Technisch reglement distributie van elektriciteit - 2019
Technisch reglement van 20 september 2019 voor de Distributie van Elektriciteit in het Vlaamse Gewest

Titel I.
Algemene bepalingen


Hoofdstuk I.
Toepassingsgebied en definities


Art. 1.1.1.

§ 1

Dit reglement bevat de voorschriften en de regels voor het beheer, de aansluiting op en de toegang tot het elektriciteitsdistributienet en de hieraan gekoppelde gesloten distributienetten voor elektriciteit, gelegen in het Vlaamse Gewest.

§ 2

Dit reglement bestaat naast de algemene bepalingen (Titel I) uit een netcode (Titel II), een meetcode (Titel III), een marktcode (Titel IV), een datacode (Titel V), een samenwerkingscode (Titel VI), een code gesloten distributienetten (Titel VII), slotbepalingen (Titel VIII) en bijlagen.

Art. 1.1.2.
De definities opgenomen in de Vlaamse energie wetgeving, zoals onder meer deze opgenomen in art. 1.1.3 van het Energiedecreet en art. 1.1.1 van het Energiebesluit, gelden voor dit reglement. Voor de toepassing van dit reglement wordt verder verstaan onder:
Aansluiting: het geheel van fysieke uitrustingen dat nodig is om de installaties van een gebruiker van het elektriciteitsdistributienet of van een gesloten distributienet met dat net te verbinden, inclusief de meetinrichting;
Aansluitingscontract: het contract dat overeenkomstig dit reglement gesloten wordt tussen een gebruiker of toekomstige gebruiker van het elektriciteitsdistributienet, en de beheerder van dat net. Dat contract bepaalt de voorwaarden en de wederzijdse rechten, verplichtingen en aansprakelijkheden met betrekking tot de aanleg en het gebruik van een bepaalde aansluiting en bevat de voor de aansluiting van de installaties relevante technische bepalingen;
Aansluitingsinstallatie: een component van een aansluiting;
Aansluitingspunt: de fysieke plaats en het spanningsniveau van het punt waar de aansluiting verbonden is met het elektriciteitsdistributienet of het gesloten distributienet voor elektriciteit;
Aansluitingsreglement: het reglement, opgesteld overeenkomstig dit reglement, dat van toepassing is op een gebruiker van het elektriciteitsdistributienet en de beheerder van dat net. Dat reglement bepaalt de voorwaarden en wederzijdse rechten, verplichtingen en aansprakelijkheden met betrekking tot de aanleg en het gebruik van een aansluiting en bevat de voor de aansluiting van de installaties relevante technische bepalingen;
Aansluitingsvermogen: het maximaal vermogen uitgedrukt in kilovoltampère (kVA) of megavoltampère (MVA), waarover de gebruiker van het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit kan beschikken en waarbij de limiet bepaald wordt door de technische karakteristieken van de aansluiting;
Actief vermogen: het elektrische vermogen, uitgedrukt in watt (W), dat kan worden omgezet naar andere vormen van vermogen, zoals mechanisch, thermisch, akoestisch, etc. In geval van een driefasige aansluiting en een symmetrische belasting is de waarde is gelijk aan √3.U.I.cosφ, waarbij U de lijnspanning is, I de stroom en φ het faseverschil tussen die spanning en stroom. In geval van een monofasige aansluiting is de waarde gelijk aan U.I.cosφ, met U de fasespanning, I de stroom en φ het faseverschil tussen die spanning en stroom;
Actieve energie: de integraal van het actief vermogen gedurende een bepaalde tijdsperiode;
Actieve netverliezen: het verbruik van actief vermogen door het elektriciteitsdistributienet, veroorzaakt door het transport van elektriciteit en de instandhouding van het net;
10°
Achterliggende toegangshouder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die toegang heeft tot een gesloten distributienet;
11°
Achterliggend toegangspunt: toegangspunt van een achterliggende netgebruiker;
12°
Adres: locatie, aangeduid door een straatnaam, huisnummer, busnummer, postcode, eventueel verdieping en appartement, stad of gemeente;
13°
Afname: het afnemen van elektrische energie vanuit het elektriciteitsdistributienet;
14°
Algemene Toepassingseisen: eisen voor de aansluiting van elektriciteitsproductie-eenheden op het net die bepaald worden volgens de modaliteiten bepaald in artikel 7 van de Europese netcode RfG;
15°
Allocatiepunt: een punt, verbonden aan een toegangspunt, waarop gegevens voor doeleinden van allocatie, reconciliatie en/of facturatie worden uitgewisseld met de partijen die op dit punt geregistreerd worden;
16°
Allocatiepuntconfiguratie: geheel van instelbare parameters op een allocatiepunt, bestaande uit meetregime, opnamefrequentie voor facturatie, opnamefrequentie voor verbruiksinformatie en tariefperiode;
17°
Belasting: de opname van actief of reactief vermogen door een elektrische installatie;
18°
Berekend gebruiksprofiel: de verdeling van de afname, injectie en/of de productie en de daaruit afgeleide consumptie van een netgebruiker in de tijd, op basis van een gemodelleerd profiel;
19°
Beschermingsplan: plan tot bescherming van het net, zoals bedoeld in de Verordening (EU) 2017/2196 van de Europese Commissie van 24 november 2017 tot vaststelling van een netcode voor de noodtoestand en het herstel van het elektriciteitsnet, en in het Technisch Reglement Transmissie;
20°
Buiten dienst stellen (of buitendienststelling) van een toegangspunt: het fysiek verhinderen van afname van of injectie op een toegangspunt, door het spanningsloos maken van de installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker;
21°
Contactadres: adres, aangegeven door de betrokken partij, waarop zij haar correspondentie wenst te ontvangen;
22°
Dag D: een kalenderdag;
23°
Dag D-1: de kalenderdag vóór dag D;
24°
Datadienst: een dienst op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter beschikking gestelde gegevens voor informatieve doeleinden;
25°
Datatoegang: de mogelijkheid om gegevens voor informatieve doeleinden te ontvangen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder met als doel een datadienst aan te bieden;
26°
Datadienstenpunt: een dienstverleningspunt waar datatoegang plaatsvindt;
27°
Datatoegangscontract: het contract, gesloten tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en een derde partij, dat de rechten en plichten met betrekking tot de geautomatiseerde datatoegang bepaalt;
28°
Decentrale productie-eenheid: productie-eenheid waarvan de aansluiting zich bevindt op het elektriciteitsdistributienet of op een daaraan gekoppeld gesloten distributienet voor elektriciteit;
29°
Decentrale productie-installatie: installatie voor productie van elektriciteit, die aangesloten is op het elektriciteitsdistributienet of op een daaraan gekoppeld gesloten distributienet voor elektriciteit;
30°
Dienstverlener van flexibiliteit (FSP): elke natuurlijke of rechtspersoon die een of meerdere diensten, gebaseerd op flexibiliteit, aanbiedt aan minstens één andere partij; ook wel een “aanbieder van flexibiliteitsdiensten” genoemd;
31°
Dienstverleningspunt: een datadienstenpunt of een allocatiepunt;
32°
Elektriciteitsdistributienetgebruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon die als afnemer of producent op het toegangspunt tot het elektriciteitsdistributienet in het toegangsregister geregistreerd is of, bij gebrek aan registratie, degene die van dit toegangspunt gebruik maakt;
33°
EAN-GLN: European Article Number/Global Location Number (uniek numeriek veld van 13 posities voor unieke identificatie van een marktpartij);
34°
EAN: European Article Number (uniek numeriek veld van 18 posities);
35°
Eilandbedrijf: situatie waarbij een productie-eenheid, na plotse uitschakeling van het elektriciteitsdistributienet, kan blijven instaan voor de voeding van de eigen hulpdiensten en eventueel (een deel van) het afgekoppelde systeem, en beschikbaar is om opnieuw op dat elektriciteitsdistributienet aangesloten te worden;
36°
Elektriciteitsproductie-eenheid: een synchrone elektriciteitsproductie-eenheid of een power park module zoals gedefinieerd in de Europese netcode RfG;
37°
Elektrisch systeem: het geheel van de uitrustingen dat alle gekoppelde netten, alle aansluitingsinstallaties en alle installaties van de netgebruikers, aangesloten op die netten omvat;
38°
Energiebesluit: Besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene bepalingen over het energiebeleid van 19 november 2010;
39°
Energiecontract: het contract, gesloten tussen een netgebruiker en zijn toegangshouder, voor de aankoop en/of verkoop van elektriciteit via het distributienet;
40°
Energiedecreet: het Vlaamse decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid;
41°
Energieopslagsysteem: een systeem dat in staat is om elektrische energie uit het netwerk van een distributienetgebruiker of het elektriciteitsdistributienet op te nemen, op te slaan en terug te voeden, onafhankelijk van de aard van de technische uitvoering ervan;
42°
Energieoverdracht: een activatie van flexibiliteit met een leverancier en een dienstverlener van flexibiliteit die een afzonderlijke evenwichtsverantwoordelijke hebben en/of een dienstverlener van flexibiliteit die niet hun leverancier is;
43°
Energieovernamedocument: een document om de wijziging van netgebruiker op een toegangspunt te regelen;
44°
Europese netcode RfG: Verordening (EU) 2016/631 van de Commissie van 14 april 2016 tot vaststelling van een netcode betreffende eisen voor de aansluiting van elektriciteitsproducenten op het net;
45°
Flexibele toegang: toegang tot het net onder flexibele voorwaarden met de mogelijkheid tot beperking van de toegang tot het net in functie van het reeds toegewezen toegangsvermogen of de op netelementen beschikbare capaciteit;
46°
Flexibiliteit: de wijziging van het profiel van productie, injectie, verbruik of afname van energie in reactie op een op extern signaal of een lokaal gemeten grootheid gelieerd aan de operationele veiligheid zoals de spanning of de frequentie van het net - al dan niet via een gemandateerde derde partij - teneinde ofwel een dienst in het energiesysteem te verlenen ofwel een financieel voordeel te verkrijgen. Met “extern signaal” wordt een activatiesignaal of een dynamisch prijssignaal bedoeld;
47°
Frequentie: cijfermatige aanduiding van het aantal herhalingen per seconde van de fundamentele component in de voedingsspanning. De frequentie wordt uitgedrukt in Hertz (Hz);
48°
Gemeten gebruiksprofiel: reële afname, injectie en/of productie en daaruit afgeleide consumptie van een netgebruiker of achterliggende netgebruiker, op basis van een meting per elementaire periode;
49°
Grootverbruiksmeetinrichting: de meetinrichting waarmee een grootverbruiksmeting elektriciteit wordt uitgevoerd;
50°
Grootverbruiksmeting elektriciteit: meting bij een netgebruiker met een aansluitingsvermogen groter dan of gelijk aan 56 kVA;
51°
Herstelplan: plan tot herstel van het net, zoals bedoeld in de Verordening (EU) 2017/2196 van de Europese Commissie van 24 november 2017 tot vaststelling van een netcode voor de noodtoestand en het herstel van het elektriciteitsnet, en in het Technisch Reglement Transmissie;
52°
In dienst nemen (indienstname) van een toegangspunt: het fysiek mogelijk maken van afname van of injectie op een toegangspunt;
53°
Injectie: het inbrengen van elektriciteit in het net;
54°
Installatie die functioneel deel uitmaakt van het elektriciteitsdistributienet: elke uitrusting die niet tot het elektriciteitsdistributienet behoort, maar een functie heeft voor het beheer van het elektriciteitsdistributienet;
55°
Installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker: elke uitrusting van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die door een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet is aangesloten, en die niet tot die aansluiting behoort, en waarop dit technisch reglement van toepassing is;
56°
Kennisgeving: elke vorm van bekendmaking, mededeling, (aan)vraag of klacht;
57°
Kleinverbruiksmeetinrichting: de meetinrichting waarmee een kleinverbruiksmeting elektriciteit wordt uitgevoerd;
58°
Kleinverbruiksmeting elektriciteit: meting bij een netgebruiker met een aansluitingsvermogen onder de 56 kVA;
59°
Koppelpunt: het tussen beheerders onderling overeengekomen fysieke punt waar de koppeling tussen hun netten is gerealiseerd;
60°
Kwaliteit: het geheel van de karakteristieken van elektriciteit die een invloed kunnen hebben op het elektriciteitsdistributienet (met inbegrip van de aansluiting) en de installaties van een of meer elektriciteitsdistributienetgebruikers, dat in het bijzonder de continuïteit van de spanning en de elektrische karakteristieken van die spanning (frequentie, amplitude, golfvorm, symmetrie) bevat;
61°
Kwartiervermogen: het gemiddeld afgenomen of geïnjecteerd vermogen over een periode van een kwartier, uitgedrukt in kilowatt (kW) in geval van actief vermogen, in kilovoltampère reactief (kVAr) in geval van reactief vermogen, en in kilovoltampère (kVA) in geval van schijnbaar vermogen;
62°
Lokale congestie: een situatie waarin een element van het elektriciteitsdistributienet, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of het koppelpunt met het transmissienet niet alle fysieke stromen kan opvangen zonder de operationele veiligheid in het gevaar te brengen;
63°
Meetconfiguratie: de wijze waarop de indexen, kwartiervermogens en/of andere meetgegevens (inclusief afname en injectievolumes) bepaald worden door berekening op basis van meerdere reële registers of meters;
64°
Meetinrichting: de samenstelling van alle apparatuur met inbegrip van software die dient voor het bepalen van de elektrische grootheden bij het afnemen, verbruiken, injecteren en produceren van elektrische energie op een (achterliggend) toegangspunt of (achterliggend) allocatiepunt ten behoeve van de facturatie in het kader van een energiecontract, de valorisatie van de flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt, het netbeheer en het verstrekken van verbruiksinformatie;
65°
Meetpunt: de fysieke plaats en het spanningsniveau van het punt waar de meetinrichting met de betrokken installatie verbonden is;
66°
Meetregime: periode waarover meetgegevens geregistreerd worden met het oog op het gebruik ervan op een dienstverleningspunt;
67°
Meetuitrusting: samenstelling van apparatuur en bijhorende software die tot doel heeft de uitgewisselde elektriciteit te meten;
68°
Meternummer: uniek identificatienummer van een meter per fabrikant;
69°
Meteropname: elke elektronische meteruitlezing op afstand, fysieke meteropname door de beheerder van het net, opname van de meetgegevens door de gebruiker van het net waarbij deze meetgegevens al dan niet via de leverancier worden overgemaakt aan de beheerder van het net of schatting door de beheerder van het net op basis waarvan de elektriciteit die over een bepaalde periode afgenomen, geïnjecteerd, geproduceerd of verbruikt is, bepaald wordt;
70°
Meting: opname door een meetinrichting van een fysische grootheid op een bepaald tijdstip;
71°
Netinvoer: de actieve energie die via een ander net, hetzij een elektriciteitsdistributienet, hetzij een transmissienet, of via een aansluiting waaraan een productie-installatie gekoppeld is, in het elektriciteitsdistributienet ingevoerd wordt;
72°
Nominaal vermogen (Pnom): het maximaal ontwikkelbaar actief vermogen van een productie-eenheid, bepaald in het aansluitingscontract, dat de maximaal toegestane levering van actief vermogen in het elektriciteitsdistributienet bepaalt;
73°
Noodgroepen: generatoren die uitsluitend tot bedoeling hebben om kritische belasting te voeden bij netuitval, en die verder enkel netgekoppeld worden om te testen;
74°
Ondersteunende diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder: het geheel van de volgende diensten:
de regeling van de spanning en het reactief vermogen;
de compensatie van de netverliezen;
de toegang tot de netten waarmee het elektriciteitsdistributienet van de elektriciteitsdistributienetbeheerder gekoppeld is;
indien van toepassing, het congestiebeheer.
75°
Onterechte wissel van toegangshouder: wissel van toegangshouder die niet gedekt is door een energiecontract met de distributienetgebruiker op het betrokken toegangspunt of zonder het verzoek van de distributienetgebruiker om zelf toegangshouder te zijn;
76°
Op afstand uitleesbare meetinrichting: Een meetinrichting die op afstand uitgelezen kan worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder via een veilige, door de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalde telecommunicatie methode.
77°
Opnamemaand: de maand waarin de elektriciteitsdistributienetbeheerder de jaarlijkse meterstand(en) voorziet te bepalen;
78°
Periodieke meteropnameperiode: De periode tussen twee meteropnames die allebei door de elektriciteitsdistributienetbeheerder worden georganiseerd in het kader van de jaarlijkse meteropname, zoals bedoeld in Art. 3.3.3 § 1 en die in de tijd op elkaar volgen;
79°
Productie-eenheid: een fysische eenheid die een elektrische generator omvat;
80°
Reactief vermogen: De imaginaire component van het schijnbaar vermogen bij de grondfrequentie, uitgedrukt in voltampère reactief (VAr). In geval van een driefasige aansluiting en een symmetrische belasting is de waarde is gelijk aan √3.U.I.sinφ, waarbij U de lijnspanning is, I de stroom en φ het faseverschil tussen die spanning en stroom. In geval van een monofasige aansluiting is de waarde gelijk aan U.I.sinφ, met U de fasespanning, I de stroom en φ het faseverschil tussen die spanning en stroom;
81°
Reactieve energie: de integraal van het reactief vermogen gedurende een bepaalde tijdsperiode;
82°
Reëel lastprofiel (RLP): gemodelleerd profiel van een netgebruiker ter benadering van de verdeling van de afname of, indien van toepassing, de consumptie in de tijd, op basis van reële gegevens;
83°
Register van toegangsverantwoordelijken: register dat de transmissienetbeheerder bijhoudt overeenkomstig het Technisch Reglement Transmissie;
84°
Schijnbaar vermogen: het product van spanning en stroomsterkte bij de fundamentele frequentie, doorgaans uitgedrukt in voltampère (“VA”). In geval van een driefasige aansluiting en een symmetrische belasting is de waarde is gelijk aan √3.U.I, waarbij U de lijnspanning is en I de stroom. In geval van een monofasige aansluiting is de waarde gelijk aan U.I, met U de fasespanning en I de stroom;
85°
Stamgegevens: gegevens met betrekking tot een toegangspunt die nodig zijn voor het uitvoeren van de activiteiten verbonden aan de aankoop en verkoop van elektriciteit op dit toegangspunt;
86°
Standaard jaarverbruik: een berekend verbruik over een jaar op basis van het werkelijk verbruik en het reëel (RLP) of synthetisch lastprofiel (SLP). De berekeningswijze wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerders gepubliceerd;
87°
Standaard maandverbruik: een berekend verbruik over een maand op basis van het werkelijk verbruik en het reëel (RLP) of synthetisch lastprofiel (SLP). De berekeningswijze wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerders gepubliceerd;
88°
Synthetisch lastprofiel (SLP): gemodelleerd profiel van een netgebruiker ter benadering van de verdeling van de afname of, indien van toepassing, de consumptie in de tijd;
89°
Synthetisch productieprofiel (SPP): gemodelleerd profiel van een netgebruiker ter benadering van de verdeling van de productie of, indien van toepassing, de injectie in de tijd;
90°
Technisch Reglement Transmissie: het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe;
91°
Telling: opname - door een meetinrichting - van de hoeveelheid actieve en/of reactieve energie die gedurende een tijdsperiode wordt geïnjecteerd of afgenomen;
92°
Toegangsaanvraag: een aanvraag voor toegang tot het elektriciteitsdistributienet of een gesloten distributienet overeenkomstig dit reglement;
93°
Toegangscontract: het contract, gesloten tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de toegangshouder, dat de rechten en plichten met betrekking tot de toegang tot het elektriciteitsdistributienet bepaalt;
94°
Toegangsprogramma: een lijst, opgedeeld in tijdseenheden, van de geplande afgenomen en geïnjecteerde vermogens voor een bepaalde dag D, met betrekking tot een bepaald (achterliggend) toegangspunt;
95°
Toegangsvermogen voor afname: het maximaal vermogen afname (vijftien minuten gemiddelde) uitgedrukt in kilovoltampère (kVA), waarover de elektriciteitsdistributienetgebruiker voor elektriciteit mag beschikken en waarvan de maximale waarde steeds kleiner dan of gelijk is aan het aansluitingsvermogen;
96°
Toegangsvermogen voor injectie: het maximaal vermogen injectie (vijftien minuten gemiddelde) uitgedrukt in kilovoltampère (kVA), waarover de elektriciteitsdistributienetgebruiker voor elektriciteit mag beschikken en waarvan de maximale waarde steeds kleiner dan of gelijk is aan het aansluitingsvermogen;
97°
UMIG: de Utility Market Implementation Guide, de handleiding die de uitwisseling van informatie over allocatiepunten en de daarmee verbonden toegangspunten beschrijft tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerders en andere marktpartijen;
98°
Voedingsspanning: de effectieve waarde van de spanning op een toegangspunt, gemeten over een gegeven tijdsinterval;
99°
Werkdag: elke dag van de week, met uitzondering van zaterdag, zondag en de wettelijke feestdagen.

Art. 1.1.3.

§ 1

Behoudens andersluidende bepalingen, lopen de termijnen, vermeld in dit reglement, van middernacht tot middernacht. Ze vangen aan op de werkdag die volgt op de dag van de ontvangst van de kennisgeving, of, bij gebrek aan een kennisgeving, de dag van de kennisname van de gebeurtenis die aanleiding geeft tot de loop van een termijn. De ontvangst van de kennisgeving wordt vermoed te vallen op de derde werkdag na de kennisgeving, behoudens tegenbewijs van kortere termijn.

§ 2

Vastgelegde reactietijden in de marktprocessen starten op de datum vermeld in het acceptatiebericht van de elektriciteitsdistributienetbeheerder De reactietijd voor een acceptatiebericht is 48 uur.

Hoofdstuk II.
Taken en verplichtingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder


Art. 1.2.1. Kerntaken

§ 1

In het gebied waarvoor hij is aangewezen voert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de taken en verplichtingen uit die hem worden opgedragen krachtens de Vlaamse energiewetgeving.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt al wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt in het werk om onderbrekingen van de toegang tot het net te voorkomen, of indien een onderbreking optreedt, die zo snel mogelijk te verhelpen, alsook om de continuïteit en kwaliteit van de processen van gegevensuitwisseling verbonden aan de toegang tot het net te garanderen.

Art. 1.2.2. Klachtenbehandeling

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder organiseert zich op een dergelijke wijze dat hij alle klachten van zijn elektriciteitsdistributienetgebruikers registreert en verwerkt. Klachten kunnen schriftelijk per brief, via e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder worden ingediend. Van elke klacht registreert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de datum van ontvangst en het onderwerp.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bevestigt de ontvangst van elke schriftelijke klacht van de elektriciteitsdistributienetgebruiker binnen tien werkdagen per brief of via e-mail.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder behandelt verder de klacht in overeenstemming met de wetgeving of reglementering ter zake, zoals onder meer dit reglement en het aansluitingsreglement of aansluitingscontract en Boek XVI van het Wetboek Economisch Recht.

Art. 1.2.3. Publieke informatie

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt de volgende informatie ter beschikking van het publiek:
de modelcontracten en reglementen voor aansluiting op en toegang tot het elektriciteitsdistributienet, vermeld in dit reglement;
de voorschriften en procedures die van toepassing zijn en waarnaar in dit reglement wordt verwezen;
de formulieren die vereist zijn voor de gegevensuitwisseling overeenkomstig dit reglement;
de tariefperiodes.
Die informatie wordt minstens op eenvoudige aanvraag ter beschikking gesteld. Die documenten en formulieren moeten geraadpleegd kunnen worden op de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 1.2.4. Modelcontracten, reglementen, technische voorschriften, procedures en formulieren van elektriciteitsdistributienetbeheerders

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerders streven, door onderling overleg, naar het opstellen van uniforme modelcontracten, reglementen, technische voorschriften, procedures en formulieren in het kader van dit reglement.

§ 2

Alle modelcontracten, reglementen, technisch voorschriften, procedures en formulieren van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, opgesteld in uitvoering van dit reglement, alsook elke wijziging daaraan, moeten overgemaakt worden aan de VREG.

§ 3

De voorwaarden voor aansluiting of toegang, vervat in documenten, bedoeld in § 2, zijn onderworpen aan de goedkeuring van de VREG volgens de procedure bepaald in § 5.
De VREG kan deze voorwaarden voor aansluiting of toegang bovendien te allen tijde, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, op eigen initiatief laten wijzigen volgens de procedure bepaald in § 6.
De voorwaarden voor datatoegang, vervat in documenten, bedoeld in § 2, zijn onderworpen aan de goedkeuring van de VREG volgens de procedure bepaald in § 5.
De VREG gaat na of de voorwaarden transparant, niet-discriminerend en evenredig zijn.

§ 4

Behoudens andersluidende bepaling in de Vlaamse energieregelgeving zijn de bepalingen vervat in documenten, bedoeld in § 2, die niet ressorteren onder § 3, onderworpen aan commentaar van de VREG. Pas na ontvangst van commentaar van de VREG kunnen de documenten in werking treden. Echter, bij het uitblijven van commentaar twee maanden nadat de documenten werden overgemaakt, kunnen zij in werking treden.

§ 5

In geval van vaststelling of wijziging van de voorwaarden, bedoeld in § 3, op initiatief van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, maakt deze het voorstel van gewijzigde tekst, na consultatie van alle belanghebbenden, samen met de opmerkingen van de geconsulteerde partijen en een motivering voor de niet aangehouden opmerkingen op het voorstel, over aan de VREG met het oog op de goedkeuring zoals bedoeld in § 3.
Uiterlijk 60 dagen na het overmaken van het voorstel en de resultaten van de publieke consultatie neemt de VREG een beslissing tot goedkeuring, tot verzoek tot herziening van het voorstel, of tot weigeren van de goedkeuring.
Pas na ontvangst van een goedkeuringsbeslissing van de VREG kunnen de voorwaarden in werking treden.

§ 6

In geval van wijziging van de voorwaarden, bedoeld in § 3, lid 1, op initiatief van de VREG, maakt de VREG, na overleg met belanghebbende partijen, een gemotiveerd voorstel tot wijziging van de voorwaarden over aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De motivering van het voorstel bevat in voorkomend geval de opmerkingen van de door de VREG geconsulteerde belanghebbende partijen. Uiterlijk 60 dagen na kennisname van dit voorstel maakt de netbeheerder zijn opmerkingen op dit voorstel, inclusief een ontwerp van gewijzigde voorwaarden, over aan de VREG.
Na ontvangst van het voorstel neemt de VREG, na consultatie van de belanghebbenden, een beslissing tot goedkeuring, dan wel (al dan niet na overleg met de belanghebbenden) tot verzoek tot herziening van het voorstel.
In geval van verzoek tot herziening maakt de elektriciteitsdistributienetbeheerder uiterlijk 60 dagen na kennisname van dit verzoek een nieuw ontwerp van gewijzigde voorwaarden over aan de VREG.
Na ontvangst hiervan neemt de VREG, na consultatie van de belanghebbenden, een beslissing tot goedkeuring van het voorliggende ontwerp, dan wel tot vastlegging van de wijziging van de voorwaarden indien het voorstel niet kan worden goedgekeurd. In geval van vastlegging bepaalt de VREG in zijn beslissing de modaliteiten van inwerkingtreding, en maakt dit over aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Hoofdstuk III.
Informatie-uitwisseling


Art. 1.3.1.

§ 1

Behoudens een andersluidende bepaling moet elke kennisgeving ter uitvoering van dit reglement, schriftelijk gebeuren, overeenkomstig de formaliteiten en voorwaarden vastgesteld in artikel 2281 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij de afzender en de geadresseerde eenduidig kunnen worden geïdentificeerd. Behoudens een andersluidende bepaling bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de inhoudelijke vorm van de documenten waarin die gegevens uitgewisseld moeten worden.

§ 2

In geval van hoogdringendheid mogen gegevens mondeling worden uitgewisseld. In elk geval moeten dergelijke gegevens zo spoedig mogelijk overeenkomstig § 1 van dit artikel worden bevestigd.

Art. 1.3.2. Machtiging aan derde partijen

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan steeds een derde partij, zoals zijn toegangshouder of evenwichtsverantwoordelijke, mandateren voor zijn contacten en communicatie met de elektriciteitsdistributienetbeheerder in het kader van een of meer procedures, beschreven in dit reglement. Die partij moet steeds kunnen aantonen dat hij hiertoe gemachtigd werd door de elektriciteitsdistributienetgebruiker. De communicatie die de elektriciteitsdistributienetbeheerder in dat geval zou doen naar de elektriciteitsdistributienetgebruiker, wordt dan ook gericht aan de partij.
Als de derde partij daartoe op correcte wijze is gemachtigd, worden ook gerelateerde kosten voor de prestaties van de elektriciteitsdistributienetbeheerder verrekend via de gemandateerde partij.

Art. 1.3.3. UMIG

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerders en de toegangshouders communiceren met betrekking tot de status, de relationele gegevens waaronder de stamgegevens, en de meetgegevens van een allocatiepunt, de allocatie- en reconciliatiegegevens, de foutenafhandeling en de nettarieffacturatiegegevens volgens een protocol dat in overleg werd opgesteld en waarvan de vorm, inhoud en timing worden beschreven in de UMIG.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is belast met het uitwerken van de UMIG, het versiebeheer van het protocol, vermeld in § 1, en de certificatie voor het gebruik van de daarin beschreven berichten.

§ 3

Het uitwerken van de UMIG gebeurt na overleg via een overlegplatform waar toegangshouders actief in het Vlaamse gewest kunnen deelnemen of zich kunnen laten vertegenwoordigen.

