleidsveld waarin de overheidsinstantie actief is, en zijn onafhankelijkheid ten aanzien van de deelgenoten en het dagelijks bestuur van de overheidsinstantie.

 

Onder deelgenoten als vermeld in het eerste lid, wordt verstaan: het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap en de andere personen die participeren of vertegenwoordigd zijn in de overheidsinstantie.

 

§ 2. Om de onafhankelijkheid, vermeld in paragraaf 1, te bepalen zijn de criteria van het Wetboek van Vennootschappen richtinggevend.


Art. III.43.

In geval van ernstige redenen kunnen de onafhankelijke bestuurders op elk moment worden ontslagen door de Vlaamse Regering, op voordracht van de raad van bestuur.

 

Als de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.36, § 1, 2°, 3° en 4°, onder wettelijke bepalingen vallen die de algemene vergadering bevoegd maken voor het ontslag van de bestuurders, worden de onafhankelijke bestuurders ontslagen door de algemene vergadering, op voordracht van de raad van bestuur.


Onderafdeling 3.
Evenwichtige participatie van vrouwen en mannen


Art. III.44.

Om een meer evenwichtige participatie van mannen en vrouwen te bevorderen, mag ten hoogste twee derde van de stemgerechtigde leden van de raad van bestuur van de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.36, van hetzelfde geslacht zijn.

 

Dat quotum is, in voorkomend geval, afzonderlijk van toepassing op de effectieve leden en op de plaatsvervangende leden.


Art. III.45.

Als bij de aanwijzing van leden in een raad van bestuur een voordrachtprocedure gevolgd moet worden, en de voorgedragen kandidaturen het niet mogelijk maken om te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel III.44, dan moet de voordrachtprocedure hernomen worden. In voorkomend geval moeten de voordragende instanties die geen kandidaat van het ondervertegenwoordigde geslacht hadden voorgedragen, een extra kandidaat voordragen die van het ondervertegenwoordigde geslacht is.

 

Zolang een voordragende instantie niet voldoet aan die voorwaarde, blijft het mandaat open.

 

Als zes maanden nadat het mandaat vacant geworden is, nog niet aan de verplichting, vermeld in artikel III.44, voldaan is, kan de Vlaamse Regering, op voordracht van de minister onder de bevoegdheid van wie de betrokken overheidsinstantie ressorteert, het vacante mandaat invullen zonder de voordrachtprocedure te volgen.


Art. III.46.

Met behoud van de toepassing van artikel III.45 kan de Vlaamse Regering, als onmogelijk kan worden voldaan aan de voorwaarde, vermeld in artikel III.44, op gemotiveerd verzoek van de minister onder de bevoegdheid van wie de betrokken overheidsinstantie ressorteert, afwijkingen toestaan.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan dat verzoek moet voldoen en stelt de procedure vast.

 

Als er geen afwijking is toegestaan, beschikt de minister onder de bevoegdheid van wie de betrokken overheidsinstantie ressorteert, over een termijn van drie maanden om te voldoen aan de voorwaarde, vermeld in artikel III.44.


Art. III.47. Behalve als conform artikel III.46 een uitzondering is toegestaan, kan een raad van bestuur alleen geldig beraadslagen en beslissen als het conform artikel III.44 samengesteld is.

Afdeling 3.
Rechtspositie van de regeringscommissarissen


Art. III.48.

Deze afdeling is van toepassing op de regeringscommissarissen die aangewezen zijn bij de volgende overheidsinstanties:

1° de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;

2° de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;

3° de Vlaamse openbare instellingen De Watergroep, de Vlaamse Radio- en Televisieomroep, het Vlaams Fonds voor de Letteren en de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek;

4° de instanties die niet vallen onder punt 1° tot en met 3° maar die voldoen aan alle volgende kenmerken:

a) ze maken deel uit van de Vlaamse deelstaatoverheid of zijn in handen van de Vlaamse deelstaatoverheid en vallen onder het exclusief toezicht van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, in overeenstemming met het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen, vermeld in verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie;

b) ze bezitten rechtspersoonlijkheid;

c) het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen of hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochterondernemingen hebben minimaal de helft van de stemmen in de algemene vergadering.

 

De universitaire instellingen, met inbegrip van hun patrimonium, en de hogescholen vallen niet onder het toepassingsgebied.

 

Onder regeringscommissaris wordt verstaan: de persoon die de Vlaamse Regering aanwijst, ongeacht de benaming van zijn mandaat, om opdrachten uit te oefenen inzake informatieverstrekking en controle van de wettelijkheid en het algemeen belang.


