Hoofdstuk 3.12.
Grote stookinstallaties


Afdeling 3.12.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.12.1.1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
nieuwe eenheid: een verbrandingseenheid binnen de stookinstallatie waarvoor de eerste vergunning wordt afgegeven na 17 augustus 2017 of een volledige vervanging van een verbrandingseenheid op de bestaande funderingen van de stookinstallatie na 17 augustus 2017;
bestaande eenheid: een verbrandingseenheid die geen nieuwe eenheid is;
nieuwe installatie: een stookinstallatie die voor het eerst is vergund op het terrein van de installatie na 17 augustus 2017, of een volledige vervanging van een stookinstallatie op bestaande funderingen na 17 augustus 2017;
bestaande installatie: een stookinstallatie die geen nieuwe installatie is;
5į netto mechanische energie-efficiŽntie: de verhouding tussen het mechanisch vermogen op het belaste koppelpunt en het door de brandstof geleverde thermisch vermogen;
netto totale brandstofbenutting: de verhouding tussen de netto geproduceerde energie, bestaande uit elektriciteit, warm water, stoom, opgewekte mechanische energie en syngas, uitgedrukt als de onderste verbrandingswaarde van het syngas, minus toegevoerde elektrische en thermische energie en de input van energie uit brandstof of grondstof, uitgedrukt als de onderste verbrandingswaarde van de brandstof of grondstof, op de grens van de verbrandings- of vergassingseenheid gedurende een bepaalde periode;
procesbrandstoffen uit de chemische industrie: de gasvormige en vloeibare bijproducten van de (petro)chemische industrie die als niet-commerciŽle brandstoffen worden gebruikt in stookinstallaties;
procesovens of -verhitters: de stookinstallaties waarvan de rookgassen worden gebruikt voor de thermische behandeling van voorwerpen of grondstoffen via een mechanisme voor verwarming via direct contact of stookinstallaties waarvan de stralings- en geleidingswarmte door een volle muur heen wordt overgebracht op voorwerpen of grondstoffen zonder dat die overdracht via een warmteoverdrachtsvloeistof verloopt. Als gevolg van de toepassing van goede praktijken voor energieterugwinning kunnen procesovens of -verhitters zijn uitgerust met een
bijbehorend systeem voor stoom- en elektriciteitsproductie. Dat wordt geacht een integraal aspect van het ontwerp van de procesoven of -verhitter te vormen dat niet afzonderlijk kan worden beschouwd;
residuen: de stoffen of voorwerpen die als afvalstoffen of bijproducten worden gegenereerd door de activiteiten die binnen het toepassingsgebied van dit hoofdstuk vallen;
10į verbrandingseenheid: een afzonderlijke verbrandingseenheid;
11į C3: de koolwaterstoffen met een koolstofgetal gelijk aan drie;
12į C4+: de koolwaterstoffen met een koolstofgetal gelijk aan of hoger dan vier;
13į gemakkelijk vrijkomend sulfide: de som van opgelost sulfide en van die onopgeloste sulfiden die gemakkelijk kunnen vrijkomen na aanzuring, uitgedrukt als S-2;
14į Ho: de onderste verbrandingswaarde;
15į KV-STEG: de gecombineerde stoom- en gascyclus met geÔntegreerde kolenvergassing;
16į BBT-conclusies voor grote stookinstallaties: het uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1442 van de Commissie van 31 juli 2017 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor grote stookinstallaties


Art. 3.12.1.2.

ß1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen en activiteiten, vermeld in de volgende rubrieken van de indelingslijst, opgenomen in bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen:

rubriek 2.4.2, uitsluitend als die inrichting ook ingedeeld is in rubriek 43.3, 2į, van de voormelde indelingslijst;
rubriek 20.1.3, uitsluitend als de activiteit rechtstreeks verband houdt met een stookinstallatie;
rubriek 43.3, 2į, van de voormelde indelingslijst.


Bestaande installaties als vermeld in artikel 3.12.1.1, 4į, voldoen uiterlijk op 17 augustus 2021 aan dit hoofdstuk.


De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in de volgende punten van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd:

punt 1.1, uitsluitend als die activiteit plaatsvindt in stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer;
punt 1.4, uitsluitend als die activiteit rechtstreeks verband houdt met een stookinstallatie;
punt 5.2, uitsluitend als die activiteit plaatsvindt in stookinstallaties die onder punt 1.1 vallen.


ß2.

Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk betreft ook de upstream- en downstreamactiviteiten die rechtstreeks verband houden met de activiteiten, vermeld in paragraaf 1, met inbegrip van de toegepaste technieken voor emissiepreventie en -beperking.


ß3.

Bij de brandstoffen, vermeld in dit hoofdstuk, gaat het om alle vaste, vloeibare en gasvormige brandbare materialen, met inbegrip van afvalstoffen, met uitzondering van gemengd stedelijk afval als vermeld in artikel 3, 11į, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, radioactief afval en karkassen van dieren als vermeld in Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten.


ß4.

Dit hoofdstuk heeft geen betrekking op:

de verbranding van brandstoffen in eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15 MW;
de stookinstallaties waarvoor een afwijking wegens beperkte levensduur conform artikel 5.43.3.15 van titel II van het VLAREM is verleend, tot het moment waarop de afwijkingen in de vergunningen in kwestie aflopen, en als het de emissiegrenswaarden betreft voor de verontreinigende stoffen die onder de afwijking vallen, alsook voor andere verontreinigende stoffen waarvan de uitstoot zou zijn verminderd dankzij de technische maatregelen die door de afwijking niet hoefden te worden toegepast;
de vergassing van brandstoffen, als die niet rechtstreeks verband houdt met de verbranding van het resulterende syngas;
de vergassing van brandstoffen met daaropvolgende verbranding van syngas, als die rechtstreeks verband houdt met het raffineren van aardolie en gas;
de upstream- en downstreamactiviteiten die niet rechtstreeks verband houden met verbrandings of vergassingsactiviteiten;
de verbranding in procesovens of -verhitters;
de verbranding in naverbrandingsinstallaties;
het affakkelen;
de verbranding in terugwinningsketels en totaal gereduceerde zwavel-branders in installaties voor de productie van pulp en papier;
10į de verbranding van raffinagebrandstoffen, als vermeld in artikel 3.7.1.1 9į, op de raffinaderij;
11į de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandingsinstallaties, in afvalmeeverbrandingsinstallaties waar meer dan 40% van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaarlijk afval en in afvalmeeverbrandingsinstallaties waarin uitsluitend afvalstoffen worden verbrand, behalve als die afvalstoffen ten minste gedeeltelijk bestaan uit biomassa.


ß5.

In afwijking van paragraaf 4, 1į, zijn de bepalingen in dit hoofdstuk, als die betrekking hebben op emissiegrenswaarden, wel van toepassing op de verbranding van brandstoffen in eenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 15 MW als de emissiemetingen uitgevoerd worden op het gemeenschappelijk afgaskanaal, tenzij dat gebeurt als alleen installaties van minder dan 15 MW in werking zijn.


Art. 3.12.1.3.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de samentellingsregels voor stookinstallaties, vermeld in artikel 5.43.3.1 van titel II van het VLAREM.


Afdeling 3.12.2.
Algemene bepalingen


Subafdeling 3.12.2.1.
Algemene overwegingen


Art. 3.12.2.1.1.

Als emissiegrenswaarden worden gegeven voor verschillende middelingstijden, wordt aan al die emissiegrenswaarden voldaan.


Art. 3.12.2.1.2.

De emissiegrenswaarden naar lucht, vermeld in dit hoofdstuk, zijn niet van toepassing op met vloeibare brandstof of gas gestookte turbines en motoren voor gebruik in noodgevallen die <500 uur per jaar in bedrijf zijn, als een dergelijk gebruik in noodgevallen niet verenigbaar is met naleving van de emissiegrenswaarden. In dat geval gelden de voor de installatie relevante technieken, vermeld in BBT 32, BBT 34, BBT 35, BBT 37, BBT 39, BBT 42 en BBT 43.


Art. 3.12.2.1.3.

Als emissiegrenswaarden of monitoringfrequenties worden gegeven voor installaties die een beperkt aantal bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, registreert de exploitant van de installaties de uren waarin ze in bedrijf zijn.


Art. 3.12.2.1.4.

De emissiegrenswaarden naar lucht, vermeld in dit hoofdstuk, zijn gedefinieerd bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van:

6% voor verbranding van vaste brandstoffen, verbranding van vaste brandstoffen in combinatie met vloeibare of gasvormige brandstoffen en afvalmeeverbranding;
3% voor verbranding van vloeibare of gasvormige brandstoffen, als die niet plaatsvindt in een gasturbine of een motor;
15% voor verbranding van vloeibare of gasvormige brandstoffen, als die plaatsvindt in een gasturbine of een motor en verbranding in KV-STEG-installaties.

Art. 3.12.2.1.5.

De brandstofspecifieke bepalingen, vermeld in afdeling 3.12.3 tot en met 3.12.8, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen, vermeld in deze afdeling.


Art. 3.12.2.1.6.

Voor gemengde stookinstallaties die gelijktijdig met twee of meer brandstoffen worden gevoed, worden de emissiegrenswaarden op de volgende wijze vastgesteld:

door de relevante emissiegrenswaarde voor elke brandstof en elke verontreinigende stof die in de lucht geloosd is, te nemen in overeenkomst met het totale nominaal thermisch ingangsvermogen van de installatie, vermeld in afdeling 3.12.3 tot en met 3.12.8;
als voor de brandstof in kwestie geen emissiegrenswaarde kan worden vastgesteld conform punt 1į, wordt voor de polluent in kwestie een van de volgende waarden genomen:
a) de relevante algemene emissiegrenswaarde, vermeld in bijlage 4.4.2 van titel II van het VLAREM;
b) de relevante sectoreale emissiegrenswaarde, vermeld in afdeling 5.43.3 van het voormelde besluit;
c) de relevante emissiegrenswaarde, vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;
door de gewogen emissiegrenswaarden per brandstof te bepalen. Die waarden worden verkregen door de emissiegrenswaarden, vermeld in punt 1į en 2į, te vermenigvuldigen met de hoeveelheid warmte die elke brandstof levert, en dat product te delen door de warmte, geleverd door alle brandstoffen samen;
door de per brandstof gewogen emissiegrenswaarden bij elkaar op te tellen.

Voor een installatie die beurtelings met twee of meer brandstoffen wordt gevoed, zijn de relevante emissiegrenswaarden, vermeld in afdeling 3.12.3 tot en met 3.12.8, van toepassing voor elke gebruikte brandstof.