§ 4

Betrokken toegangshouders die niet vertegenwoordigd zijn en beheerders van gesloten distributienetten, kunnen aanpassingen aan het protocol vermeld in § 1 voorstellen en uitzonderlijk deelnemen aan het overlegplatform wanneer die vraag wordt behandeld om hun voorstel toe te lichten.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt de UMIG en alle latere afspraken over de toepassing ervan na goedkeuring door de betrokken toegangshouders onverwijld ter beschikking op een publieke website. In afwijking van Art. 1.2.4, § 4 moet de UMIG niet voorafgaand ter kennis en commentaar worden overgemaakt aan de VREG.

§ 6

De elektriciteitsdistributienetbeheerder monitort de gegevensuitwisseling zoals beschreven in de UMIG op een onafhankelijke en transparante manier in samenspraak met de betrokken partijen.

§ 7

Er wordt tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerderen de toegangshouders een overeenkomst opgesteld die de kwaliteitseisen inzake de communicatie, vermeld in § 1, bevat en de hiermee verbonden wederzijdse rechten en plichten.

§ 8

Behalve indien wettelijk of reglementair anders bepaald, worden de gegevens die tussen de verschillende betrokken partijen worden uitgewisseld en die vermeld staan in de UMIG, geleverd via een beveiligd elektronisch systeem dat voldoende transparantie en traceerbaarheid biedt aan haar gebruikers, volgens het protocol vermeld in § 1.

Art. 1.3.4. Protocollen voor gegevensuitwisseling met derde partijen

§ 1

In het kader van geautomatiseerde datatoegang communiceren de distributienetbeheerder en de partijen die geautomatiseerde datatoegang hebben volgens protocollen opgesteld door de distributienetbeheerder na consultatie van de betrokken partijen.

§ 2

De distributienetbeheerder is belast met het uitwerken van het protocol, het versiebeheer van het protocol, vermeld in § 1, en de certificatie voor het gebruik van de daarin beschreven berichten. De distributienetbeheerder stelt het protocol en alle latere afspraken over de toepassing ervan onverwijld ter beschikking op een publieke website.

§ 3

De distributienetbeheerder monitort de gegevensuitwisseling zoals beschreven in de protocollen op een onafhankelijke en transparante manier.

§ 4

Behalve indien wettelijk of reglementair anders bepaald, worden de gegevens die tussen de verschillende betrokken partijen worden uitgewisseld en die vermeld staan in de protocollen, geleverd via een beveiligd elektronisch systeem dat voldoende transparantie en traceerbaarheid biedt aan haar gebruikers, volgens het protocol vermeld in § 1.

Art. 1.3.5.
Bij afwezigheid van uitdrukkelijke bepalingen over de informatie-uitwisseling in dit reglement zetten de elektriciteitsdistributienetbeheerders, de elektriciteitsdistributienetgebruikers en de toegangshouders zich in om zo spoedig mogelijk de noodzakelijke informatie overeenkomstig dit reglement mee te delen.

Hoofdstuk IV.
Behandeling van gegevens


Art. 1.4.1. Gebruik van gegevens door de elektriciteitsdistributienetbeheerder

§ 1

De limitatieve lijst van rubrieken van gegevens die de netbeheerder nodig heeft voor de uitvoering van de taken die hem in of krachtens het Energiedecreet worden opgelegd, is opgenomen in BIJLAGE I.

§ 2

De limitatieve lijst van persoonsgegevens, zoals meetgegevens en afgeleide gegevens, die de distributienetbeheerder nodig heeft voor de uitvoering van de taken die hem in of krachtens het Energiedecreet worden opgelegd, is opgenomen in BIJLAGE II.

§ 3

Voor de bestrijding van energiefraude kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder bijkomend gebruik maken van de gegevens vermeld in artikel 4.1.3 van het Energiebesluit.

Art. 1.4.2.
Toegangspunt en dienstverleningspunten vormen de sleutel om de beschikbare technische gegevens, relationele gegevens en meetgegevens per toegangspunt aan elkaar te relateren.

Art. 1.4.3. Koppeling van gegevens door de elektriciteitsdistributienetbeheerder

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder koppelt aan de meetgegevens die gebruikt worden op het allocatiepunt, de nodige relationele en technische gegevens, waaronder:
de identificatie van het toegangspunt en allocatiepunt;
de locatie en het type van de meetinrichting;
de identificatie van de toegangshouder en de evenwichtsverantwoordelijken;
de identificatie van de netgebruiker.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder koppelt aan de meetgegevens die gebruikt worden in het kader van datatoegang, de nodige relationele en technische gegevens, waaronder:
de identificatie van het toegangspunt en datadienstenpunt;
de identificatie van de derde partij die datatoegang heeft;
de identificatie van de netgebruiker.

Art. 1.4.4. Vertrouwelijke gegevens

Als vertrouwelijke gegevens worden minimaal volgende gegevens beschouwd:
de gegevens opgenomen in het toegangsregister;
de aanvragen tot aansluiting op het net;
de gegevens verkregen in het kader van de opzegging van een energiecontract door de leverancier bij huishoudelijke afnemers;
de meetgegevens;
de financiële situatie van de betrokken afnemer, toegangshouder of derde partij.
Wie andere informatie meedeelt, bepaalt wat commercieel gevoelige of vertrouwelijke informatie is.

Hoofdstuk V.
Noodsituatie en overmacht


Art. 1.5.1. Definitie van noodsituatie

In dit Reglement wordt een noodsituatie als volgt gedefinieerd:
de situatie die voortvloeit uit overmacht en als gevolg waarvan uitzonderlijke en tijdelijke maatregelen genomen moeten worden om aan de gevolgen van de overmacht het hoofd te kunnen bieden en zo de veilige en betrouwbare werking van het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit te kunnen vrijwaren of herstellen of om verdere schade te voorkomen;
een situatie die voortvloeit uit een gebeurtenis die, hoewel ze volgens de huidige stand van rechtspraak en rechtsleer niet als overmacht kan worden aangeduid, naar het inzicht van de bevoegde overheid het opleggen vereist, door die overheid, van uitzonderlijke en tijdelijke maatregelen aan elektriciteitsdistributienetbeheerders, beheerders van een gesloten distributienet, elektriciteitsdistributienetgebruikers, achterliggende netgebruikers of toegangshouders om de veilige en betrouwbare werking van het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit te kunnen vrijwaren of herstellen of om verdere schade te voorkomen;
een situatie die voortvloeit uit een gebeurtenis die, hoewel ze volgens de huidige stand van rechtspraak en rechtsleer niet als overmacht kan worden aangeduid, naar het inzicht van de overheid, de reguleringsinstanties, het gerecht, de beheerder van het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit, de gebruiker van het elektriciteitsdistributienet of het gesloten distributienet voor elektriciteit of een toegangshouder, het nemen van uitzonderlijke en tijdelijke maatregelen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder vereist om de veilige en betrouwbare werking van het elektriciteitsdistributienet te kunnen vrijwaren of herstellen, of om verdere schade te voorkomen.

Art. 1.5.2. Definitie van overmacht

Overmacht is elke onvermijdbare, onvoorzienbare en onafwendbare gebeurtenis, zoals, onder meer, volgende situaties:
natuurrampen, met inbegrip van aardbevingen, overstromingen, stormen, cyclonen of andere uitzonderlijke klimatologische omstandigheden;
een nucleaire of chemische explosie en de gevolgen ervan;
een onvoorziene onbeschikbaarheid van het elektriciteitsdistributienet om andere redenen dan ouderdom, het gebrek aan onderhoud van de installaties of de gekwalificeerdheid van de operatoren, met inbegrip van een computercrash, al dan niet veroorzaakt dooreen computervirus, op voorwaarde dat alle preventieve maatregelen genomen zijn die technisch en economisch haalbaar zijn;
de tijdelijke of voortdurende technische onmogelijkheid om via het elektriciteitsdistributienet elektriciteit uit te wisselen door storingen binnen de regelzone, veroorzaakt door elektriciteitsstromen die het resultaat zijn van energie-uitwisselingen binnen een andere regelzone of tussen twee of meer andere regelzones, en waarbij de identiteit van de marktdeelnemers die bij die uitwisselingen betrokken zijn, niet bekend is en redelijkerwijs niet bekend kan zijn door bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
brand, explosie, sabotage, terroristische daden, daden van vandalisme, schade veroorzaakt door criminele daden, en bedreigingen van dezelfde aard;
bevel van de overheid.

Art. 1.5.3. Ingrijpen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is bevoegd om, in geval van een noodsituatie als vermeld in Art. 1.5.1, alle uitzonderlijke en tijdelijke maatregelen te nemen die hij nodig acht met het oog op de veiligheid en de betrouwbaarheid van het elektriciteitsdistributienet, of om verdere schade te voorkomen.

§ 2

De maatregelen, bedoeld in § 1, die de elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt met betrekking tot de elektrische installaties aangesloten op zijn elektriciteitsdistributienet, verbinden alle betrokken personen.

§ 3

Als een noodsituatie gelijktijdig betrekking heeft op het transmissienet en één of meer elektriciteitsdistributienetten, moeten de maatregelen tussen de beheerders van deze netten onderling worden gecoördineerd.

Art. 1.5.4. Opschorting van de verplichtingen

§ 1

In geval van een noodsituatie wordt de uitvoering van de taken en verplichtingen die voortvloeien uit dit reglement en uit de contracten en de reglementen die erin vermeld staan, geheel of gedeeltelijk opgeschort in hoofde van degene die er zich op beroept, in de mate dat de uitvoering van die taken onmogelijk is geworden en beperkt tot de duur van de noodsituatie.

§ 2

De verplichtingen van geldelijke aard, ontstaan vóór de noodsituatie, moeten uitgevoerd worden.

Art. 1.5.5. Verplichtingen in geval van noodsituatie

§ 1

De partij die zich op de noodsituatie beroept, doet alle redelijke inspanningen om:
de gevolgen van de niet-uitvoering van haar verplichtingen te beperken;
haar opgeschorte verplichtingen zo snel mogelijk opnieuw te vervullen.

§ 2

De partij die haar verplichtingen opschort, brengt zo snel mogelijk alle betrokken partijen op de hoogte van de redenen waarom ze haar verplichtingen geheel of gedeeltelijk opschort en welke de voorzienbare termijn van de noodsituatie zal zijn. In afwijking van Art. 1.3.1 kan deze mededeling ook via de media worden gedaan.

Titel II.
Netcode


Artikel
De Netcode bevat de voorschriften met betrekking tot:
het beheer en de uitbating van de elektriciteitsdistributienetten;
de aansluiting op het distributienet;
de toegang tot het distributienet;
de wederzijdse rechten en plichten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Hoofdstuk I.
Beheer en uitbating van distributienetten


Afdeling 1.
Gegevens voor het beheer en uitbating


Art. 2.1.1.
Bij de aanvraag tot aansluiting kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder al dan niet conform het aansluitingscontract of -reglement bepaalde gegevens uit BIJLAGE I van de distributienetgebruiker opvragen door spontane melding, op schriftelijk verzoek of via de meetinrichting.
De distributienetbeheerder publiceert op zijn website een overzicht van de gegevens die hij conform het eerste lid kan opvragen, de frequentie waarmee, het tijdstip waarop ze kunnen worden opgevraagd en de doeleinden waarvoor ze gebruikt worden.
De gegevens moeten toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn ten opzichte van de doeleinden waarvoor ze gebruikt zullen worden. De distributienetbeheerder legt dit overzicht voor ter goedkeuring aan de VREG, die daarbij nagaat of het overzicht voldoet aan deze voorwaarden

Art. 2.1.2.
De elektriciteitsdistributienetgebruiker of, indien van toepassing, de toegangshouder, is ertoe gehouden de gegevens overeenkomstig dit hoofdstuk aan de elektriciteitsdistributienetbeheerderte bezorgen volgens zijn best mogelijke inschatting en volgens de procedure die de elektriciteitsdistributienetbeheerders gemeenschappelijk bepalen.

Art. 2.1.3.
Met behoud van de toepassing van Art. 2.1.1 brengt de elektriciteitsdistributienetgebruiker op een aansluiting met een vermogen groter dan 1000 kVA de elektriciteitsdistributienetbeheerder, op diens schriftelijke verzoek, elk jaar vóór 1 april van het lopende jaar, op de hoogte van de gegevens die betrekking hebben op de periode in het investeringsplan, vermeld in Art. 2.1.11:
de vooruitzichten over het maximaal af te nemen vermogen (kW, kVAr) op jaarbasis, met aanduiding van de verwachte trendbreuken;
de beschrijving van het jaarlijkse gebruiksprofiel van het af te nemen actief vermogen.

Art. 2.1.4.
Met behoud van de toepassing van Art. 2.1.1 brengt de elektriciteitsdistributienetgebruiker waarvan de installaties productie-eenheden omvatten of zullen omvatten met een totaal nominaal vermogen per toegangspunt van minstens 400 kVA, de elektriciteitsdistributienetbeheerder op diens schriftelijk verzoek, elk jaar vóór 1 april van het lopende jaar, op de hoogte van de volgende gegevens die betrekking hebben op de periode in het investeringsplan, vermeld in Art. 2.1.11:
het maximaal nominaal vermogen, de beschrijving van het verwachte productieprofiel, de technische gegevens, de operationele grenzen en het regelgedrag van de diverse in dienst genomen productie-eenheden;
het maximaal nominaal vermogen, de beschrijving van het verwachte productieprofiel, de technische gegevens, de operationele grenzen en het regelgedrag van de diverse in dienst te nemen productie-eenheden;
de productie-eenheden die uit dienst zullen worden genomen en de geplande datum van de buitendienststelling.

Art. 2.1.5.
Voor de elektriciteitsdistributienetgebruikers op toegangspunten die niet vermeld zijn in Art. 2.1.3 of Art. 2.1.4, brengt de toegangshouder voor het geheel van toegangspunten waarop hij toegang tot het elektriciteitsdistributienet heeft, elk jaar vóór 1 april van het lopende jaar de elektriciteitsdistributienetbeheerder op diens schriftelijk verzoek op de hoogte van de volgende gegevens die betrekking hebben op de periode in het investeringsplan, vermeld in Art. 2.1.11:
de vooruitzichten over het maximaal af te nemen of te injecteren vermogen (kW, kVAr) op jaarbasis, met aanduiding van de verwachte trendbreuken;
de beschrijving van het jaarlijkse gebruiksprofiel van het af te nemen actief vermogen.

Art. 2.1.6.
De distributienetbeheerder publiceert op zijn website een overzicht van de gegevens vermeld in Art. 2.1.3, Art. 2.1.4 en Art. 2.1.5, de frequentie waarmee, het tijdstip waarop ze kunnen worden opgevraagd en de doeleinden waarvoor ze gebruikt worden.
De gegevens moeten toereikend, ter zake dienend en niet overmatig zijn ten opzichte van de doeleinden waarvoor ze gebruikt zullen worden. De distributienetbeheerder legt dit overzicht voor ter goedkeuring aan de VREG, die daarbij nagaat of het overzicht voldoet aan deze voorwaarden.
De elektriciteitsdistributienetbeheerders bepalen in onderling overleg de minimale vereisten met betrekking tot de vorm waarin deze gegevens worden overgedragen.

Art. 2.1.7.
De elektriciteitsdistributienetgebruiker met een midden- of hoogspanningsaansluiting informeert zo spoedig mogelijk de elektriciteitsdistributienetbeheerder over elke wijziging of verwachte wijziging van de gegevens die bezorgd werden.

Art. 2.1.8.
De plicht tot kennisgeving van de gegevens, vermeld in Art. 2.1.3 en Art. 2.1.4, geldt eveneens voor de toekomstige elektriciteitsdistributienetgebruikers bij het indienen van hun aanvraag tot aansluiting, met dien verstande dat ze die gegevens ook voor het lopende jaar moeten verstrekken.

Art. 2.1.9.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder van oordeel is dat de kennisgeving van de gegevens onvolledig, onnauwkeurig of onredelijk is, geeft de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op verzoek van de elektriciteitsdistributienetbeheerder alle verbeteringen of aanvullende gegevens die de elektriciteitsdistributienetbeheerder nuttig acht.

§ 2

Na raadpleging van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de redelijke termijn waarbinnen de gegevens, vermeld in § 1, aan hem bezorgd moeten worden.

Art. 2.1.10.
De beheerder van een elektriciteitsdistributienet dat gekoppeld is aan een gesloten distributienet voor elektriciteit, bepaalt op welke wijze de beheerder van het gesloten distributienet gegevens moet aanleveren in het kader van de opmaak van het investeringsplan. De afspraken worden opgenomen in de overeenkomst vermeld in Art. 7.5.3, § 2.

Afdeling 2.
Investeringsplan


Art. 2.1.11.

§ 1

Het investeringsplan, bedoeld in art. 4.1.19 van het Energiedecreet, wordt opgesteld op basis van de gegevens in dit hoofdstuk. Het plan wordt ieder jaar aangepast voor de volgende drie jaar.

§ 2

Het investeringsplan wordt aan de VREG ter beschikking gesteld volgens het rapporteringsmodel gepubliceerd door de VREG. Het wordt jaarlijks vóór 1 juli ter goedkeuring aan de VREG voorgelegd.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerders verstrekken informatie aan de VREG over de beoordeling die zij uitvoeren van het potentieel voor energie-efficiëntie van hun elektriciteitsinfrastructuur, in het bijzonder wat betreft elektriciteitsdistributie, beheer van de belasting van het elektriciteitsdistributienet en interoperabiliteit, en de aansluiting van installaties voor energieopwekking, inclusief de toegangsmogelijkheden voor micro-energiegeneratoren.

Art. 2.1.12.
Minstens eenmaal per jaar pleegt de elektriciteitsdistributienetbeheerder overleg met de beheerders van de met zijn net gekoppelde netten over de geplande investeringen in zijn elektriciteitsdistributienet met inbegrip van de ontwikkelingen van decentrale productie en de daaruit voortvloeiende knelpunten.

Art. 2.1.13.
Na goedkeuring publiceert de beheerder van het elektriciteitsdistributienet de investeringsplannen op zijn website met weglating van confidentiële informatie, volgens een rapporteringsmodel zoals in onderling overleg met de VREG overeengekomen.

Afdeling 3.
Uitbouw van het elektriciteitsdistributienet m.b.t. verkavelingen, bedrijventerreinen of appartementsgebouwen


Art. 2.1.14.

§ 1

Onder deze afdeling wordt onder “project” begrepen elk stedenbouwkundig initiatief waarbij grond wordt gesplitst in meerdere kavels, meerdere gebouwen tegelijkertijd worden opgericht, een gebouw wordt opgericht met meerdere wooneenheden of bedrijfseenheden, of een gebouw wordt gewijzigd zodat meer dan één wooneenheid of bedrijfseenheid ontstaat. Dergelijke initiatief vereist de creatie van meerdere aansluitingspunten of toegangspunten tot het net.

§ 2

Opdat de elektriciteitsdistributienetbeheerder de netuitbouw, bedoeld in § 1, kan realiseren, moet een project tijdig worden gemeld aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De netbeheerder legt de procedureregels hiervoor vast in een reglement. Deze procedureregels omvatten onder meer de noodzakelijke inhoud van de melding van het project en het verdere verloop van de procedure, inclusief termijnen.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder hanteert bij de behandeling van de meldingen, bedoeld in het vorige lid, dezelfde termijnen voor de ontvankelijkheidsverklaring en het opstellen van een kostenraming als in Art. 2.2.30 en volgende (Detailstudie en ontwerp van aansluiting).

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft, voor de inrichting van installaties voor de distributie van elektriciteit, het recht op de terbeschikkingstelling, door de initiatiefnemer van het project, van een deel van de grond of het gebouw van het project. Als voor het betreffende project de aflevering van een omgevingsvergunning vereist is, geeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder, mits tijdige kennisgeving door de initiatiefnemer van het project conform § 2, ten laatste op de datum van de aflevering van die vergunning kennis aan de initiatiefnemer van het project van de nood aan de beschikking over een deel van de grond of het gebouw van het project.

§ 4

De terbeschikkingstelling van een deel van de grond door de initiatiefnemer van een project, aan de distributienetbeheerder, bedoeld in § 3, gebeurt door toekenning van een zakelijk recht. Onverminderd de toepassing van andere regelgeving gebeurt dit in principe tegen een door de distributienetbeheerder bepaalde vergoeding, bepaald in het reglement bedoeld in § 2, tenzij anders overeengekomen.
De terbeschikkingstelling van een deel van een gebouw door de initiatiefnemer van een project, aan de distributienetbeheerder, bedoeld in § 3, gebeurt door toekenning van een zakelijk recht tegen een door de distributienetbeheerder bepaalde vergoeding, bepaald in het reglement bedoeld in § 2.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt de grootte, de plaats en de technische vereisten van het deel van de grond of het gebouw ter beschikking moet worden gesteld. Die vereisten motiveert hij ten opzichte van de initiatiefnemer van het project. In overleg met de initiatiefnemer van het project kunnen wijzigingen aangebracht worden om beter aan de vereisten van het project te voldoen.

§ 6

Op basis van het finale ontwerp wordt een offerte opgesteld voor de uitbouw van het elektriciteitsdistributienet ten behoeve van het project. Die offerte wordt aan de initiatiefnemer van het betrokken project bezorgd. De offerte is gedetailleerd volgens de mate van detail conform de door de bevoegde regulator goedgekeurde of opgelegde tarieven.

§ 7

Het door de distributienetbeheerder opgestelde reglement, in uitvoering van de bepalingen van deze afdeling, wordt ter goedkeuring overgemaakt aan de VREG, en daarna door de distributienetbeheerder gepubliceerd op zijn website.

Afdeling 4.
Uitbating van distributienetten


Art. 2.1.15. Spanningsnorm

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verstrekt de gebruiker een spanning op het aansluitingspunt die minstens voldoet aan de norm NBN EN 50160 “Spanningskarakteristieken in openbare elektriciteitsnetten”.

Art. 2.1.16. Kwaliteitsrapport

De elektriciteitsdistributienetbeheerder zendt jaarlijks vóór 1 april een verslag aan de VREG, waarin hij de kwaliteit van zijn dienstverlening in het voorgaande kalenderjaar beschrijft.
Dat verslag wordt opgesteld volgens het rapporteringsmodel, gepubliceerd door de VREG.

Hoofdstuk II.
Aansluiting op het elektriciteitsdistributienet


Afdeling 1.
Aansluitingswijze en -procedure


Onderafdeling 1.
Bevoegde netbeheerder, aansluitingsvermogen en wijze van aansluiten


Art. 2.2.1. Bevoegde netbeheerder

De aansluiting van een installatie in een gebouw of op een perceel wordt uitgevoerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder die is aangesteld voor het grondgebied waarop het gebouw of perceel zich bevindt.

Art. 2.2.2. Aansluitingsvermogen

Voor aansluitingen op het laagspanningsdistributienet is het aansluitingsvermogen gelijk aan het vermogen waarvoor de aansluiting beveiligd wordt door de automaat of de smeltzekering.
Voor aansluitingen op het midden- en hoogspanningsdistributienet wordt het aansluitingsvermogen vastgelegd in het aansluitingscontract.

Art. 2.2.3. Wijze van aansluiten

§ 1

Als het aansluitingsvermogen lager is dan 25 kVA, zal de aansluiting vanaf het laagspanningsnet worden uitgevoerd.

§ 2

Voor aansluitingsvermogens ≥25 kVA en <250 kVA zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van technisch-economische criteria, ofwel aansluiten op het laagspanningsnet, ofwel met een rechtstreekse verbinding op een middenspanning/laagspanning-transformatiepost ofwel op het middenspanningsnet.

§ 3

Als het aansluitingsvermogen ≥250 kVA en <15 MVA is, zal de aansluiting vanaf het midden- of hoogspanningsnet worden uitgevoerd door de beheerder van het elektriciteitsdistributienet.

§ 4

Als het aansluitingsvermogen ≥15 MVA en <25 MVA is kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, op basis van een eerste technisch-economische analyse, beslissen om de aanvraag eveneens over te maken aan de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Beide mogelijkheden worden technisch-economisch onderzocht en de kosten-batenanalyses worden geëvalueerd door beide netbeheerders en de aanvrager. De kosten die de netbeheerder heeft gemaakt van wie de oplossing niet gekozen werd, komen voor rekening van deze netbeheerder.

§ 5

Als het gevraagde aansluitingsvermogen ≥25 MVA wordt de installatie aangesloten op het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of het transmissienet.

§ 6

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan, in geval van een nieuwe aansluiting, de aansluiting uitvoeren via een rechtstreekse verbinding van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker met de secundaire rails van een transformatiepost die het elektriciteitsdistributienet op midden- of hoogspanning voedt als het aansluitingsvermogen, dat bij de aanvraag tot aansluiting vooropgesteld wordt, groter is dan 5 MVA.

§ 7

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan beslissen om voor een wijze van aansluiten te kiezen die afwijkt van de bepalingen in dit Artikel, afhankelijk van de karakteristieken van het lokale elektriciteitsdistributienet of als de installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker schadelijke storingen op het elektriciteitsdistributienet of overdreven spanningsschommelingen zou veroorzaken.

Onderafdeling 2.
De verschillende soorten aansluitingen


Art. 2.2.4.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een eenvoudige aansluiting, een tijdelijke aansluiting en een aansluiting met voorafgaande studie.

Art. 2.2.5. Eenvoudige aansluiting

Er is sprake van een eenvoudige aansluiting als tegelijk aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de afname gebeurt op laagspanning;
het gevraagde aansluitingsvermogen is lager dan 25 kVA of de elektriciteitsdistributienetbeheerder oordeelt dat geen uitbreiding of versterking van het elektriciteitsdistributienet nodig is;
zonder of met injectie kleiner dan of gelijk aan 10 k0VA.

Art. 2.2.6. Tijdelijke aansluiting

Er is sprake van een tijdelijke aansluiting als tegelijk aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de aansluiting zal worden gebruikt voor het voeden van installaties op bouwterreinen of bij manifestaties;
het gebruik van de aansluiting is strikt beperkt in de tijd of de aansluiting wordt na een beperkte periode vervangen door een permanente aansluiting;
het gevraagde aansluitingsvermogen is lager dan 25 kVA.

Art. 2.2.7. Aansluiting met voorafgaande studie

Als een aansluiting geen eenvoudige of tijdelijke aansluiting is, is er sprake van een aansluiting met studie.

Onderafdeling 3.
De aansluitingsprocedure


Sub-onderafdeling 1.
Algemene bepalingen

Art. 2.2.8.

§ 1

Tenzij anders bepaald in Art. 2.2.3 kan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon bij de bevoegde elektriciteitsdistributienetbeheerder, bepaald in Art. 2.2.1 een aanvraag tot aansluiting indienen.

§ 2

De aansluitingsaanvraag bevat minstens de volgende gegevens:
de identiteit en contactgegevens van de aanvrager (eventueel de juridische vorm en het ondernemingsnummer);
de rechten van de aanvrager ten aanzien van het gebouw of de installatie waarop de aansluiting betrekking heeft;
het grondplan van de plaats van afname of injectie;
het gewenste aansluitingsvermogen en spanningsniveau, dat bij laagspanning gebaseerd is op de tabel van de mogelijke waarden voor het aansluitingsvermogen gepubliceerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
de technische karakteristieken van de installaties die op het elektriciteitsdistributienet moeten worden aangesloten;
de informatie die nodig is voor het toekennen van het gebruiksprofiel.

§ 3

In de aansluitingsaanvraag kan de aanvrager ook aangeven welk toegangsvermogen voor afname en/of injectie hij wenst.

Art. 2.2.9.
De offerte, die wordt opgesteld naar aanleiding van een aanvraag tot aansluiting, moet in die mate van detail worden opgesteld dat de door de bevoegde regulator goedgekeurde of opgelegde tarieven zijn weergegeven. Deze offerte is geldig gedurende een periode van zes maanden. Nadien vervalt de aanvraag tot aansluiting.

Sub-onderafdeling 2.
De aanvraag van een eenvoudige aansluiting

Art. 2.2.10.

§ 1

Een aanvraag voor een eenvoudige aansluiting wordt ingediend bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder volgens de procedure die hij heeft opgesteld en bekendgemaakt.

§ 2

De aanvraag kan schriftelijk per brief, per e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder ingediend worden.

Art. 2.2.11.
Bij de aanvraag voor een nieuwe aansluiting voor een wooneenheid op laagspanning kan de aanvrager eisen dat deze minimaal beschikt over een aansluitingsvermogen van 9,2 kVA.

Art. 2.2.12.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvraag ontvankelijk is, d.w.z. of ze beantwoordt aan de definitie van een eenvoudige aansluiting, en of ze volledig is. Als de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt dat binnen vijf werkdagen na ontvangst gemeld en gemotiveerd.

Art. 2.2.13.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder beantwoordt een ontvankelijke aanvraag voor een eenvoudige aansluiting binnen tien werkdagen na ontvangst. Hij stuurt een van de onderstaande documenten aan de aanvrager:
een bindende offerte waarin de voorwaarden voor de aansluiting en het aansluitingsreglement opgenomen worden;
een schriftelijke gemotiveerde weigering van de aanvraag, met de vermelding van de bemiddelings- en beslechtingstaak in geschillen met de netbeheerder conform artikelen 3.1.4/2 en 3.1.4/3 van het Energiedecreet.

Art. 2.2.14.
Als de identificatie van het toegangspunt (EAN), die bij de aansluiting hoort, en van één of meer hieraan gekoppelde allocatiepunten, niet werd meegedeeld in de offerte, deelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder deze desgewenst uiterlijk drie dagen na akkoord met de offerte mee aan de distributienetgebruiker.

