Art. III.51.

Met behoud van de toepassing van andere onverenigbaarheden, bepaald bij of krachtens een wet, een decreet, een besluit of de statuten is de opdracht van de regeringscommissaris onverenigbaar met het mandaat of ambt van:

1° lid van de Commissie van de Europese Unie;

2° lid van het Europees Parlement, de Kamer van Volksvertegenwoordigers, de Senaat, het Vlaams Parlement en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement;

3° minister of staatssecretaris;

4° provinciegouverneur of lid van de deputatie van de provincieraad;

5° burgemeester, schepen of lid van het districtscollege;

6° bestuurder of personeelslid van de betrokken overheidsinstantie.

 

Als de regeringscommissaris in de loop van zijn mandaat aanvaardt om een ambt of mandaat als vermeld in het eerste lid, uit te oefenen, wordt zijn mandaat van rechtswege beëindigd. Hij wordt vervangen door een regeringscommissaris die aangesteld wordt conform artikel III.49, § 1.