Art. 3.12.2.1.7.

Met toepassing van de bepalingen over de toepasbaarheid, vermeld in BBT 1, BBT 14, BBT 15, BBT 19, tabel 8, tabel 13, BBT 31, BBT 40 en tabel 33, van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, kan er worden afgeweken van artikel 3.12.2.2.1, 3.12.2.6.2, 3.12.2.6.3, tweede lid, 3.12.3.1.2, 3.12.3.2.1, 3.12.4.1.1, 3.12.4.2.3, 3.12.5.1.1 en 3.12.6.1.2 van dit besluit.


Art. 3.12.2.1.8.

Met toepassing van de bepalingen over cokesovengas, vermeld in BBT 49 en BBT 50 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, kan er worden afgeweken van artikel 3.12.5.2.4 en 3.12.5.2.5 van dit besluit.


Art. 3.12.2.1.9.

Tenzij het anders is vermeld, worden de middelingstijden voor de emissies naar lucht op de volgende wijze bepaald:

daggemiddelde: het gemiddelde over een periode van 24 uur van geldige uurgemiddelden die verkregen zijn uit continue metingen;
jaargemiddelde: het voortschrijdend gemiddelde over een periode van ťťn jaar van geldige uurgemiddelden die verkregen zijn uit continue metingen;
gemiddelde over de bemonsteringsperiode: de gemiddelde waarde van drie opeenvolgende metingen van ten minste dertig minuten elk. Voor parameters waarvoor metingen van dertig minuten door beperkingen op het vlak van bemonstering of analyse niet geschikt zijn, wordt een geschikte bemonsteringsperiode gebruikt. Voor dioxinen en furanen wordt een bemonsteringsperiode van zes tot acht uur gebruikt;
gemiddelde van de gedurende ťťn jaar verkregen monsters: het gemiddelde van de waarden van de periodieke metingen die gedurende ťťn jaar zijn verkregen, die uitgevoerd worden met de monitoringfrequentie die voor elke parameter is vastgesteld.

Art. 3.12.2.1.10.

Op het niveau van de emissiegrenswaarde mogen de waarden van de 95%-betrouwbaarheidsintervallen van een individuele meting de percentages van de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.43.3.36 van titel II van het VLAREM, niet overschrijden.


Art. 3.12.2.1.11.

Een met de beste beschikbare technieken geassocieerd energie-efficiŽntieniveau heeft betrekking op de verhouding tussen de netto energieopbrengst(en) van de verbrandingseenheid en de energietoevoer uit brandstoffen of grondstoffen naar de verbrandingseenheid, bij de daadwerkelijke bouwwijze van die eenheid. De netto energieopbrengst(en) wordt of worden bepaald op de grenzen van de verbrandings-, vergassings- of KV-STEG, met inbegrip van de hulpsystemen, en wel voor het bij volle belasting in bedrijf zijn van die eenheid.


In geval van warmte-krachtkoppelingsinstallaties heeft het met de beste beschikbare technieken geassocieerd energie-efficiŽntieniveau netto totale brandstofbenutting betrekking op de verbrandingseenheid die bij volle belasting draait en die zo is afgesteld dat in eerste instantie de warmtevoorziening wordt gemaximaliseerd en in tweede instantie het resterende vermogen kan worden opgewekt, en heeft het met de beste beschikbare technieken geassocieerd energie-eficiŽntieniveau netto elektrische efficiŽntie betrekking op de verbrandingseenheid die alleen elektriciteit
produceert bij volle belasting.


Met de beste beschikbare technieken geassocieerde energie-efficiŽntieniveaus worden als percentage uitgedrukt. De energietoevoer uit brandstoffen en grondstoffen wordt uitgedrukt als Ho.


Art. 3.12.2.1.12.

Als emissiegrenswaarden, energie-efficiŽntieniveaus of monitoringfrequenties worden gegeven voor installaties die minder dan 1500 bedrijfsuren per kalenderjaar in bedrijf zijn, mag, als een deel van een stookinstallatie rookgassen afvoert via een of meer afzonderlijke kanalen binnen een gemeenschappelijke schoorsteen en minder dan 1500 uur per jaar in bedrijf is, dat deel van de installatie voor de toepassing van die bepalingen afzonderlijk worden beschouwd. Voor alle delen van de installatie gelden de emissiegrenswaarden en de overige bepalingen over het totaal nominale thermisch ingangsvermogen van de installatie, vermeld in dit hoofdstuk. In dergelijke gevallen worden de emissies door elk van die kanalen afzonderlijk gemonitord.


Subafdeling 3.12.2.2.
Milieubeheersysteem


Art. 3.12.2.2.1.

Om de totale milieuprestatie te verbeteren, wordt een milieubeheersysteem ingevoerd en nageleefd dat al de volgende elementen omvat:

betrokkenheid van het management, met inbegrip van het hoger management;
uitwerking van een milieubeleid voor de continue verbetering van de installatie door het management;
planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met de financiŽle planning en investeringen;
uitvoeren van procedures met bijzondere aandacht voor:
a) bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;
b) aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;
c) communicatie;
d) betrokkenheid van de werknemers;
e) documentatie;
f) efficiŽnte procescontrole;
g) planmatige periodieke onderhoudsprogramma’s;
h) paraatheid bij noodsituaties en rampenplannen;
i) waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;
controle van de uitvoering en nemen van corrigerende maatregelen, met bijzondere aandacht voor:
a) monitoring en meting;
b) corrigerende en preventieve maatregelen;
c) bijhouden van gegevens;
d) waar mogelijk onafhankelijke interne en externe audit om te bepalen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en naar behoren wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
evaluatie van het milieubeheersysteem en de continue controle door het hoger management om te verzekeren dat het systeem nog altijd geschikt, adequaat en doeltreffend is;
volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieŽn;
bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie rekening houden met de milieueffecten tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling ervan;
op regelmatige basis een sectorale benchmarking uitvoeren.


Specifiek voor grote stookinstallaties is het ook van belang rekening te houden met de volgende aspecten van het milieubeheersysteem, die in voorkomend geval in het desbetreffende artikel worden beschreven:

kwaliteitsborgings- en kwaliteitscontroleprogramma’s als vermeld in artikel 3.12.2.4.4, om te waarborgen dat de kenmerken van alle brandstoffen volledig worden bepaald en gecontroleerd;
een beheersplan ter beperking van emissies naar lucht en water tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden als vermeld in artikel 3.12.2.4.5;
een afvalbeheersplan, om te waarborgen dat afval wordt vermeden, behandeld met het oog op hergebruik, gerecycleerd of anderszins nuttig wordt toegepast, met inbegrip van het gebruik van de technieken, vermeld in
artikel 3.12.2.7.1;
een systematische methode om volgende ongecontroleerde en ongeplande emissies in het milieu op te sporen en aan te pakken:
a) emissies naar bodem en grondwater als gevolg van de verwerking en opslag van brandstoffen, additieven, bijproducten en afvalstoffen;
b) emissies in verband met zelfverhitting en zelfontbranding van brandstof bij de opslag- en verwerkingsactiviteiten;
een stofbeheersplan om diffuse emissies als gevolg van het laden, het lossen, de opslag en de verwerking van brandstoffen, residuen en additieven te voorkomen of, als dat niet haalbaar is, te verminderen;
een geluidsbeheersplan als geluidsoverlast voor gevoelige receptoren wordt verwacht of optreedt, met inbegrip van:
a) een protocol voor de monitoring van geluid op de grens van de installatie;
b) een geluidsreductieprogramma;
c) een protocol voor de reactie op incidenten met geluidsoverlast, dat adequate maatregelen en termijnen omvat;
d) een onderzoek naar historische geluidsincidenten, corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geluidsincidenten onder de betrokken partijen;
voor de verbranding, vergassing of meeverbranding van stinkende stoffen, een geurbeheersplan, met inbegrip van:
a) een protocol voor de monitoring van geur;
b) een protocol voor de registratie van geurincidenten en de bijbehorende adequate maatregelen en termijnen;
c) een onderzoek naar historische geurincidenten, corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geurincidenten onder de betrokken partijen.

Als uit een evaluatie blijkt dat een of meer van de elementen, vermeld in het tweede lid, niet nodig zijn, wordt die conclusie, met inbegrip van de argumentatie, geregistreerd in het verslag van de evaluatie, vermeld in artikel 1.4.5.3.2. van titel II van het VLAREM.


Subafdeling 3.12.2.3.
Monitoring


Art. 3.12.2.3.1.

De netto elektrische efficiŽntie, de netto totale brandstofbenutting en de netto mechanische energie-efficiŽntie van de vergassings-, KV-STEG en verbrandingseenheden wordt bepaald door overeenkomstig EN-normen een prestatieonderzoek bij volle belasting uit te voeren na de inbedrijfstelling van de eenheid en na elke wijziging die van significante invloed zou kunnen zijn op de netto elektrische efficiŽntie, de netto totale brandstofbenutting en de netto mechanische energie-efficiŽntie van de eenheid. Als er geen EN-normen beschikbaar zijn, worden nationale normen, ISO-normen, of andere internationale normen gebruikt die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd.


Art. 3.12.2.3.2.

De belangrijkste procesparameters die relevant zijn voor emissies naar lucht en water worden gemonitord, met inbegrip van de volgende parameters:

stroom parameters monitoring
rookgas debiet periodieke of continue bepaling
zuurstofgehalte, temperatuur en druk periodieke of continue meting
waterdampgehalte
afvalwater van rookgasreiniging debiet, pH en temperatuur continue meting

Continue meting van het waterdampgehalte van het rookgas is niet nodig als het bemonsterde rookgas voorafgaand aan de analyse wordt gedroogd.


Art. 3.12.2.3.3.

De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht conform de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 3.12.2.3.4.

De monitoringfrequenties voor de monitoring van emissies in de lucht gelden niet als de installatie alleen in bedrijf zou worden gesteld met als enige doel een emissiemeting uit te voeren.


Art. 3.12.2.3.5.

Bij gebruik van SCR-technieken wordt de concentratie SO3 in de geloosde afgassen een keer per jaar gemeten.


Art. 3.12.2.3.6.