Art. 2.2.15.
Als een deel van de aanleg van de aansluiting onder de verantwoordelijkheid van de elektriciteitsdistributienetbeheerder toevertrouwd wordt aan de aanvrager van de nieuwe aansluiting of van de aanpassing van de aansluiting, vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder in zijn offerte de werkzaamheden waarvan hij verwacht dat ze worden uitgevoerd, de delen van de aansluiting waarvan hij verwacht dat ze geïnstalleerd worden en de technische eisen waaraan die moeten voldoen tegen de datum die afgesproken wordt om de aansluiting te realiseren.

Sub-onderafdeling 3.
De aanvraag van een tijdelijke aansluiting

Art. 2.2.16.

§ 1

Elke aanvraag voor een tijdelijke aansluiting wordt ingediend bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder volgens de procedure die hij heeft opgesteld en bekendgemaakt.

§ 2

Dergelijke aanvraag kan schriftelijk per brief, e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder worden ingediend.

Art. 2.2.17.
In zijn aanvraag moet de aanvrager een uitvoeringsdatum voorstellen.

Art. 2.2.18.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvraag ontvankelijk is, d.w.z. of ze beantwoordt aan de definitie van tijdelijke aansluiting en ze volledig is. Als de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt dat binnen vijf werkdagen na ontvangst gemeld en gemotiveerd.

Art. 2.2.19.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder beantwoordt een ontvankelijke aanvraag voor een tijdelijke aansluiting binnen vijf werkdagen na ontvangst. Hij stuurt daarvoor een van de onderstaande documenten aan de aanvrager:
een bindende offerte waarin ook de voorwaarden voor de aansluiting opgenomen worden;
een schriftelijk gemotiveerde weigering van de aanvraag, met vermelding van de bemiddelings-en beslechtingstaak in geschillen met netbeheerder conform artikelen 3.1.4/2 en 3.1.4/3 van het Energiedecreet.

§ 2

In uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder afwijken van de gestelde termijn.

Art. 2.2.20.
Als de identificatie van het toegangspunt (EAN), die bij de aansluiting hoort, en van één of meer hieraan gekoppelde allocatiepunten, niet werd meegedeeld in de offerte, deelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder deze desgewenst uiterlijk drie dagen na akkoord op de offerte mee aan de distributienetgebruiker.

Art. 2.2.21.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de door de aanvrager voorgestelde uitvoeringsdatum haalbaar is. Als de voorgestelde uitvoeringsdatum niet haalbaar is, voegt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een motivatie voor het verwerpen van de voorgestelde datum en een alternatieve uitvoeringsdatum bij zijn antwoord op de aanvraag.

Art. 2.2.22.
Als een deel van de aanleg van de aansluiting onder de verantwoordelijkheid van de elektriciteitsdistributienetbeheerder toevertrouwd wordt aan de aanvrager van de nieuwe aansluiting of aanpassing van de aansluiting, vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder in zijn offerte de werkzaamheden waarvan hij verwacht dat ze worden uitgevoerd, de delen van de aansluiting waarvan hij verwacht dat ze geïnstalleerd worden en de technische eisen waaraan die moeten voldoen tegen de datum die afgesproken wordt om de aansluiting te realiseren.

Sub-onderafdeling 4.
De aanvraag van een aansluiting met studie

Art. 2.2.23. algemeen

Elke aanvraag voor een aansluiting met studie, met een aansluitingsvermogen <25 MVA, wordt ingediend bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder.
Daarbij geeft de aanvrager aan of hij een oriënterende studie of een detailstudie wenst.


Oriënterende studie - voorontwerp van aansluiting

Art. 2.2.24. doel

Het doel van een oriënterende studie is het opmaken van een voorontwerp van aansluiting op midden- of hoogspanning.
De gegevens in het voorontwerp van aansluiting binden noch de elektriciteitsdistributienetbeheerder, noch de aanvrager van de oriënterende studie op enige wijze.

Art. 2.2.25.
Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aanvraag voor een oriënterende studie indienen met betrekking tot een nieuwe aansluiting.
Het indienen van een aanvraag voor een oriënterende studie is facultatief.

Art. 2.2.26.
De aanvraag voor een oriënterende studie bevat minstens de gegevens, vermeld in Art. 2.2.8 § 2. Ze wordt schriftelijk ingediend volgens de procedure die de elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft opgesteld en openbaar gemaakt.

Art. 2.2.27. Kost oriënterende studie

De kosten voor het opstellen van een oriënterende studie zijn voor rekening van de aanvrager.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert de tarieven voor het opstellen van een oriënterende studie.

Art. 2.2.28.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan op elk moment bij de aanvrager aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om het voorontwerp van aansluiting voor te bereiden.

Art. 2.2.29.

§ 1

Binnen een redelijke termijn, en in ieder geval binnen een termijn van vijftien werkdagen na ontvangst van een volledige aanvraag voor een oriënterende studie, bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder:
ofwel een voorontwerp van aansluiting;
ofwel een schriftelijk gemotiveerde weigering van de aansluiting, met vermelding van de bemiddelings- en beslechtingstaak in geschillen met netbeheerder conform artikelen 3.1.4/2 en 3.1.4/3 van het Energiedecreet.

§ 2

In afwijking van § 1 bedraagt de termijn, vermeld in § 1, maximaal dertig werkdagen als de aanvraag betrekking heeft op een aansluiting op een spanning groter dan of gelijk aan 30 kV en voor aansluitingen van installaties met een vermogen groter dan of gelijk aan 1 MVA.

§ 3

Het voorontwerp bevat ten minste:
een schema voor de beoogde aansluiting;
de technische voorschriften voor de aansluiting;
een indicatieve raming van de kosten;
een indicatieve raming van de termijn die nodig is voor de realisatie van de aansluiting, met inbegrip van de eventuele versterkingen die aan het elektriciteitsdistributienet moeten worden aangebracht ten gevolge van de aansluiting.

§ 4

Bij de behandeling van de aanvraag voor een oriënterende studie verleent de elektriciteitsdistributienetbeheerder, in de mate van het mogelijke en rekening houdend met de noodzakelijke continuïteit van de voorziening, voorrang aan aanvragen die betrekking hebben op kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallaties en productie-installaties die hernieuwbare energiebronnen gebruiken.

§ 5

De indiening van een aanvraag voor een oriënterende studie verplicht de beheerder van het elektriciteitsdistributienet er niet toe om een reservering van toegangsvermogen te bepalen of toe te kennen.

§ 6

De termijnen, vermeld in § 1 en § 2, kunnen worden verlengd in onderling overleg.


Detailstudie - ontwerp van aansluiting

Art. 2.2.30. Doel detailstudie

Het doel van een detailstudie is het opmaken van een ontwerp van aansluiting, als onderdeel van een prijsofferte.
De offerte in die mate van detail worden opgesteld dat de door de bevoegde regulator goedgekeurde of opgelegde tarieven zijn weergegeven. Ze is geldig gedurende een periode van zes maanden.
Nadien wordt de procedure van de aansluitingsaanvraag beschouwd als afgesloten.

Art. 2.2.31.
Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aanvraag voor een aansluiting met studie indienen met betrekking tot een nieuwe aansluiting.

Art. 2.2.32. Samenstelling aanvraagdossier

De aanvraag tot aansluiting bevat minstens de gegevens, vermeld in Art. 2.2.8 § 2. Ze wordt schriftelijk ingediend volgens de procedure die de elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft opgesteld.

Art. 2.2.33. Ontvankelijkheid en volledigheid

Na ontvangst van een aanvraag voor een aansluiting beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder zo snel mogelijk, en in ieder geval binnen een termijn van tien werkdagen, de ontvankelijkheid ervan. Hij stelt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van het resultaat van de beoordeling, en vermeldt de verdere gegevens die de aanvrager eventueel moet verstrekken om het ontwerp van aansluiting voor te bereiden.

Art. 2.2.34. Volgorde dossierbehandeling

§ 1

Bij het onderzoek van de aanvraag voor een aansluiting verleent de elektriciteitsdistributienetbeheerder, in de mate van het mogelijke en rekening houdend met de noodzakelijke continuïteit van de voorziening, voorrang aan aanvragen die betrekking hebben op kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallaties en productie-installaties die hernieuwbare energiebronnen gebruiken.

§ 2

Met behoud van de toepassing van § 1 behandelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de ontvankelijke aanvragen voor een detailstudie en de bijhorende reservering van toegangsvermogen in volgorde van aanvraag.

Art. 2.2.35. Aansluiting met flexibele toegang

§ 1

Afhankelijk van de capaciteit van het elektriciteitsdistributienet wordt het toegangsvermogen toegekend volgens traditionele of, in geval van een productie-eenheid, volgens flexibele voorwaarden zoals beschreven in het aansluitingscontract.

§ 2

Een aansluiting met flexibele toegang onder normale uitbatingsomstandigheden van het net kan toegestaan worden als het gaat om een aansluiting van een productie-installatie, en als deze aansluiting conform de standaard vigerende regels geweigerd zou moeten worden door een gebrek aan capaciteit omwille van congestie. Deze flexibele toegang kan in principe enkel tijdelijk toegepast worden in afwachting van de uitvoering van een geplande netversterking. Deze flexibele toegang kan uitzonderlijk, om technisch-economische redenen en mits akkoord van de VREG, definitief toegepast worden.

Art. 2.2.36. Offerte of weigering

§ 1

Zo snel mogelijk en zeker binnen een termijn van dertig werkdagen na ontvangst van een volledige aanvraag, bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de aanvrager een offerte of een schriftelijk gemotiveerde weigering van de aansluiting met vermelding van de bemiddelings- en beslechtingstaak in geschillen met netbeheerder conform artikelen 3.1.4/2 en 3.1.4/3 van het Energiedecreet.

§ 2

De offerte omvat een ontwerp van aansluiting met de technische oplossingen en regelparameters die overeengekomen moeten worden tussen elektriciteitsdistributienetbeheerder en aanvrager, in overeenstemming met de voorschriften van dit reglement en rekening houdend met de technische kenmerken van het elektriciteitsdistributienet. Dit voorstel omvat eveneens:
de uitvoeringsvoorwaarden en -termijnen voor de realisatie van de aansluiting, inclusief voorstel van startdatum van de werken op het terrein, naargelang het gaat om een nieuwe of een aan te passen aansluiting, met aanduiding van de onderliggende hypothesen en rekening houdend met de termijnen die nodig zijn voor de eventuele aanpassingen die aan het elektriciteitsdistributienet en transmissienet moeten worden aangebracht;
het aansluitingsreglement.

§ 3

In afwijking van § 1 bedraagt de termijn voor aanvragen die betrekking hebben op aansluitingen op een spanning groter dan of gelijk aan 30 kV en voor aansluitingen van installaties met een vermogen groter dan of gelijk aan 1 MVA, veertig werkdagen. Indien een dergelijke aansluitingsaanvraag overleg noodzaakt met een andere netbeheerder, kan de termijn vermeerderd worden tot maximaal vijftig werkdagen.

§ 4

De termijnen, vermeld in § 1 en § 3, kunnen in onderling overleg verlengd worden.
De uitvoering van (werken aan) een aansluiting kan door de elektriciteitsdistributienetbeheerder opgeschort worden als de aanvrager nog financiële verplichtingen, verbonden aan het gebruik van een bestaande aansluiting op het elektriciteitsdistributienet, heeft t.a.v. de elektriciteitsdistributienetbeheerder, waarvan de uiterste betaaldatum is verlopen. Dit geldt niet in geval op het moment van de (eerste) aanvraag van de betreffende (werken aan een) aansluiting de financiële verplichting(en) reeds betwist zijn door de aanvrager, en zolang de betwisting niet afgerond is.
Een betwisting, bedoeld in het voorgaande lid, is afgerond als de klacht afgesloten is door de distributienetbeheerder, de bemiddelings- of geschillenbeslechtingsprocedure bij de VREG is afgerond, of alle rechtsmiddelen zijn uitgeput.

Art. 2.2.37.
Het gereserveerde toegangsvermogen voorzien in de offerte blijft geldig gedurende de geldigheidsduur van de offerte zoals bepaald in Art. 2.2.9. Daarna, en mits goedkeuring van de offerte, is het gereserveerde toegangsvermogen geldig voor een periode van twee jaar te rekenen vanaf goedkeuring van de offerte. De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan de reservering slechts eenmaal mits motivering van de aanvrager verlengen. Bij laattijdige realisatie van de aansluiting door de elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt de reservering automatisch verlengd. Gereserveerd toegangsvermogen is niet verhandelbaar of overdraagbaar.

Art. 2.2.38. Kosten

De kosten die de elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt voor de behandeling van de aansluitingsaanvraag en het opstellen van het ontwerp van aansluiting, zijn voor rekening van de aanvrager.
Als de detailstudie de oriënterende studie tegenspreekt, moeten de aangerekende kosten voor de oriënterende studie worden terugbetaald.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert de tarieven voor het opstellen van een detailstudie.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan in de periode die eindigt zes maanden vóór de geplande startdatum van de werken op het terrein een voorschot van maximaal 30 % van het volledige bedrag van de reëel te betalen aansluitingskosten factureren aan de aanvrager.

Sub-onderafdeling 5.
Termijnen van uitvoering van de aansluiting

Art. 2.2.39.

§ 1

Na goedkeuring van de offerte voor een eenvoudige aansluiting spreken de aanvrager en de elektriciteitsdistributienetbeheerder een uitvoeringsdatum af, waarbij de aanvrager kan eisen dat de uitvoering gebeurt binnen vijftien werkdagen na de betaling. In geval er een onderboring of een netuitbreiding moet uitgevoerd worden of in andere uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van die termijn afwijken.

§ 2

Na goedkeuring van de offerte voor een tijdelijke aansluiting spreken de aanvrager en de elektriciteitsdistributienetbeheerder een uitvoeringsdatum af, waarbij de aanvrager kan eisen dat de uitvoering gebeurt binnen vijftien werkdagen na de goedkeuring van de offerte. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van deze termijn afwijken.

§ 3

Na goedkeuring van de offerte voor een aanvraag met detailstudie spreken de aanvrager en de elektriciteitsdistributienetbeheerder een uitvoeringsdatum af, waarbij voor aansluitingen tot 5 MVA de aanvrager kan eisen dat de uitvoering gebeurt binnen achttien weken. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van deze termijnen afwijken.

§ 4

De termijnen voor de realisatie van de aansluiting kunnen worden verlengd in onderling overleg.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder respecteert de termijn voor de realisatie van de aansluiting zoals die is afgesproken met de aanvrager. Alleen als de aanvrager in gebreke blijft bij het uitvoeren van de gemaakte afspraken of in uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van die termijn afwijken.

§ 6

Onverminderd de vorige paragrafen kan de uitvoeringstermijn na goedkeuring van de offerte voor een aansluiting van kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallaties en installaties die elektriciteit produceren op basis van hernieuwbare energiebronnen niet meer dan 24 maanden bedragen, behoudens uitzonderlijke omstandigheden en na motivering.

Art. 2.2.40.

§ 1

De noodzakelijke vergunningsaanvragen moeten binnen een termijn die met de planning van de realisatie van de aansluiting overeenstemt, bij de bevoegde overheden ingediend worden.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van een eventueel uitstel of eventuele weigering door de bevoegde overheid om de noodzakelijke vergunningen af te leveren.

Afdeling 2.
Aansluitingsvoorschriften en handhaving ervan


Onderafdeling 1.
Voorschriften voor elke aansluiting en aangesloten installatie van de netgebruiker


Art. 2.2.41.

§ 1

Elke aansluiting, alsook elke installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die op het elektriciteitsdistributienet is aangesloten, moet voldoen aan de normen en de reglementering die op elektrische installaties van toepassing zijn, de voorschriften van dit reglement en het aansluitingscontact of -reglement.

§ 2

Een aansluiting of installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die bestond op 1 juli 2002 en die niet in overeenstemming is met de voorschriften van dit reglement, kan als dusdanig worden gebruikt zolang ze geen schade of hinder berokkent of zou kunnen berokkenen aan de installaties van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of aan de installaties van of de kwaliteit van de geleverde spanning bij een andere elektriciteitsdistributienetgebruiker. Bij de eerste ingrijpende wijziging of uitbreiding van de aansluiting of de installatie moet deze in overeenstemming gebracht worden met de bepalingen van dit reglement.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele schade bij de elektriciteitsdistributienetgebruiker die veroorzaakt wordt door de slechte werking van diens installaties omdat die niet in overeenstemming zijn met dit reglement.

§ 4

De elektriciteitsdistributienetgebruiker en de eigenaar van het goed in kwestie treffen de nodige voorzorgen om iedere beschadiging aan de aansluiting te voorkomen.

§ 5

Het tracé van de aansluiting, alsmede de opstelling en de karakteristieken van de samenstellende delen worden op zo'n wijze bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de algemene veiligheid en de normale werking van de deelelementen van de aansluiting verzekerd zijn en dat de meteropnamen, het toezicht, het nazichten het onderhoud gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd.

§ 6

De installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker mogen bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij derden geen risico's, schade of hinder van welke aard ook veroorzaken.

Art. 2.2.42.

§ 1

De doorvoer van de aansluitingskabel door de muur van het gebouw van de elektriciteitsdistributienetgebruiker kan aan de aanvrager of de eigenaar van het gebouw worden toevertrouwd volgens de aanwijzingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

De kabel moet over de hele lengte van de doorvoeropening mechanisch worden beschermd door een mantelbuis, vervaardigt uit polyvinylchloride, polyethyleen of vezelcement.

§ 3

De doorvoeropening voor de elektriciteitsaansluiting mag niet voor andere leidingen worden gebruikt.

§ 4

De muurdoorvoer wordt door de aanvrager of de eigenaar van het gebouw water- en gasdicht gemaakt. Hij bezorgt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder het bewijs dat de muurdoorvoer water- en gasdicht werd gemaakt. De elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar van het goed zorgt ervoor dat de muren in kwestie waterdicht blijven.

§ 5

De aansluiting mag pas worden ingewerkt na de toestemming van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Ze moet doeltreffend beschermd worden. Toezicht moet altijd moge lijk zijn.

Art. 2.2.43. Verbod achterliggende verbinding

Installaties gelegen achter verschillende toegangspunten mogen zonder expliciete toestemming van de elektriciteitsdistributienetbeheerder op geen enkele manier met elkaar verbonden worden.

Onderafdeling 2.
Specifieke voorschriften voor aansluitingen op laagspanning


Art. 2.2.44.

§ 1

In gebouwen waar het gevraagde aansluitingsvermogen 25 kVA overschrijdt, stelt de elektriciteitsdistributienetgebruiker voor de plaatsing van de meetin richting en andere apparatuur die deel uitmaakt van de aansluiting, gratis een (deel van een) ruimte ter beschikking aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Die ruimte voldoet aan de eisen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

In gebouwen waar het gevraagde aansluitingsvermogen 25 kVA niet overschrijdt, stelt de elektriciteitsdistributienetgebruiker gratis een deel van een muur ter beschikking voor de aansluitingskast.

Art. 2.2.45.
De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften voor aansluitingsinstallaties en installaties van elektriciteitsdistributienetgebruikers op laagspanning vast en maken die bekend via hun website.

Onderafdeling 3.
Specifieke voorschriften voor aansluitingen op midden- of hoogspanning


Art. 2.2.46.
Voor de plaatsing van de meetin richting en andere apparatuur die deel uitmaakt van de aansluiting, stelt de elektriciteitsdistributienetgebruiker gratis een ruimte ter beschikking aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Die ruimte voldoet aan de eisen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De plaats wordt in onderling overleg bepaald.

Art. 2.2.47.
De inplanting, de bereikbaarheid van de installaties, de bedienbaarheid en de identificatie van de bedieningsapparatuur van de elektriciteitsdistributienetgebruiker moet aanvaard worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De werking moet in overeenstemming zijn met de exploitatiewijze van het elektriciteitsdistributienet waarop ze aangesloten worden, zowel met betrekking tot hun technische kenmerken als met betrekking tot de veiligheidsaspecten die aan de exploitatie verbonden zijn.

Art. 2.2.48.

§ 1

De instellingen van de beveiligingen van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die in geval van incident zijn installaties afschakelen van de aansluiting, worden in onderling overleg met de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald. De selectiviteit van de beveiliging van de netten mag door de keuze van de waarde van de beveiligingsparameters in geen geval in het gedrang gebracht worden.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om, op basis van een gewijzigde netsituatie, de noodzakelijke aanpassingen op te leggen voor de beveiligingen in de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, zodat de selectiviteit van de beveiligingen in de netten gewaarborgd kan blijven. Alle kosten die verbonden zijn aan eventueel uit te voeren aanpassingen aan de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, komen voor rekening van de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 2.2.49.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de technische middelen aan te wenden die nodig zijn voor de compensatie van reactieve energie, of, meer in het algemeen, voor de compensatie van ieder verstorend fenomeen, als de belasting van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die aan het elektriciteitsdistributienet is aangesloten, aanleiding geeft tot een extra afname van reactieve energie, zoals bepaald in Art. 2.3.16, Art. 2.3.17 en Art. 2.3.18, of als ze de veiligheid, de betrouwbaarheid of de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet verstoort.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder motiveert zijn beslissing en deelt die mee aan de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 3

De installatie en de aanwending van de technische middelen, vermeld in § 1, komen voor rekening van de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 2.2.50.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften voor aansluitingsinstallaties en installaties van elektriciteitsdistributienetgebruikers op midden- en hoogspanning vast, en maken die bekend via hun websites.

§ 2

Voor aansluitingen op hoogspanning bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, na overleg met de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de minimale technische vereisten en de regelparameters met betrekking tot de aansluiting, de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die functioneel deel uitmaken van het distributienet, en de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die een niet-verwaarloosbare invloed hebben op het elektriciteitsdistributienet, de aansluiting(en) of de installaties van een andere elektriciteitsdistributienetgebruiker, die door de elektriciteitsdistributienetbeheerder nodig worden geacht met het oog op de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet.
De technische vereisten en de regelparameters kunnen worden herzien op gemotiveerd verzoek van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Onderafdeling 4.
Specifieke voorschriften voor de aansluiting van elektriciteitsproductie-eenheden en energieopslagsystemen


Art. 2.2.51.
Elektriciteitsproductie-eenheden, aangesloten op het elektriciteitsdistributienet, zijn conform de Europese netcode RfG op basis van drempelcriteria als volgt geklasseerd in de types A, B, C of D:
type A: het maximaal vermogen van de eenheid is ≥ 0,8 kW en < 1 MW;
type B: het maximaal vermogen van de eenheid is ≥ 1 MW en < 25 MW;
type C: het maximaal vermogen van de eenheid is ≥ 25 MW en < 75 MW.
type D: het maximaal vermogen van de eenheid is ≥ 75 MW

Art. 2.2.52.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften voor aansluitingen van elektriciteitsproductie-eenheden van types A en B en energieopslagsystemen vast en maken die bekend via hun websites. De Algemene Toepassingseisen worden eveneens in deze aanvullende technische voorschriften opgenomen.
Voor noodgroepen kunnen afwijkingen op deze technische regels gelden.

§ 2

Nieuwe elektriciteitsproductie-eenheden van types A, B, C of D, alsook bestaande elektriciteitsproductie-eenheden van het type C of D die een substantiële modernisering ondergaan, moeten voldoen aan de Algemene Toepassingseisen.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerders stellen in samenspraak met de transmissienetbeheerder de definitie, criteria en procedure voor substantiële modernisering op en leggen deze na publieke consultatie voor aan de VREG ter goedkeuring.

Art. 2.2.53. Meldingsplicht

§ 1

De elektriciteitsdistributienetgebruiker moet de indienstname of significante wijziging van een productie-eenheid of energieopslagsysteem melden aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De wijze van melding wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald.

§ 2

In de aanvullende technische voorschriften zoals bepaald in Artikel 2.2.52 § 1 legt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de reden tot noodzaak voor een verplichte voorafgaandelijke detailstudie vast.

Art. 2.2.54. Telecontrole

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan een telecontrole opleggen aan de producent in volgende gevallen:
projecten met een elektriciteitsproductie-eenheid van het type B of C;
projecten met een globaal opgesteld productievermogen groter dan of gelijk aan 1000 kVA;
projecten waarvan uit de detailstudie blijkt dat bij lokale congestie op het elektriciteitsdistributienet, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of daarmee gekoppelde netelement, tijdelijke productiebeperkingen noodzakelijk zijn.
De telecontrole, vermeld in het eerste lid, geeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder de mogelijkheid om, door middel van een centraal besturingssysteem, productiebeperkingen op te leggen op basis van objectieve criteria die contractueel vastgelegd worden, in volgende gevallen:
in uitzonderlijke uitbatingsomstandigheden van het elektriciteitsdistributienet;
als de productie-installatie aangesloten is met flexibele toegang, zoals vermeld in Art. 2.2.35.
In geval dat met de elektriciteitsproductie-eenheid ondersteunende diensten aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder geleverd worden volgens de modaliteiten beschreven in Art. 2.3.22 § 2

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan een telecontrole opleggen voor energieopslagsystemen met een globaal opgesteld vermogen groter dan of gelijk aan 1000 kVA. Deze telecontrole geeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder de mogelijkheid om, in geval van uitzonderlijke uitbatingsomstandigheden van het elektriciteitsdistributienet, door middel van een centraal besturingssysteem, injectiebeperkingen op te leggen op basis van objectieve criteria die contractueel vastgelegd worden.

Onderafdeling 5.
Handhaving van de conformiteit van de aansluiting of de aangesloten installatie(s) van de netgebruiker


Art. 2.2.55.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de conformiteit na te gaan van de aansluiting en de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker met de voorschriften van dit reglement en het aansluitingscontract en -reglement.

Art. 2.2.56.

§ 1

Om de conformiteit van de aansluiting en van de installaties van een elektriciteitsdistributienetgebruiker met de bepalingen van dit reglement en het aansluitingscontract te onderzoeken kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder op eigen initiatief of op verzoek van een derde partij testen op de installaties uitvoeren.

§ 2

Na overleg komen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker de procedure, de planning en de in te zetten middelen overeen.

§ 3

Binnen een maand na de proeven, uitgevoerd door of in opdracht van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een rapport aan de betrokken partij(en), voor zover de gegevens in dat rapport niet vertrouwelijk zijn.

Art. 2.2.57.
Als het onderzoek of de proeven aantonen dat een installatie niet beantwoordt aan de vereisten van dit reglement of het aansluitingscontract, brengt de in gebreke blijvende partij de vereiste veranderingen aan de installatie aan binnen een door de elektriciteitsdistributienetbeheerder vastgelegde termijn. Die partij draagt de kosten voor het onderzoek of de proeven die de inbreuk onthuld hebben, alsook de kosten voor de nieuwe proeven die uitgevoerd worden nadat de veranderingen aan de installatie zijn aangebracht. In het tegenovergestelde geval zijn de proeven op kosten van diegene die ze aangevraagd heeft.

Art. 2.2.58.

§ 1

Elke aansluiting of installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die niet in overeenstemming is met de voorschriften van dit reglement en die daardoor schade of hinder berokkent aan de installaties van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij een of meer andere elektriciteitsdistributienetgebruikers, moet door de elektriciteitsdistributienetgebruiker in overeenstemming gebracht worden binnen een door de elektriciteitsdistributienetbeheerder vastgelegde termijn afhankelijk van de aard en de omvang van de schade of hinder.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan gedurende die termijn niet verantwoordelijk gesteld worden voor eventuele schade die veroorzaakt wordt bij elektriciteitsdistributienetgebruikers doordat installaties van een elektriciteitsdistributienetgebruiker niet in overeenstemming zijn met de voorschriften van dit reglement.

Art. 2.2.59.
De aanpassingen, vermeld in Art. 2.2.58, § 1, komen voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of van de eigenaar van het goed in kwestie, volgens hun respectieve verantwoordelijkheden, als bewezen is dat de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of van de eigenaar van het goed aan de basis liggen van de schade of hinder.

Art. 2.2.60.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetgebruiker de aanpassingen, vermeld in Art. 2.2.57 of Art. 2.2.58, niet binnen de opgelegde termijn heeft uitgevoerd, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder hem per brief in gebreke.

§ 2

Behoudens andersluidend akkoord tussen de betrokken partijen, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder het recht het toegangspunt buiten dienst te stellen, indien de aanpassingen tien werkdagen na de ingebrekestelling nog niet zijn uitgevoerd. Bij het vaststellen van die termijn geldt de postdatum van de brief als bewijs.

Art. 2.2.61.
Onverminderd de bepalingen van Art. 2.2.58 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder eisen dat de elektriciteitsdistributienetgebruiker maatregelen treft en die bekostigt om te voorkomen dat ten gevolge van de werking van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker het toegestane niveau van storingen, vermeld in Art. 2.2.90, wordt overschreden.

Art. 2.2.62.

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker die zelf proeven wil uitvoeren of laten uitvoeren op de aansluiting of op zijn installaties die een niet-verwaarloosbare invloed hebben op het elektriciteitsdistributienet of op de aansluiting(en) of de installaties van een andere elektriciteitsdistributienetgebruiker, moet vooraf een schriftelijke goedkeuring van de elektriciteitsdistributienetbeheerder krijgen. Elke aanvraag moet gemotiveerd zijn. Ze vermeldt de installatie(s) waarop de proeven betrekking hebben, de aard en de technische gegevens van de proeven, de procedure (onder meer wie de proeven uitvoert) en de planning.

§ 2

Op basis van de gegevens in die aanvraag beslist de elektriciteitsdistributienetbeheerder over de opportuniteit van de aanvraag en geeft hij, in voorkomend geval, zijn goedkeuring aan de gevraagde proeven, de procedure en de planning ervan. Hij waarschuwt de partijen die volgens hem bij de gevraagde proeven betrokken zijn.