Art. III.49.

§ 1. Als krachtens de reglementering tot oprichting van een overheidsinstantie, vermeld in artikel III.48, een regeringscommissaris wordt aangesteld bij die instantie, is de Vlaamse Regering bevoegd voor zijn aanstelling. Voor de aanstelling gaat de Vlaamse Regering na:

1° of de kandidaat voldoende beschikbaar is om zijn functie uit te oefenen;

2° via de voorlegging van een curriculum vitae, of de kandidaat over ervaring en kennis van het bestuur en de werking van de Vlaamse overheid en van de beslissingsprocessen en -procedures beschikt;

3° of de kandidaat geen enkele strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen die onverenigbaar is met het mandaat van regeringscommissaris:

a) voor de kandidaat met de Belgische nationaliteit door de voorlegging van een recent uittreksel uit het strafregister en een verklaring op erewoord dat hij een dergelijke veroordeling niet heeft opgelopen;

b) voor de kandidaat die niet beschikt over de Belgische nationaliteit: door een verklaring op erewoord dat hij een dergelijke veroordeling niet heeft opgelopen;

4° of er bij de kandidaat geen rechtstreeks of onrechtstreeks functioneel of persoonlijk belangenconflict bestaat.

 

Naast de vereiste op het vlak van ervaring met en kennis van het bestuur en de werking van de Vlaamse overheid en van de beslissingsprocessen en -procedures, vermeld in het eerste lid, 2°, geldt voor de functie van inhoudelijke commissaris die de minister onder wie de betrokken overheidsinstantie ressorteert, vertegenwoordigt, ook de vereiste van specifieke kennis van de inhoudelijke materie en van het beleidsveld waarin de betrokken overheidsinstantie actief is.

 

Naast de vereiste op het vlak van ervaring met en kennis van het bestuur en de werking van de Vlaamse overheid en van de beslissingsprocessen en -procedures, vermeld in het eerste lid, 2°, geldt voor de functie van commissaris die de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen, vertegenwoordigt, ook de vereiste van inzicht in en kennis van financiële en budgettaire aangelegenheden.

 

§ 2. Bij ontslag of overlijden van de regeringscommissaris of als hij een onverenigbaar ambt uitoefent, vervangt de Vlaamse Regering hem zo spoedig mogelijk conform de bepalingen, vermeld in paragraaf 1.

 

De Vlaamse Regering kan een plaatsvervanger aanstellen voor het geval dat de regeringscommissaris verhinderd is.


Art. III.50. De Vlaamse Regering bepaalt bij de aanvang van de aanstelling tot regeringscommissaris de omvang en inhoud van zijn functie.

Art. III.51.

Met behoud van de toepassing van andere onverenigbaarheden, bepaald bij of krachtens een wet, een decreet, een besluit of de statuten is de opdracht van de regeringscommissaris onverenigbaar met het mandaat of ambt van:

1° lid van de Commissie van de Europese Unie;

2° lid van het Europees Parlement, de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement;

3° minister of staatssecretaris;

4° provinciegouverneur of lid van de deputatie van de provincieraad;

5° burgemeester, schepen of lid van het districtscollege;

6° bestuurder of personeelslid van de betrokken overheidsinstantie.

 

Als de regeringscommissaris in de loop van zijn mandaat aanvaardt om een ambt of mandaat als vermeld in het eerste lid, uit te oefenen, wordt zijn mandaat van rechtswege beëindigd. Hij wordt vervangen door een regeringscommissaris die aangesteld wordt conform artikel III.49, § 1.


Art. III.52.

Met behoud van de toepassing van de verplichtingen die bepaald zijn bij of krachtens een wet of decreet, kan de regeringscommissaris inlichtingen waarvan hij in het kader van zijn opdrachten kennis gekregen heeft niet gebruiken of verspreiden, als het gebruik of de verspreiding ervan schade kan berokkenen aan de belangen van de betrokken overheidsinstantie.

 

Met toepassing van de uitzonderingsgronden in titel 2, hoofdstuk 3, wordt de briefwisseling tussen de regeringscommissaris en de minister die hem heeft voorgedragen voor aanstelling door de Vlaamse Regering, als vertrouwelijk beschouwd.


Art. III.53.

De regeringscommissaris informeert zich over alle evoluties van de regelgeving betreffende zijn functie en de opdracht of het maatschappelijk doel van de overheidsinstantie waarbij hij is aangesteld.