Emissies naar water uit rookgasreiniging worden gemonitord met de frequentie, vermeld in de volgende tabel. De monitoringfrequentie heeft betrekking op een schepmonster, een debietproportioneel 24 uurmengmonster of een schepmonster en een debietproportioneel 24 uur-mengmonster als vermeld in artikel 4.2.6.1 van titel II van het VLAREM. De monitoring van emissies in water wordt verricht conform de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.2.5.2 bij het voormelde besluit. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.

parameter minimale monitoringfrequentie
CZV1 maandelijks
totale hoeveelheid zwevende deeltjes
opgelost fluoride, uitgedrukt als F-
sulfaat
gemakkelijk vrijkomend sulfide
sulfiet
arseen
cadmium
chroom
koper
nikkel
lood
zink
kwik
chloride
totaal stikstof
1 monitoring van CZV mag vervangen worden door monitoring van TOC

Subafdeling 3.12.2.4.
Algemene milieu- en verbrandingsprestaties


Art. 3.12.2.4.1.

Om de algemene milieuprestaties van stookinstallaties te verbeteren en de emissies naar lucht van CO en onverbrande stoffen te verminderen, wordt gezorgd voor geoptimaliseerde verbranding en wordt een geschikte combinatie gebruikt van de† technieken, vermeld in BBT 6 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.


Art. 3.12.2.4.2.

Om de algemene milieuprestaties van stookinstallaties te verbeteren en de emissies naar lucht van CO en onverbrande stoffen te verminderen, wordt gezorgd voor geoptimaliseerde verbranding en wordt een geschikte combinatie gebruikt van de technieken, vermeld in BBT 6 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.

In afwijking van het eerste lid geldt voor installaties waarin biomassa wordt verbrand en die bij variabele belastingen in bedrijf zijn, alsook voor motoren die op zware stookolie en op gasolie worden gestookt, een emissiegrenswaarde van 15 mg/Nm3 als jaargemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode.


Bij gebruik van SCR of SNCR wordt de concentratie NH3 in de geloosde afgassen continu gemonitord.


In afwijking van het derde lid geldt voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100 MW die <1500 uur per jaar in bedrijf zijn, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, een minimale monitoringfrequentie van een keer per zes maanden. Voor gasturbines wordt de periodieke monitoring uitgevoerd bij een belasting van de stookinstallatie van >70%.


Als SCR wordt toegepast, kan in afwijking van het derde lid een minimale monitoringfrequentie van een keer per jaar worden toegestaan, als wordt aangetoond dat de emissieniveaus voldoende stabiel zijn.


Art. 3.12.2.4.3.

De emissies naar lucht tijdens normale bedrijfsomstandigheden worden voorkomen of verminderd, door passend ontwerp, gebruik en onderhoud te waarborgen opdat de emissiereductiesystemen zo worden gebruikt dat hun capaciteit en beschikbaarheid optimaal worden benut.


Art. 3.12.2.4.4.

Om de algemene milieuprestaties van verbrandings- en vergassingsinstallaties te verbeteren en de emissies naar lucht te verminderen, worden al de volgende elementen opgenomen in de kwaliteitsborgings- of kwaliteitscontroleprogramma’s voor alle gebruikte brandstoffen, als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.12.2.2.1, tweede lid, 1į:

de initiŽle volledige karakterisering van de gebruikte brandstof, die ten minste de onderstaande parameters omvat en in overeenstemming is met de EN-normen. Nationale normen, ISO-normen, of andere internationale normen kunnen worden gebruikt, als die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt;
de latere aanpassing van de instellingen van de installatie als en wanneer dat nodig en uitvoerbaar is;
de regelmatige tests van de brandstofkwaliteit om na te gaan of deze overeenstemt met de initiŽle karakterisering en met de ontwerpspecificaties van de installatie. De frequentie van de tests en de criteria, vermeld in de volgende tabel, zijn gebaseerd op de variabiliteit van de brandstof en op een beoordeling van de relevantie van de uitstoot van verontreinigende stoffen:
brandstof stoffen of parameters op basis waarvan wordt gekarakteriseerd
biomassa of turf H0, vocht
as, C, Cl, F, N, S, K, Na, metalen en metalloÔden (As, Cd, Cr, Cu, Hg, Pb, Zn)
steen- of bruinkool H0, vocht, vluchtige bestanddelen, as, gebonden koolstof, C, H, N, O, S
Br, Cl, F
metalen en metalloÔden (As, Cd, Co, Cr, Cu, Hg, Mn, Ni, Pb, Sb, Tl, V, Zn)
zware stookolie as, C, S, N, Ni, V
gasolie as, N, C, S
aardgas HO, CH4, C2H6, C3, C4+, CO2, N2, Wobbe-index
procesbrandstoffen uit de chemische industrie1 Br, C, Cl, F, H, N, O, S, metalen en metalloÔden (As, Cd, Co, Cr, Cu, Hg, Mn, Ni, Pb, Sb, Tl, V, Zn)
procesgassen ijzer- en staalproductie HO, CH4 (voor cokesovengas), CXHY (voor cokesovengas), CO2, H2, N2, totaal aan zwavel, stof, Wobbe-index
afvalstoffen2 HO, vocht, vluchtige bestanddelen, as, Br, C, Cl, F, H, N, O, S, metalen en metalloÔden (As, Cd, Co, Cr, Cu, Hg, Mn, Ni, Pb, Sb, Tl, V, Zn)
1 De lijst van stoffen en parameters op basis waarvan wordt gekarakteriseerd, kan worden beperkt tot alleen die stoffen en parameters waarvan op basis van informatie over de grondstoffen en productieprocessen wordt verwacht
dat ze in de brandstoffen aanwezig zijn.
2 Deze karakterisering wordt uitgevoerd onverminderd de preacceptatie- en acceptatieprocedure voor afval, vermeld in artikel 3.12.7.2, die kan leiden tot karakterisering op basis van of controle op andere stoffen en parameters dan de stoffen en parameters die hier vermeld zijn.


De initiŽle karakterisering en de regelmatige tests van de brandstof kunnen door de exploitant of de brandstofleverancier worden uitgevoerd. Als de leverancier dat doet, worden de volledige resultaten aan de exploitant verstrekt in de vorm van een productspecificatie, brandstofspecificatie of garantie van de leverancier.


Art. 3.12.2.4.5.

Om de emissies naar lucht en water tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden te verminderen, wordt als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.12.2.2.1, een beheersplan opgesteld en uitgevoerd, dat in verhouding staat tot de relevantie van de mogelijke uitstoot van verontreinigende stoffen en dat al de volgende elementen omvat:

een geschikt ontwerp van de systemen die als relevant worden beschouwd voor het veroorzaken van andere dan normale bedrijfsomstandigheden met mogelijke gevolgen voor de emissies in lucht, water en bodem;
opstelling en uitvoering van een specifiek programma voor preventief onderhoud van de relevante systemen;
onderzoek naar en registratie van emissies die veroorzaakt worden door andere dan normale bedrijfsomstandigheden en daarmee verband houdende omstandigheden en waar nodig uitvoering van corrigerende maatregelen;
periodieke beoordeling van de totale emissies tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden en waar nodig uitvoering van corrigerende maatregelen.

Art. 3.12.2.4.6.

Tijdens bedrijfsomstandigheden die anders zijn dan normale bedrijfsomstandigheden worden de emissies naar lucht en water adequaat gemonitord.


De monitoring kan worden uitgevoerd door rechtstreekse emissiemeting of door monitoring van vervangende parameters als dat blijkt te zorgen voor dezelfde of een betere wetenschappelijke kwaliteit dan directe emissiemeting. De emissies bij het opstarten en stilleggen kunnen worden beoordeeld aan de hand van een gedetailleerde emissiemeting die ten minste een keer per jaar voor een typische opstart- en stillegprocedure wordt uitgevoerd, en door de resultaten van die meting te gebruiken voor het ramen van de emissies voor alle opstart- en stillegprocedures die gedurende het hele jaar plaatsvinden. Als in een jaar geen geplande opstart- en stillegprocedure plaatsvindt, wordt een gedetailleerde emissiemeting uitgevoerd tijdens de eerstvolgende geplande opstart- en stillegprocedure.


Subafdeling 3.12.2.6.
Waterverbruik- en emissies naar het water


Art. 3.12.2.6.1.

Het waterverbruik en de hoeveelheid geloosd verontreinigd afvalwater wordt verminderd, door een van de technieken of de beide technieken, vermeld in BBT 13 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.2.6.2.

De verontreiniging van niet-verontreinigd afvalwater wordt voorkomen en de emissies naar water worden beperkt, door afvalwaterstromen te scheiden en apart te behandelen, afhankelijk van het gehalte aan verontreinigende stoffen.


Art. 3.12.2.6.3.

De emissies naar water uit rookgasreiniging worden verminderd, door een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 15 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken, en door secundaire technieken zo dicht mogelijk bij de bron te gebruiken om verdunning te voorkomen.


De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op lozingen uit rookgasreiniging op oppervlaktewater, afkomstig van grote stookinstallaties:

parameter eenheid emissiegrenswaarde middelingstijd
TOC mg/l 501 2 daggemiddelde
CZV mg/l 1501 2
ZS mg/l 30
opgelost fluoride, uitgedrukt als F- mg/l 252
sulfaat g/l 22 3 4
gemakkelijk vrijkomend sulfide mg/l 0,22
sulfiet mg/l 202
arseen μg/l 50
cadmium μg/l 5
chroom μg/l 50
koper μg/l 50
kwik μg/l 3
nikkel μg/l 50
lood μg/l 20
zink μg/l 200
1 De emissiegrenswaarde voor TOC of de emissiegrenswaarde voor CZV is van toepassing.
2 De emissiegrenswaarde geldt alleen voor afvalwater afkomstig van de toepassing van natte rookgasontzwaveling.
3 De emissiegrenswaarde geldt alleen voor stookinstallaties waarin calciumverbindingen worden gebruikt voor rookgasreiniging.
4 De emissiegrenswaarde geldt niet voor lozingen in zee of brakke waterlichamen.

Subafdeling 3.12.2.7.
Afvalbeheer


Art. 3.12.2.7.1.

De hoeveelheid ter verwijdering verzonden afval afkomstig van verbrandings- en vergassingsprocessen en reductietechnieken worden verminderd, door werkzaamheden zo te organiseren dat, in volgorde van prioriteit en rekening houdend met het levenscyclusperspectief, wordt gezorgd voor maximalisering van de volgende aspecten door een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in BBT 16 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken:

afvalpreventie;
voorbereiding van afvalstoffen voor hergebruik;
recycling van afvalstoffen;
andere nuttige toepassing van afvalstoffen.

Subafdeling 3.12.2.8.
Geluidsemissies


Art. 3.12.2.8.1.