Afdeling 3.
Aanleg en beheer van de aansluiting


Onderafdeling 1.
Algemeen


Art. 2.2.63. Verdeling van rechten en plichten m.b.t. een aansluiting

§ 1

Een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet bestaat uit verschillende onderdelen, zoals aangegeven in de schema's weergegeven in door de elektriciteitsdistributienetbeheerders gemeenschappelijk vastgelegde technische voorschriften die gepubliceerd worden op hun websites.
De verdeling van eigendomsrechten en exploitatie- en onderhoudsplichten tussen elektriciteitsdistributienetgebruiker en elektriciteitsdistributienetbeheerder worden eenduidig opgegeven in de schema's. Deze schema's zijn van toepassing op nieuwe installaties. Voor bestaande installaties gelden deze schema's enkel bij gebrek aan andersluidende bepalingen.

§ 2

Voor aansluitingen op het hoogspanningsnet kan afgeweken worden van de schema's vermeld in § 1. In dat geval moet de verdeling van eigendomsrechten en exploitatie- en onderhoudsplichten tussen elektriciteitsdistributienetgebruiker en elektriciteitsdistributienetbeheerder in het aansluitingscontract bepaald worden.

Onderafdeling 2.
Gedeelte van aansluiting in eigendom of gebruik van de elektriciteitsdistributienetbeheerder


Art. 2.2.64. Aanleg

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is als enige gemachtigd het gedeelte van de aansluiting waarvan hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, aan te leggen.

§ 2

Onder de verantwoordelijkheid van de elektriciteitsdistributienetbeheerder kan een deel van de aanleg van de aansluiting toevertrouwd worden aan een derde partij of aan de aanvrager van de nieuwe aansluiting of van de aanpassing van de aansluiting.
Een elektriciteitsdistributienetgebruiker of een aanvrager van een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet kan niet door de elektriciteitsdistributienetbeheerder verplicht worden de werkzaamheden op openbaar domein, die nodig zijn voor de realisatie van de aansluiting, zelf uit te voeren.

Art. 2.2.65. Beheer en onderhoud

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is belast met het onderhoud en de goede en veilige werking van de delen van de aansluiting waarover hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft. Hij is als enige gemachtigd het gedeelte van de aansluiting waarvan hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft aan te passen, te onderhouden, te herstellen, te vervangen, te verwijderen, buiten dienst te stellen en uit te baten.

Art. 2.2.66. Bijkomende bepalingen inzake gebruik, onderhoud en herstelling van laagspanningsaansluitingen

§ 1

De onderhouds- en herstellingskosten zijn voor rekening van de elektriciteitsdistributienetbeheerder voor zover er geen schade door de elektriciteitsdistributienetgebruiker veroorzaakt werd. De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan de kosten steeds verhalen op de veroorzaker ervan. Onderhouds- of herstellingswerken op initiatief van de netgebruiker zijn voor diens rekening.

§ 2

De automatische schakelaar van de aansluiting die bij de meetinrichting behoort, mag bediend worden door de elektriciteitsdistributienetgebruiker, behalve als de elektriciteitsdistributienetbeheerder een verzegeling of een andere contra-indicatie heeft aangebracht.

Onderafdeling 3.
Gedeelte van aansluiting in eigendom of gebruik van de elektriciteitsdistributienetgebruiker


Art. 2.2.67.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt in het aansluitingscontract welke installaties waarvan de elektriciteitsdistributienetgebruiker het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, functioneel deel uitmaken van het elektriciteitsdistributienet.

§ 2

De installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die functioneel deel uitmaakt van het elektriciteitsdistributienet (voor doorvoer van energie naar andere elektriciteitsdistributienetgebruikers) wordt kosteloos ter beschikking gesteld van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 3

Tussenkomsten en schakelingen op installaties die functioneel deel uitmaken van het elektriciteitsdistributienet mogen alleen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of een door hem gemandateerde uitgevoerd worden, zelfs als de elektriciteitsdistributienetgebruiker het eigendoms- of gebruiksrecht heeft van deze installaties. Als de tussenkomsten of schakelingen gebeuren op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, of hun oorzaak vinden in de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, komen de kosten van die tussenkomsten en schakelingen voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 2.2.68. Plicht tot aanpassing van de installaties van de netgebruiker

§ 1

Als een installatie waarvan de elektriciteitsdistributienetgebruiker het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, de veiligheid of de betrouwbaarheid van het elektriciteitsdistributienet in het gedrang brengt, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker in gebreke bij aangetekende brief. De ingebrekestelling beschrijft de door de elektriciteitsdistributienetgebruiker te nemen maatregelen, de motivatie hiervoor en de termijn voor uitvoering. Ingeval de elektriciteitsdistributienetgebruiker binnen de termijn die in de ingebrekestelling is vastgelegd, de te nemen maatregelen niet heeft genomen, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder het recht de nodige maatregelen te nemen op kosten van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of hem de toegang tot het elektriciteitsdistributienet te ontzeggen. De bepalingen van Afdeling 4 van deze code zijn van toepassing.

§ 2

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder van oordeel is dat een aanpassing van de installaties waarvan de elektriciteitsdistributienetgebruiker het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, noodzakelijk is voor de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet, heeft hij het recht om die aanpassingen op te leggen, na overleg met de elektriciteitsdistributienetgebruikerover de werkzaamheden en hun termijn van uitvoering en op voorwaarde dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder de gemaakte kosten vergoedt.

§ 3

De werkzaamheden, met inbegrip van de inspecties, testen of proeven, moeten worden uitgevoerd conform de bepalingen van dit reglement en de contracten en reglementen, vermeld in dit reglement.

Afdeling 4.
Toegankelijkheid van de aansluiting en de installaties


Art. 2.2.69. Toegankelijkheid van de aansluiting

De elektriciteitsdistributienetgebruikeren de elektriciteitsdistributienetbeheerder hebben toegangtot de aansluiting.

Art. 2.2.70. Toegankelijkheid van de installaties van de elektriciteitsdistributienetbeheerder

§ 1

De toegang tot elk roerend of onroerend goed waarvan de elektriciteitsdistributienetbeheerder het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, gebeurt te allen tijde overeenkomstig de toegangsprocedures en veiligheidsvoorschriften van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en na zijn uitdrukkelijk akkoord.

§ 2

Met inachtname van (grond)wettelijke bepalingen, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder toegang tot alle installaties waarvan hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft en die zich bevinden in de inrichting van de elektriciteitsdistributienetgebruiker. De elektriciteitsdistributienetgebruiker zorgt voor een permanente mechanische toegang voor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of verschaft hem die onmiddellijk op eenvoudig mondeling verzoek na behoorlijke legitimatie.

§ 3

Als de toegang tot een roerend of onroerend goed van de elektriciteitsdistributienetgebruiker onderworpen is aan specifieke toegangsprocedures en veiligheidsvoorschriften van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, moet hij die vooraf schriftelijk aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder meedelen. Zo niet volgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder zijn eigen veiligheidsvoorschriften.

Art. 2.2.71. Toegankelijkheid van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die functioneel deel uitmaken van het elektriciteitsdistributienet

§ 1

Met inachtname van (grond)wettelijke bepalingen heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder toegang tot de installaties die functioneel deel uitmaken van het elektriciteitsdistributienet om er inspecties, testen, proeven of exploitatiehandelingen uit te voeren. De elektriciteitsdistributienetgebruiker zorgt voor een permanente mechanische toegang voor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of verschaft hem die onmiddellijk op eenvoudig mondeling verzoek.

§ 2

Voor elke exploitatiehandeling en inspectie, test of proef, als vermeld in § 1, moet de elektriciteitsdistributienetgebruiker de elektriciteitsdistributienetbeheerder schriftelijk op de hoogte brengen van de toepasselijke veiligheidsvoorschriften. Zoniet volgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder zijn eigen veiligheidsvoorschriften.

Art. 2.2.72. Toegankelijkheid van installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker met niet-verwaarloosbare invloed

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt in het aansluitingscontract welke installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker een niet-verwaarloosbare invloed hebben op het elektriciteitsdistributienet, de aansluiting(en) of de installaties van een andere elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 2

Met inachtname van (grond)wettelijke bepalingen heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder toegang tot de installaties, vermeld in § 1, om er inspecties, testen of proeven uit te voeren. De elektriciteitsdistributienetgebruiker zorgt voor een permanente mechanische toegang voor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of verschaft hem die onmiddellijk op eenvoudig mondeling verzoek.

Afdeling 5.
Wijzigingen aan de aansluiting, wegname en verzegeling


Onderafdeling 1.
Wijzigingen aan de aansluiting


Art. 2.2.73.

§ 1

Elke aangesloten elektriciteitsdistributienetgebruiker kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aanvraag tot wijziging, zoals bijvoorbeeld een verzwaring, van zijn aansluiting indienen.

§ 2

De wijziging van een bestaande aansluiting kan ook opgelegd worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder in de gevallen bedoeld in Art. 2.2.90 om de algemene veiligheid, het toezicht op en het gemakkelijk onderhoud van de aansluiting te vrijwaren, alsook de correcte werking van de toestellen van de aansluiting en de gemakkelijke opname van de meters toe te laten. Dergelijke wijziging is op kosten van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar van het betrokken goed.

Art. 2.2.74.
De aanvraag bevat minstens de volgende gegevens:
de identiteit en contactgegevens van de aanvrager (eventueel de juridische vorm en het ondernemingsnummer);
de rechten van de aanvrager ten aanzien van het gebouw of de installatie waarop de aansluiting betrekking heeft;
het grondplan van de plaats van afname of injectie;
het gewenste aansluitingsvermogen, toegangsvermogen en spanningsniveau;
de technische karakteristieken van de installaties die op het elektriciteitsdistributienet moeten worden aangesloten;
de informatie die nodig is voor het toekennen van het gebruiksprofiel.

Art. 2.2.75.
Bij de aanvraag tot wijziging van een aansluiting wordt eveneens een onderscheid gemaakt tussen een eenvoudige aansluiting, een tijdelijke aansluiting en een aansluiting met voorafgaande studie. De procedures voor de aanvraag tot nieuwe aansluiting zoals beschreven in Afdeling 1 van Hoofdstuk II van de Netcode zijn van overeenkomstige toepassing.

Art. 2.2.76.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan, in geval van een bestaande aansluiting, de aansluiting uitvoeren via een rechtstreekse verbinding van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker met de secundaire rails van een transformatiepost die het elektriciteitsdistributienet op midden- of hoogspanning voedt, als het gemiddelde van de reële hoogste kwartiervermogens met betrekking tot de voorbije twaalf maanden groter is dan 5 MW.

Art. 2.2.77.
Vóór een toegangspunt naar een gewijzigde installatie in dienst wordt genomen, bezorgt de elektriciteitsdistributienetgebruiker aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder het bewijs dat zijn installaties aan de wettelijke verplichtingen voldoen.

Art. 2.2.78.

§ 1

Voor elke aanpassing van een bestaande aansluiting op het midden-of hoogspanningsnet, van een daarmee verbonden installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die een niet-verwaarloosbare invloed heeft op het midden- of hoogspanningsnet of van hun respectieve exploitatiewijze moet met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aansluitingscontract worden gesloten.

§ 2

Voor aanpassingen aan een bestaande aansluiting op het laagspanningsnet, moet geen aansluitingscontract ondertekend worden. Voor die aanpassingen worden de voorwaarden opgenomen in het aansluitingsreglement van deelektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 2.2.79.
Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder beslissen dat een wijziging als vermeld Art. 2.2.78 § 1 als minder belangrijk wordt beschouwd. Een dergelijke minder belangrijke aanpassing wordt vermeld in een bijvoegsel bij het aansluitingscontract.

Onderafdeling 2.
Wegname van de aansluiting


Art. 2.2.80. Wegname op initiatief eigenaar

§ 1

Elke aansluiting kan worden weggenomen na aanvraag daartoe door de eigenaar van het goed in kwestie. De netbeheerder kan dit weigeren indien iemand nog gebruik maakt van het goed.

§ 2

Alvorens een gebouw of installatie waarin de aansluiting zich bevindt te slopen, moet de elektriciteitsdistributienetbeheerder de aansluiting voldoende beveiligen of wegnemen.
De eigenaar richt daarvoor een verzoek tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Dezelfde aanvraagprocedures en bijbehorende termijnen als vermeld in Afdeling 1 van Hoofdstuk II van de Netcode zijn hiervan toepassing.

§ 3

De kosten voor het wegnemen van een aansluiting, alsook de kosten voor het opnieuw in de oorspronkelijke staat brengen van lokalen, toegangswegen en terreinen, komen voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar van het goed in kwestie.

§ 4

Dezelfde aanvraagprocedures en bijbehorende termijnen als vermeld in Afdeling 1 van Hoofdstuk II van de Netcode zijn van toepassing voor diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder met betrekking tot het wegnemen van een aansluiting.

Art. 2.2.81. Wegname op initiatief netbeheerder

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om, na overleg met de eigenaar van het goed in kwestie, elke aansluiting die meer dan een jaar niet meer gebruikt werd, weg te nemen of af te koppelen, behalve indien de aansluiting voor noodvoeding dienstig kan zijn.

Onderafdeling 3.
Verzegeling van de aansluiting


Art. 2.2.82.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan de delen van de aansluiting waarover hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, verzegelen.

Afdeling 6.
Wederzijdse rechten en plichten van distributienetbeheerder en -gebruiker


Onderafdeling 1.
Aansluitingscontract en -reglement


Art. 2.2.83.
Met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit reglement, worden nadere bepalingen met betrekking tot de wederzijdse rechten en plichten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en -gebruiker geregeld in het aansluitingsreglement of het aansluitingscontract.

Art. 2.2.84.

§ 1

Voor elke nieuwe aansluiting op het midden- of hoogspanningsnet moet met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aansluitingscontract worden gesloten.

§ 2

Voor aansluitingen op het laagspanningsnet moet geen aansluitingscontract ondertekend worden. Voor die aansluitingen op het laagspanningsnet worden de voorwaarden opgenomen in het aansluitingsreglement van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 2.2.85.
In afwachting van de opmaak van nieuwe aansluitingscontracten tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker, blijven de vroeger gemaakte afspraken tussen de partijen die bij de aansluiting betrokken zijn verder van kracht, voor zover ze niet strijdig zijn met dit reglement.

Art. 2.2.86.
Het aansluitingscontract bevat minstens de volgende elementen:
de identiteit van de partijen;
de aanwijzing van de contactpersonen;
de bepalingen met betrekking tot de looptijd en de stopzetting van het contract;
de beschrijving en de ligging van de aansluiting en de meetinrichting met locatie en spanningsniveau van het toegangspunt of de toegangspunten;
de unieke identificatie van de aansluiting met een of meer toegangspunten door een of meer EAN;
de bepalingen in verband met de toegankelijkheid en het beheer van de aansluitingsinstallaties;
de beschrijving van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker (inclusief installaties welke functioneel deel uitmaken van het net), inzonderheid de aangesloten productie-eenheden;
de specifieke technische voorwaarden en bepalingen, onder meer het aansluitingsvermogen, de relevante technische karakteristieken van de aansluiting en van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de meetinrichting, de uitbating, het onderhoud, de eisen in verband met beveiligingen, de veiligheid enzovoort;
de bepalingen met betrekking tot de wederzijdse aansprakelijkheid en de confidentialiteit;
de bepalingen in verband met de meteropname;
de betalingsmodaliteiten.

Art. 2.2.87.
In geval van overdracht van roerende of onroerende goederen, in gebruik of in eigendom, waarvoor de aansluiting dient, sluit de overnemer onverwijld een nieuw aansluitingscontract af met de elektriciteitsdistributienetbeheerder als de aansluiting niet valt onder het toepassingsgebied van het aansluitingsreglement.

Onderafdeling 2.
Overleg- en informatieplichten netgebruiker


Art. 2.2.88.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar van het goed in kwestie moet de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk op de hoogte brengen van elke beschadiging, afwijking of niet-conformiteit aan de wettelijke of reglementaire voorschriften die hij redelijkerwijs kan vaststellen.

§ 2

Bij de uitvoering van werkzaamheden door de elektriciteitsdistributienetgebruiker in de nabijheid van de aansluiting, waarbij onderdelen van het elektriciteitsdistributienet, inclusief de aansluiting, beschadigd of beïnvloed kunnen worden, pleegt de elektriciteitsdistributienetgebruiker vooraf overleg met de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 2.2.89. Wijziging afname- of injectiekenmerken/wijziging met niet-verwaarloosbare invloed op het net

In geval van gewijzigde afname- of injectiekenmerken, of van wijzigingen ten opzichte van de omstandigheden en afspraken die golden op het ogenblik van de uitvoering van de aansluiting, en die toe te schrijven zijn aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker, heeft de elektriciteitsdistributienetgebruiker de plicht om conform het aansluitingsreglement of-contract de elektriciteitsdistributienetbeheerder hiervan te informeren.
Het plaatsen/bijplaatsen of verzwaren van een decentrale productie-eenheid of een energieopslagsysteem met een maximum AC vermogen groter dan 10 kVA, ongeacht het feit of deze netto zal injecteren in het elektriciteitsdistributienet, is een wijziging met niet-verwaarloosbare invloed op het elektriciteitsdistributienet, waarvoor steeds een voorafgaandelijke aanvraag ingediend moet worden bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Onderafdeling 3.
Spanningskwaliteit en stroomstoringen


Art. 2.2.90. Storingen

§ 1

Het toelaatbare niveau van storingen, teweeggebracht op het elektriciteitsdistributienet door de installaties van de aansluiting en de eigen installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, wordt bepaald door technische voorschriften zoals C10/11, C10/17 en C10/19 die door de netbeheerders zijn opgesteld, door de VREG zijn goedgekeurd, en gepubliceerd worden op de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerders. Ook elke wijziging aan deze voorschriften wordt pas van kracht na goedkeuring door de VREG.

§ 2

Behoudens andersluidende bepaling in het aansluitingscontact is de elektriciteitsdistributienetbeheerder bij een storing aan het elektriciteitsdistributienet of de aansluiting binnen twee uur na de melding door de elektriciteitsdistributienetgebruiker ter plaatse om de werkzaamheden aan te vangen die leiden tot het opheffen van de storing.

Art. 2.2.91. Spanningskwaliteit

§ 1

Een klacht over de spanningskwaliteit kan schriftelijk ingediend worden bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder beantwoordt een klacht met betrekking tot de spanningskwaliteit binnen tien werkdagen na ontvangst van die klacht. Als de oorzaak bekend is, beschrijft de elektriciteitsdistributienetbeheerder in zijn antwoord de aard en duur van het probleem en de acties die hij ertegen onderneemt.

§ 3

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker informeert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker over de mogelijkheid en de voorwaarden om een meting uit te voeren.

§ 4

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker worden de nodige metingen ter controle van een klacht met betrekking tot de verandering van de geleverde spanning (amplitude) uitgevoerd. De elektriciteitsdistributienetgebruiker spreekt met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een datum af waarop die meting moet worden uitgevoerd. De elektriciteitsdistributienetgebruiker kan eisen dat die meting binnen tien werkdagen uitgevoerd wordt. In uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van die termijn afwijken.

§ 5

Een rapport met de resultaten en conclusies van die meting wordt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker bezorgd binnen vijf werkdagen na de uitvoering van de meting.

§ 6

Als die metingen een afwijking aantonen ten opzichte van de eisen van de norm NBN EN 50160, worden de kosten voor de metingen gedragen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als de metingen geen afwijking aantonen ten opzichte van de norm NBN EN 50160 aantonen, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder hiervoor kosten aanrekenen aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Die kosten blijven in elk geval beperkt tot de vergoeding voor de verplaatsing van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Die kosten worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gepubliceerd.

§ 7

Als de controlemeting niet uitwijst of de klacht terecht is, kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker de elektriciteitsdistributienetbeheerder een langdurige registratie (minstens 48 uur) van de spanning opleggen.

§ 8

Als die testen een afwijking aantonen ten opzichte van de eisen van de norm NBN EN 50160, worden de kosten voor de registratie gedragen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als de testen geen afwijking ten opzichte van de norm NBN EN 50160 aantonen, worden de kosten voor de registratie gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker. De kosten voor de registratie worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gepubliceerd.

§ 9

Voor de vaststellingen, vermeld in § 7, kan eveneens een beroep gedaan worden op een geaccrediteerd controleorganisme of een derde partij die beide partijen met wederzijdse goedkeuring hebben aangewezen, en onder dezelfde voorwaarden van kostentoewijzing als vermeld in § 8.

Onderafdeling 4.
Implicaties wijziging elektriciteitsdistributienet


Art. 2.2.92. Aanpassing aansluiting n.a.v. wijziging distributienet

Onverminderd Art. 2.2.57 zijn bij wijziging aan het elektriciteitsdistributienet, behoudens anders vermeld in het aansluitingscontract, de kosten voor de vervanging van de aansluiting, die conform is aan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI), door een standaardaansluiting met hetzelfde aansluitingsvermogen voor rekening van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.
Bij wijziging aan het elektriciteitsdistributienet op laagspanning zijn de kosten voor aanpassingen van zowel de aansluiting als die delen van de installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, die conform zijn aan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI), voor rekening van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Hoofdstuk III.
Toegang tot het net


Afdeling 1.
Voorwaarden voor toegang tot het net voor de elektriciteitsdistributienetgebruiker


Art. 2.3.1. (Her)indienstname van een toegangspunt - voorwaarden voor verkrijgen van toegang en procedure

§ 1

Een nieuw of buiten dienst gesteld toegangspunt kan pas in dienst genomen worden als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
de netgebruiker, de toegangshouder en de evenwichtsverantwoordelijke werden geregistreerd in het toegangsregister op het aan het toegangspunt gekoppelde allocatiepunt voor afname of, indien het een injectiepunt betreft, op het aan het toegangspunt gekoppelde allocatiepunt voor injectie.
de elektriciteitsdistributienetgebruiker aanvaardt de algemene aansluitingsvoorwaarden bij de offerte en neemt kennis van het aansluitingsreglement of sluit een aansluitingscontract met de elektriciteitsdistributienetbeheerder voor de aansluiting in kwestie;
In het geval de toegangshouder niet de elektriciteitsdistributienetgebruiker zelf is: er is een geldig energiecontract op het toegangspunt in kwestie waardoor de door de elektriciteitsdistributienetgebruiker aangewezen toegangshouder hierop toegang tot het net kan verkrijgen;
de aansluiting is conform de bepalingen van dit Reglement, met de van toepassing zijnde technische regelgeving en met de bepalingen van het aansluitingsreglement of het aansluitingscontract;
de installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker voldoet aan de wettelijke verplichtingen en de aanvrager bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder daarvan het bewijs.

§ 2

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder aanvragen om zijn toegangspunt in dienst te laten nemen. Om een afspraak te maken om de werken uit te voeren neemt hij via website, telefonisch, via e-mail of per brief contact op met de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die nagaat of aan de voorwaarden, vermeld in § 1, voldaan is.

§ 3

Als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in § 1, en behoudens andersluidende bepalingen, spreken de elektriciteitsdistributienetgebruiker en elektriciteitsdistributienetbeheerder een datum af waarop de elektriciteitsdistributienetbeheerder het toegangspunt in dienst zal nemen. De afnemer kan eisen dat die datum binnen twee werkdagen ligt. De producent kan eisen dat die datum binnen twee weken ligt. In uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder afwijken van die termijn.

§ 4

Op de datum van de afspraak neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder het toegangspunt in dienst. De wijziging in het toegangsregister gebeurt via een daartoe, door de in § 1 vermelde toegangshouder, ingediende aanvraag op die datum. Als bij het ter plaatse gaan conform de afspraak met de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen toegang heeft of krijgt tot de aansluiting en de meetinrichting, vervalt de aanvraag en wordt het toegangspunt niet in dienst genomen.

§ 5

Behoudens andersluidende bepaling zijn de kosten voor (her)indienstname van een toegangspunt voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 2.3.2. Buitendienststelling van een toegangspunt

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan, rechtstreeks of via zijn toegangshouder, bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder aanvragen om zijn toegangspunt buiten dienst te laten stellen. Om een afspraak te maken om de werken uit te voeren neemt hij contact op met de elektriciteitsdistributienetbeheerder per telefoon, via e-mail of per brief.

§ 2

Bij dat contact spreken de elektriciteitsdistributienetgebruiker en elektriciteitsdistributienetbeheerder een datum af waarop de elektriciteitsdistributienetbeheerder het toegangspunt buiten dienst zal stellen. De elektriciteitsdistributienetgebruiker kan eisen dat die datum binnen twee werkdagen ligt. In uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder afwijken van die termijn.

§ 3

Op de datum van de afspraak stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder het toegangspunt buiten dienst. De wijziging in het toegangsregister gebeurt, indien de aanvraag van de elektriciteitsdistributienetgebruiker via de toegangshouder verliep via een daartoe door de toegangshouder ingediende aanvraag, om 00u00 lokale tijd op die datum. Als bij het ter plaatse gaan conform de afspraak met de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen toegang heeft of krijgt tot de aansluiting, vervalt de aanvraag en wordt het toegangspunt niet buiten dienst gesteld.

§ 4

Behoudens andersluidende bepaling zijn de kosten voor buitendienststelling van een toegangspunt voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 2.3.3.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetgebruiker die op het elektriciteitsdistributienet is aangesloten, heeft toegang tot het elektriciteitsdistributienet ter grootte van het toegangsvermogen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt al wat redelijkerwijs binnen zijn vermogen ligt in het werk om die toegang te verlenen.

§ 2

Als het toegangsvermogen niet vooraf werd vastgelegd, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder al wat redelijkerwijs mogelijk geacht kan worden in het werk om toegang te verlenen ter grootte van het aansluitingsvermogen.

§ 3

Het door de elektriciteitsdistributienet gebruiker werkelijk afgenomen of geïnjecteerd vermogen mag in geen geval het aansluitingsvermogen, gespecificeerd in het aansluitingscontract, overschrijden. Als het schijnbaar vermogen niet gemeten wordt, wordt rekening gehouden met een arbeidsfactor (cos cp) van 0,9 op het geïnjecteerde of afgenomen vermogen. In geval van overschrijding komt de schade die hierdoor wordt veroorzaakt, voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 4

Een klacht over regelmatige problemen bij injectie kan schriftelijk ingediend worden bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 5

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker informeert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker over de mogelijkheid en de voorwaarden om ter plaatse een onderzoek in te stellen.

§ 6

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker worden de nodige metingen uitgevoerd ter controle van een klacht met betrekking tot het loskoppelen van de netontkoppelbeveiliging van een productie-eenheid. De elektriciteitsdistributienetgebruiker spreekt met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een datum af waarop die meting moet worden uitgevoerd. De elektriciteitsdistributienetgebruiker kan eisen dat die meting binnen twintig werkdagen uitgevoerd wordt. In uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van die termijn afwijken.

§ 7

Een rapport met de resultaten en conclusies van die meting wordt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker bezorgd binnen vijftien werkdagen na de uitvoering van de meting.

§ 8

Als de metingen aantonen dat de installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker beantwoordt aan de technische voorschriften van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en dit reglement, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een oplossing voor. Als die metingen een afwijking aantonen op de installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker ten opzichte van de technische voorschriften van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of dit reglement, kunnen de kosten voor de metingen aangerekend worden aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Die kosten worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gepubliceerd.

§ 9

Voor de vaststellingen, vermeld in § 8, kan op vraag van de elektriciteitsdistributienetgebruiker eveneens een beroep gedaan worden op een geaccrediteerd controleorganisme of een derde partij die de elektriciteitsdistributienetgebruiker en de elektriciteitsdistributienetbeheerder met wederzijdse goedkeuring hebben aangewezen en onder dezelfde voorwaarden van kostentoewijzing als vermeld in § 8.

Afdeling 2.
Geplande onderbrekingen van de toegang tot het net


Art. 2.3.4. Geplande onderbrekingen op midden- en hoogspanning

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om, na overleg met de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker, de toegang tot het net op midden- of hoogspanning te onderbreken als de veiligheid, de betrouwbaarheid of de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet of de aansluiting werkzaamheden vereist aan het elektriciteitsdistributienet of de aansluiting.

§ 2

Behoudens in geval van een noodsituatie, uitzonderlijke uitbatingsomstandigheden of congestie brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker op midden- of hoogspanning, alsook de toegangshouders, minstens tien werkdagen vooraf op de hoogte van de start en de verwachte duur van een onderbreking.

Art. 2.3.5. Geplande onderbrekingen op laagspanning

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de toegang op laagspanning te onderbreken als de veiligheid, de betrouwbaarheid of de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet of de aansluiting werkzaamheden vereist aan het elektriciteitsdistributienet of de aansluiting.

§ 2

Behoudens in geval vaneen noodsituatie en voor aanpassing van de tapstand van de transformator voor het bijregelen van de spanningshuishouding brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker op laagspanning, alsook de toegangshouders die daarom verzocht hebben, minstens vijf werkdagen vooraf op de hoogte van de start en de verwachte duur van een onderbreking.

Afdeling 3.
Ongeplande onderbrekingen van de toegang tot het net


Art. 2.3.6.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet ten minste in een permanent telefonisch informatienummer waarop onderbrekingen kunnen worden gemeld en informatie over onderbrekingen kan worden verstrekt.

Art. 2.3.7.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder geeft in geval van ongeplande onderbrekingen van de toegang tot zijn net informatie via zijn website over de aard en de te verwachten duur ervan.

