DEFINITIES ALGEMEEN

- decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;

[...]

[...]

[...]

[...]

- "verontreinigingsfactoren": vaste stoffen, vloeistoffen, gassen, micro-organismen, energievormen zoals warmte, stralingen, licht, geluid en andere trillingen;

[...]

[...]

[...]

[...]

- "immissie": de wijziging van de aanwezigheid van verontreinigingsfactoren in atmosfeer, bodem of water rond één of meer bronnen van verontreiniging ten gevolge van emissie uit deze bron of bronnen;

[...]

[...]

- "waterwingebied" en "beschermingszone type I, II en III": het als dusdanig in toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer afgebakende gebied, respectievelijk zone;

[...]

[...]

- "code van goede praktijk": geschreven en publiek toegankelijke regels met betrekking tot de bouw, het transport, het plaatsen, het uitbaten, het onderhouden en het eventueel ontmantelen van een inrichting of een onderdeel ervan, met inbegrip van de toepasselijke productnormen en de bij de betrokken beroepscategorieën algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap.

Worden in elk geval beschouwd als code van goede praktijk

  1. de toepasselijke bepalingen in de Belgische wetten, decreten en besluiten,
  2. de Belgische normen,
  3. de normen uitgegeven door het Comité Européen de Normalisation (C.E.N.),
  4. de normen uitgegeven door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO),
  5. de normen uitgegeven door de International Organisation for Standardisation (I.S.O.),
  6. de regels uitgegeven door de erkende controle-instellingen of de milieudeskundigen, erkend in de toepasselijke disciplines,
  7. de regels uitgegeven door de constructeurs of verdelers van installaties of onderdelen ervan;

in geval van onderlinge tegenstrijdigheden is bovenvermelde volgorde bepalend;

- "Milieu-technische eenheid": verschillende ingedeelde inrichtingen, met inbegrip van hun exploitatieterrein en de overige onroerende goederen waarmee zij verbonden zijn, die als een geheel moeten worden beschouwd met het oog op het beoordelen van het nadeel dat zij kunnen berokkenen aan mens of milieu.

Een gegeven dat kan wijzen op de aanwezigheid van een milieutechnische eenheid is de onderlinge geografische, materiële of operationele samenhang van inrichtingen, die gepaard gaat met een relatieve afscheiding van het geheel van deze inrichtingen ten opzichte van andere inrichtingen.

Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieutechnische eenheid kunnen vormen.

[...]

- "bestaande ingedeelde inrichting": tenzij anders in de bepalingen (met inbegrip van de andere definities) van dit besluit vermeld, de ingedeelde inrichtingen of onderdelen van ingedeelde inrichtingen:
 

- waarvoor de exploitatie op 1 januari 1993 was vergund, of waarvoor vóór 1 september 1991 een vergunningsaanvraag is ingediend;
- of, die op 1 januari 1993 in bedrijf zijn gesteld, vóór 1 september 1991 niet vergunningsplichtig waren, en waarvoor voor 1 maart 1993 een vergunningsaanvraag is ingediend;
- of, wanneer het in de derde klasse ingedeelde inrichtingen betreft, die op 1 januari 1993 in bedrijf zijn gesteld en waarvoor de melding gebeurde voor 1 maart 1993;
- of, die op 1 januari 1993 niet ingedeeld waren, en het tengevolge een wijziging van of aanvulling op de indelingslijst nadien wel werden of worden, en die op dat ogenblik reeds in uitbating of gebruik waren of zijn.

- "nieuwe ingedeelde inrichting":

§ 1. ingedeelde inrichtingen die niet beantwoorden aan de criteria terzake "bestaande inrichtingen",

§ 2. worden eveneens als nieuwe inrichtingen beschouwd, en dit voor wat de subrubriek 3.4. en 3.6.3. van de indelingslijst betreft, de hierna aangegeven ingedeelde inrichtingen die niet in werking waren op de erbij vermelde data, of waarvan de verwerkingscapaciteit sinds die data voor de desbetreffende stoffen met meer dan 100 % is vergroot:

-

op 27 maart 1982, voor lozingen van kwik, zoals bedoeld in Richtlijn 82/176/EEG;