De geluidsemissies worden beperkt, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 17 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Afdeling 3.12.3.
De verbranding van vaste brandstoffen


Subafdeling 3.12.3.1.
De verbranding van steen- of bruinkool


Art. 3.12.3.1.1.

De algemene milieuprestaties van de verbranding van steen- of bruinkool worden verbeterd, zonder afbreuk te doen aan artikel 3.12.2.4.1, door gebruik van een geÔntegreerd verbrandingsproces dat een hoog rendement van de ketel waarborgt en primaire technieken omvat voor NOX-reductie.


Art. 3.12.3.1.2.

De energie-efficiŽntieniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de eenheden die ≥1500 uur per jaar in bedrijf zijn en steen- of bruinkool verbranden. In geval van warmte-krachtkoppelingseenheden, is maar een van beide energie-efficiŽntieniveaus van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de warmtekrachtkoppelingseenheid:

type verbrandingseenheid netto elektrische efficiŽntie, uitgedrukt in %

netto totale brandstofbe-

nutting, uitgedrukt in %

nieuwe eenheid bestaande eenheid
met steenkool gestookt, ≥1 000 MWth 45 33,5 752
met bruinkool gestookt, ≥1 000 MWth 421
met steenkool gestookt, <1 000 MWth 36,5 32,5
met bruinkool gestookt, < 1 000 MWth 31,5
1 In geval van eenheden waarin bruinkool wordt verbrand met een onderste verwarmingswaarde van <6 MJ/kg geldt een netto elektrische efficiŽntie van 41,5%.
2 Dit energie-efficiŽntieniveau is niet van toepassing op installaties die uitsluitend elektriciteit produceren.

Art. 3.12.3.1.3.

De NOx-emissies naar lucht die afkomstig zijn van de verbranding van steen- of bruinkool worden voorkomen of verminderd en tegelijkertijd worden de CO- en N2O-emissies naar lucht die afkomstig zijn van de verbranding van steen- of bruinkool beperkt, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 20 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van NOx naar lucht afkomstig van de verbranding van steen- of bruinkool:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt als MWth
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie nieuwe installatie bestaande installatie
<100 150 270 200 330
≥100-300 100 180 130 210
≥300,
wervelbedverbrandingsketel
waarin steen- of bruinkool
wordt verbrand en
met bruinkool gestookte
poederverbrandingsketel
85 150 125 165
≥300, met kool gestookte
poederverbrandingsketel
55 90 1651
1 Voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld, geldt een emissiegrenswaarde van 200 mg/Nm3 voor installaties die 1500 uur per jaar of meer in bedrijf zijn, en van 220 mg/Nm3 voor installaties die minder dan 1500 uur per jaar in bedrijf zijn.

Art. 3.12.3.1.4.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van SO2 naar lucht afkomstig van de verbranding van steen- of bruinkool:

Totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt als MWth
Emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
Jaargemiddelde Daggemiddelde Daggemiddelde of gemiddelde,
over de bemonsteringsperiode
Nieuwe installatie Bestaande installatie1 Nieuwe installatie Bestaande installatie2
<100 200 360 220 400
≥100-300 150 200 200 2203
≥300, poederverbrandingsketel 75 130 110 1654
≥300, wervelbedketel 75 180 110 220
1 Deze emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing op installaties die minder dan 1500 uur per jaar in bedrijf zijn.
2 Deze emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing op installaties die minder dan 500 uur per jaar in gebruik zijn.
3 Voor bestaande installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde van 250 mg/Nm3.
4 Voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld en die minder dan 1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een emissiegrenswaarde van 220 mg/Nm3. Voor overige bestaande installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde van 205 mg/Nm3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van HCl en HF naar lucht afkomstig van de verbranding van† steen- of bruinkool:

verontreinigende stof totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie, uitgedrukt
als MWth
jaargemiddelde of gemiddelde van de gedurende ťťn
jaar verkregen monsters, uitgedrukt als mg/Nm
nieuwe installatie bestaande installatie
HCl <100 6 101
≥100 3 51 2
HF <100 3 63
≥100 2 33
1 Voor installaties waarin brandstoffen worden verbrand met een gemiddeld chloorgehalte van 1000 mg/kg (droog) of hoger en voor installaties die minder dan 1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een emissiegrenswaarde van 20mg/Nm3. Die emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing voor installaties die minder dan 500 uur per jaar in bedrijf zijn.
2 Voor installaties die met natte rookgasontzwaveling met een nageschakelde gas-gas-warmtewisselaar zijn uitgerust, geldt een emissiegrenswaarde van 7 mg/Nm3.
3 Voor installaties die met natte rookgasontzwaveling met een nageschakelde gas-gas-warmtewisselaar zijn uitgerust en voor installaties die minder dan 1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een emissiegrenswaarde van 7mg/Nm3. Deze emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing voor installaties die minder dan 500 uur per jaar in bedrijf zijn.

Art. 3.12.3.1.5.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van stof naar lucht afkomstig van de verbranding van steen- of bruinkool:

totaal nominaal
thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt
als MWth
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemidelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie nieuwe installatie bestaande installatie bestaande installatie,
uiterlijk op
7 januari 2014 in
bedrijf genomen
<100 5 18 16 22 28
≥100-300 14 15 25
≥300-1000 101 10 11 20
≥1000 8 14
1 Voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld geldt een emissiegrenswaarde van 12 mg/Nm3.

Art. 3.12.3.1.6.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van kwik naar lucht afkomstig van de verbranding van steen- of bruinkool:

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen
van de stookinstallatie, uitgedrukt als MWth
type brandstof jaargemiddelde of gemiddelde
van de gedurende
ťťn jaar verkregen monsters,
uitgedrukt als
mg/Nm3
<300 nieuwe installatie steenkool 3
bruinkool 5
bestaande installatie steenkool 9
bruinkool 10
≥300 nieuwe installatie steenkool 2
bruinkool 4
bestaande installatie steenkool 4
bruinkool 7

Art. 3.12.3.1.7.

In afwijking van artikel 5.43.2.23 tot en met 5.43.2.26 en artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM wordt de concentratie van de parameters in de rookgassen van installaties die steen- of bruinkool verbranden, gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

parameter meetfrequentie
NOx, CO, SO2, stof continu (1)
HCl, HF, kwik een keer per drie maanden (1) (2) (3) (4)
N2O een keer per jaar in ketels met circulerend wervelbed (5)
metalen en matalloÔden met uitzondering van kwik (As, Cd, Co, Cr, Cu, Mn, Ni, Pb, Sb, Se, Tl, V, Zn) een keer per jaar (6)


(1) Voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100MW die minder dan 1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een minimale monitoringfrequentie van een keer per drie maanden voor NOx, CO, SO2 en stof en van een keer per zes maanden voor HCl en HF. Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot minimaal om de zes maanden.
(2) Voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen ≥ 300 MW geldt een continue meetverplichting voor kwik. Continue bemonstering in combinatie met tweewekelijkse analyse van over de tijd geÔntegreerde monsters, kan gebruikt worden als alternatief voor continue metingen. In afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, kunnen periodieke metingen worden uitgevoerd bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies, met een minimum van een keer per zes maanden, als wordt aangetoond dat de emissieniveaus voldoende stabiel zijn.
(3) Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie voor HF, HCl en kwik maximaal dalen tot minimaal een keer per jaar. Een periodieke meting is in elk geval vereist bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.
(4) Voor installaties die minder dan 1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een minimale monitoringfrequentie voor kwik van een keer per jaar.
(5) De metingen voor N2O worden uitgevoerd in twee reeksen, ťťn terwijl de installatie in bedrijf is bij belastingen van >70%, en de andere bij belastingen van <70%.
(6) De lijst van gemonitorde verontreinigende stoffen en de monitoringfrequentie kunnen worden aangepast na een initiŽle karakterisering van de brandstof en op basis van een beoordeling van de relevantie van verontreinigende stoffen voor de emissies naar lucht. In elk geval wordt minimaal een periodieke meting uitgevoerd bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.


Subafdeing 3.12.3.2.
Verbranding van vaste biomassa of turf


Art. 3.12.3.2.1.

De energie-efficiŽntieniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de eenheden die ≥1500 uur per jaar in bedrijf zijn en vaste biomassa of turf verbranden. In geval van warmte-krachtkoppelingseenheden, is maar een van beide energie-efficiŽntieniveaus van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de warmtekrachtkoppelingseenheid:

netto elektrische efficiŽntie,
uitgedrukt in %
nieuwe eenheid 33,5
nieuwe eenheid <150MWth waarin
brandstoffen
uit biomassa worden verbrand die
een hoge vochtigheidsgraad hebben
32
bestaande eenheid 28
netto totale brandstofbenutting, uitgedrukt
in %
alle eenheden, uitgezonderd installaties
die uitsluitend elektriciteit produceren
73

Art. 3.12.3.2.2.

De NOX-emissies naar lucht worden voorkomen of verminderd en tegelijkertijd worden de CO- en N2O-emissies die afkomstig zijn van de verbranding van vaste biomassa of turf naar lucht beperkt, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in vermeld in BBT 24 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.3.2.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van NOx naar lucht afkomstig van de verbranding van vaste biomassa of turf:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt als MWth
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
≥50-100 150 225 180 275
≥100-300 140 180 165 220
≥300 55 150 85 165

Art. 3.12.3.2.4.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van SO2 naar lucht afkomstig van de verbranding van vaste biomassa of turf:

totaal nominaal
thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt als
MWth
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de bemonsteringsperiode

nieuwe

installatie

bestaande
installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
bestaande
installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf,
brandstoffen
met een
gemiddeld
gehalte aan
zwavel van
0,1 massaprocent
(droog) of
hoger

nieuwe

installatie

bestaande installatie,
≥500 uur per jaar in bedrijf
bestaande
installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf,
brandstoffen
met een
gemiddeld
gehalte aan
zwavel van
0,1 massaprocent
(droog) of
hoger
<100 70 100 100 175 215 215
≥100-300 50 70 85 175
≥300 35 50 70 85 165 (1)


(1) Als de installatie uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf is, geldt een emissiegrenswaarde van 215 mg/Nm3


Art. 3.12.3.2.5.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van HCl naar lucht afkomstig van de verbranding van vaste biomassa of turf:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt als
MWth
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3 (1)
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie (2) bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie,
≥1500 uur per jaar
in bedrijf
bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
<100 7 15 12 35
≥100-300 5 9 12
≥300 5


(1) Voor installaties waarin brandstoffen worden verbrand met een gemiddeld gehalte aan chloor van ≥0,1 massaprocent (droog), of voor bestaande installaties waarin biomassa wordt meeverbrand met een zwavelrijke brandstof of additieven worden gebruikt die alkalichloriden omzetten, geldt een jaargemiddelde emissiegrenswaarde van 15 mg/Nm3 voor nieuwe installaties en een jaargemiddelde emissiegrenswaarde van 25 mg/Nm3 voor bestaande installaties. De daggemiddelde emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing.
(2) Voor installaties die <1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een jaargemiddelde emissiegrenswaarde van 15 mg/Nm3.