§ 2

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op het toegangspunt geeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen tien werkdagen een verklaring voor het ontstaan van de ongeplande onderbreking van de toegang.

Afdeling 4.
Onderbrekingen van de toegang tot het net ten gevolge van congestie


Art. 2.3.8.

§ 1

In geval van congestie brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker, alsook de toegangshouder, vooraf op de hoogte van de start, de vermoedelijke duur en de motivatie van de congestiebeperking. De elektriciteitsdistributienetbeheerder doet de aankondiging op de voorgaande kalenderdag, in de mate waarin dat de congestie de voorgaande kalenderdag reeds bekend is. Indien dit niet het geval is, doet de DNB de aankondiging ten laatste twee uur na het tijdstip waarop de congestie bekend is.

§ 2

In geval van congestie brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de evenwichtsverantwoordelijke op de hoogte van de start en de vermoedelijke duur van de congestiebeperking. De elektriciteitsdistributienetbeheerder zal dit zo snel als mogelijk en maximum binnen het kwartier na de start van de congestiebeperking doen.

Afdeling 5.
Compensatie van netverliezen


Art. 2.3.9. Compensatie van netverliezen

In het kader van de levering van ondersteunende diensten compenseert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de energieverliezen in zijn distributienet.

Afdeling 6.
Beëindiging of opschorting van toegang tot het net


Art. 2.3.10.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de toegang tot het net voor een elektriciteitsdistributienetgebruiker geheel of gedeeltelijk te beëindigen of op te schorten in de gevallen beschreven in art. 4.1.18 § 2 van het Energiedecreet.

§ 2

De voorwaarden voor toegang tot het net voor de elektriciteitsdistributienetgebruiker, als bedoeld in art. 4.1.18 § 2, derde lid van het Energiedecreet, zijn bepaald in Art. 2.3.1.

Art. 2.3.11.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de toegang tot zijn net voor de toegangshouder voor al diens toegangspunten te beëindigen in de gevallen beschreven in art. 4.1.18, § 2 van het Energiedecreet.

§ 2

De voorwaarden voor toegang tot het net voor de toegangshouder, als bedoeld in art. 4.1.18 § 2, derde lid van het Energiedecreet, zijn bepaald in Art. 4.2.2 van dit reglement.

Art. 2.3.12. Procedure ontzeggen toegang tot het net

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt de elektriciteitsdistributienetgebruiker of, als die niet bekend is, de eigenaar van de woning of de installatie schriftelijk op de hoogte van het feit dat hem de toegang tot het net ontzegd wordt vanaf de datum die de elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft vastgesteld, conform de procedures in de reglementering.
Voorafgaand aan het ontzeggen van toegang tot het net in geval van een aanzienlijke overschrijding van het aansluitingsvermogen, gespecificeerd in het aansluitingscontract, brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker en eventueel de respectievelijke toegangshouder voor afname en injectie op het (de) allocatiepunt(en) van die overschrijding op de hoogte met een aangetekende brief. Tot het ontzeggen van toegang tot het net kan worden overgegaan als de elektriciteitsdistributienetgebruiker niet binnen een termijn van acht werkdagen na verzending van de aangetekende brief de overschrijding hersteld heeft of de nodige maatregelen nam om de overschrijding te herstellen.

§ 2

Als de elektriciteitsdistributienetgebruiker de toegang tot het net ontzegd wordt en dit niet automatisch gebeurt door de automaten in de aansluiting zelf, verleent de elektriciteitsdistributienetgebruiker (of, als die niet bekend is, de eigenaar van de woning of de installatie verbonden aan het toegangspunt) de elektriciteitsdistributienetbeheerder toegang tot de aansluitingsinstallatie op de vastgestelde datum.

§ 3

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen toegang krijgt tot de aansluitingsinstallatie op de hiervoor vastgestelde datum, neemt hij de nodige maatregelen om het toegangspunt alsnog buiten dienst te stellen.

§ 4

Tenzij het wettelijk of reglementair anders is geregeld, worden de kosten voor het buiten dienst stellen van het toegangspunt en van de mogelijke aanvullende maatregelen die de elektriciteitsdistributienetbeheerder daarbij moet nemen als hem geen spontane toegang werd verleend, gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker of, indien die niet gekend is, door de eigenaar van de woning of de installatie, verbonden aan het toegangspunt.

Art. 2.3.13. Informatieplicht inzake beëindiging op opschorting van toegang tot het net

De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt de betrokken toegangshouders op de hoogte van de gehele of gedeeltelijke ontzegging van de toegang tot het net, en van de reden hiervan.

Afdeling 7.
Toegang tot andere netten


Art. 2.3.14.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is ten opzichte van de toegangshouder verantwoordelijk voor de toegang tot de netten waarmee zijn elektriciteitsdistributienet gekoppeld is.

Afdeling 8.
Specifieke voorschriften voor toegang tot het net op midden- en hoogspanning


Onderafdeling 1.
Toegangsprogramma's


Art. 2.3.15.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder het nodig acht, kan hij op bepaalde toegangspunten volgens de grootte van het afgenomen of geïnjecteerd vermogen, of op basis van andere objectieve en niet-discriminerende criteria, dagelijks een toegangsprogramma eisen van de toegangshouder, alvorens toegang tot het elektriciteitsdistributienet te verlenen. Ook kan hij voor die toegangspunten jaarlijks vooruitzichten eisen van die partij.

§ 2

Als de toegangshouder voorziet dat het werkelijke afname- of injectieprofiel sterk zal afwijken van het opgegeven toegangsprogramma of de meegedeelde vooruitzichten, brengt hij de elektriciteitsdistributienetbeheerder daarvan onverwijld op de hoogte.

Onderafdeling 2.
Afname van reactieve energie


Art. 2.3.16.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kent aan de toegangshouder per tijdsinterval een hoeveelheid reactieve energie toe per allocatiepunt waarop het toegangscontract betrekking heeft.

Art. 2.3.17.
De hoeveelheden met betrekking tot de werking in inductief en capacitief regime worden afzonderlijk opgemeten en worden onderling niet gecompenseerd.

Art. 2.3.18.

§ 1

De partij, vermeld in Art. 2.3.16 geniet per tijdsinterval een afnamerecht op een forfaitaire hoeveelheid reactieve energie, in inductief en capacitief regime.

§ 2

Onder voorbehoud van de bepalingen van § 3 is die forfaitaire hoeveelheid reactieve energie per tijdsinterval gelijk aan 32,9 % van de hoeveelheid actieve energie, afgenomen op het allocatiepunt tijdens dat tijdsinterval voor een afname op een spanning groter dan of gelijk aan 30 kV of via een rechtstreekse aansluiting op een transformatiepost die het elektriciteitsdistributienet op hoogspanning voedt, en 48,4 % van de hoeveelheid actieve energie, afgenomen op het allocatiepunt tijdens dat tijdsinterval in alle andere gevallen.

§ 3

Die forfaitaire hoeveelheid reactieve energie per tijdsinterval mag niet lager zijn dan 3,29 %, respectievelijk 4,84 % van de hoeveelheid actieve energie die conform is met de looptijd van het tijdsinterval, vermenigvuldigd met het door de in Art. 2.3.16 vermelde partij op het betrokken allocatiepunt ter beschikking gesteld toegangsvermogen.

§ 4

Het positieve verschil tussen de hoeveelheid in inductief regime en de forfaitaire hoeveelheid, toegewezen overeenkomstig deze afdeling, komt voor rekening van de partij, vermeld in Art. 2.3.16, volgens het overeenkomstige tarief.

§ 5

Het positieve verschil tussen de hoeveelheid in capacitief regime en de forfaitaire hoeveelheid, toegewezen overeenkomstig deze afdeling, komt voor rekening van de partij, vermeld in Art. 2.3.16, volgens het overeenkomstige tarief.

§ 6

Voor de toepassing van deze afdeling is het desbetreffende tijdsinterval hetzij een kwartier, hetzij een maand, zoals vastgesteld door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en vermeld in het toegangscontract.

Onderafdeling 3.
Congestiebeheer


Art. 2.3.19.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt de nodige maatregelen om op een veilige, betrouwbare en efficiënte wijze de elektriciteitsstromen op het elektriciteitsdistributienet te beheren. [...]

§ 2

Bij het voorbereiden van de exploitatie laten de maatregelen, vermeld in § 1, onder meer toe:
in overleg met en via de transmissienetbeheerder de regeling van de productie-eenheden te coördineren;
de onderbreking of beperking van de afname door een elektriciteitsdistributienetgebruiker te voorzien in geval die aan het congestiebeheer deelneemt;
een noodsituatie in te roepen overeenkomstig Art. 1.5.1

§ 3

Bij de exploitatie van het elektriciteitsdistributienet door de elektriciteitsdistributienetbeheerder laten de maatregelen, vermeld in § 1, onder meer toe:
de regeling van de productie-eenheden te coördineren;
indien noodzakelijk, de afname van een elektriciteitsdistributienetgebruiker te onderbreken of beperken in geval die aan het congestiebeheer deelneemt;
een noodsituatie in te roepen overeenkomstig Art. 1.5.1.
Indien de maatregelen geïnitieerd worden of impact hebben bij een andere netbeheerder, plegen de netbeheerders vooraf overleg met elkaar.

Art. 2.3.20.

§ 1

De modaliteiten voor de onderbreking of beperking van de afname resp. de regeling van de productie-eenheden, vermeld in Art. 2.3.19 worden contractueel overeengekomen tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerderen de elektriciteitsdistributienetgebruikerof detoegangshouder.

§ 2

Als de modaliteiten met de toegangshouder werden vastgelegd, levert die het bewijs aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat hij die vermogensonderbreking of -beperking op het toegangspunt kan mobiliseren. De elektriciteitsdistributienetbeheerder beoordeelt de geldigheid van die mobilisatie op transparante en niet-discriminerende basis.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt de evenwichtsverantwoordelijke zo snel als mogelijk op de hoogte van de start en de ingeschatte duur voor de onderbreking of beperking van de afname respectievelijk de regeling van de productie-eenheden uit Art. 2.3.19.

Afdeling 9.
Flexibiliteit en ondersteunende diensten


Art. 2.3.21. Flexibiliteit op het elektriciteitsdistributienet

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt in een document voor welke elektriciteitsdistributienetgebruikers, en op welke vormen van flexibiliteit, de hierna volgende bepalingen uit § 2-5 van dit artikel van toepassing zijn.
Daarbij worden tevens de technische en/of economische redenen daarvoor vermeld. Met betrekking tot flexibiliteit waarbij het extern signaal een dynamisch prijssignaal is, moeten deze technische en/of economische redenen aangetoond worden via een simulatiestudie.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan de levering van flexibiliteit tijdelijk beperken als de levering de operationele veiligheid van zijn elektriciteitsdistributienet in het gedrang brengt. De netbeheerder legt de technische criteria vast waaraan voldaan moet zijn opdat sprake kan zijn van het in het gedrang komen van de operationele veiligheid van het elektriciteitsdistributienet. Deze criteria moeten openbaar zijn.

§ 3

De beperking van de levering van flexibiliteit, vermeld in voorgaande paragraaf, geldt enkel onder volgende voorwaarden:
de beperking geldt voor afgebakende tijdsvensters, die regelmatig geëvalueerd worden;
de beperking wordt toegepast op grond van een niet-discriminatoire en transparante procedure;
de elektriciteitsdistributienetbeheerder moet de motivering van de beperking meedelen aan de dienstverlener van flexibiliteit en de netgebruiker.

§ 4

De dienstverlener van flexibiliteit, actief op een toegangspunt, sluit een overeenkomst met de elektriciteitsdistributienetbeheerder.
De overeenkomst, vermeld in het eerste lid, bepaalt onder meer:
de procedure die de elektriciteitsdistributienetbeheerder toepast op de kwalificatie van het toegangspunt of allocatiepunt;
de informatie die de dienstverlener van flexibiliteit ter beschikking moet stellen van de elektriciteitsdistributienetbeheerdervoor de netanalyse en na de levering van de diensten;
de wijze waarop de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meetgegevens en/of andere data zal overmaken, indien van toepassing;
de respectievelijke aansprakelijkheden.

§ 5

Op verzoek van de dienstverlener van flexibiliteit, actief op een toegangspunt, bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder hem de nodige meetgegevens, conform de bepalingen die van toepassing zijn op het ter beschikking stellen van gegevens aan de dienstverlener van flexibiliteit.

§ 6

Dienstverleners van flexibiliteit die frequentiebegrenzingsreseve (ook wel FCR of primaire reserve genoemd) leveren, zijn niet onderhevig aan § 4 en § 5, maar zij moeten de elektriciteitsdistributienetbeheerder wel op voorhand kennisgeven van de toegangspunten of allocatiepunten waarop zij frequentiebegrenzingsreserve leveren.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan de flexibiliteit van frequentiebegrenzingsreserve tijdelijk beperken zoals bepaald in § 2, onder de voorwaarden vermeld in § 3. De distributienetbeheerder stelt de procedure hiervoor vast.

§ 7

Het document uit § 1, de criteria uit § 2, de modelovereenkomsten uit § 4, de procedure uit § 6 en alle andere relevante moeten ter goedkeuring voorgelegd worden aan de VREG, worden publiek geconsulteerd en zijn openbaar raadpleegbaar.

Art. 2.3.22. Ondersteunende diensten

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker voorzien van een meetinrichting die het gebruiksprofiel registreert kan ondersteunende diensten aanbieden aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de transmissienetbeheerder.

§ 2

De ondersteunende diensten aangeboden aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder voldoen aan de technische specificaties die door hem worden bepaald, en ter goedkeuring voorgelegd worden aan de VREG.

§ 3

De ondersteunende diensten aangeboden aan de transmissienetbeheerder voldoen aan de desbetreffende bepalingen van het Technisch Reglement Transmissie.

§ 4

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verleent aan de transmissienetbeheerder de nodige bijstand bij de controle op de beschikbaarheid en de levering van de ondersteunende diensten aan de transmissienetbeheerder.

Titel III.
Meetcode

De meetcode bevat de bepalingen betreffende de meetinrichtingen, zoals bijvoorbeeld de voorschriften inzake de terbeschikkingstelling, de nauwkeurigheid, de plaatsing, het gebruik en het onderhoud.

Hoofdstuk I.
Algemene bepalingen betreffende meetinrichtingen


Afdeling 1.
Doel van meetgegevens


Art. 3.1.1.

§ 1

Elk toegangspunt vormt het voorwerp van een telling om de afname en/of de injectie van de actieve en/of reactieve energie te bepalen ten opzichte van het elektriciteitsdistributienet. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van een meetinrichting.

§ 2

Onder de voorwaarden en volgens de procedure vermeld in Onderafdeling 3. - Forfaitair bepaalde afname van de marktcode, kan met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een forfaitaire vaststelling van de energiehoeveelheden worden afgesproken, zonder gebruik te maken van een meetinrichting.

§ 3

De meetgegevens, resulterend uit de in § 1 vermelde telling, aangevuld met de gegevens vermeld in § 2, dienen voor de verrekeningen tussen de verschillende partijen. Ze dienen eveneens als basis om een goed beheer van het elektriciteitsdistributienet en de gesloten distributienetten mogelijk te maken en voor informatiedoeleinden zoals beschreven in de datacode.

Art. 3.1.2.

§ 1

De verrekeningen, vermeld in Art. 3.1.1, § 3, zijn gebaseerd op gegevens die betrekking hebben op elementaire perioden. Afhankelijk van de aard van de aansluiting worden die gegevens rechtstreeks betrokken uit de meetinrichting of zijn ze het resultaat van de toepassing van een berekening op basis van gebruiksprofielen toegepast op de meetgegevens.

§ 2

De elementaire periode, vermeld in § 1, bedraagt vijftien minuten.

Art. 3.1.3.

§ 1

De meetgegevens voor de actieve energie, evenals de allocatie- en reconciliatiegegevens, worden uitgedrukt in kWh. De meetgegevens voor reactieve energie worden uitgedrukt in kVarh.

§ 2

De meetgegevens voor de actieve energie worden ter beschikking gesteld van de betrokken partijen zoals vastgelegd in Afdeling 5 - Processen gekoppeld aan het ter beschikking stellen van meetgegevens ten behoeve van facturatie in het kader van een energiecontract van de marktcode.

§ 3

Indien van belang voor de facturatieprocessen, worden de meetgegevens voor de reactieve energie maandelijks overgemaakt als maandtotaal per allocatiepunt of alle kwartierwaarden van de maand voor dat allocatiepunt.

§ 4

Op vraag van de netgebruiker, worden de meetgegevens voor de reactieve energie overgemaakt voor alle kwartierwaarden van de maand voor dat allocatiepunt.

Afdeling 2.
Samenstelling, beheer en gebruiksrecht van meetinrichtingen


Art. 3.1.4.

§ 1

Een meetinrichting kan onder meer bestaan uit al dan niet geïntegreerde combinaties van:
stroomtransformatoren;
spanningstransformatoren;
meters;
dataloggers;
communicatie-uitrusting, met inbegrip van ontvangsttoestellen die gebruikt worden voor tariefomschakeling;
kast - klemmen - bedrading - beveiliging.

§ 2

Op de toegangspunten van nieuwe aansluitingen of bestaande aansluitingen waarop een verzwaring wordt uitgevoerd, met een toegangsvermogen voor afname groter dan of gelijk aan 56 kVA, plaatst de distributienetbeheerder een grootverbruiksmeetinrichting voor het meten van de afgenomen en/of geïnjecteerde actieve energie.
Op de toegangspunten van aansluitingen waarvoor het gemiddelde van het afgenomen of geïnjecteerde maximumkwartiervermogen op maandbasis, bepaald over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, minstens 56 kVA bedraagt, plaatst de distributienetbeheerder eveneens een grootverbruiksmeetinrichting.
De grootverbruiksmeetinrichting moet de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art. 4.2.12, ondersteunen.

§ 3

Op de toegangspunten met een toegangsvermogen voor afname kleiner dan 56 kVA en met een toegangsvermogen voor injectie kleiner dan of gelijk aan 10 kVA plaatst de distributienetbeheerder een kleinverbruiksmeetinrichting voor het meten van de afgenomen en/of geïnjecteerde actieve energie. De kleinverbruiksmeetinrichting moet de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art 4.2.13, ondersteunen.

§ 4

Op de toegangspunten van nieuwe aansluitingen of bestaande aansluitingen waarop een verzwaring wordt uitgevoerd, met een toegangsvermogen voor afname kleiner dan 56 kVA en met een toegangsvermogen voor injectie groter dan 10 kVA, plaatst de distributienetbeheerder een meetinrichting die de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art. 4.2.12 ondersteund.

§ 5

De netbeheerder zal, op vraag en voor rekening van de netgebruiker en mits technisch mogelijk de meetinrichting aanpassen om een afwijking van de standaard allocatiepuntconfiguratie mogelijk te maken.

§ 6

De netbeheerder zal, op vraag en voor rekening van de netgebruiker en mits technisch mogelijk, de meetinrichting aanpassen om het aanbod van diensten door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan de partijen geregistreerd op allocatiepunten en datadienstenpunten, te verruimen.

Art. 3.1.5.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetgebruikerzelf eigenaar is van meetuitrustingen, die deel uitmaken van de meetinrichting, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder een gebruiksrecht op deze uitrustingen, en worden de modaliteiten van aanpassing, uitbreiding, onderhoud en uitbating, vastgelegd in een overeenkomst met de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 2

Meetuitrustingen die geen deel uit maken van de meetinrichting mogen door de netgebruiker of een door hem aangestelde partij geplaatst worden in zoverre ze geen aantoonbare negatieve invloed hebben op de werking van meetinrichting. De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt onder welke voorwaarden en binnen welke grenzen al dan niet een invloed op de meetinrichting toegestaan kan worden. De elektriciteitsdistributienetbeheerders kunnen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften bepalen en maken die bekend via hun websites.

Art. 3.1.6.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetgebruiker en de elektriciteitsdistributienetbeheerder hebben het recht in hun installaties op eigen kosten alle uitrustingen te plaatsen die zij nuttig achten om de nauwkeurigheid na te gaan van de meetinrichting, vermeld in Art. 3.1.4. Een dergelijke meetuitrusting, die eventueel toebehoort aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker, moet voldoen aan de voorschriften van dit reglement.

§ 2

Een meetuitrusting van een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan dienst doen als controlemeting voor metingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder na diens aanvaarding.

Art. 3.1.7.

§ 1

Als de distributienetgebruiker extra onderdelen op de meetinrichting, of op een ander element van de aansluiting, wenst aan te brengen, moet dit in overeenstemming zijn met de technische voorschriften van de distributienetbeheerders.

§ 2

Alle kosten met betrekking tot de integratie van die extra onderdelen worden gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 3.1.8.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht aan de meetinrichting alle extra apparatuur toe te voegen die hij nuttig acht voor de uitvoering van zijn taak, onder meer met het oog op het meten van kwaliteitsindicatoren van de spanning en/of de stroom, en de faseverschuiving tussen spanning en stroom.

Art. 3.1.9.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt het mogelijk voor de elektriciteitsdistributienetgebruiker om te allen tijde de in de meetinrichting lokaal beschikbare meetgegevens ter hoogte van de meetinrichting af te lezen.

§ 2

Bij de plaatsing van een nieuwe, op afstand uitleesbare meetinrichting, moeten meetgegevens afkomstig uit de meetinrichting op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker kosteloos beschikbaar gemaakt worden ter hoogte van de meetinrichting, voor toepassingen van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of een door de elektriciteitsdistributienetgebruiker aangewezen aanbieder van energiediensten of dienstverlener van flexibiliteit.

§ 3

Als de toegang tot de installatie onderworpen is aan voorwaarden, opgelegd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, worden die voorwaarden in het aansluitingscontract vastgelegd.

Art. 3.1.10.
Bij het vervangen of wegnemen van een meter moeten de genoteerde meterstanden zowel door de afnemer (of een vertegenwoordiger van de afnemer) als door de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse genoteerd, gedagtekend en ondertekend worden.
Als de afnemer in de mogelijkheid gesteld was om de genoteerde meterstanden te ondertekenen, maar hiervan geen gebruik maakte, heeft hij later niet meer de mogelijkheid deze meterstanden te betwisten. Dit is het geval als de afnemer verwittigd was van het moment waarop de meter wordt vervangen of weggenomen, en de afnemer niet aanwezig noch vertegenwoordigd is, alsook in het geval de afnemer aanwezig of vertegenwoordigd is, maar weigert de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder genoteerde meterstanden te ondertekenen.
Als de afnemer niet verwittigd was van het moment waarop de meter wordt vervangen of weggenomen en hij niet aanwezig noch vertegenwoordigd is op dat moment, noteert de netbeheerder de meterstanden en neemt bovendien een duidelijke foto van de meterstanden en de meter. In dat geval gelden deze meterstanden tot bewijs van het tegendeel door de netgebruiker.

Art. 3.1.11.
Een elektriciteitsdistributienetgebruiker die beschikt over een meter met rollentelwerk, waarop een meervoudig tariefmeting wordt geregistreerd, kan enkel overschakelen op een enkelvoudige tariefmeting mits vervanging van deze meter op eigen kosten, tenzij de DNB de mogelijkheid aanbiedt om de bestaande meter te gebruiken voor enkelvoudige tariefmeting.

Afdeling 3.
Locatie van de meetinrichting en toegang ertoe


Art. 3.1.12.
De meetinrichting wordt geplaatst ter hoogte van het toegangspunt of koppelpunt. Dit neemt niet weg dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker kunnen overeenkomen om de meetuitrusting die deel uitmaakt van de meetinrichting ergens anders te plaatsen.

Art. 3.1.13.
In afwijking van Art. 3.1.12 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, om economische redenen en voor zover dat technisch haalbaar is, beslissen om de meetinrichting met betrekking tot een aansluiting vanuit het middenspanningsnet en met een aansluitingsvermogen kleiner dan of gelijk aan 250 kVA, te plaatsen aan de laagspanningszijde van de vermogentransformator.

Art. 3.1.14.
In afwijking van Art. 3.1.12 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder beslissen om de meetinrichting ergens anders te plaatsen na motivering van de beslissing ten overstaan van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 3.1.15.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt op de meetinrichting van elke aansluiting die nieuw geplaatst wordt op een permanente wijze en duidelijk leesbaar de EAN-code aan van het toegangspunt.

Art. 3.1.16.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht op toegang tot de meetinrichting, met inbegrip van de uitrusting van de eventuele controlemeting, om een conformiteitscontrole uit te voeren met betrekking tot de bepalingen van dit reglement.

Afdeling 4.
Vereisten voor nauwkeurigheid en plaatsing van meetuitrustingen


Art. 3.1.17.

§ 1

De meetinrichtingen en daartoe behorende meetuitrustingen voldoen minimaal aan de vereisten opgenomen in BIJLAGE III - Vereisten voor meetuitrustingen, voor zover geen andere regelgeving terzake geldt.

§ 2

De meetuitrusting waarvan de meetresultaten worden gebruikt voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroom- en/of warmtekrachtcertificaten en garanties van oorsprong (in uitvoering van het Energiebesluit) of ten behoeve van het vermarkten van flexibiliteit moet voldoen aan de vereisten vermeld in BIJLAGE III - Vereisten voor meetuitrustingen.

§ 3

Voor grootverbruiksmeetinrichtingen bepaalt de distributienetbeheerder de modaliteiten met betrekking tot het periodiek nazicht van de nauwkeurige werking van deze meetinrichtingen. Dit wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de VREG en gepubliceerd op de website van de distributienetbeheerder.

Afdeling 5.
Sturing tariefperiodes


Art. 3.1.18.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder beheert en bedient de apparatuur die nodig is voor de sturing van meetinrichtingen en voedingscircuits en/of het configureren van de nodige instellingen in meetinrichtingen met het oog op het toepassen van verschillende tariefperiodes.

Art. 3.1.19.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert de informatie over de toegepaste sturing met inbegrip van de uurregeling voor de tariefperiodes in zijn distributiegebied.

Art. 3.1.20.

§ 1

Aanpassingen van de sturing van meetinrichtingen, vermeld in Art. 3.1.18 op initiatief van de elektriciteitsdistributienetbeheerder kunnen pas worden uitgevoerd na overleg met de betrokken toega ngshouders.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetgebruikers of de toegangshouders op het elektriciteitsdistributienet kunnen verzoeken om de aanpassing van de sturing of van de periodes bij de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, die de technisch-economische haalbaarheid ervan beoordeelt op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria.

Afdeling 6.
Storingen en fouten


Art. 3.1.21.
Als bij een dubbele meting de hoofdmeting uitvalt, vervangt de controlemeting de hoofdmeting voor wat betreft de in de controlemeting beschikbare gegevens.

Art. 3.1.22.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder zorgt ervoor dat een storing bij de meting (exclusief dataoverdracht) in een meetuitrusting die hij beheert en deel uitmaakt van een meetin richting, verholpen wordt binnen een termijn van:
drie werkdagen, bij een meetin richting die betrekking heeft op een toegangspunt met een aansluitingsvermogen groter dan of gelijk aan 56 kVA;
zeven werkdagen, voor de overige meetinrichtingen.
Die termijn vangt aan op het ogenblik dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de hoogte is van de storing.

§ 2

In de mate van het mogelijke worden dezelfde termijnen gehanteerd in geval van een storing bij de dataoverdracht.

Art. 3.1.23.
Als door overmacht de storing niet binnen de termijn, vermeld in Art. 3.1.22 kan worden verholpen, neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder alle noodzakelijke maatregelen om het verlies van meetgegevens te beperken. Hij deelt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker en de betrokken partijen de vermoedelijke duur van de storing mee.

Art. 3.1.24.
Een fout bij de meting wordt als significant beschouwd als ze groter is dan toegestaan krachtens de toepasbare nauwkeurigheidsvereisten conform Afdeling 4. – Vereisten voor nauwkeurigheid en plaatsing van meetuitrustingen van de Meetcode.

Art. 3.1.25.
Een elektriciteitsdistributienetgebruiker of toegangshouder die in de meetgegevens een significante fout vermoedt, brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder daar onverwijld van op de hoogte en kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder schriftelijk een controle van de meetin richting aanvragen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder plant dan, na voorafgaandelijke analyse in de systemen en bij uitsluiting van een systeemfout, zo snel mogelijk de uitvoering van een testprogramma.

Art. 3.1.26.
Als de controle, vermeld in Art. 3.1.25, uitwijst dat een significante fout veroorzaakt wordt door een fout, een defect of een onnauwkeurigheid in de meetinrichting of een onderdeel ervan, waarvoor de elektriciteitsdistributienetbeheerder verantwoordelijk is, zorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder ervoor dat de fout wordt verholpen of de meter wordt vervangen binnen tien werkdagen, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, gemotiveerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 3.1.27.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder draagt de kosten verbonden aan de acties, vermeld in Art. 3.1.25 en in Art. 3.1.26, als een significante fout kon worden vastgesteld. In het andere geval worden ze gedragen door de aanvrager.

Afdeling 7.
Administratief beheer van technische gegevens


Art. 3.1.28.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor het bijhouden en archiveren van de administratieve gegevens die vereist zijn voor een goed beheer van de meetinrichtingen en de toepasselijke wettelijke controles (onder meer fabrikant, type, fabrieksnummer, bouwjaar, contrale- en ijktijdstippen).

Art. 3.1.29.
Wijzigingen aan de meetinrichtingen, voor zover ze betrekking hebben op de metingen met het oog op facturatie in het kader van het energiecontract, worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen tien werkdagen meegedeeld aan de toegangshouder op het toegangspunt.