 

Als dat nodig is, kan deoverheidsinstantie ten behoeve van de regeringscommissaris informatievergaderingen of vormingscursussen organiseren of financieren om de regeringscommissaris in de mogelijkheid te stellen om zijn permanente vorming te waarborgen.


Art. III.54. De regeringscommissaris brengt over de toevertrouwde taken verslag uit bij de minister die hem heeft voorgedragen voor aanstelling door de Vlaamse Regering.

Art. III.55. Het mandaat van regeringscommissaris vereist een vertrouwensrelatie met de Vlaamse Regering. Als die vertrouwensrelatie verbroken wordt, kan de Vlaamse Regering het mandaat op elk moment beëindigen.

Art. III.56.

De minister die hem heeft voorgedragen voor aanstelling door de Vlaamse Regering evalueert het werk van de regeringscommissaris. De Vlaamse Regering stelt de evaluatieprocedure daarvoor vast.

 

De evaluatie vindt minstens om de twee jaar plaats, op basis van een functiebeschrijving en competentieprofiel vastgesteld door de minister, vermeld in het eerste lid, bij de aanstelling van de regeringscommissaris. Van de evaluatie wordt een schriftelijke weerslag bijgehouden.


Afdeling 4.
Adviesorganen


Onderafdeling 1.
Presentiegelden en vergoedingen voor leden van strategische adviesraden


Art. III.57.

De Vlaamse Regering stelt de presentiegelden en de vergoedingen van de leden van strategische adviesraden vast.

 

Artikel III.25 en III.26, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de presentiegelden en vergoedingen van de leden van de strategische adviesraden.

 

De beperkingen aan de geldelijke voorwaarden die volgen uit de toepassing van het tweede lid gelden niet voor de leden die benoemd zijn vóór de datum van de inwerkingtreding van deze bepaling of, in voorkomend geval, vóór de datum waarop die beperkingen van toepassing zijn op de strategische adviesraad waarbij ze benoemd zijn, ook niet als hun mandaat verlengd wordt na die datum.


Onderafdeling 2.
Evenwichtige participatie van vrouwen en mannen in Vlaamse adviesorganen


Art. III.58.

De bepalingen van afdeling 2, onderafdeling 3, zijn van overeenkomstige toepassing op de Vlaamse adviesorganen.

 

Structurele onderverdelingen van een adviesorgaan als vermeld in het eerste lid, worden ook als adviesorgaan beschouwd als ze zelf bevoegd zijn om advies te verlenen aan het Vlaams Parlement, de Vlaamse Regering, een Vlaamse minister of de Vlaamse administratie.


Afdeling 5.
Vrijwaring van de strategische belangen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest


Art. III.59.

Deze afdeling is van toepassing op de volgende overheidsinstanties:

1° de Vlaamse overheid, met uitzondering van het Vlaams Parlement, zijn diensten en de instellingen die aan het Vlaams Parlement verbonden zijn;

2° de lokale overheden;

3° de instellingen die niet onder punt 1° of 2° vallen, maar die voldoen aan al de volgende kenmerken:

a) ze zijn opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang;

b) ze bezitten rechtspersoonlijkheid;

c) 1) ...;

2) ofwel heeft een instantie die onder het toepassingsgebied van deze afdeling valt meer dan de helft van de stemmen in de raad van bestuur;

3) ofwel staat hun beheer onder het toezicht van een instantie die onder het toepassingsgebied van deze afdeling valt.


Art. III.60.

Als een rechtshandeling van een overheidsinstantie als vermeld in artikel III.59, tot gevolg heeft dat natuurlijke personen of rechtspersonen die niet gevestigd zijn in een lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat van de Europese Economische Ruimte, zeggenschap of beslissingsmacht krijgen in die overheidsinstantie, en als daardoor de strategische belangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest bedreigd worden, met name als de continuïteit van vitale processen in het gedrang komt, als bepaalde strategische of gevoelige kennis in buitenlandse handen dreigt te vallen of als de strategische onafhankelijkheid van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest in het gedrang komt, kan de Vlaamse Regering die rechtshandeling nietig verklaren, schorsen of buiten toepassing verklaren.

 

De Vlaamse Regering kan alleen toepassing maken van het eerste lid als ze kan aantonen dat ze gepoogd heeft de vrijwaring van de strategische belangen te realiseren met instemming van de betrokken overheidsinstantie.