Art. 3.12.3.2.6.

Voor installaties die vaste biomassa of turf verbranden, geldt voor HF-emissies naar lucht een emissiegrenswaarde van 1 mg/Nm3 als gemiddelde over de bemonsteringsperiode.


In afwijking van het eerste lid geldt voor bestaande installaties met een totaal nominaal ingangsvermogen van <100 MWth voor HF-emissies naar lucht een emissiegrenswaarde van 1,5 mg/Nm3 als gemiddelde over de bemonsteringsperiode.


Voor bestaande installaties die <500 uur per jaar in bedrijf zijn, gelden de emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste en tweede lid, niet.


Art. 3.12.3.2.7.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van stof naar lucht afkomstig van de verbranding van vaste biomassa of turf:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt als
MWth
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
<100 5 15 10 22
≥100-300 12 18
≥300 10 16

Art. 3.12.3.2.8.

Voor installaties die vaste biomassa of turf verbranden, geldt voor kwikemissies naar lucht een emissiegrenswaarde van 5 μg/Nm3 als gemiddelde over de bemonsteringsperiode.


Art. 3.12.3.2.9.

In afwijking van artikel 5.43.2.23 tot en met 5.43.2.26 en artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM wordt de concentratie van de parameters in de rookgassen van installaties die biomassa of turf verbranden, gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

parameter meetfrequentie
NOx, CO, SO2, HCl, stof continu (1) (2) (3)
N2O een keer per jaar in ketels met circulerend wervelbed (4)
HF een keer per jaar
kwik een keer per jaar (5) (6)
metalen en metalloÔden met uitzondering van kwik (As, Cd, Co, Cr, Cu, Mn, Ni, Pb, Sb, Se, Tl, V, Zn) een keer per jaar (5) (7)

(1) Voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100MWdie minder dan 1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een minimale monitoringfrequentie van een keer per drie maanden voor NOx, CO, SO2 en stof. Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot minimaal om de zes maanden.
(2) Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie voor HCl maximaal dalen tot minimaal om de zes maanden. Een periodieke meting is in elk geval vereist bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.
(3) Voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100 MW die <500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een minimale monitoringfrequentie van een keer per jaar voor HCl. Voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100 MW die tussen 500 en 1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een minimale monitoringfrequentie van een keer per zes maanden voor HCl.
(4) De metingen voor N2O worden uitgevoerd in twee reeksen, ťťn terwijl de installatie in bedrijf is bij belastingen van >70%, en de andere bij belastingen van <70%.
(5) Voor installaties die niet-verontreinigd behandeld houtafval verbranden, geldt een minimale monitoringfrequentie van een keer per zes maanden.
(6) Periodieke metingen voor kwik kunnen worden uitgevoerd bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies, als wordt aangetoond dat de emissieniveaus door het lage kwikgehalte van de brandstof voldoende stabiel zijn.
(7) De lijst van gemonitorde verontreinigende stoffen en de monitoringfrequentie kunnen worden aangepast na een initiŽle karakterisering van de brandstof en op basis van een beoordeling van de relevantie van verontreinigende stoffen voor de emissies naar lucht. In elk geval wordt minimaal een periodieke meting uitgevoerd bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.

Voor stookinstallaties waarin vaste biomassa wordt verbrand, gelden voor dioxinen en furanen de meetverplichtingen, vermeld in artikel 5.43.2.27 en 5.43.3.26 van titel II van het VLAREM.


Afdeling 3.12.4.
Verbranding van vloeibare brandstoffen


Subafdeling 3.12.4.1.
Met zware stookolie of gasolie gestookte ketels


Art. 3.12.4.1.1.

De energie-efficiŽntieniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de eenheden die ≥1500 uur per jaar in bedrijf zijn en zware stookolie of gasolie verbranden in ketels. In geval van warmtekrachtkoppelingseenheden is maar een van beide energie-efficiŽntieniveaus van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de warmte-krachtkoppelingseenheid:

netto elektrische efficiŽntie, uitgedrukt
in %
nieuwe eenheid 36,4
bestaande eenheid 35,6
netto totale brandstofbenutting, uitgedrukt
in %
alle eenheden 80

Art. 3.12.4.1.2.

De NOX-emissies naar lucht die afkomstig zijn van de verbranding van zware stookolie of gasolie in ketels, worden voorkomen of verminderd en tegelijkertijd worden de CO-emissies die afkomstig zijn van de verbranding van zware stookolie of gasolie in ketels naar lucht beperkt, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 28 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.4.1.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van NOx naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie of gasolie in ketels:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt als
MWth
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
<100 200 270 215 330
≥100 75 100 (1) 100 110 (2) (3)

(1) Voor installaties van ≥100-300 MWth en installaties van ≥300 MWth die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld, geldt een emissiegrenswaarde van 110 mg/Nm3.

(2) Voor installaties van ≥100-300 MWth en installaties van ≥300 MWth die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld, geldt een emissiegrenswaarde van 145 mg/Nm3.
(3) Voor industriŽle ketels en stadsverwarmingsinstallaties die uiterlijk op 27 november 2003 in bedrijf zijn genomen, die <1500 uur per jaar in bedrijf zijn en waarvoor SCR of SNCR niet van toepassing zijn, geldt een emissiegrenswaarde van 365 mg/Nm3.


Art. 3.12.4.1.4.

De SOx-, HCl- en HF-emissies naar lucht die afkomstig zijn van de verbranding van zware stookolie of gasolie in ketels, worden voorkomen of verminderd, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in vermeld in BBT 29 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.4.1.5.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van SO2 naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie of gasolie in ketels:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt als
MWth
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
<300 175 175 200 2001
≥300 50 110 120 165

(1) Voor industriŽle ketels en stadsverwarmingsinstallaties die uiterlijk op 27 november 2003 in bedrijf zijn genomen, die <1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een emissiegrenswaarde van 400 mg/Nm3.


Art. 3.12.4.1.6.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van stof naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie of gasolie in ketels:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt als
MWth
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
<300 10 20 18 22 (1)
≥300 5 10 10 11

(1) Voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn gesteld, geldt een emissiegrenswaarde van 25 mg/Nm3.


Art. 3.12.4.1.7.

In afwijking van artikel 5.43.2.23 tot en met 5.43.2.26 en artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM wordt de concentratie van de parameters in de rookgassen van installaties die zware stookolie of gasolie in ketels verbranden, gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

parameter meetfrequentie
NOx, CO, SO2, stof continu (1) (2)
metalen en
metalloÔden
met
uitzondering
van kwik (As,
Cd, Co, Cr, Cu,
Mn, Ni, Pb, Sb,
Se, Tl, V, Zn)
een keer per jaar (3)

(1) Voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100MWdie minder dan 1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een minimale monitoringfrequentie van een keer per drie maanden voor NOx, CO, SO2 en stof. Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot minimaal om de zes maanden.
(2) Als alternatief voor de continue meting in installaties waarin olie met een bekend zwavelgehalte wordt verbrand en die niet met een systeem voor rookgasontzwaveling zijn uitgerust, kunnen voor de bepaling van de SO2-emissies, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, ten minste een keer per drie maanden uitgevoerde periodieke metingen of andere procedures die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd, worden gebruikt.
(3) De lijst van gemonitorde verontreinigende stoffen en de monitoringfrequentie kunnen worden aangepast na een initiŽle karakterisering van de brandstof op basis van een beoordeling van de relevantie van verontreinigende stoffen voor de emissies naar lucht. In elk geval wordt minimaal een periodieke meting uitgevoerd bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.


Subafdeling 3.12.4.2.
Met zware stookolie of gasolie gestookte motoren


Art. 3.12.4.2.1.

De energie-efficiŽntieniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de eenheden die ≥1500 uur per jaar in bedrijf zijn en zware stookolie of gasolie verbranden in zuigermotoren. Die energieefficiŽntieniveaus zijn alleen van toepassing op warmte-krachtkoppelingseenheden waarvan het ontwerp hoofdzakelijk op het produceren van elektriciteit is gericht, en op eenheden die alleen elektriciteit produceren:

netto elektrische efficiŽntie,
uitgedrukt in %
nieuwe eenheid single cyclus 41,5
gecombineerde cyclus 48
bestaande eenheid single cyclus 38,3

Art. 3.12.4.2.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van NOx naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie of gasolie in zuigermotoren:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt als
MWth
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode (2)
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
≥50 190(1) 625 300 750

(1) Voor installaties met eenheden van <20MWth waarin zware stookolie wordt verbrand, geldt voor die eenheden een emissiegrenswaarde van 225 mg/Nm3.
(2) Voor bestaande installaties die ≥500-1500 uur per jaar in bedrijf zijn en voor installaties die niet met secundaire emissiereductietechnieken kunnen worden uitgerust, geldt voor emissies van NOx naar lucht een emissiegrenswaarde van 1900 mg/Nm3.


Art. 3.12.4.2.3.

De CO-emissies en de emissies van vluchtige organische stoffen naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie of gasolie in zuigermotoren worden voorkomen of verminderd door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in vermeld in BBT 33 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.4.2.4.

De SOx-, HCl- en HF-emissies naar lucht die afkomstig zijn van de verbranding van zware stookolie of gasolie in zuigermotoren worden voorkomen of verminderd, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in vermeld in BBT 34 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.4.2.5.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van SO2 naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie of gasolie in zuigermotoren:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt als
MWth
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
alle vermogens jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
100 200 (1) 110 235

(1) Voor de emissies van SO2 naar lucht bij een zwavelgehalte van de brandstof van 0,5 massaprocent (droog) geldt een emissiegrenswaarde van 280 mg/Nm3.


Art. 3.12.4.2.6.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van stof naar lucht afkomstig van de verbranding van zware stookolie of gasolie in zuigermotoren:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt als
MWth
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
≥50 10 35 20 45

Art. 3.12.4.2.7.