Hoofdstuk II.
Bijzondere bepalingen betreffende meetinrichtingen


Afdeling 1.
Bijzondere bepalingen betreffende grootverbruiksmeetinrichtingen


Art. 3.2.1.
Het gebruiksprofiel wordt geregistreerd op basis van meetperioden die overeenstemmen met de elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2 § 2.

Art. 3.2.2.

§ 1

In overeenstemming met de bepalingen van het aansluitingscontract en/of de noden van de elektriciteitsdistributienetbeheerder registreert een meetinrichting per meetperiode de volgende data:
de aanduiding van de meetperiode;
de afgenomen en/of geïnjecteerde actieve energie;
desgevallend de afgenomen en/of geïnjecteerde reactieve energie.

§ 2

De meetinrichting heeft de mogelijkheid om alle kwartiervermogens van de voorbije twaalf maanden te registeren.

Art. 3.2.3.

§ 1

Om desgevallend de tele-opname van de meetin richting mogelijk te maken, zorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, op basis van technisch-economische criteria, voor de realisatie van de meest aangewezen telecommunicatieverbinding.

§ 2

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen eigenaar is van de meetuitrustingen, is de elektriciteitsdistributienetgebruiker verantwoordelijk voor de overdracht van de meetgegevens naar de elektriciteitsdistributienetbeheerder volgens de procedure die de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt.

§ 3

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen eigenaar is van de meetuitrustingen en de inzameling overeenkomstig § 2 onmogelijk is ten gevolge van een storing of een defect ervan, inclusief de overdracht naar de elektriciteitsdistributienetbeheerder, often gevolge van iedere andere oorzaak, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder te allen tijde het recht om op kosten van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de meetgegevens of ieder ander gegeven ter plaatse op de meetuitrustingen in kwestie te verzamelen, met naleving van de voorschriften die betrekking hebben op de toegang tot die uitrustingen.

Art. 3.2.4.

§ 1

Een meetperiode is gerelateerd aan het tijdstip 00:00:00 volgens de lokale tijd.

§ 2

De afwijking van de begin- en eindtijden van de meetperiode ten overstaan van de gehanteerde referentietijd mag niet groter zijn dan tien seconden.

Art. 3.2.5.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verstrekt de elektriciteitsdistributienetgebruiker het recht om te allen tijde de in de meetin richting lokaal beschikbare meetgegevens die betrekking hebben op het toegangspunt, te consulteren. In de uitzonderlijke gevallen waarbij de meetuitrustingzich bevindt op een plaats die niet rechtstreeks voor de elektriciteitsdistributienetgebruiker toegankelijk is, wendt de elektriciteitsdistributienetgebruiker zich tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die hem binnen een redelijke termijn toegang zal verschaffen overeenkomstig de bepalingen, vermeld in Art. 2.2.70.

§ 2

De meetgegevens, vermeld in § 1, omvatten minstens de meetgegevens die dienen voor de bepaling van de elektriciteitsafname of -injectie over een bepaalde maand.

§ 3

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op een toegangspunt verschaft de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen de tien werkdagen de nodige inlichtingen voor de interpretatie van de meetgegevens.

§ 4

De afleesmethode en de omrekeningsfactoren die toegepast moeten worden voor het bepalen van de elektriciteitsafname of -injectie, vermeld in § 2, worden bij nieuw geïnstalleerde meetin richtingen op een duidelijke manier aangebracht op of vlak naast de meter.

Afdeling 2.
Bijzondere bepalingen betreffende kleinverbruiksmeetinrichtingen


Art. 3.2.6.

§ 1

De niet op afstand uitleesbare kleinverbruiksmeetinrichting voorziet in een telwerk per toegepaste tariefperiode.

§ 2

De op afstand uitleesbare kleinverbruiksmeetinrichting voldoet aan de op het moment van plaatsing geldende functionaliteiten.

Afdeling 3.
Meetuitrusting voor decentrale productie en valorisatie van flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt


Art. 3.2.7. Meetuitrustingen bij decentrale productie-installaties

§ 1

Als de meting op het toegangspunt of het allocatiepunt niet toelaat om de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit van een decentrale productie-installatie eenduidig te bepalen, kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker beroep doen op de diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder voor het plaatsen van bijkomende meetuitrusting, het uitlezen ervan en het beheer van de meetgegevens.

§ 2

Bij aansluitingen met decentrale productie waarvan de som van het totaal opgestelde productievermogen kleiner dan of gelijk is aan 10 kVA bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de voorwaarden waaraan de meetuitrusting van de decentrale productie-eenheid moet voldoen in geval de meetgegevens gebruikt worden ten behoeve van de facturatie van productie in het kader van een energiecontract en de berekening van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten.

§ 3

Bij aansluitingen met decentrale productie waarvan de som van het totaal opgestelde productievermogen groter is dan 10 kVA plaatst de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen vijftien werkdagen, na een positief onderzoek van de conformiteit met de aansluitingsvoorschriften van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, de meetinrichting met uitlezing van de productie op afstand. De meetinrichting moet de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art. 4.2.12, ondersteunen.
De afname- en injectiemeting wordt, indien ze niet geschikt is om op afstand uitgelezen te worden, aangepast. Het onderzoek moet plaatsvinden binnen de vijftien werkdagen na het uitvoeren van de eventuele aanpassing aan de aansluitingsinstallaties door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en/of de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 4

Voor productie-installaties met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 10 kVA in dienst genomen vanaf 1 september 2010 moet de meetuitrusting voor een decentrale productie-eenheid, in voorkomend geval, op een zichtbare plaats in de buurt van de meter op het toegangspunt geplaatst worden.

§ 5

Ongeacht het gaat om een klein- of grootverbruiksmeetinrichting kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meterstand opnemen bij de indienstname van de decentrale productie-installatie.

Art. 3.2.8. Meetuitrustingen voor valorisatie van flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt

§ 1

Als de meting op het toegangspunt of allocatiepunt niet toelaat om het geactiveerde volume flexibiliteit eenduidig te bepalen voor valorisatie van de flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt, kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker beroep doen op de diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder voor het plaatsen van bijkomende meetuitrusting, het uitlezen ervan en het beheer van de meetgegevens.

§ 2

De meetuitrusting voor valorisatie van flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt kan door een derde partij geleverd, geplaatst en onderhouden worden volgens technische voorschriften opgesteld door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en goedgekeurd door de VREG. Deze voorschriften omvatten ook technische oplossingen ter ondersteuning van het uitlezen van deze meetuitrusting door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Afdeling 4.
Bijzondere voorschriften voor budgetmeters


Art. 3.2.9.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder zorgt ervoor dat er steeds een duidelijke gebruiksaanwijzing voor het budgetmetersysteem op eenvoudig verzoek en gratis aangevraagd kan worden. Deze gebruiksaanwijzing moet een handleiding bevatten voor zowel het gebruik van het budgetmetersysteem (als deze geactiveerd is) als voor het uitlezen van deze meter (in geval van een gedeactiveerde budgetmeter met oplaadbare kaart).

Art. 3.2.10.

§ 1

Een gedeactiveerde budgetmeter met oplaadbare kaart wordt niet weggenomen als er geen gebruik meer wordt gemaakt van zijn functionaliteiten, tenzij een elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar van het betrokken gebouw daar uitdrukkelijk om verzoekt.

§ 2

De kosten voor het wegnemen van de budgetmeter met oplaadbare kaart komen voor rekening van de aanvrager.

§ 3

Voor het wegnemen van de budgetmeter met oplaadbare kaart maakt de elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar van het betrokken gebouw een afspraak met de elektriciteitsdistributienetbeheerder, waarbij hij kan eisen dat de budgetmeter wordt weggenomen binnen vijftien werkdagen na ontvangst door de elektriciteitsdistributienetbeheerder van de betaling van de kosten. In uitzonderlijke omstandigheden kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, op gemotiveerde wijze, van die termijn afwijken.

Hoofdstuk III.
Meteropname


Afdeling 1.
Meteropname bij grootverbruiksmeetinrichtingen


Art. 3.3.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder verzamelt dagelijks en per elementaire periode de meetgegevens door tele-opname.

Art. 3.3.2.
In afwijking van Art. 3.3.1 neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de afname en, indien van toepassing, de injectie, en indien ondersteund het maximumkwartiervermogen van de maand op toegangspunten met een meetinrichting zonder registratie van het gemeten gebruiksprofiel, maandelijks op alsook:
bij elke wissel van toegangshouder;
bij elke wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker;
bij het in dienst nemen van een toegangspunt en/of de activatie van een allocatiepunt;
bij het buiten dienst stellen van een toegangspunt en/of de activatie van een allocatiepunt;
bij aanpassing of vernieuwing van de aansluiting;
bij aanpassing of vervanging van de meetinrichting;
op verzoek van een toegangshouder;
op verzoek van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.
De meterstanden worden bepaald in de periode van zeven werkdagen voor en vijf werkdagen na het einde van de te meten maand.

Afdeling 2.
Meteropname bij kleinverbruiksmeetinrichtingen


Art. 3.3.3.

§ 1

De gemeten afname en, indien van toepassing, de injectie, gelinkt aan een of twee allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder minstens één keer per kalenderjaar opgenomen in de opnamemaand van het toegangspunt volgens het toegangsregister alsook:
bij elke wissel van toegangshouder;
bij elke wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker;
bij het in dienst nemen van een toegangspunt en/of de activatie van een allocatiepunt;
bij het buiten dienst stellen van een toegangspunt en/of de activatie van een allocatiepunt;
bij aanpassing of vernieuwing van de aansluiting;
bij aanpassing of vervanging van de meetinrichting;
op verzoek van een toegangshouder;
op verzoek van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.
De meetgegevens op basis van deze meterstand worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder overgemaakt aan de toegangshouder.

§ 2

Een meetgegeven wordt op een van volgende manieren bepaald:
op basis van een fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
op basis van een meterstand of meterstanden die de elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgeeft aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder (ofwel telefonisch, via e-mail, via website of met een meterkaartje);
op basis van een meterstand of meterstanden die de elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgeeft aan zijn toegangshouder en die de toegangshouder op zijn beurt doorgeeft aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder (bijvoorbeeld bij een wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker of correctie van een geschatte meterstand);
op basis van een uitlezing op afstand van kwartierwaarden of meterstanden;
als de bovenstaande manieren geen betrouwbare meterstanden opleverden, door schattingen conform Art. 4.3.29.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt per toegangspunt, vermeld in § 1, de maand waarin hij jaarlijks de meterstanden zal bepalen (= opnamemaand). Dat is een eigenschap van het toegangspunt dat bijgehouden wordt in het toegangsregister en waarvan de toegangshouder op het toegangspunt op de hoogte wordt gebracht (onderdeel van de stamgegevens). Voor niet op afstand uitleesbare kleinverbruiksmeetinrichtingen worden de meterstanden bepaald in een periode die loopt van tien werkdagen voor het begin van die maand tot tien werkdagen na het einde van die maand. Voor de op afstand uitleesbare kleinverbruiksmeetinrichtingen worden de meterstanden bepaald op de laatste kalenderdag van de opnamemaand.

§ 4

Bij kleinverbruiksmeetinrichtingen die niet op afstand uitgelezen kunnen worden en waar een fysieke opname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder noodzakelijk wordt geacht om de kwaliteit van de meetgegevens te garanderen, neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder minstens eenmaal in een periode van 24 maanden fysieke meterstanden op, voor zover hij toegang heeft of krijgt tot de meetinrichting. Als hij bij een eerste poging geen toegang krijgt tot de meetinrichting, laat hij een kaartje achter in de brievenbus met de vermelding van het tijdstip waartussen hij nogmaals een bezoek zal brengen. Die datum ligt maximaal tien kalenderdagen later. Het kaartje vermeldt eveneens de mogelijkheid om met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een afspraak te maken voor een bezoek op een andere datum of tussen andere uren als de elektriciteitsdistributienetgebruiker op de voorgestelde datum of tussen de voorgestelde uren verhinderd zou zijn. De elektriciteitsdistributienetgebruiker kan verzoeken om die afspraak buiten de kantooruren te laten plaatsvinden, als de elektriciteitsdistributienetbeheerder al 48 maanden lang geen fysieke meteropname kon uitvoeren. In dat geval kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder daar extra kosten voor aanrekenen. De VREG bepaalt, op voorstel van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, de situaties waarbij een fysieke opname al dan niet noodzakelijk wordt geacht.

§ 5

Op de in § 4 vermelde voorgestelde of afgesproken datum en tussen de voorgestelde of afgesproken uren, bezoekt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meetinrichting opnieuw. Als hij daarbij opnieuw geen toegang krijgt tot de meetinrichting, laat de elektriciteitsdistributienetbeheerder een meteropnamekaartje achter met het verzoek binnen tien kalenderdagen contact op te nemen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de meterstanden door te geven. Het meteropnamekaartje vermeldt dat als niet tijdig gereageerd wordt, de meterstanden geschat zullen worden en dat die niet betwist kunnen worden, tenzij de elektriciteitsdistributienetgebruiker uitdrukkelijk en op zijn kosten om een nieuwe meteropname verzoekt.

§ 6

Als het meer dan 48 maanden geleden is dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder, voor een meetinrichting die niet op afstand uitgelezen kan worden, fysiek een meteropname heeft kunnen uitvoeren, moet de elektriciteitsdistributienetgebruiker toegang tot de meetinrichting verlenen aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De kosten die de elektriciteitsdistributienetbeheerder moet maken om toegang tot de meetinrichting te verkrijgen, worden door de elektriciteitsdistributienetgebruiker gedragen.

§ 7

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op het toegangspunt kan steeds een fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aanvragen. Bij de aanvraag wordt een afspraak gemaakt met de elektriciteitsdistributienetbeheerder over het tijdstip waarop deze meteropname uitgevoerd zal worden. Daarbij kan de aanvrager eisen dat die datum binnen vijftien werkdagen ligt. De kosten voor de meteropname worden gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker tenzij die een beschermde afnemer is volgens het Energiebesluit en het zijn eerste vraag is in het lopende kalenderjaar. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de datum en tussen de uren van de afspraak geen toegang krijgt tot de meetinrichting, vervalt de aanvraag en worden de kosten gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 8

De afname of de injectie, bepaald volgens § 1 en § 2, wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerd overeenkomstig de procedure, beschreven in artikels 4.3.15 t.e.m. 4.3.17.

Art. 3.3.4.

§ 1

Als voor de jaarlijkse meteropname bij een meetinrichting die niet op afstand uitgelezen kan worden geen fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gebeurt, verstuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een meteropnamekaart naar het contactadres van de elektriciteitsdistributienetgebruiker op het toegangspunt. Op die meteropnamekaart wordt de elektriciteitsdistributienetgebruiker verzocht binnen tien werkdagen contact op te nemen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de meterstanden door te geven. De meteropnamekaart vermeldt dat als niet tijdig gereageerd wordt, de meterstanden geschat zullen worden en dat die niet betwist kunnen worden, tenzij de elektriciteitsdistributienetgebruiker uitdrukkelijk en op zijn kosten om een nieuwe meteropname verzoekt.

§ 2

Als de meterstand bij een wissel van toegangshouder op een toegangspunt niet op afstand uitgelezen wordt, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder 10 werkdagen voor de effectieve wisseldatum, een meteropnamekaart naar de door de toegangshouder in zijn aanvraag vermelde elektriciteitsdistributienetgebruiker op het door de toegangshouder in zijn aanvraag vermelde contactadres. Op die meteropnamekaart vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de identificatie van het allocatiepunt en het adres van het toegangspunt waarop de wissel zal plaatsvinden, de contactgegevens van beide betrokken toegangshouders en de procedure voor het doorgeven van de meterstand en de meternummers conform § 1. Tevens wordt verduidelijkt welke stappen kunnen worden ondernomen om een onterechte wissel van toegangshouder ongedaan te maken.

§ 3

Bij uitlezing op afstand registreert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meterstand op het tijdstip 00:00 lokale tijd op de datum van de wissel van toegangshouder.

Titel IV.
Marktcode

De marktcode (titel IV) bevat de bepalingen met betrekking tot:
de voorwaarden en plichten gerelateerd aan het verkrijgen van toegang tot het net door de toegangshouder;
de diensten die de elektriciteitsdistributienetbeheerder op allocatiepunten aanbiedt aan de door de elektriciteitsdistributienetgebruiker gemandateerde toegangshouder;
de rollen en verantwoordelijkheden van de marktpartijen bij het uitwisselen van informatie op allocatiepunten, net als specifieke principes van toepassing in de marktprocessen bij de aanwijzing van of wijziging op een allocatiepunt, de ter beschikking stelling en rechtzetting van meetgegevens, de allocatie en reconciliatie;
de registratie en het gebruik van technische, relationele en meetgegevens op allocatiepunten.

Hoofdstuk I.
Registratie van gegevens


Afdeling 1.
Toekenning van toegangspunt en allocatiepunten


Art. 4.1.1. Toekenning van toegangspunt

§ 1

Aan elke aansluiting op het elektriciteitsdistributienet wordt één individueel toegangspunt toegekend per woon- of bedrijfseenheid, behoudens de uitzonderingen zoals bepaald in art. 4.7.1, § 2 van het Energiedecreet.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan afwijken van het principe bepaald in § 1. De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk deze afwijkingen vast en maken die bekend via hun websites.

Art. 4.1.2. Koppeling van allocatiepunt(en) aan het toegangspunt

§ 1

Aan een toegangspunt waarop het gebruik van het elektriciteitsdistributienet zich beperkt tot afname wordt één allocatiepunt gekoppeld.

§ 2

Aan een toegangspunt waarop het gebruik van het elektriciteitsdistributienet afname en injectie betreft, worden, afhankelijk van de gekozen dienst, ofwel één allocatiepunt ofwel twee aparte allocatiepunten voor respectievelijk afname en injectie gekoppeld.

§ 3

Aan een toegangspunt verbonden aan een aansluiting waarop een of meerdere oplaadpunten voor elektrische voertuigen of een publiek toegankelijke laadinfrastructuur met oplaadpunten voor elektrische voertuigen aangesloten is, wordt, afhankelijk van de gekozen dienst, een tweede allocatiepunt voor afname gekoppeld, ten behoeve van de afname via de oplaadpunten of de laadinfrastructuur.

Afdeling 2.
Toegangsregister


Art. 4.1.3. Doel van het toegangsregister

Het toegangsregister is een bestand of een geheel van bestanden dat tot doel heeft de vrije marktwerking te ondersteunen en hiertoe de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de toegangshouder en de evenwichtsverantwoordelijke op de allocatiepunten op het elektriciteitsdistributienet registreert. Dat houdt onder meer het volgende in:
veranderingen van elektriciteitsdistributienetgebruikers, toegangshouders en evenwichtsverantwoordelijken actief op de allocatiepunten alsook technische aanpassingen inzake de toegang tot het net op niveau van de toegangspunten kunnen geregistreerd en gevolgd worden;
op basis van de op de allocatiepunten geregistreerde elektriciteitsdistributienetgebruikers, toegangshouders en evenwichtsverantwoordelijken kunnen de afgenomen en geïnjecteerde of verbruikte en geproduceerde hoeveelheden elektriciteit correct aan die partijen toegewezen worden;
op basis van de op de toegangspunten geregistreerde technische gegevens en de op de allocatiepunten geregistreerde keuzes van de elektriciteitsdistributienetgebruiker kunnen de energieprijzen en nettarieven via de leverancier aan de op de allocatiepunten geregistreerde elektriciteitsdistributienetgebruikers aangerekend worden.

Art. 4.1.4. Actueel houden van informatie in toegangsregister

Als verantwoordelijke voor het beheer van het toegangsregister houdt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de hierin opgenomen informatie actueel, met inbegrip van de verwerking van de gegevens van de elektriciteitsdistributienetgebruikers zoals die worden aangeleverd door de toegangshouders.
De toegangshouder levert de contactgegevens vermeld in Art 4.1.5 aan zoals hij die van de elektriciteitsdistributienetgebruiker ontvangt. Wanneer de elektriciteitsdistributienetgebruiker een wijziging in zijn contactgegevens doorgeeft aan zijn toegangshouder actualiseert de toegangshouder deze gegevens onverwijld in het toegangsregister.
Wanneer de elektriciteitsdistributienetbeheerder gebruik maakt van een telefoonnummer of e-mailadres van de elektriciteitsdistributienetgebruiker zoals opgenomen in het toegangsregister dan voorziet hij procedures of processen die rekening houden met de mogelijkheid dat deze gegevens niet meer actueel zijn. Zo mag de elektriciteitsdistributienetbeheerder bij communicatie op basis van het telefoonnummer of e-mailadres geenszins persoons- of commerciële gegevens doorgeven.

Art. 4.1.5. Inhoud van het toegangsregister

In het toegangsregister worden de volgende gegevens opgenomen:
informatie over de aansluiting, per aansluitingspunt, zoals aangeleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder:
o
het energietype: elektriciteit;
o
het elektriciteitsdistributienet waarmee de aansluiting verbonden is;
o
het aansluitingsspanningsniveau;
o
het adres waar de aansluiting zich bevindt;
o
het toegangspunt of de toegangspunten verbonden aan de aansluiting;
informatie over de toegang tot het net, per toegangspunt, zoals aangeleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder:
o
de identificatie (EAN) van het toegangspunt;
o
de fysieke status van het toegangspunt;
o
de gebruiksrichting: injectie en/of afname;
o
het aansluitingsvermogen;
o
indien van toepassing, gegevens inzake de aanwezigheid van decentrale productie;
informatie over de meetinrichting op het toegangspunt, zoals aangeleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder:
o
de meternummer(s);
o
de fysieke status van de meter(s) en meetinrichting;
o
de aanwezigheid van een budgetmeter of stroombegrenzer;
informatie over de meteropname:
o
voor toegangspunten met jaarlijkse meteropname: de opnamemaand;
informatie over de elektriciteitsdistributienetgebruiker, per allocatiepunt, zoals aangeleverd door de toegangshouder:
o
de naam van de elektriciteitsdistributienetgebruiker;
o
het type elektriciteitsdistributienetgebruiker (huishoudelijk of niet-huishoudelijk);
o
indien van toepassing, het ondernemingsnummer en de NACE-BEL 2008 code;
o
de contactgegevens (adres en, indien beschikbaar, e-mailadres en telefoonnummer) van de elektriciteitsdistributienetgebruiker;
informatie over het gebruik van het allocatiepunt:
o
de identificatie van de aan het toegangspunt gekoppelde allocatiepunten;
o
de contractuele status van het allocatiepunt;
o
het toegangsvermogen voor injectie en/of afname;
o
de partijen die als toegangshouder en evenwichtsverantwoordelijke zijn aangewezen;
o
de allocatiepuntconfiguratie:
het meetregime;
de opnamefrequentie voor facturatie;
de opnamefrequentie voor verbruiksinformatie;
de tariefperioden;
o
de op het toegangspunt gekozen en beschikbare dienst, alsook de hieruit volgende wijze(n) waarop de meetgegevens gecombineerd (kunnen) worden op het allocatiepunt;
o
indien van toepassing, de voorafbetalingsstatus;
o
de datum na de indienstname waarop voor het eerst een toegangshouder geregistreerd werd op het allocatiepunt;
o
de datum waarop de huidige toegangshouder geregistreerd werd op het allocatiepunt;
o
de datum waarop een toegangshouder voor de huidige elektriciteitsdistributienetgebruiker geregistreerd werd op het allocatiepunt;
o
indien gekend, de einddatum van het energiecontract tussen de huidige toegangshouder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker op het allocatiepunt;
o
het gebruiksprofiel;
o
voor allocatiepunten met een berekend gebruiksprofiel, het standaard jaarverbruik of standaard maandverbruik of de forfaitair bepaalde afname;
o
het validatieniveau van meetgegevens voor facturatie;
o
het validatieniveau van meetgegevens voor verbruiksinformatie;
o
de meest recente meterstanden en verbruiken voor facturatie;
o
de meest recente meterstanden en verbruiken voor verbruiksinformatie;
o
historische verbruiken.

Hoofdstuk II.
Toegang tot het net


Afdeling 1.
Verkrijgen van toegang tot het net


Art. 4.2.1. Toegangshouderschap

§ 1

De toegangshouder is:
Op injectiepunten op het elektriciteitsdistributienet: ofwel de elektriciteitsdistributienetgebruiker (producent) zelf, ofwel een gemandateerde derde partij, naargelang van de partij die de toegang tot het net heeft aangevraagd en verkregen voor dat toegangspunt;
Op afnamepunten op het elektriciteitsdistributienet: ofwel de afnemer zelf (dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon), voor zover deze over een aansluitingsvermogen voor afname groter dan of gelijk aan 56kVA beschikt, ofwel een leverancier, naargelang van de partij die de toegang tot het net heeft aangevraagd en verkregen voor dat toegangspunt.

§ 2

Elke partij die volgend uit § 1 toegangshouder kan zijn, kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder een toega ngsaanvraag conform Onderafdeling 2 indienen.

Onderafdeling 1.
Toegangsvoorwaarden voor de toegangshouder


Art. 4.2.2.
De voorwaarden voor toegang tot het net zijn:
als de toega ngsaanvraag of het behoud van toegang betrekking heeft op afnamepunten: de aanvrager of de toegangshouder beschikt, tenzij hij afnemer is op het betreffende toegangspunt, over de vereiste toestemming om te leveren op het Vlaamse elektriciteitsdistributienet, conform het Energiedecreet;
de aanvrager of de toegangshouder is zelf evenwichtsverantwoordelijke of heeft een geldige overeenkomst met een of meer evenwichtsverantwoordelijken;
de evenwichtsverantwoordelijken zijn opgenomen in het register van toegangsverantwoordelijken;
de ingangsdatum waarop toegang tot het net wordt aangevraagd, ligt minstens één maand in de toekomst;
het voldoen aan de betalingsvoorwaarden opgenomen in het toegangscontract en de daaraan gelinkte wijze van financiële borgstelling voldoet aan de in het toegangscontract gespecificeerde voorwaarden;
de ondertekening van het meest recente toegangscontract.

Art. 4.2.3.
Om toegang tot het net van de elektriciteitsdistributienetbeheerder te verkrijgen moet de toegangshouder een toegangscontract afsluiten met de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 4.2.4. Verklaringen en garanties van de toegangshouder en evenwichtsverantwoordelijke

§ 1

De toegangshouder verklaart en garandeert ten opzichte van de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat vanaf de datum van inwerkingtreding van het toegangscontract en voor de hele looptijd ervan, alle door hem geplande afnames en injecties die elkaar niet opheffen gedekt zijn of gedekt zullen zijn door een overeenkomstige aankoop of verkoop van elektriciteit.

§ 2

Als de toegangshouder niet zelf de evenwichtsverantwoordelijke is, moet hij voor elke evenwichtsverantwoordelijke met wie hij in dat verband samenwerkt, een door hem en de evenwichtsverantwoordelijke ondertekende verklaring aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder bezorgen. In die verklaring wordt de samenwerking van de beide partijen bevestigd met betrekking tot (een deel van) de allocatiepunten waarop de toegangshouder toegang tot het elektriciteitsdistributienet heeft. De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt een modelverklaring op.

§ 3

De toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke waarschuwt de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk als de verklaringen of garanties bepaald in § 1 en § 2 vervallen.

Onderafdeling 2.
Toegangsprocedure


Art. 4.2.5.

§ 1

Om toegang tot het net te verkrijgen moet een toegangsaanvraag worden ingediend bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

Een toegangsaanvraag wordt ingediend volgens de procedure bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Het toegangsaanvraagformulier wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder beschikbaar gesteld. De toegangsprocedure specificeert de ontvankelijkheidsvoorwaarden van de toegangsaanvraag.

Art. 4.2.6. Inhoud van de toegangsaanvraag

Een toegangsaanvraag omvat minstens de volgende elementen:
de identiteit en contactgegevens van de aanvrager (naam, adres, ondernemingsnummer, EAN-GLN
de identiteit en contactgegevens van de evenwichtsverantwoordelijke waarmee de aanvrager zal samenwerken (naam, adres, ondernemingsnummer, EAN-GLN...);
een verklaring van samenwerking tussen de aanvrager en de evenwichtsverantwoordelijke;
de wijze van financiële borgstelling;
de ingangsdatum waarop toegang tot het net wordt aangevraagd;

Art. 4.2.7.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvraag volledig is. Als de aanvraag niet volledig is, meldt hij aan de aanvrager uiterlijk één maand na ontvangst van de aanvraag welke elementen er ontbreken.

Art. 4.2.8.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvrager voldoet aan de toegangsvoorwaarden zoals bepaald in Art. 4.2.2.

Art. 4.2.9.

§ 1

Als de aanvraag niet wordt goedgekeurd, meldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan de aanvrager uiterlijk één maand na ontvangst van de volledige aanvraag welke voorwaarden niet zijn vervuld. Tevens wordt melding gemaakt van de bemiddelings- en beslechtingstaak van de VREG in geschillen met de netbeheerder conform artikelen 3.1.4/2 en 3.1.4/3 van het Energiedecreet.

§ 2

Als de toega ngsaanvraag betrekking heeft op afnamepunten en de aanvrager, indien van toepassing, nog niet beschikt over de vereiste toestemming om te leveren op het Vlaamse elektriciteitsdistributienet, conform het Energiedecreet, zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder toch al starten met het onderzoek om na te gaan of er voldaan wordt aan de andere toegangsvoorwaarden en dit vanaf het moment dat de kandidaat-leverancier zich aanmeldt om toegang tot het net te krijgen. De toegangsaanvraag zal echter pas goedgekeurd worden nadat de aanvrager de vereiste toestemming heeft om te leveren op het Vlaamse elektriciteitsdistributienet, conform het Energiedecreet.