- op 24 oktober 1983, voor lozingen van cadmium, zoals bedoeld in Richtlijn 83/513/EEG;
- op 17 maart 1984, voor lozingen van kwik, zoals bedoeld in Richtlijn 84/156/EEG;
- op 17 oktober 1984, voor lozingen van hexachloorcyclohexaan (HCH), zoals bedoeld in Richtlijn 84/491/EEG;
- op 4 juli 1987, voor lozingen van tetrachloorkoolstof, zoals bedoeld in Richtlijn 86/280/EEG;
- op 4 juli 1987, voor lozingen van DDT, zoals bedoeld in Richtlijn 86/280/EEG;
- op 4 juli 1987, voor lozingen van 2,3,4,5,6-pentachloorfenol-l-hydroxy-benzeen en haar zouten (PCP), zoals bedoeld in Richtlijn 86/280/EEG;
- op 25 juni 1989, voor lozingen van aldrin, dieldrin, endrin en isodrin, zoals bedoeld in Richtlijn 88/347/EEG;
- op 25 juni 1989, voor lozingen van hexachloorbenzeen (HCB), zoals bedoeld in Richtlijn 88/347/EEG;
- op 25 juni 1989, voor lozingen van hexachloorbutadieen (HCBD), zoals bedoeld in Richtlijn 88/347/EEG;
- op 25 juni 1989, voor lozingen van chloroform, zoals bedoeld in Richtlijn 88/347/EEG;


[...]

- "aanzienlijke verandering": de vergroting met meer dan 100 % van de capaciteit, de drijfkracht of de perceelsoppervlakte, ten aanzien van de vóór 1 januari 1993 vergunde situatie.

- "constructie-eisen": technische voorschriften met betrekking tot de wijze waarop een inrichting of onderdeel ervan moet worden gebouwd, geplaatst of uitgerust, andere dan inplantingsregels

- "inplantingsregels": inplantingsregels omvatten verbodsbepalingen en afstandsbepalingen. Verbodsbepalingen betreffen de onverenigbaarheid tussen, enerzijds, bepaalde inrichtingen of onderdelen ervan en, anderzijds, bepaalde activiteiten, zones of gebieden. Afstandsbepalingen betreffen de na te leven minimumafstanden van inrichtingen of onderdelen ervan ten opzichte van bepaalde activiteiten, zones of gebieden.

- "dioxinen en furanen": alle meervoudig gechloreerde dibenzo-p-dioxinen en dibenzofuranen die in de hierna volgende tabel worden opgesomd; bij de bepaling van de totale concentratie (TE) van dioxinen en furanen worden de massaconcentraties van de volgende dioxinen en dibenzofuranen vóór het optellen met de volgende equivalentiefactoren vermenigvuldigd :

 

Dioxinen en furanen Toxiciteitsequivalentie-factor
2, 3, 7, 8-Tetrachloordibenzodioxine (TCCD) 1
1, 2, 3, 7, 8-Pentachloordibenzodioxine (PeCDD) 0,5
1, 2, 3, 4, 7, 8-Hexachloordibenzodioxine (HxCDD) 0,1
1, 2, 3, 7, 8, 9-Hexachloordibenzodioxine (HxCDD) 0,1
1, 2, 3, 6, 7, 8-Hexachloordibenzodioxine (HxCDD) 0,1
1, 2, 3, 4, 6, 7, 8-Heptachloordibenzodioxine (HpCDD) 0,01
Octachloordibenzodioxine (OCDD) 0,001
2, 3, 7, 8-Tetrachloordibenzofuraan (TCDF) 0,1
2, 3, 4, 7, 8-Pentachloordibenzofuraan (PeCDF) 0,5
1, 2, 3, 7, 8-Pentachloordibenzofuraan (PeCDF) 0,05
1, 2, 3, 4, 7, 8-Hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1
1, 2, 3, 7, 8, 9-Hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1
1, 2, 3, 6, 7, 8-Hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1
2, 3, 4, 6, 7, 8-Hexachloordibenzofuraan (HxCDF) 0,1
1, 2, 3, 4, 6, 7, 8-Heptachloordibenzofuraan (HpCDF) 0,01
1, 2, 3, 4, 7, 8, 9-Heptachloordibenzofuraan (HpCDF) 0,01
Octachloordibenzofuraan (OCDF) 0,001