In afwijking van artikel 5.43.2.23 tot en met 5.43.2.26 en artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM wordt de concentratie van de parameters in de rookgassen van installaties die zware stookolie of gasolie in zuigermotoren verbranden, gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

parameter meetfrequentie
NOx, CO, SO2, stof continu (1) (2) (3)
totaal vluchtige organische stoffen een keer per drie maanden (4)
metalen en
metalloÔden
met
uitzondering
van kwik (As,
Cd, Co, Cr, Cu,
Mn, Ni, Pb, Sb,
Se, Tl, V, Zn)
een keer per jaar (5)

(1) Voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100MWdie minder dan 1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een minimale monitoringfrequentie van een keer per drie maanden voor NOx, CO, SO2 en stof. Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot minimaal om de zes maanden.
(2) Voor dieselmotoren met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100 MW die <500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, een minimale monitoringfrequentie van een keer per zes maanden voor NOx.
(3) Als alternatief voor de continue meting in installaties waarin olie met een bekend zwavelgehalte wordt verbrand en die niet met een systeem voor rookgasontzwaveling zijn uitgerust, kunnen voor de bepaling van de SO2-emissies, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, ten minste een keer per drie maanden uitgevoerde periodieke metingen of andere procedures die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd, worden gebruikt.
(4) Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot minimaal een keer per jaar. Een periodieke meting is in elk geval vereist bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.
(5) De lijst van gemonitorde verontreinigende stoffen en de monitoringfrequentie kunnen worden aangepast na een initiŽle karakterisering van de brandstof en op basis van een beoordeling van de relevantie van verontreinigende stoffen voor de emissies naar lucht. In elk geval wordt minimaal een periodieke meting uitgevoerd bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.


Subafdeling 3.12.4.3.
Met gasolie gestookte gasturbines


Art. 3.12.4.3.1.

De energie-efficiŽntieniveaus voor met gasolie gestookte gasturbines, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de eenheden die ≥1500 uur per jaar in bedrijf zijn. In geval van warmtekrachtkoppelingseenheden, is maar een van beide energie-efficiŽntieniveaus van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de warmte-krachtkoppelingseenheid. De energie-efficiŽntieniveaus zijn alleen van toepassing op warmte-krachtkoppelingseenheden waarvan het ontwerp hoofdzakelijk op het produceren van elektriciteit is gericht, en op eenheden die alleen elektriciteit produceren:

type verbrandingseenheid netto elektrische efficiŽntie, uitgedrukt in %
nieuwe eenheid bestaande eenheid
met gasolie gestookte gasturbines
met open cyclus
33 25
met gasolie gestookte STEG 40 33

Art. 3.12.4.3.2.

De NOx-emissies naar lucht die afkomstig zijn van met gasolie gestookte gasturbines worden voorkomen of verminderd, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in vermeld in BBT 37 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.4.3.3.

De CO-emissies die afkomstig zijn van met gasolie gestookte gasturbines naar lucht worden voorkomen of verminderd door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in vermeld in BBT 38 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.4.3.4.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van SO2 en stof naar lucht afkomstig van de verbranding van met gasolie gestookte gasturbines:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de stookinstallatie, uitgedrukt
als MWth
parameter emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde
over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installaties en
bestaande installaties die
meer dan 1500 uur per
jaar in bedrijf zijn
nieuwe installaties en
bestaande installaties die
meer dan 500 uur per jaar
in bedrijf zijn
alle vermogens SO2 60 66
stof 5 10

Art. 3.12.4.3.5.

In afwijking van artikel 5.43.2.23 tot en met 5.43.2.26 en artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM wordt de concentratie van de parameters in de rookgassen van installaties die gasolie stoken in gasturbines, gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

parameter meetfrequentie
NOx, CO, SO2, stof continu (1) (2)

(1) Voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100MWdie minder dan 1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een minimale monitoringfrequentie van een keer per drie maanden.
Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot minimaal om de zes maanden.
De periodieke monitoring wordt uitgevoerd bij een belasting van de stookinstallatie van >70 %.
(2) Als alternatief voor de continue meting in installaties waarin olie met een bekend zwavelgehalte wordt verbrand en die niet met een systeem voor rookgasontzwaveling zijn uitgerust, kunnen voor de bepaling van de SO2-emissies, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, ten minste een keer per drie maanden uitgevoerde periodieke metingen of andere procedures die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden
aangeleverd, worden gebruikt.


Afdeling 3.12.5.
Verbranding van gasvormige brandstoffen


Subafdeling 3.12.5.1.
Verbranding van aardgas


Art. 3.12.5.1.1.

De energie-efficiŽntieniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op eenheden die ≥1500 uur per jaar in bedrijf zijn en aardgas verbranden. In geval van warmte-krachtkoppelingseenheden, is ofwel de netto elektrische efficiŽntie, ofwel de netto totale brandstofbenutting van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de warmte-krachtkoppelingseenheid:

type verbrandingseenheid netto elektrische efficiŽntie, uitgedrukt
in %
netto totale
brandstofbenutting,
uitgedrukt
in % (1)
netto mechanische energie-efficiŽntie,
uitgedrukt in % (1) (2)
nieuwe eenheid bestaande eenheid alle eenheden nieuwe eenheid bestaande eenheid
gasmotor 39,5 35 56 geen energie-efficiŽntieniveau
met gas
gestookte ketel
39 38 78
gasturbine met
open cyclus, ≥50
MWth
36 33 geen energieefficiŽntieniveau 36,5 33,5
STEG, ≥50-600
MWth
53 46 geen energie-efficiŽntieniveau
STEG, ≥600
MWth
57 50
warmtekrachtkoppelingseenheid,
≥50-600 MWth
53 46 65
warmtekrachtkoppelingseenheid,
≥600 MWth
57 50 65

(1) De energie-efficiŽntieniveaus zijn niet van toepassing op installaties die uitsluitend elektriciteit produceren.
(2) De energie-efficiŽntieniveaus zijn alleen van toepassing op eenheden die voor mechanische aandrijvingstoepassingen worden gebruikt.


Art. 3.12.5.1.2.

De CO-emissies naar lucht die afkomstig zijn van de verbranding van aardgas worden voorkomen of verminderd door te zorgen voor geoptimaliseerde verbranding of oxidatiekatalysatoren te gebruiken.


Art. 3.12.5.1.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabellen, zijn van toepassing op emissies van NOx naar lucht afkomstig van de verbranding van aardgas in gasturbines en dualfualturbines. Die emissiegrenswaarden zijn ook van toepassing op de verbranding van aardgas in dualfuelturbines:

type stookinstallatie emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
gasturbines met open cyclus1 2
≥50 MWth 35 50 50 553
gecombineerde stoom- en gasturbines en warmte-krachtkoppeling-gasturbines1 4
≥50-600MWth, netto
totale brandstofbenutting
<75%
30 45 40 55
≥50-600MWth, netto
totale brandstofbenutting
≥75%
50 55
≥600 MWth, netto
totale brandstofbenutting
<75%
40 50
≥600 MWth, netto
totale brandstofbenutting
≥75%
50 55
1 Die emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing op bestaande turbines voor mechanische aandrijftoepassingen, op bestaande turbines die <500 uur/jaar in bedrijf zijn.
2 Voor installaties met een netto elektrische efficiŽntie van meer dan 39% kan een correctiefactor worden toegepast op de emissiegrenswaarde, die overeenkomt met [emissiegrenswaarde] ◊ EE/39, waarbij EE de netto elektrische energie-efficiŽntie of de netto mechanische energie-efficiŽntie van de installatie is, zoals bepaald bij ISObasisbelastingsomstandigheden.
3 Voor installaties die uiterlijk op 27 november 2003 in bedrijf zijn genomen en die ≥500-1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een emissiegrenswaarde van 80 mg/Nm3.
4 Voor installaties met een netto elektrische efficiŽntie van meer dan 55% kan een correctiefactor worden toegepast op de emissiegrenswaarde, die overeenkomt met [emissiegrenswaarde] ◊ EE/55, waarbij EE de netto elektrische energie-efficiŽntie of de netto mechanische energie-efficiŽntie van de installatie is, zoals bepaald bij ISObasisbelastingsomstandigheden.

type stookinstallatie emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde1 daggemiddelde of gemiddelde over
de bemonsteringsperiode
bestaande gasturbine voor mechanische
aandrijving, ≥500 uur per jaar
in bedrijf
50 55
1 Deze emissiegrenswaarde is niet van toepassing op installaties die < 1500 uur per jaar in bedrijf zijn.

Art. 3.12.5.1.4.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van NOx naar lucht afkomstig van de verbranding van aardgas in ketels en motoren:

type stookinstallatie emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
ketel 60 100 85 110
motoren met vonkontsteking
en dualfualmotoren
75

Art. 3.12.5.1.5.

De emissies van methaan en van vluchtige organische stoffen, met uitzondering van methaan naar lucht die afkomstig zijn van de verbranding van aardgas in armmengsel-gasmotoren met vonkontsteking, worden voorkomen of verminderd, door te zorgen voor geoptimaliseerde verbranding of door oxidatiekatalysatoren te gebruiken.


Art. 3.12.5.1.6.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van formaldehyde en methaan naar lucht afkomstig van de verbranding van aardgas in armmengsel-gasmotoren met vonkontsteking:

parameter type installatie emissiegrenswaarde, als gemiddelde
over de bemonsteringsperiode,
uitgedrukt als mg/Nm3
formaldehyde nieuwe installatie of bestaande
installatie die ≥500 uur per jaar in
bedrijf is
15
methaan, uitgedrukt als C bij het bij
volle belasting in bedrijf zijn
nieuwe installatie 500
bestaande installatie 560

Art. 3.12.5.1.7.

In afwijking van artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM wordt de concentratie van de parameters in de rookgassen van installaties die aardgas verbranden, gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

parameter meetfrequentie
CO, NOx continu (1) (2)
SO2, stof een keer per drie maanden (3)
formaldehyde een keer per jaar, voor armmengsel-gasmotoren met
vonkontsteking en dualfuelmotoren
CH4 een keer per jaar, uitgevoerd terwijl de installatie bij
belastingen van meer dan 70% in bedrijf is, voor
motoren

(1) Voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100 MW die <1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een minimale monitoringfrequentie van een keer per drie maanden. Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot minimaal om de zes maanden. Voor gasturbines wordt de periodieke monitoring uitgevoerd bij een belasting van de stookinstallatie van >70%.
(2) In geval van met aardgas gestookte turbines met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100 MW die <1500 uur per jaar in bedrijf zijn, of in het geval van bestaande gasturbines met open cyclus, mag in plaats van de metingen een voorspellend emissiemonitoringsysteem worden gebruikt. Onder het voormelde voorspellend emissiemonitoringsysteem wordt een systeem verstaan dat wordt gebruikt om de emissieconcentratie van een verontreinigende stof uit een emissiebron voortdurend te bepalen op basis van hoe die is gerelateerd aan een aantal karakteristieke, voortdurend gecontroleerde procesparameters en gegevens over de kwaliteit van de brandstof of grondstof.
(3) Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot minimaal om de zes maanden.