§ 3

Als de toegangsaanvraag wordt goedgekeurd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder verkrijgt de aanvrager toegang tot het elektriciteitsdistributienet na ondertekening van het toegangscontract van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Onderafdeling 3.
Toegangscontract


Art. 4.2.10. Inhoud van het toegangscontract

Het toegangscontract bevat, naast verwijzingen naar dit reglement, onder meer de volgende elementen:
de wederzijdse rechten en plichten;
de aansprakelijkheidsregeling;
de betalingsvoorwaarden en financiële borgstellingen;
een regeling van schadeloosstelling met betrekking tot de wederzijdse aansprakelijkheden verbonden aan langdurige stroomonderbrekingen.
een regeling van schadeloosstelling met betrekking tot de wederzijdse aansprakelijkheden, verbonden aan de verplichting tot het uitwisselen van gegevens, waaronder in het bijzonder meetgegevens.

Afdeling 2.
Aangeboden diensten en allocatiepuntconfiguratie


Art. 4.2.11. Aanbod van diensten op een allocatiepunt

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder geeft een overzicht aan de toegangshouder van de diensten die hij op het allocatiepunt kan leveren.

§ 2

Het aanbod van diensten op een allocatiepunt wordt bepaald door de mogelijke combinaties van meetgegevens, gemeten door de aanwezige meetinrichting.

§ 3

De toegangshouder maakt een keuze uit de aangeboden diensten.

§ 4

Elke dienst die mogelijk aangeboden wordt is onderworpen aan een voorafgaandelijke goedkeuring door de VREG.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder biedt minimaal die diensten aan die de toegangshouder in staat stellen zijn verplichtingen in of krachtens het Energiedecreet ten aanzien van een elektriciteitsdistributienetgebruiker na te komen.

Art. 4.2.12. Standaard allocatiepuntconfiguratie bij een grootverbruiksmeetinrichting

§ 1

Op een allocatiepunt verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting of een toegangspunt met een toegangsvermogen voor injectie groter dan 10 kVA, bestaat de allocatiepuntconfiguratie, in geval van nieuwe aansluitingen en wijzigingen aan bestaande aansluitingen, standaard uit:
Meetregime: per elementaire periode, zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2;
Opnamefrequentie voor facturatie: maandelijks;
Opnamefrequentie voor verbruiksinformatie: maandelijks, gelijktijdig met de meteropname voor facturatie;
Tariefperioden: zoals bepaald in de tariefmethodologie vastgelegd door de VREG.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetgebruiker kan met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een allocatiepuntconfiguratie overeenkomen die afwijkt van de standaard allocatiepuntconfiguratie zoals bepaald in § 1.

Art. 4.2.13. Standaard allocatiepuntconfiguratie bij een kleinverbruiksmeetinrichting

§ 1

Op een allocatiepunt met een kleinverbruiksmeetinrichting bestaat de allocatiepuntconfiguratie standaard uit:
Meetregime:
o
In geval van een niet op afstand uitleesbare meetinrichting: jaarlijks;
o
In geval van een op afstand uitleesbare meetinrichting: maandelijks;
Opnamefrequentie voor facturatie: jaarlijks;
Opnamefrequentie voor verbruiksinformatie:
o
In geval van een niet op afstand uitleesbare meetinrichting: jaarlijks, met de mogelijkheid voor de elektriciteitsdistributienetgebruikerom tussentijds, bovenop de jaarlijkse meteropname, additionele meterstanden door te geven, conform art. 3.2.18 van het Energiebesluit;
o
In geval van een op afstand uitleesbare meetinrichting: maandelijks, conform art. 3.2.18 van het Energiebesluit.
Tariefperioden: zoals bepaald in de tariefmethodologie vastgelegd door de VREG.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetgebruiker kan een allocatiepuntconfiguratie kiezen die afwijkt van de standaard allocatiepuntconfiguratie zoals bepaald in § 1. Hij maakt dit verzoek kenbaar aan de toegangshouder. De toegangshouder maakt het verzoek uiterlijk op de 8e werkdag na ontvangst van het verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker over aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De elektriciteitsdistributienetbeheerder wijzigt de allocatiepuntconfiguratie uiterlijk op de 20e werkdag na ontvangst van het verzoek van de toegangshouder naar de gekozen allocatiepuntconfiguratie, voor zover de meetinrichting van de elektriciteitsdistributienetgebruiker de gekozen allocatiepuntconfiguratie ondersteunt en voor zover de gekozen allocatiepuntconfiguratie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aangeboden wordt.

§ 3

In het geval van een op afstand uitleesbare meetinrichting biedt de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan elektriciteitsdistributienetgebruikers die hun allocatiepuntconfiguratie willen aanpassen conform § 2 in ieder geval een allocatiepuntconfiguratie aan die bestaat uit:
Meetregime:
o
Per elementaire periode, zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2;
Opnamefrequentie voor facturatie: jaarlijks, of op vraag van de elektriciteitsdistributienetgebruiker maandelijks;
Opnamefrequentie voor verbruiksinformatie: maandelijks;
Tariefperiode: zoals bepaald in de tariefmethodologie vastgelegd door de VREG.

Art. 4.2.14. (nieuw) - Keuze allocatiepuntconfiguratie

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt de op basis van de aanwezige meetinrichting mogelijke instellingen van de allocatiepuntconfiguratie zichtbaar aan de toegangshouder op het betreffende allocatiepunt.

§ 2

Nadat de elektriciteitsdistributienetgebruiker zijn toestemming heeft gegeven, kan de toegangshouder de allocatiepuntconfiguratie kiezen uit de beschikbare instellingen, volgens de wijze beschreven in de UMIG.

Hoofdstuk III.
Marktfacilitatie


Afdeling 1.
Proces ter consultatie van gegevens door de toegangshouder op een toegangspunt en allocatiepunt


Art. 4.3.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt een doorlopend beschikbare elektronische opzoeking door leveranciers van de EAN- codes van de toegangspunten op zijn net op basis van adresgegevens (straatnaam, huisnummer, busnummer, postnummer en gemeente) en meternummer(s) én vice versa, mogelijk. De inhoud, het formaat waarin en de drager waarop die opzoeking kan gebeuren, wordt in onderling overleg tussen leveranciers en elektriciteitsdistributienetbeheerders bepaald en beschreven in de handleiding voor informatie-uitwisseling. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk opgestelde beschrijving legt de VREG de inhoud, het formaat waarin en de drager waarop die opzoeking kan gebeuren op.

Afdeling 2.
Processen die een wijziging op het allocatiepunt teweegbrengen


Art. 4.3.2. Aanwijzing toegangshouder en evenwichtsverantwoordelijke

§ 1

Per allocatiepunt wijst de elektriciteitsdistributienetgebruiker een toegangshouder aan.

§ 2

Op een toegangspunt waarop het gebruik van het net afname en injectie betreft kan, in geval van een verschillende toegangshouder voor afname en injectie, de toegangshouder op het allocatiepunt voor injectie slechts aangewezen worden nadat de toegangshouder op het allocatiepunt voor afname werd geregistreerd.

§ 3

Per allocatiepunt wijst de toegangshouder de evenwichtsverantwoordelijke aan.

Art. 4.3.3. Activatie en de-activatie van een allocatiepunt

§ 1

De activatie van een allocatiepunt voor afname valt samen met de indienstname van het hieraan gekoppelde toegangspunt, zoals bepaald in Art. 2.3.1.

§ 2

Behoudens in de gevallen waar het gebruik van het net op het toegangspunt zich beperkt tot injectie, kan de activatie van een apart allocatiepunt voor injectie slechts plaatsvinden nadat het allocatiepunt voor afname werd geactiveerd.

§ 3

De de-activatie van een allocatiepunt voor afname valt samen met de buitendienststelling van het hieraan gekoppelde toegangspunt, zoals bepaald in Art. 2.3.2, en leidt bijgevolg tot de de-activatie van een eventueel apart allocatiepunt voor injectie.

Art. 4.3.4. Wissel van toegangshouder

§ 1

Elke wijziging van toegangshouder op een allocatiepunt, die niet gepaard gaat met een wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker, moet vooraf aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder aangevraagd worden door de nieuwe toegangshouder, met aanwijzing van de datum van verandering. De elektriciteitsdistributienetbeheerder verwerkt dit bericht conform de termijn zoals bepaald in art. 4.4.1 van het Energiedecreet. De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet een systeem om het respecteren van deze termijn te controleren en voorziet, voor zover afwijkingen mogelijk zijn, een rapportering via de monitoring bepaald in Art. 1.3.3, § 6.

§ 2

Op een allocatiepunt verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting gebeurt de meteropname naar aanleiding van een wissel van toegangshouder zoals bepaald in Art. 3.3.3 § 2.

§ 3

De wisselmeterstanden worden bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder via één van onderstaande methodes, waarbij de volgorde van onderstaande methodes wordt gerespecteerd en waarbij gegevens opgenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder voorrang hebben in geval van betwisting:
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting:
indien beschikbaar, op basis van de meterstand(en) verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum of, indien de elektriciteitsdistributienetbeheerder overgaat tot een meteropname op eigen initiatief of op vraag van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, door opname van de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse;
op basis van de door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgegeven en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstand(en);
bij gebrek aan bovenstaande meterstanden of als uit de validatie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder blijkt dat deze meterstanden onbruikbaar zijn en er uiterlijk op de tiende werkdag na de effectieve datum van de wissel van toegangshouder geen gevalideerde meterstanden beschikbaar zijn, door schatting volgens de methodieken beschreven in Art. 4.3.29.
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting of een toegangspunt van een aansluiting met een totale decentrale productie groter dan 10 kVA:
op basis van de meterstanden of volumes verkregen doortele-opname op de wisseldatum;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder opgenomen meterstanden of volumes;
op basis van de door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgegeven en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstanden of volumes;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder berekende of geschatte meterstanden of volumes.

Art. 4.3.5. Wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker en gecombineerde wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker en toegangshouder

§ 1

Elke wissel van een elektriciteitsdistributienetgebruiker op een allocatiepunt wordt door de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker gemeld aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder zodra hij daarvan op de hoogte wordt gebracht door de elektriciteitsdistributienetgebruiker. De elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting geeft hiertoe de datum van de wissel en de meterstand(en) op die datum door aan zijn toegangshouder. Zowel de wisseldatum als de wisselmeterstand(en) zijn bij voorkeur op tegenstelbare wijze tussen partijen vastgelegd. Dit kan gebeuren via het energieovernamedocument dat zowel ondertekend is door de uithuizende als de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar in afwezigheid van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 2

De wisselmeterstanden worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald via één van onderstaande methodes, waarbij de volgorde van onderstaande methodes wordt gerespecteerd en waarbij gegevens opgenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder voorrang hebben in geval van betwisting:
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting:
op basis van de meterstand(en) verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum of, indien de elektriciteitsdistributienetbeheerder overgaat tot een meteropname op eigen initiatief of op vraag van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, door opname van de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse;
op basis van de meterstand(en) op tegenstelbare wijze vastgesteld conform § 1 en door de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker overgemaakt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
op basis van de meterstand(en) op wisseldatum zoals bezorgd aan de toegangshouder door de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker;
bij gebrek aan bovenstaande, als er geen meterstand(en) bekend zijn of als uit de validatie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder blijkt dat deze meterstand(en) onbetrouwbaar zijn, op basis van een schatting van de meterstand(en) op de wisseldatum volgens de methodieken vermeld in Art. 4.3.29.
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting of een toegangspunt van een aansluiting met een totale decentrale productie groter dan 10 kVA:
op basis van de meterstanden of volumes verkregen doortele-opname op de wisseldatum;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder opgenomen meterstanden of volumes;
op basis van de door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgegeven en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstanden of volumes;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder berekende of geschatte meterstanden of volumes.

§ 3

Als de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting de gevalideerde wisselmeterstand(en) en wisseldatum ontvangt van de elektriciteitsdistributienetbeheerder (doorgegeven door de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker) controleert hij of dit overeenkomt met de meterstand(en) en wisseldatum zoals doorgegeven door de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 4

Bij gebrek aan overeenstemming van wisselmeterstand(en) of wisseldatum, kan de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting een rectificatiebericht sturen.

Art. 4.3.6. Verhuis geïnitieerd door de uithuizende klant en niet-gemelde verhuis

§ 1

Elke toegangshouder neemt in zijn energiecontract met zijn klant de verplichting op dat een elektriciteitsdistributienetgebruiker op een allocatiepunt verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting steeds aan zijn toegangshouder en via zijn toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder moet melden dat hij verhuist en aan die toegangshouder en via zijn toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder de volgende gegevens moet verstrekken, tenzij hij aangeeft, conform Art. 2.3.2, dat het toegangspunt op het oude adres op zijn kosten buiten dienst mag worden gesteld:
de wisseldatum waarop hij het oude adres verlaat of verlaten heeft;
indien niet beschikbaar bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder door uitlezing op afstand, de wisselmeterstand(en) vastgesteld door de elektriciteitsdistributienetgebruiker op die datum;
de naam en contactgegevens van de nieuwe elektriciteitsdistributienetgebruiker of van de eigenaar van het gebouw of de installatie waaraan het allocatiepunt verbonden is.
Hierbij worden de wisseldatum en de wisselmeterstand(en) bij voorkeur op tegenstelbare wijze tussen partijen vastgelegd. De elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting kan hiervoor gebruik maken van het energieovernamedocument dat zowel ondertekend is door de uithuizende als de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar in afwezigheid van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.
Wanneer de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker zijn verhuis meldt, maar nalaat een of meerdere van deze gegevens vermeld in § 1 mee te delen en er geen wisselaanvraag op naam van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar volgt, meldt de toegangshouder de verhuis aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform § 3.

§ 2

In geval de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker de verhuis meldt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, wordt de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker geschrapt als elektriciteitsdistributienetgebruiker op het allocatiepunt op de in de aanvraag vermelde effectieve verhuisdatum. De toegangshouder blijft geregistreerd op het allocatiepunt tot ontvangst van de wisselaanvraag op naam van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar.

§ 3

Indien er geen wisselaanvraag op naam van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar ontvangen wordt, moet de toegangshouder van de uithuizende distributienetgebruiker de situatie binnen de termijn bepaald in art. 5.5.1 van het Energiebesluit melden aan de distributienetbeheerder. De uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker wordt geschrapt als elektriciteitsdistributienetgebruiker op het allocatiepunt op de in de aanvraag vermelde effectieve verhuisdatum. Na de melding blijft de toegangshouder ten laatste tot de termijn bepaald in art. 5.5.2 van het Energiebesluit geregistreerd op het allocatiepunt.

§ 4

De wisselmeterstanden worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald via een van onderstaande methodes, waarbij de volgorde van onderstaande methodes wordt gerespecteerd en waarbij gegevens opgenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder voorrang hebben in geval van betwisting:
op basis van de meterstand(en) verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum;
op basis van de meterstand(en) op wisseldatum op tegenstelbare wijze vastgesteld en door de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker overgemaakt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
op basis van de meterstand(en) op wisseldatum zoals bezorgd aan de toegangshouder door de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker;
op basis van de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder op vraag van de toegangshouder ter plaatse opgenomen meterstand(en);
bij gebrek aan bovenstaande, als er geen meterstanden bekend zijn of als uit de validatie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder blijkt dat deze meterstanden onbetrouwbaar zijn, op basis van een schatting op de wisseldatum volgens de methodieken vermeld in Art. 4.3.29.

§ 6

Als de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting in geval van een verhuis geïnitieerd door de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker en een niet-gemelde verhuis, de gevalideerde wisselmeterstand(en) en wisseldatum ontvangt van de elektriciteitsdistributienetbeheerder (doorgegeven door de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker) controleert hij of dit overeenkomt met de meterstand(en) en wisseldatum zoals doorgegeven door de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 7

Bij gebrek aan overeenstemming van wisselmeterstand(en) of wisseldatum, kan de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting een rectificatiebericht sturen.

§ 8

Na de lancering van de verhuisaanvraag door de toegangshouder zoals bepaald in § 3 krijgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de opdracht om, voor een elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting, de situatie op het allocatiepunt te regulariseren.

§ 9

Na het ontvangen van een door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker correct en volledig ingevuld regularisatiedocument, neemt de toegangshouder de nodige maatregelen om de levering op het betreffende allocatiepunt te regulariseren door het versturen van een wisselaanvraag, tenzij de toegangshouder deze distributienetgebruiker mag weigeren conform het Energiebesluit. De wisselaanvraag bevat als effectieve wisseldatum de datum vermeld op het regularisatiedocument, tenzij de verhuis van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker lopende is, dan wordt de datum en wisselmeterstand conform Art. 4.3.6, § 4 bepaald.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet in een opvolging van de termijn tot regularisatie, waarbij er enkel rekening gehouden wordt met de regulaisatiedocumenten die voldoen aan de voorwaarden van deze paragraaf en die conform deze paragraaf door de toegangshouder moeten worden verwerkt.

§ 10

Als de levering op het allocatiepunt niet werd geregulariseerd na afloop van de termijn vermeld in § 3 en het toegangspunt niet buiten dienst werd gesteld, neemt de elektriciteitsdistributienet-beheerder, zoals bepaald in art. 5.5.2 van het Energiebesluit, de levering op het betreffende allocatiepunt over.

Art. 4.3.7. Opzegging contract door de toegangshouder ten gevolge van wanbetaling

§ 1

De beëindiging van het contract met betrekking tot de afname of injectie op een allocatiepunt ten gevolge van wanbetaling van de elektriciteitsdistributienetgebruiker moet minstens dertig kalenderdagen vooraf door de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder gemeld worden.

§ 2

In afwijking van § 1 moet de beëindiging van het contract met betrekking tot afname op een allocatiepunt van een huishoudelijke afnemer ten gevolge van wanbetaling, conform de termijn in art. 5.2.1, § 1 van het Energiebesluit door de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder gemeld worden.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet een systeem om het respecteren van de termijnen bedoeld in § 1 en § 2 te controleren en voorziet, voor zover afwijkingen mogelijk zijn, een rapportering via de monitoring bepaald in Art. 1.3.3, § 6.

§ 4

De beëindiging van contracten geregistreerd op aparte, aan eenzelfde toegangspunt gekoppelde, allocatiepunten voor afname en injectie, beïnvloeden elkaar niet, met dien verstande dat de beëindiging van de toegang tot het net op het toegangspunt, conform Art. 2.3.10 bij gebrek aan een geregistreerde toegangshouder op het allocatiepunt voor afname, ook de diensten op het allocatiepunt voor injectie beëindigt.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt binnen tien werkdagen contact op met de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Hierbij wijst hij hem op zijn plicht om een toegangshouder aan te wijzen op het betreffende allocatiepunt uiterlijk tien kalenderdagen vóór het einde van de opzegtermijn, of acht kalenderdagen in het geval van een huishoudelijke afnemer. De elektriciteitsdistributienetbeheerder vermeldt eveneens de mogelijke gevolgen als de elektriciteitsdistributienetgebruiker geen nieuw energiecontract sluit, dat ingaat op de datum van het einde van de opzegtermijn.

Art. 4.3.8. Opzegging contract om andere redenen

§ 1

De beëindiging van het contract met betrekking tot de afname of de injectie op een allocatiepunt door de elektriciteitsdistributienetgebruiker moet minstens 28 kalenderdagen vooraf door de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder worden gemeld.

§ 2

In afwijking van § 1 moet de beëindiging van het contract met betrekking tot afname op een allocatiepunt van een huishoudelijke afnemer om een andere reden dan wanbetaling, conform de termijn in art. 5.2.1, § 1 van het Energiebesluit door de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder gemeld worden.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet een systeem om het respecteren van de termijnen vermeld in § 1 en § 2 te controleren en voorziet, voor zover afwijkingen mogelijk zijn, een rapportering via de monitoring bepaald in Art. 1.3.3, § 6.

§ 4

De beëindiging van contracten geregistreerd op aparte, aan eenzelfde toegangspunt gekoppelde, allocatiepunten voor afname en injectie, beïnvloeden elkaar niet, met dien verstande dat de beëindiging van de toegang tot het net op het toegangspunt, conform Art. 2.3.10 bij gebrek aan een geregistreerde toegangshouder op het allocatiepunt voor afname, ook de diensten op het allocatiepunt voor injectie beëindigt.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt binnen tien werkdagen contact op met de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Hierbij wijst hij hem op zijn plicht om een toegangshouder aan te wijzen op het betreffende allocatiepunt uiterlijk tien kalenderdagen vóór het einde van de opzegtermijn, of acht kalenderdagen in het geval van een huishoudelijke afnemer. De elektriciteitsdistributienetbeheerder vermeldt eveneens de mogelijke gevolgen als de elektriciteitsdistributienetgebruiker geen nieuw energiecontract sluit, dat ingaat op de datum van het einde van de opzegtermijn.

Art. 4.3.9. Onterechte wissel van toegangshouder

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker die meent onterecht van toegangshouder te zullen veranderen of te zijn veranderd, kan dat melden ofwel aan zijn eigenlijke toegangshouder, ofwel aan de toegangshouder die onterecht een wissel van toegangshouder op zijn allocatiepunt heeft aangevraagd. De gecontacteerde toegangshouder meldt de gecontesteerde wissel aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

Bij vaststelling van een onterechte leverancierswissel ontvangen beide toegangshouders stamgegevens en verbruiksgegevens van de betrokken distributienetgebruiker om deze situatie recht te zetten.

§ 3

Als de onterechte wissel van toegangshouder nog niet uitgevoerd werd in het toegangsregister en geannuleerd kan worden, dan annuleert de toegangshouder die onterecht de wissel van toegangshouder heeft aangevraagd de aanvraag gelijktijdig met de bevestiging aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de wissel verkeerdelijk of onterecht door hem werd aangevraagd.

§ 4

Als de onterechte wissel van toegangshouder al uitgevoerd werd in het toegangsregister of niet geannuleerd kan worden, dan vraagt de eigenlijke toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder om de fout ongedaan te maken. De elektriciteitsdistributienetbeheerder registreert zo snel mogelijk en indien mogelijk retroactief, opnieuw de juiste toegangshouder op het betreffende allocatiepunt in het toegangsregister, conform de principes beschreven in de UMIG.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt, voor zover de situatie niet retroactief kan worden rechtgezet, de wisselmeterstand op de wisseldatum door schatting volgens de methodieken beschreven in Art. 4.3.29, behoudens de beschikbaarheid van een gevalideerde meterstand verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum.

§ 6

De toegangshouder die onterecht de wissel van toegangshouder heeft aangevraagd verrekent geen kosten aan de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker. Indien van toepassing annuleert hij al verstuurde verrekeningen aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker of betaalt facturen die de elektriciteitsdistributienetgebruiker al heeft betaald terug.

§ 7

De eigenlijke toegangshouder meldt aan de getroffen elektriciteitsdistributienetgebruiker (zijn klant) binnen tien werkdagen na de bevestiging van de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de onterechte wissel werd rechtgezet.

Art. 4.3.10. Wijziging van informatie over toegangspunt

De toegangshouder meldt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder elke wijziging van informatie over de elektriciteitsdistributienetgebruiker, binnen twee werkdagen nadat hij van die wijziging op de hoogte werd gebracht.

Art. 4.3.11. Rechtzetting van fouten in het toegangsregister

Mogelijke fouten in de informatie van een allocatiepunt dat in het toegangsregister wordt beheerd, worden door de toegangshouder en de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk aan elkaar gemeld. Daarvoor stellen zij gezamenlijk een meldings- en afhandelingsprocedure op en beschrijven die in de UMIG. Typefouten of groepen van fouten en de bijbehorende behandeling worden beschreven in een catalogus die wordt geactualiseerd op basis van overleg tussen toegangshouders en de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 4.3.12.
Voor de verwerking van de correct toegepaste aanvragen en meldingen van toegangshouders, beschreven in deze afdeling, worden geen kosten aangerekend aan de betrokken toegangshouders.

Art. 4.3.13.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet in een procedure waardoor hij de aanwijzingen van toegangshouder en evenwichtsverantwoordelijke in het toegangsregister zelf kan aanpassen ingeval de toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke niet meer aan hun verplichtingen kunnen voldoen.

Art. 4.3.14. Opzegging van de samenwerking van de evenwichtsverantwoordelijke met een toegangshouder

§ 1

Indien de evenwichtsverantwoordelijke zijn verplichtingen met betrekking tot het evenwicht op het net ten aanzien van een toegangshouder wil beëindigen, moet de evenwichtsverantwoordelijke dit vooraf aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder en aan de VREG melden.

§ 2

Voor het einde van de eerste werkdag na ontvangst van de melding brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de VREG op de hoogte van deze melding.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt voor het einde van de eerste werkdag na ontvangst van de melding contact op met de toegangshouder. Hierbij wijst de elektriciteitsdistributienetbeheerder de toegangshouder op zijn verplichting om meteen een nieuwe evenwichtsverantwoordelijke te vinden.

§ 4

De evenwichtsverantwoordelijke is niet langer verantwoordelijk voor het evenwicht op het toegangspunt uiterlijk op 0u00 lokale tijd op de 21e kalenderdag na de melding van de evenwichtsverantwoordelijke aan de VREG en de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De evenwichtsverantwoordelijke is eveneens niet langer verantwoordelijk voor het evenwicht op het toegangspunt vanaf het moment dat de toegang tot het net voor de toegangshouder beëindigd wordt of vanaf het moment dat een andere evenwichtsverantwoordelijke het evenwicht voor het toegangspunt overneemt.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt de evenwichtsverantwoordelijke zo snel mogelijk op de hoogte van de datum waarop hij niet langer verantwoordelijk is voor het evenwicht op de betreffende toegangspunten waarop hij door de toegangshouder als evenwichtsverantwoordelijke werd aangeduid, en dit uiterlijk twee dagen voor die datum. Dit bericht is niet verplicht, indien:
de datum waarop de evenwichtsverantwoordelijke niet langer verantwoordelijk is voor het evenwicht valt op de 21e kalenderdag na de melding van de evenwichtsverantwoordelijke aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder; of
de toegang tot het net van de toegangshouder onvoorbereid wordt beëindigd.

Afdeling 3.
Processen gekoppeld aan het verwerken van meetgegevens


Onderafdeling 1.
Validatie en correctie van meetgegevens


Art. 4.3.15. In rekening brengen van verliezen

§ 1

Als de meetuitrustingen die deel uitmaken van de meetinrichting zich niet ter hoogte van het toegangspunt bevinden, worden de meetgegevens aangepast op basis van een schattingsprocedure die rekening houdt met de fysische verliezen tussen het meetpunt en het toegangspunt.

§ 2

Op voorstel van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en na goedkeuring door de VREG kunnen in bepaalde gevallen verliezen stroomopwaarts van het toegangspunt en die betrekking hebben op de aansluiting van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, in de aanpassing worden meegerekend.

§ 3

Als de wijze van aanpassing niet is beschreven in het aansluitingscontract, zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria bepalen welke wijze het meest geschikt is.

§ 4

De fysische verliezen of verliezen stroomopwaarts worden beschouwd als onderdeel van de meetconfiguratie en worden geregistreerd door de distributienetbeheerder.

§ 5

Op eenvoudige schriftelijke aanvraag worden de fysische verliezen of verliezen stroomopwaarts en de manier waarop die de meetgegevens aanpassen, bekendgemaakt binnen tien werkdagen na de aanvraag aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker op het toegangspunt.

Art. 4.3.16. Time slicing

Als de datum van de meteropname niet samenvalt met de datum waarop de meterstand bekend moet zijn, herleidt de elektriciteitsdistributienetbeheerder die meterstand op basis van de schattingsprincipes, beschreven in Art. 4.3.29.

Art. 4.3.17. Correctie van meetgegevens

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder niet kan beschikken over de werkelijke meetgegevens of als hij van oordeel is dat de beschikbare resultaten niet betrouwbaar of foutief zijn, worden de meetresultaten in kwestie in het validatieproces vervangen door waarden die de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria billijk acht.

§ 2

De waarden waardoor de onbetrouwbare of foutieve gegevens worden vervangen zijn de waarden die de uitkomst vormen van een van de volgende schattingsprocedures waarbij de elektriciteitsdistributienetbeheerder onderstaande volgorde van schattingsprocedures respecteert:
redundante metingen;
andere meetresultaten die de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruikerter beschikking heeft;
vergelijking met de gegevens van een periode die als equivalent wordt beschouwd.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert een gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de validatie van meetgegevens die gebruikt worden voor de toewijzing van energiehoeveelheden voor facturatie in het kader van een energiecontract of toewijzing van energiehoeveelheden in kader van allocatie, reconciliatie of evenwicht op het net.

Onderafdeling 2.
Gebruiksprofielen


Art. 4.3.18.

§ 1

De verrekeningen in het kader van allocatie, reconciliatie en/of facturatie op een allocatiepunt zijn gebaseerd op een reeks gegevens die elk betrekking hebben op een elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2. Een reeks dergelijke gegevens wordt hierna gebruiksprofiel genoemd.

§ 2

Er worden twee soorten gebruiksprofielen onderscheiden: gemeten gebruiksprofielen en berekende gebruiksprofielen.

Art. 4.3.19.

§ 1

Voor alle allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting of een toegangspunt van een aansluiting met een totale decentrale productie groter dan 10 kVA, waarop het meetregime conform de standaard allocatiepuntpuntconfiguratie bepaald in Art 4.2.12 van toepassing is, geschiedt de verrekening, vermeld in Art. 4.3.18, § 1, op basis van het gemeten gebruiksprofiel, behoudens in die gevallen waar het meetregime conform Art 4.2.12. § 2 afwijkt van de standaard allocatiepuntconfiguratie.