- "de afdeling, bevoegd voor geluidshinder" : de subentiteit van het departement, bevoegd voor geluidshinder;

- "de afdeling, bevoegd voor het internationaal milieubeleid" : de subentiteit van het departement, bevoegd voor het internationaal beleid;

- de Vlaamse minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu;

- de afdeling, bevoegd voor erkenningen: de afdeling milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning: de afdeling binnen het Departement LNE van de Vlaamse overheid die bevoegd is voor de omgevingsvergunning;

- gebied: tenzij het anders is gepreciseerd in de indelingslijst of de desbetreffende hoofdstukken, afdelingen of subafdelingen, een van de volgende gebieden of categorieën van gebiedsaanduidingen:

a) een gebied, bepaald in de gewestplannen, met bestemmingsvoorschriften als vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, en de ermee vergelijkbare gebieden;  
b) een gebied, bepaald in de algemene of bijzondere plannen van aanleg;  
c) als er een categorie van gebiedsaanduiding voor een gebied is aangegeven in de gewestelijke, provinciale of gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, definitief vastgesteld in uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een van de volgende categorieën van gebiedsaanduiding:  
1)  wonen; 
2)  bedrijvigheid; 
3)  recreatie; 
4)  landbouw; 
5)  bos;
6)  reservaat en natuur; 
7)  overig groen; 
8)  lijninfrastructuur; 
9)  gemeenschapsvoorzieningen en nutsvoorzieningen; 
10) ontginning en waterwinning; 
d) een gebied in behoorlijk vergunde, niet-vervallen verkavelingsvergunningen;  
e) als er geen categorie van gebiedsaanduiding is aangegeven door de stedenbouwkundige voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, definitief vastgesteld in uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, een gebied, bepaald in het gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, met een met de bestemmingsvoorschriften, vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, vergelijkbare hoofdbestemming.  

 

Voor de toepassing van dit besluit worden de categorieën van gebiedsaanduiding, vermeld in punt sub b), c) en d), gelijkgesteld met de overeenkomstige gebieden, vermeld in punt a);

- bijzonder beschermd gebied: een gebied dat behoort tot een of meer van de volgende gebieden:

a) de speciale beschermingszones, de definitief vastgestelde gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone, en de waterrijke gebieden van internationale betekenis overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
b) een beschermd duingebied of voor het duingebied belangrijk landbouwgebied ter uitvoering van het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
c) groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
d) bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, overstromingsgebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
e) een definitief beschermd cultuurhistorisch landschap, stads- of dorpsgezicht, monument of archeologische zone;
f) de waterwingebieden en de bijbehorende beschermingszones type I en II, vastgesteld ter uitvoering van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer;
g) het Vlaams Ecologisch Netwerk overeenkomstig het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
h) een volgens een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan vastgesteld erfgoedlandschap;

- emissiegrenswaarde: de massa, gerelateerd aan bepaalde specifieke parameters, de concentratie en/of het niveau van een emissie die gedurende een of meer vastgestelde perioden niet mogen worden overschreden. De emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen worden vastgesteld, namelijk voor de stoffen, vermeld in bijlage 1.1.2. bij dit besluit. De emissiegrenswaarden voor de emissies van stoffen gelden op het punt waar de emissies de installatie verlaten en worden bepaald zonder rekening te houden met een eventuele verdunning. Voor indirecte lozingen van verontreinigende stoffen in water mag bij de bepaling van de emissiegrenswaarden van de betrokken installatie rekening worden gehouden met het effect van een waterzuiveringsinstallatie, op voorwaarde dat een equivalent niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt gewaarborgd en dat dit niet leidt tot een hogere belasting van het milieu;

- milieukwaliteitsnorm: alle eisen waaraan op een gegeven ogenblik in een bepaald milieucompartiment of een bepaald gedeelte daarvan moet worden voldaan conform deel 2 van dit besluit;

- stof: een chemisch element en de verbindingen daarvan, met uitzondering van radioactieve stoffen en genetisch gemodificeerde organismen en micro-organismen;

- toezichthouder: de persoon die krachtens titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid als toezichthouder is aangesteld;

- voertuig: een gemotoriseerd transportmiddel, met uitzondering van vaartuigen.