Voor stationaire motoren waarin aardgas wordt verbrand, gelden voor totaal organische stoffen de meetverplichtingen, vermeld in artikel 5.43.2.23 en in artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM.


Subafdeling 3.12.5.2.
De verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie


Art. 3.12.5.2.1.

De energie-efficiŽntieniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de eenheden die ≥1500 uur per jaar in bedrijf zijn en procesgassen uit de ijzer- en staalprocutie verbranden in ketels. In geval van warmte-krachtkoppelingseenheden, is maar een van beide energie-efficiŽntieniveaus van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de warmte-krachtkoppelingseenheid:

type verbrandingseenheid netto elektrische efficiŽntie, uitgedrukt
in %
netto totale brandstofbenutting, uitgedrukt
in %
nieuwe met verschillende brandstoffen
gestookte gasketel
36 50
bestaande met verschillende brandstoffen
gestookte gasketel
30

Het energie-efficiŽntieniveau voor netto totale brandstofbenutting, vermeld in de tabel, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing op installaties die uitsluitend elektriciteit produceren.


Art. 3.12.5.2.2.

De energie-efficiŽntieniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de eenheden die ≥1500 uur per jaar in bedrijf zijn en procesgassen uit de ijzer- en staalprocutie verbranden in STEG’s. In geval van warmte-krachtkoppelingseenheden, is maar een van beide energie-efficiŽntieniveaus van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de warmte-krachtkoppelingseenheid:

type verbrandingseenheid netto elektrische efficiŽntie, uitgedrukt
in %
netto totale brandstofbenutting, uitgedrukt
in %

nieuwe STEG of warmte-krachtkoppelings-
STEG

47 60
bestaande STEG of warmtekrachtkoppelings-
STEG
40

Het energie-efficiŽntieniveau voor netto totale brandstofbenutting, vermeld in de tabel, vermeld in het eerste lid, is alleen van toepassing op warmte-krachtkoppelings-STEG’s en is niet van toepassing op installaties die uitsluitend elektriciteit produceren.


Art. 3.12.5.2.3.

De CO-emissies naar lucht die afkomstig zijn van de verbranding van procesgassen uit de ijzer- en staalproductie worden voorkomen of verminderd door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 49 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.5.2.4.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van NOx naar lucht afkomstig van de verbranding van 100% procesgassen uit de ijzer- en staalproductie:

type stook-installatie emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
ketel 65 100 100 110 (1)
STEG 35 50 50 55 (2)

(1) Voor ketels die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde van 160 mg/Nm3.
(2) Voor STEG’s die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde van 70 mg/Nm3.


Art. 3.12.5.2.5.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van SO2 naar lucht afkomstig van de verbranding van 100% procesgassen uit de ijzer- en staalproductie:

type stookinstallatie emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
Ketel 150 200
STEG 45 75

Art. 3.12.5.2.6.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van stof naar lucht afkomstig van de verbranding van 100% procesgassen uit de ijzer- en staalproductie:

type stookinstallatie emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
Ketel 7 10
STEG 5

Art. 3.12.5.2.7.

In afwijking van artikel 5.43.2.23 tot en met 5.43.2.26 en artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM wordt de concentratie van de parameters in de rookgassen van installaties die 100% procesgassen uit de ijzer- en staalproductie verbranden, gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

parameter meetfrequentie
CO, NOx, SO2, stof continu (1)

(1) Voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100 MW die <1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt voor CO, NOx, SO2 en stof een minimale monitoringfrequentie van een keer per drie maanden. Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot minimaal om de zes maanden. Voor gasturbines wordt de periodieke monitoring uitgevoerd bij een belasting van de stookinstallatie van >70%.


Afdeling 3.12.6.
Met verschillende brandstoffen gestookte installaties


Subafdeling 3.12.6.1.
De verbranding van procesbrandstoffen uit de chemische industrie


Art. 3.12.6.1.1.

Om de algemene milieuprestaties van de verbranding van procesgassen uit de chemische industrie in ketels te verbeteren, wordt een geschikte combinatie gebruikt van de technieken, vermeld in BBT 6 en BBT 55 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.


Art. 3.12.6.1.2.

De energie-efficiŽntieniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de eenheden die ≥1500 uur per jaar in bedrijf zijn en procesgassen uit de chemische industrie verbranden in ketels. In geval van warmte-krachtkoppelingseenheden, is maar een van beide energie-efficiŽntieniveaus van toepassing, afhankelijk van het ontwerp van de warmte-krachtkoppelingseenheid:

type verbrandingseenheid netto elektrische efficiŽntie, uitgedrukt als % netto totale brandstofbenutting,
uitgedrukt als %
nieuwe eenheid bestaande eenheid alle eenheden
ketel waarin vloeibare procesbrandstoffen
uit de chemische industrie worden gebruikt, ook
als die gemengd zijn met zware stookolie, gasolie
of andere vloeibare brandstoffen
36,4 35,6 80
ketel waarin gasvormige
procesbrandstoffen uit de
chemische industrie worden
gebruikt, ook als die
gemengd zijn met aardgas
of andere gasvormige
brandstoffen
39 38 78


Het energie-efficiŽntieniveau voor netto totale brandstofbenutting, vermeld in de tabel, vermeld in het eerste lid, is niet van toepassing op installaties die uitsluitend elektriciteit produceren.


Art. 3.12.6.1.3.

De NOX-emissies naar lucht die afkomstig zijn van de verbranding van procesbrandstoffen uit de chemische industrie worden voorkomen of verminderd en tegelijkertijd worden de CO-emissies naar lucht die afkomstig zijn van de verbranding van procesbrandstoffen uit de chemische industrie beperkt, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in vermeld in BBT 56 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.6.1.4.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van NOx naar lucht afkomstig van de verbranding van 100% procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels:

in de stookinstallatie
gebruikte brandstoffase
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
mengsel van gassen
en vloeistoffen
85 290 (1) 110 330 (1)
alleen gassen 80 100 (2) 100 110 (3)

(1) Voor bestaande installaties van ≤500 MWth die uiterlijk op 27 november 2003 in bedrijf zijn gesteld en waarin vloeibare brandstoffen worden gebruikt met een gehalte aan stikstof van meer dan 0,6 massaprocent, geldt een emissiegrenswaarde van 380 mg/Nm3.
(2) Voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde van 180 mg/Nm3.
(3) Voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen en alleen gassen verbranden, geldt een emissiegrenswaarde van 210 mg/Nm3.


Art. 3.12.6.1.5.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van SO2 naar lucht afkomstig van de verbranding van 100% procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels:

type stookinstallatie emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
ketel 110 200

Art. 3.12.6.1.6.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van HCl en HF naar lucht afkomstig van de verbranding van procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen
van de
stookinstallatie
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
HCl HF
gemiddelde van de gedurende ťťn jaar verkregen monsters
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
<100 MWth 7 15 (1) 3 6 (2)
≥100 MWth 5 9 (1) 2 3 (2)

(1) Voor installaties die <1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3.
(2) Voor installaties die <1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een emissiegrenswaarde van 7 mg/Nm3.


Art. 3.12.6.1.7.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van stof naar lucht afkomstig van de verbranding van mengsels van gassen en vloeistoffen die bestaan uit 100% procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels:

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen
van de stookinstallatie,
uitgedrukt als MWth
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥1500 uur per
jaar in bedrijf
nieuwe installatie bestaande installatie,
≥500 uur per jaar
in bedrijf
<300 5 15 10 22 (2)
≥300 5 10 (1) 10 11 (2)

(1) Voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde van 15 mg/Nm3.
(2) Voor installaties die uiterlijk op 7 januari 2014 in bedrijf zijn genomen, geldt een emissiegrenswaarde van 25 mg/Nm3.


Art. 3.12.6.1.8.

Voor de emissies van dioxinen en furanen naar lucht afkomstig van de verbranding van 100% procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels, geldt een emissiegrenswaarde van 0,036 ng I-TEQ/Nm3 indien de procesbrandstoffen chloorverbindingen bevatten.


Art. 3.12.6.1.9.

Voor de emissies van vluchtige organische stoffen naar lucht afkomstig van de verbranding van 100% procesbrandstoffen uit de chemische industrie in ketels, geldt een emissiegrenswaarde van 12 mg/Nm3, uitgedrukt als totaal organische koolstof.


Art. 3.12.6.1.10.

In afwijking van artikel 5.43.2.23 tot en met 5.43.2.26 en artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM wordt de concentratie van de parameters in de rookgassen van installaties die procesbrandstoffen uit de chemische industrie verbranden, gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

parameter meetfrequentie
CO, NOx, SO2, stof continu (1) (2) (3)
HCl en HF een keer per drie maanden (1) (2)
totaal vluchtige organische stoffen een keer per zes maanden (4)
dioxinen en furanen (indien de procesbrandstoffen
chloorverbindingen bevatten), totaal vluchtige organische
stoffen
een keer per zes maanden (4)

(1) Voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100 MW die <1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een minimale monitoringfrequentie van een keer per drie maanden voor CO, NOx, SO2 en stof en van een keer per jaar voor HCl en HF. Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot minimaal om de zes maanden voor CO, NOx, SO2 en stof.
(2) De monitoring van stof is niet vereist voor installaties die alleen gasvormige procesbrandstoffen verbranden. Uit een initiŽle karakterisering van de brandstof kan blijken dat de monitoring van HCl en HF en de monitoring van SO2 voor installaties < 100 MW niet relevant is. In voorkomend geval wordt minimaal een periodieke meting uitgevoerd bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies. De exploitant houdt alle relevante gegevens ter inzage van de toezichthoudende overheid.
(3) Als alternatief voor de continue meting in installaties waarin brandstof met een bekend zwavelgehalte wordt verbrand en die niet met een systeem voor rookgasontzwaveling zijn uitgerust, kunnen voor de bepaling van de SO2-emissies, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, ten minste een keer per drie maanden uitgevoerde periodieke metingen of andere procedures die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd, worden gebruikt.
(4) Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot minimaal een keer per jaar. Een periodieke meting is in elk geval vereist bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.


