Afdeling 1.
Rechtspositie van de personeelsleden


Art. III.22.

Tenzij het anders is vermeld in deze afdeling, is deze afdeling van toepassing op de personeelsleden van de volgende overheidsinstanties:

1° de departementen, de intern verzelfstandigde agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid, de Dienst van de Bestuursrechtscolleges, de onderwijsinspectie met uitzondering van de leden van de inspectie;

2° de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid;

3° de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;

4° de privaatrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen;

5° de secretariaten van de strategische adviesraden;

6° de Vlaamse openbare instellingen De Watergroep, de Vlaamse Radio- en Televisieomroep, het Vlaams Fonds voor de Letteren en de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek;

7° het Ondersteunend Centrum van het Agentschap voor Natuur en Bos, het Eigen Vermogen van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek, het Eigen Vermogen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, het Eigen Vermogen Flanders Hydraulics;

8° de instanties die niet vallen onder punt 1° tot en met 7° maar die voldoen aan alle volgende kenmerken:

a) ze maken deel uit van de Vlaamse deelstaatoverheid of zijn in handen van de Vlaamse deelstaatoverheid en vallen onder het exclusief toezicht van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest, in overeenstemming met het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen, vermeld in verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie;

b) ze bezitten rechtspersoonlijkheid;

c) het Vlaamse Gewest, de Vlaamse Gemeenschap, de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de extern verzelfstandigde agentschappen of hun rechtstreekse of onrechtstreekse dochterondernemingen hebben minimaal de helft van de stemmen in de algemene vergadering;

9° de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.

 

De universitaire instellingen, met inbegrip van hun patrimonium, en de hogescholen vallen niet onder het toepassingsgebied.


Art. III.23. De Vlaamse Regering bepaalt de rechtspositieregeling van het personeel van de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid, de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen en de secretariaten van de strategische adviesraden. De regelingen die de Vlaamse Regering uitwerkt, voorzien in een globale interne arbeidsmarkt.

Art. III.24.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, 3° tot en met 9°, stellen een deontologische code op voor hun personeelsleden.

 

De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, 3° tot en met 6°, stellen een regeling op voor de bescherming van klokkenluiders.

 

Onder klokkenluiders als vermeld in het tweede lid, wordt verstaan: de personeelsleden die bij de uitoefening van hun ambt nalatigheden, misbruiken of misdrijven binnen de instantie waar ze werken, hebben vastgesteld en gemeld.


Art. III.25.

De jaarlijkse bezoldiging van de personeelsleden van de overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, mag niet meer bedragen dan de jaarlijkse bezoldiging van de minister-president van de Vlaamse Regering.

 

De Vlaamse Regering kan, op advies van het Remuneratiecomité van de Vlaamse overheid, toestaan dat afgeweken wordt van de maximumbezoldiging, vermeld in het eerste lid.


Art. III.26.

Het is verboden om de jaarlijkse bezoldiging, sociale voordelen, voordelen van alle aard, onkostenvergoedingen en eventuele andere bezoldigingselementen geheel of gedeeltelijk toe te kennen in aandelen of aandelenopties.

 

Het is verboden de bezoldiging van personeelsleden, vermeld in het eerste lid, te betalen aan een managementvennootschap.


Art. III.27.

Als de arbeidsovereenkomst een vertrekpremie vaststelt, kan die premie hoogstens het bedrag van één vast jaarsalaris bedragen.

 

In afwijking van het eerste lid, wordt een hogere premie toegekend als de wettelijke bepalingen over het arbeidsrecht daartoe aanleiding geven.

 

De vertrekpremie omvat de opzegvergoeding, de eventuele vergoeding wegens concurrentiebeding, voordelen in natura of stortingen in een pensioenfonds die betrokkene ontvangt na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

 

Bij vrijwillig vertrek heeft het personeelslid geen recht op een vertrekpremie.


Art. III.28.

De pensioenregeling mag niet voordeliger zijn dan die van een minister van de Vlaamse Regering.

 

Het verbod, vermeld in het eerste lid, betreft zowel het te ontvangen bedrag, de persoonlijke bijdrage als de instapvoorwaarden in de aanvullende pensioenregeling.


Art. III.29. Het bevoegde orgaan van de overheidsinstantie, vermeld in artikel III.22, eerste lid, bepaalt het bedrag van de variabele verloning en houdt daarbij rekening met het langetermijnperspectief en de realisatie van financiële en niet-financiële doelstellingen.

Art. III.30. Het bedrag van de variabele verloning is beperkt tot 20 procent van het jaarsalaris, inclusief mandaattoelage.

Art. III.31.

Het bedrag van de jaarlijkse bezoldiging, opgesplitst in vast en variabel gedeelte, en de eventuele vertrekpremies worden openbaar gemaakt door publicatie in het jaarverslag van de betrokken overheidsinstantie.

 

Voor de entiteiten die onder het toepassingsgebied van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006 vallen, of waar de bezoldiging in een ander besluit van de Vlaamse Regering is vastgesteld, is de openbaarmaking, zoals bepaald in het eerste lid, beperkt tot de bezoldiging van de leidend ambtenaar en de algemeen directeur(s).

 

Voor de andere entiteiten is de openbaarmaking, zoals bepaald in het eerste lid, van toepassing op de bezoldiging van de leidend ambtenaar en de andere leden van het management- of directiecomité.

 

Het jaarverslag, vermeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt op de website van de betrokken overheidsinstantie of op de centrale website van de Vlaamse overheid.


Art. III.32. De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, 1° tot en met 6°, bezorgen de toekenningsmodaliteiten van de bedragen, vermeld in artikel III.31, jaarlijks aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling in de Vlaamse administratie, die ze op zijn beurt bezorgt aan de Vlaamse Regering.

Art. III.33.

De overheidsinstanties, vermeld in artikel III.22, eerste lid, winnen voor strategische beloningskwesties het advies in van hetzij het Remuneratiecomité van de Vlaamse overheid hetzij van hun eigen remuneratiecomité.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.


Art. III.34.

De remuneratiecomités bezorgen hun adviezen ter informatie aan de minister-president en de viceministers-presidenten van de Vlaamse Regering.

 

Het eerste lid is niet van toepassing op de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt.


Art. III.35. De beperkingen aan de geldelijke arbeidsvoorwaarden die in deze afdeling opgenomen zijn, gelden niet voor de personeelsleden die in dienst genomen zijn vóór 19 januari 2014 of in voorkomend geval vóór de datum waarop deze beperkingen van toepassing zijn op de overheidsinstantie die hen in dienst heeft genomen, ook niet als hun mandaat verlengd wordt na die datum.