Afdeling 3.12.7.
De meeverbranding van afval


Art. 3.12.7.1.

Als afval wordt meeverbrand, zijn de emissiegrenswaarden in deze afdeling van toepassing op het geproduceerde volume rookgas als geheel.


Als afval wordt meeverbrand samen met de brandstoffen, vermeld in afdeling 3.12.3, zijn daarnaast de emissiegrenswaarden, vermeld in afdeling 3.12.3, ook van toepassing op het geproduceerde volume rookgas als geheel, en op het volume rookgas door de verbranding van de brandstoffen die in dat punt behandeld worden, met gebruikmaking van de mengregelformule, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.19 van titel II van het VLAREM, waarin de emissiegrenswaarden voor het volume rookgas ten gevolge van de verbranding van afvalstoffen moeten worden vastgesteld.


Art. 3.12.7.2.

De algemene milieuprestaties van de meeverbranding van afval in stookinstallaties worden verbeterd, stabiele verbrandingsomstandigheden worden gewaarborgd en de emissies naar lucht worden verminderd door toepassing van preacceptatie en acceptatie van afval en een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in BBT 6 en BBT 60 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties.


Art. 3.12.7.3.

De toename van de emissies afkomstig van de meeverbranding van afval in stookinstallaties wordt voorkomen door het nemen van passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitstoot van verontreinigende stoffen in het deel van het rookgassen dat voortvloeit uit meeverbranding van afval niet hoger is dan de uitstoot die voortvloeit uit de toepassing van de BBT-conclusies voor afvalverbranding.


Art. 3.12.7.4.

De effecten op de recyclage van residuen als gevolg van de meeverbranding van afval in stookinstallaties worden zoveel mogelijk beperkt, door een goede kwaliteit van gips, slakken, as en andere residuen te blijven garanderen die overeenstemt met de eisen die aan de recyclage ervan worden gesteld als de installatie geen afval meeverbrandt, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 60, te gebruiken of door de meeverbranding te beperken tot afvalfracties met concentraties van verontreinigende stoffen die vergelijkbaar zijn met die van de andere brandstoffen die worden verbrand.


Art. 3.12.7.5.

De energie-efficiŽntie van de meeverbranding van afval wordt vergroot door een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in BBT 12 en BBT 19 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken, afhankelijk van het gebruikte brandstoftype en de configuratie van de installatie.


Voor de meeverbranding van afval met biomassa of turf gelden de energie-efficiŽntieniveaus, vermeld in artikel 3.12.3.2.1. Voor het meeverbranden van afval met steen- of bruinkool gelden de energie-efficiŽntieniveaus, vermeld in artikel 3.12.3.1.2.


Art. 3.12.7.6.

De NOX-emissies naar lucht afkomstig van de meeverbranding van afval met steen- of bruinkool worden voorkomen of verminderd en tegelijkertijd worden de CO- en N2O-emissies beperkt, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 20 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.7.7.

De NOX-emissies naar lucht afkomstig van de meeverbranding van afval met biomassa of turf worden voorkomen of verminderd en tegelijkertijd worden de CO- en N2O-emissies beperkt, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 24 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.7.8.

De SO2-, HCl- en HF-emissies naar lucht afkomstig van de meeverbranding van afval met steen- of bruinkool worden voorkomen of verminderd, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in in BBT 21 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.7.9.

De SO2-, HCl- en HF-emissies naar lucht afkomstig van de meeverbranding van afval met biomassa of turf worden voorkomen of verminderd, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in in BBT 25 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.7.10.

De stofemissies en deeltjesgebonden metaalemissies naar lucht afkomstig van de meeverbranding van afval met steen- of bruinkool worden verminderd, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 22 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van metaal naar lucht afkomstig van meeverbranding van afval met steen- of bruinkool:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen van de
stookinstallatie

emissiegrenswaarde, uitgedrukt
als mg/Nm3
emissiegrenswaarde, uitgedrukt
als μg/Nm3
middelingstijd
Sb + As + Pb + Cr + Co +
Cu + Mn + Ni + V
Cd + Tl
<300 MWth 0,5 12 gemiddelde over de
bemonsteringsperiode
≥300 MWth 0,2 6 gemiddelde van de gedurende
ťťn jaar verkregen monsters

Art. 3.12.7.11.

De stofemissies en deeltjesgebonden metaalemissies naar lucht afkomstig van de meeverbranding van afval met biomassa of turf worden verminderd door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 26 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van metaal naar lucht afkomstig van meeverbranding van afval met biomassa of turf:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen van de
stookinstallatie
emissiegrenswaarde, uitgedrukt
als mg/Nm3
emissiegrenswaarde, uitgedrukt
als μg/Nm3
middelingstijd
Sb + As + Pb + Cr + Co +
Cu + Mn + Ni + V
Cd + Tl gemiddelde van de gedurende
ťťn jaar verkregen monsters
alle vermogens 0,3 5

Art. 3.12.7.12.

De kwikemissies naar lucht afkomstig van de meeverbranding van afval met biomassa, turf, steenof bruinkool worden verminderd, door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 23 en BBT 27 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.


Art. 3.12.7.13.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van dioxinen en furanen en totaal vluchtige organische stoffen afkomstig van meeverbranding van afval met biomassa, turf, steenkool of bruinkool:

emissiegrenswaarde, uitgedrukt als
ng I-TEQ/Nm3
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3
dioxinen en furanen vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof
gemiddelde over de bemonsteringsperiode jaargemiddelde daggemiddelde
0,03 5 10


Art. 3.12.7.14.

De concentratie van de parameters in de rookgassen van installaties die afval meeverbranden in stookinstallaties, wordt gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

parameter meetfrequentie
CO, NOx, SO2, HCl, HF, stof, vluchtige organische
stoffen
continu (1)
metalen en metalloÔden met uitzondering van kwik (As,
Cd, Co, Cr, Cu, Mn, Ni, Pb, Sb, Se, Tl, V, Zn)
een keer per drie maanden, voor installaties met een
totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van ≥300
MW die ≥1500 uur per jaar in gebruik zijn (2)
een keer per zes maanden, voor installaties met een
totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van <300
MW en voor installaties die <1500 uur per jaar in bedrijf
zijn (2)
kwik volgens de monitoringfrequenties, vermeld in artikel
3.12.3.1.7, voor de meeverbranding met steen- of bruinkool
driemaandelijks, voor de meeverbranding met biomassa
of turf (2)
dioxinen en furanen een keer per zes maanden (2)

(1) Voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100 MW die <1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, een minimale monitoringfrequentie van een keer per zes maanden voor SO2, HCl en HF.
(2) Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot minimaal een keer per jaar. Een periodieke meting is in elk geval vereist bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.


Voor installaties die afval meeverbranden, wordt ook rekening gehouden met de monitoringsvereisten, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.26 van titel II van het VLAREM.


Afdeling 3.12.8.
Vergassing


Art. 3.12.8.1.

De netto totale brandstofbenuttingsniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op nieuwe en bestaande vergassings- en KV-STEG-eenheden:

vergassingeenheid die rechtstreeks verband houdt met
een ketel zonder voorafgaande syngasbehandeling
98%
vergassingeenheid die rechtstreeks verband houdt met
een ketel met voorafgaande syngasbehandeling
91%
KV-STEG-eenheid 91%

Art. 3.12.8.2.

De NOX-emissies naar lucht die afkomstig zijn van KV-STEG-installaties, worden voorkomen of verminderd en tegelijkertijd worden de CO-emissies naar lucht beperkt door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 73 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van NOx naar lucht afkomstig van KV-STEG-installaties:

totaal nominaal thermisch ingangsvermogen
van de KV-STEGinstallatie
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm
jaargemiddelde daggemiddelde of gemiddelde over
de bemonsteringsperiode
≥100 MWth 25 35

Art. 3.12.8.3.

Voor SO2-emissies naar lucht afkomstig van KV-STEG-installaties van ≥100 MWth geldt een emissiegrenswaarde van 16 mg/Nm3, uitgedrukt als een jaargemiddelde.


Art. 3.12.8.4.

De emissies van stof, deeltjesgebonden metalen, ammoniak en halogenen naar lucht afkomstig van KV-STEG-installaties worden voorkomen of beperkt door een van de technieken of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 75 van de BBT-conclusies voor grote stookinstallaties, te gebruiken.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies van stof en deeltjesgebonden metalen naar lucht afkomstig van KV-STEG-installaties:

totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen van de
KV-STEG-installatie
emissiegrenswaarde, uitgedrukt als mg/Nm3 emissiegrenswaarde, uitgedrukt
als μg/Nm3
Sb + As + Pb + Cr + Co +
Cu + Mn + Ni + V (gemiddelde
over de bemonsteringsperiode)
stof (jaargemiddelde) Hg (gemiddelde over de
bemonsteringsperiode)
≥100 MWth 0,025 2,5 1

Art. 3.12.8.5.

In afwijking van artikel 5.43.2.23 tot en met 5.43.2.26 en artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM wordt de concentratie van de parameters in de rookgassen van KV-STEG-installaties, gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

parameter meetfrequentie
CO, NOx, SO2, stof continu (1)
metalen en metalloÔden met uitzondering van kwik (As,
Cd, Co, Cr, Cu, Mn, Ni, Pb, Sb, Se, Gl, V, Zn)
een keer per jaar, voor installaties met een totaal
nominaal thermisch ingangsvermogen van ≥100MW(2)
kwik een keer per jaar, voor installaties met een totaal
nominaal thermisch ingangsvermogen van ≥100 MW

(1) Voor installaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van <100 MW die <1500 uur per jaar in bedrijf zijn, geldt een minimale monitoringfrequentie van een keer per drie maanden. Bij toepassing van het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, kan de meetfrequentie maximaal dalen tot minimaal om de zes maanden. De periodieke monitoring wordt uitgevoerd bij een belasting van de stookinstallatie van >70%.
(2) De lijst van gemonitorde verontreinigende stoffen en de monitoringfrequentie kunnen worden aangepast na een initiŽle karakterisering van de brandstof en op basis van een beoordeling van de relevantie van verontreinigende stoffen voor de emissies naar lucht. In elk geval wordt minimaal een periodieke meting uitgevoerd bij iedere wijziging in de brandstofeigenschappen die van invloed kan zijn op de emissies.