§ 2

Voor alle allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een op afstand uitleesbare kleinverbruiksmeetinrichting, waarop de elektriciteitsdistributienetgebruiker conform Art. 4.2.13, § 2 de keuze heeft gemaakt voor de allocatiepuntconfiguratie bedoeld in Art. 4.2.13, § 3, geschiedt de verrekening, vermeld in Art. 4.3.18, § 1, op basis van het gemeten gebruiksprofiel.

Art. 4.3.20. Gebruik van berekende gebruiksprofielen

Voor alle allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting, waarop het meetregime conform de standaard allocatiepuntconfiguratie bepaald in Art. 4.2.13 van toepassing is en voor alle allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting waarop het meetregime afwijkt van de standaard allocatiepuntconfiguratie conform Art 4.2.12. § 2, geschiedt de verrekening, vermeld in Art. 4.3.18, § 1, op basis van een berekend gebruiksprofiel toegewezen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 4.3.21.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is belast met het beheer van de gemeten en berekende gebruiksprofielen en deelt elke wijziging, in de mate dit relevant is in het kader van de toegang tot het net, mee aan de betrokken toegangshouder.

Art. 4.3.22. Classificatie van berekende gebruiksprofielen

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt een set van berekende gebruiksprofielen op voor elektriciteitsdistributienetgebruikers zonder registratie van het gemeten gebruiksprofiel. Het van toepassing zijnde gebruiksprofiel kan bepaald worden op basis van objectieve criteria, zoals de van toepassing zijnde tariefperioden, de aan- of afwezigheid van decentrale productie op het toegangspunt, het type elektriciteitsdistributienetgebruiker, het aansluitingsvermogen en de historische verbruiksgegevens. Volgende types van berekende gebruiksprofielen zijn mogelijk:
Synthetisch lastprofiel (SLP);
Synthetisch productieprofiel (SPP);
Reële lastprofielen (RLP).

§ 2

De set van berekende gebruiksprofielen vermeld in § 1 wordt goedgekeurd door de VREG. De synthetische profielen vermeld in °1 en °2 worden goedgekeurd door de VREG en gepubliceerd voor het volgende kalenderjaar.

§ 3

De set van berekende gebruiksprofielen vermeld in § 1 kan te allen tijde worden gewijzigd op basis van een statistische studie van werkelijk gemeten gebruiksprofielen, of op basis van de vastgestelde residu's bij de allocatie. De wijzigingen in de classificatie van de synthetische profielen worden ter goedkeuring voorafgaandelijk aan de VREG voorgedragen.

§ 4

Uiterlijk op 30 november van elk jaar moet de elektriciteitsdistributienetbeheerders, behoudens voor reële lastprofielen, na overleg met de toegangshouders, nieuwe berekende gebruiksprofielen voor het komende kalenderjaar voorstellen aan de VREG.

§ 5

De VREG publiceert de gebruiksprofielen vermeld in § 4 op zijn website met vermelding van de datum waarop ze van kracht worden.

Art. 4.3.23.
Voor de toegangspunten zonder registratie van het gebruiksprofiel slaat de elektriciteitsdistributienetbeheerder die gegevens op die hem in staat stellen om het gebruiksprofiel te herberekenen.

Onderafdeling 3.
Forfaitair bepaalde afname


Art. 4.3.24.
Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt de elektriciteitsafname van een op het elektriciteitsdistributienet aangesloten installatie forfaitair bepaald zonder de plaatsing van een meetinrichting, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de installatie heeft een aansluitingsvermogen dat beperkt is tot 1,4 kVA, dient voor de openbare verlichting of heeft een aansluitingsvermogen dat beperkt is tot 10 kVA en een gebruiksduur van minstens 4000 uur per jaar;
het afnamepatroon is bekend;
op de installatie kan geen aanvullende apparatuur worden aangesloten.

Art. 4.3.25.
De forfaitaire elektriciteitsafname wordt bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, afhankelijk van het afgenomen vermogen en de geplande gebruiksduur van de installatie. De VREG kan richtlijnen vastleggen ter bepaling van de afname en de toepassing van de afnameforfaits door alle elektriciteitsdistributienetbeheerders.

Art. 4.3.26.
Voor de vaststelling van het afgenomen vermogen kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, na overleg, een beroep doen op een geaccrediteerd laboratorium. De kosten van de vaststelling van het afgenomen vermogen worden gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 4.3.27.
De elektriciteitsafname van de installaties in kwestie wordt verrekend volgens het meest aangewezen berekende gebruiksprofiel.

Art. 4.3.28.
De overeenkomst met betrekking tot de forfaitaire bepaling van de elektriciteitsafname moet opgenomen worden in een contract als aanvulling van het aansluitingsreglement. In dit document kunnen eveneens aanvullende bepalingen over levensduur en slijtage van de installaties opgenomen worden.

Onderafdeling 4.
Schattingen


Art. 4.3.29. Schatting van afname of injectie

§ 1

De afname of injectie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker zonder registratie van het gebruiksprofiel in de periode tussen twee meteropnames kan geschat worden op basis van de totale afname of injectie over de vorige periode, op basis van de typisch gemiddelde afname of injectie van een vergelijkbaar type van eindafnemer over eenzelfde periode of op basis van hettoegangsvermogen of een latere testmeting over een relevante periode.

§ 2

Van zodra de meterstanden voor een allocatiepunt voor een afgelopen periode van minstens 2 opeenvolgende periodieke meteropnameperiodes werden geschat, kan, vanaf de tweede opeenvolgende schatting, een correctie op de schatting worden toegepast volgens een door de VREG goedgekeurde methodiek op voorstel van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert een gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de schatting. In geval een aangepaste schatting van toepassing is, gebeurt dit op de daartoe voorafgaandelijk, in overleg met de toegangshouders overeengekomen en in de UMIG gepubliceerde werkwijze.

Art. 4.3.30. Schattingsgronden voor afname of injectie

In de volgende gevallen mag een meterstand of afname of injectie geschat worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder overeenkomstig de bepalingen in Art. 4.3.29:
als in geval van een niet op afstand uitleesbare meetinrichting de meteropnamekaart “onbezorgd” teruggestuurd werd en een elektriciteitsdistributienetgebruiker niet tijdig reageert op de hem toegestuurde meteropnamekaart;
als werd vastgesteld dat een meetinrichting gedurende een bepaalde periode niet of incorrect de afname of injectie registreerde. In dat geval wordt de afname of injectie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Art. 4.3.33;
als werd vastgesteld dat meetgegevens van een allocatiepunt gedurende een bepaalde periode incorrect werden verwerkt en ter beschikking gesteld door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. In dat geval wordt de afname of injectie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Art. 4.3.33;
als werd vastgesteld dat een elektriciteitsdistributienetgebruiker gedurende een bepaalde periode onrechtmatig elektriciteit afnam van het elektriciteitsdistributienet en dit niet of slechts gedeeltelijk geregistreerd werd door een meetinrichting. In dat geval wordt de afname of injectie over die periode herberekend;
in toepassing van Art. 4.3.36.

Art. 4.3.31. Schatting van productie

§ 1

Indien de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meetgegevens met betrekking tot de productie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker gebruikt in het kader van allocatie, reconciliatie, facturatie en/of voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroom- en/of warmtekrachtcertificaten en garanties van oorsprong (in uitvoering van het Energiebesluit), kan de productie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker zonder registratie van het gebruiksprofiel in de periode tussen twee meteropnames geschat worden. Deze schatting gebeurt in dat geval op basis van de totale productie over de vorige periode, op basis van de gemiddelde productie van een vergelijkbaar type van elektriciteitsdistributienetgebruiker over eenzelfde periode, op basis van een andere meting voor een relevante periode, of op basis van het geïnstalleerd vermogen van de omvormer in combinatie met een relevante gebruiksduur.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert een gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de schatting.

Art. 4.3.32. Schattingsgronden voor productie

In de volgende gevallen mag een meterstand of geproduceerde hoeveelheid energie geschat worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, voor zover deze gegevens nodig zijn voor doeleinden van allocatie, reconciliatie, facturatie en/of voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroom- en/of warmtekrachtcertificaten en garanties van oorsprong (in uitvoering van het Energiebesluit, overeenkomstig de bepalingen in Art. 4.3.29:
als werd vastgesteld dat een meetinrichting gedurende een bepaalde periode niet of incorrect de productie registreerde of de meetuitrusting bij controle niet aan de vereisten opgenomen in BIJLAGE III - Vereisten voor meetuitrustingen of aan vereisten van certificatie of keuring blijkt te voldoen. In dat geval wordt de productie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Art. 4.3.33;
als werd vastgesteld dat een elektriciteitsdistributienetgebruiker gedurende een bepaalde periode foutieve productiemeterstanden heeft doorgegeven en de meetuitrusting niet op eenduidige wijze de productie weerspiegelt. In dat geval wordt de productie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Art. 4.3.33.

Onderafdeling 5.
Rechtzettingen


Art. 4.3.33.
Mogelijke fouten in de informatie van een toegangspunt of allocatiepunt met betrekking tot de uitgewisselde meetgegevens worden door de toegangshouder en de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk aan elkaar gemeld. Daartoe stellen zij gezamenlijk een meldings- en afhandelingsprocedure op en beschrijven die in de UMIG. Typefouten of groepen van fouten en de bijbehorende behandeling worden beschreven in een catalogus die wordt geactualiseerd op basis van overleg tussen toegangshouders en elektriciteitsdistributienetbeheerders.

Art. 4.3.34.
De meldings- en afhandelingsprocedure en de in de UMIG beschreven behandeling bevatten minstens volgende stappen:
De toegangshouder of elektriciteitsdistributienetbeheerder meldt de fout aan de andere partij, met aanduiding van de typefout;
De andere partij beoordeelt de gemelde fout, met terugmelding van de aanvaarding of verwerping van dat bericht binnen twee kalenderdagen na ontvangst. Bij aanvaarding wordt door de ontvangende partij een uniek referentienummer aan de foutmelding toegekend;
De aanvaarde foutmelding wordt behandeld conform de procedure en het tijdschema die in de UMIG vastgelegd zijn;
Beide partijen communiceren met elkaar over de nodige wijzigingen in de uitgewisselde meetgegevens ter correctie van de fout. Beide partijen nemen de nodige maatregelen om die fout in de eigen gegevensbestanden en processen recht te zetten;
Andere processen en verrekeningen worden al dan niet met terugwerkende kracht (nettarieffactuur, allocatie, reconciliatie) tussen beide partijen gelijktijdig rechtgezet, als dat is overeengekomen tussen toegangshouders en elektriciteitsdistributienetbeheerders en zoals vastgelegd in de UMIG.

Art. 4.3.35.

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan met inachtname van de periode gespecifieerd in Art. 4.3.36, zijn afgenomen, geïnjecteerde of geproduceerde energiehoeveelheden of zijn meterstanden die gebruikt worden voor de berekening van de afgenomen, geïnjecteerde of geproduceerde energiehoeveelheden betwisten bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of, indien ze doorgegeven zijn via zijn toegangshouder, bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder via zijn toegangshouder.

§ 2

In uitzondering op voorgaande paragraaf kunnen schattingen van meetgegevens in de specifieke gevallen, vermeld in Art. 3.3.3 en Art. 3.3.4, niet betwist worden, tenzij de elektriciteitsdistributienetgebruiker aangeeft dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder een fout heeft gemaakt bij het toepassen van de schattingsmethodieken, beschreven in Art. 4.3.29 en Art. 4.3.31.

§ 3

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker een nieuwe fysieke meteropname aanvragen bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder overeenkomstig Art. 3.3.3, § 7. Als die meteropname uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, worden de kosten voor die meteropname gedragen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. In dat geval worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Art. 4.3.33.

§ 4

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een meteropname door de elektriciteitsdistributienetgebruiker zelf via een meteropnamekaart, wordt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker de mogelijkheid geboden nieuwe (actuele) meterstanden door te geven aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als die meteropname uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Art. 4.3.33.

§ 5

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een schatting of correctie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, met uitzondering van de gevallen vermeld in Art. 3.3.3. en Art. 3.3.4. waarbij de geschatte meterstand niet meer betwist kan worden, wordt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker de mogelijkheid geboden nieuwe (actuele) meterstanden door te geven aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als die meteropname uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Art. 4.3.33.

§ 6

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een schatting of correctie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker aangeeft dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder een fout heeft gemaakt bij het toepassen van de schattingsprincipes, onderzoekt de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen tien werkdagen of hij een fout heeft gemaakt bij het toepassen van de schattingsmethodieken. Als dit onderzoek uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, herschat de elektriciteitsdistributienetbeheerder de betwiste meterstanden en worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Art. 4.3.33.

Art. 4.3.36.

§ 1

Wanneer een elektriciteitsdistributienetbeheerder overgaat tot een rechtzetting van afgenomen, geïnjecteerde of, indien van toepassing, geproduceerde energiehoeveelheden vooreen allocatiepunt of de inbreng van afgenomen, geïnjecteerde of, indien van toepassing, geproduceerde energiehoeveelheden voor een allocatiepunt waarvoor in het verleden geen energiehoeveelheden beschikbaar waren (spontaan, op vraag van een toegangshouder of een elektriciteitsdistributienetgebruiker) moet hij zich houden aan volgende voorwaarden:
De tijdspanne waarvoor de rechtzetting of inbreng kan, behoudens kwade trouw, maximaal plaatsvinden is:
voor allocatiepunten met een jaarlijkse opnamefrequentie voor facturatie:
o
vanaf de eerste dag van de laatste 2 periodieke meteropnameperiodes;
o
tot aan de dag van de gevalideerde meteropname die aanleiding gaf tot de rechtzetting;
o
met de beperking dat de periode van de rechtzetting of inbreng ten vroegste kan aanvangen op de eerste dag van de maand volgend op de 2 maanden die volgen op de maand van de eindreconciliatie, die geldt op het moment van de rechtzetting;
o
eventuele tussenliggende meteropnames vormen hierop geen uitzondering;
voor allocatiepunten met een maandelijkse opnamefrequentie voor facturatie: de laatste 24 volledig opgenomen maanden;
voor continu gemeten allocatiepunten: voor de elementaire meetgegevens die overeenstemmen met de laatste 24 volledig opgenomen maanden.
Voor een allocatiepunt zet de elektriciteitsdistributienetbeheerder de in het verleden ontbrekende, geschatte of foutief toegewezen energiehoeveelheden als volgt recht: de elektriciteitsdistributienetbeheerder verdeelt de nieuwe energiehoeveelheid over de periode tijdens dewelke deze energiehoeveelheid werd verbruikt, afgenomen, geïnjecteerd of, indien van toepassing, geproduceerd en dit volgens de schattingsregels zoals bepaald in Onderafdeling 4. – Schattingen van de marktcode. Voor de rechtzetting weerhoudt hij het aandeel uit deze verdeling van de tijdspanne van de rechtzetting zoals bepaald volgens 1°;
De tarieven die gehanteerd worden voor de facturatie van de rechtzetting of inbreng van deze energiehoeveelheden zijn de tarieven die gehanteerd werden in de verbruiks- of injectieperiode waarvan de energiehoeveelheden rechtgezet of ingebracht worden;
Deze rechtzetting of inbreng van energiehoeveelheden sluit evenwel de mogelijkheid tot een gemeenrechtelijke schadevergoeding niet uit.

§ 2

De voorwaarden bepaald in § 1 gelden ook voor de toegangshouder(s) die deze rechtzetting zal/zullen factureren aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 3

De voorwaarden bepaald in § 1 gelden ook voor rechtzetting of inbreng van gegevens andere dan door de distributienetbeheerder aan de toegangshouder bezorgde energiehoeveelheden voor de facturatie aan een elektriciteitsdistributienetgebruiker in het kader van een energiecontract.

§ 4

In afwijking van § 1,1° wordt in ieder geval de rechtzetting van energiehoeveelheden niet beperkt tot de laatste 2 periodieke meteropnameperiodes voor toegangspunten met een jaarlijkse opnamefrequentie voor facturatie of tot de laatste 24 opnamemaanden voor toegangspunten met een maandelijkse opnamefrequentie voor facturatie als het gaat om een rechtzetting die het gevolg is van een foutieve registratie door de elektriciteitsdistributienetbeheerdervan gegevens met betrekking tot een allocatiepunt in het toegangsregister, als deze rechtzetting in het voordeel van de elektriciteitsdistributienetgebruiker is. In deze gevallen wordt de rechtzettingstermijn beperkt tot 5 jaar, te rekenen vanaf het moment dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de toegangshouder kennis heeft genomen van de foutieve registratie in het toegangsregister.

§ 5

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan een rechtzetting bedoeld in § 1 betwisten via zijn toegangshouder bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder tot twee jaar na ontvangst van de factuur die de rechtzetting vermeldt.

Afdeling 4.
Processen gekoppeld aan de toewijzing van afgenomen, geïnjecteerde, verbruikte en geproduceerde hoeveelheden elektriciteit


Onderafdeling 1.
Allocatie


Art. 4.3.37.

§ 1

Op basis van de geïnjecteerde of geproduceerde elektriciteit op het elektriciteitsdistributienet die geregistreerd werd door een meetinrichting of geschat werd aan de hand van een synthetisch productieprofiel, de uitgewisselde elektriciteit met andere netten, de berekende gebruiksprofielen, de gemeten gebruiksprofielen en een schatting van de elektriciteitsdistributienetverliezen wordt per elektriciteitsdistributienetbeheerder en per elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 het residu berekend. Dat residu wordt pro rata toegekend aan detoegangshoudersen hun respectievelijke evenwichtsverantwoordelijken voor de allocatiepunten met geschatte verbruiken. De VREG legt de gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de allocatie vast.t

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor de tijdige uitvoering van de allocatieberekening over de allocatiepunten in het elektriciteitsdistributienet. Die berekeningen worden maandelijks uitgevoerd op basis van de historiek van het toegangsregister over de voorgaande maand die op dat moment bekend is, op voorwaarde dat alle processen op het toegangsregister correct uitgevoerd werden of worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 3

Op basis van de resultaten van de allocatie verdeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de energie die geïnjecteerd, afgenomen en, indien van toepassing, geproduceerd en verbruikt werd door elektriciteitsdistributienetgebruikers over de toegangshouders en hun evenwichtsverantwoordelijken per elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2.

§ 4

De resultaten van de allocatie voor een bepaalde maand zijn definitief ten laatste op de eerste werkdag van de zesde maand die volgt op die maand.

Art. 4.3.38. Maandelijkse momentopname van het toegangsregister

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt maandelijks een momentopname van het toegangsregister zodat de overeenstemming van de informatie in het toegangsregister en de informatie in de bestanden van de toegangshouders gecontroleerd kan worden. De gegevens die hij daarbij vastlegt en het moment waarop hij dat doet, worden in onderling overleg tussen toegangshouders en de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald en beschreven in de UMIG.

§ 2

De toegangshouder maakt een momentopname van zijn bestand zodat de overeenstemming van de informatie in het toegangsregister van de elektriciteitsdistributienetbeheerderen de informatie in het bestand van de toegangshouder gecontroleerd kan worden. De gegevens die hij daarbij vastlegt en het moment waarop hij dat doet, worden in onderling overleg tussen toegangshouders en de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald en beschreven in de UMIG.

Art. 4.3.39. Provisionele allocatie

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verstuurt voorafgaandelijk aan de definitieve allocatie periodiek een schatting van de maandelijkse allocatievolumes naar de toegangshouders en hun evenwichtsverantwoordelijken. De frequentie van dit bericht wordt in overleg met de toegangshouders en hun evenwichtsverantwoordelijken vastgelegd. Dit proces wordt provisionele allocatie genoemd. Deze iteratieve schatting is indicatief en niet bestemd als definitief allocatieresultaat.

Onderafdeling 2.
Reconciliatie


Art. 4.3.40.

§ 1

De verdeling van de energie over de toegangshouders en hun evenwichtsverantwoordelijken die verkregen wordt door de allocatie, beschreven in Art. 4.3.37, moet op maandelijkse basis gecorrigeerd worden op basis van de werkelijk gemeten afnames of injecties of, indien van toepassing, verbruiken of productie op de allocatiepunten. De VREG legt de gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de reconciliatie vast.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor de uitvoering van de reconciliatieberekening over de allocatiepunten in het elektriciteitsdistributienet. De berekeningen voor een maand en de vijftien voorgaande maanden worden maandelijks en voor de eerste keer zes maand na deze maand uitgevoerd op basis van de historiek van het toegangsregister over de voorgaande maanden.

§ 3

Bij de eindreconciliatie van een maand wordt de restterm van die maand vastgesteld. Die restterm komt voor rekening van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De VREG legt de gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de eindreconciliatie vast.

§ 4

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor de uitvoering van de eindreconciliatieberekening over de allocatiepunten in het elektriciteitsdistributienet. De voorlopige berekeningen worden uiterlijk 32 maanden na de betrokken maand uitgevoerd op basis van de historiek van het toegangsregister over die maanden. De definitieve berekeningen worden uiterlijk 37 maanden na de betrokken maand uitgevoerd op basis van de historiek van het toegangsregister over die maanden.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerders en de toegangshouders op hun elektriciteitsdistributienetten, van zodra ze toegang tot het net krijgen, nemen deel aan de financiële afhandeling voor de betrokken maand die volgt uit de berekeningen vermeld in § 3 en § 4.

§ 6

Deelektriciteitsdistributienetbeheerdersen de toegangshouders stellen gezamenlijk een partij aan die instaat voor de uitvoering van de financiële afhandeling vermeld in § 5.

Art. 4.3.41.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan op elk moment een voorstel voor een nieuwe verbeterde methodiek van allocatie en reconciliatie ter goedkeuring bij de VREG indienen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt deze methodiek op na overleg met de evenwichtsverantwoordelijken, transmissienetbeheerders en toegangshouders en zorgt ervoor dat de methodiek in ieder geval voldoet aan volgende voorwaarden:
elk toegangspunt waarop krachtens Art. 4.3.19, § 2 het gemeten gebruiksprofiel van toepassing is, wordt als dusdanig verwerkt in de berekening van de allocatie en reconciliatie. Dit houdt in dat voor deze toegangspunten de reële afname, injectie en, indien van toepassing, productie en consumptie zoals gemeten per elementaire periode wordt gebruikt in de berekening bedoeld in Art. 4.3.37, § 1, of dat een alternatieve procedure wordt opgezet die tot een gelijkwaardige uitkomst voor de toegangshouders en evenwichtsverantwoordelijken leidt. Hieruit volgt dat de processen gekoppeld aan het ter beschikking stellen van meetgegevens ten behoeve van facturatie in het kader van een energiecontract verlopen volgens onderafdeling 1, afdeling 5, hoofdstuk III, titel IV van dit reglement;
de methodiek van allocatie leidt niet tot slechtere resultaten zoals een stijging van het residu bedoeld in Art. 4.3.37, § 1 of een minder correctere verdeling onder de marktpartijen.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder dient een eerste voorstel in voor 1 april 2020.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder voegt bij het voorstel bedoeld in § 1 een toelichting waaruit blijkt dat het gaat om een verbeterde methodiek van de allocatie en reconciliatie opgesteld in overleg, en dat de voorgestelde methodiek voldoet aan de voorwaarden vermeldt in § 1.

§ 3

De VREG beoordeelt het nieuwe voorstel bedoeld in § 1 binnen een redelijke termijn na ontvangst ervan. De VREG kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder bijkomende inlichtingen vragen met betrekking tot het voorstel. De elektriciteitsdistributienetbeheerder beantwoordt dit verzoek om bijkomende inlichtingen binnen de termijn bepaald door de VREG. De VREG kan het voorstel, ingediend ter goedkeuring volgens § 1, wijzigen alvorens het goed te keuren. De nieuwe methodiek van de allocatie en reconciliatie kan ten vroegste van kracht worden twee maanden na publicatie ervan door de VREG. De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt bij zijn voorstel een datum voor inwerkingtreding voor, die voor het eerste voorstel bedoeld in § 1 uiterlijk 1 januari 2021 is.

Afdeling 5.
Processen gekoppeld aan het ter beschikking stellen van meetgegevens ten behoeve van facturatie in het kader van een energiecontract


Art. 4.3.42.
Hoewel in het toegangscontract voorzien wordtin een mogelijkheid tot schadeloosstelling ten aanzien van de toegangshouder voor de niet-naleving van zijn verplichting inzake het verstrekken van gegevens, is de elektriciteitsdistributienetbeheerder niet ontslaan van zijn verplichting om die gegevens alsnog onverwijld te bezorgen aan de toegangshouder zodra hij erover beschikt.

Onderafdeling 1.
Ter beschikking te stellen meetgegevens bij gemeten gebruiksprofielen


Art. 4.3.43.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de toegangshouder op elke werkdag de niet-gevalideerde meetgegevens per elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 per allocatiepunt van de voorgaande werkdag en de eventueel tussenliggende dagen ter beschikking voor de allocatiepunten die voorzien zijn van een grootverbruiksmeetinrichting.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder valideert de meetgegevens op basis van de elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 op elke werkdag voor de voorgaande werkdag en de eventueel tussenliggende dagen en deelt de eventuele afwijkingen ten opzichte van de niet-gevalideerde meetgegevens zo spoedig mogelijk mee aan de toegangshouder. Op de tiende werkdag na de dag van afname of injectie of, indien van toepassing, verbruik of productie zijn de meetgegevens gevalideerd. Ten minste voor 95 % van de allocatiepunten zijn de gevalideerde meetgegevens van een maand beschikbaar uiterlijk op de vierde werkdag van de volgende maand.

§ 3

Gevalideerde meetgegevens die geschat werden op basis van de procedures, vermeld in Art. 4.3.17, § 2, zijn voorzien van een herkenningsvlag.

§ 4

Voor productie-installaties worden de gevalideerde meetgegevens, vermeld in dit artikel, aan de betrokken producent meegedeeld op zijn eenvoudig verzoek volgens de principes van § 2 en § 3. In afwijking van Art. 1.3.3, § 1 kan die informatie-uitwisseling in overleg met de producent volgens een ander protocol gebeuren.

Art. 4.3.44.
Op verzoek van de toegangshouder kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder meetgegevens van een allocatiepunt met verschillende fysieke meetpunten, ook uitgesplitst ter beschikking stellen van de aanvrager. De betrokkene richt zich daarvoor tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria de aanvraag evalueert en de daaruit voortkomende taken uitvoert. De daaraan verbonden kosten worden door de aanvrager gedragen.

Art. 4.3.45.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de evenwichtsverantwoordelijke op elke werkdag voor de voorgaande werkdag en de eventueel tussenliggende dagen, de niet-gevalideerde meetgegevens per elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 in geaggregeerde vorm per toegangshouder ter beschikking, en deelt de geaggregeerde gegevens per evenwichtsverantwoordelijke gelijktijdig mee aan de transmissienetbeheerder.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de evenwichtsverantwoordelijke dagelijks de gevalideerde meetgegevens in geaggregeerde vorm per toegangshouder ter beschikking uiterlijk op de tiende werkdag na de dag van afname of injectie, en deelt de geaggregeerde gegevens per evenwichtsverantwoordelijke gelijktijdig mee aan de transmissienetbeheerder.

§ 3

De meetgegevens, vermeld in dit artikel, hebben alleen betrekking op de actieve energie.

Art. 4.3.46.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder motiveert, indien van toepassing, de aanpassingen en correcties die op basis van Art. 4.3.15 tot en met Art. 4.3.17 werden aangebracht.

Art. 4.3.47.
Op verzoek van de producent, de toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meetgegevens, al dan niet gevalideerd, met een grotere frequentie dan vermeld in Art. 4.3.43 ter beschikking stellen. De betrokkene richt zich daarvoor tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria de aanvraag evalueert en de daaruit voortkomende taken uitvoert. De daaraan verbonden kosten worden door de aanvrager gedragen.

Art. 4.3.48.
Na ontvangst van de meetgegevens vooreen allocatiepunt moet de leverancier, in geval van een wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker, wissel van toegangshouder of gecombineerde wissel, rechtzetting van energiehoeveelheden, de-activatie van het allocatiepunt of vervanging van de meter, binnen een termijn van zes weken een factuur opmaken gebaseerd op de meetgegevens zoals doorgegeven door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en deze overmaken aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Onderafdeling 2.
Ter beschikking te stellen meet-, allocatie- en reconciliatiegegevens bij berekende gebruiksprofielen


Art. 4.3.49.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de toegangshouder gevalideerde meetgegevens ter beschikking voor de allocatiepunten waarop hij als toegangshouder geregistreerd is en die een maandelijkse opnamefrequentie voor facturatie hebben. Voor minstens 95 % van de allocatiepunten moeten die gegevens worden meegedeeld uiterlijk op de vierde werkdag van de volgende maand en voor alle allocatiepunten uiterlijk op de tiende werkdag van deze maand. De elektriciteitsdistributienetbeheerder moet steeds de datum van de meteropname van de allocatiepunten vermelden. Gevalideerde meetgegevens die geschat werden op basis van de procedures, vermeld in Art. 4.3.17, § 3, zijn voorzien van een herkenningsvlag.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de toegangshouder gevalideerde meetgegevens ter beschikking voor de allocatiepunten waarop hij als toegangshouder geregistreerd is en die een jaarlijkse opnamefrequentie voor facturatie hebben. Voor minstens 95 % van de allocatiepunten moeten die gegevens worden meegedeeld uiterlijk op de vierde werkdag na de meteropname en voor alle allocatiepunten, uiterlijk op de tiende werkdag na de meteropname. De elektriciteitsdistributienetbeheerder moet steeds de datum van de meteropname vermelden. Als bij het valideren van de meetgegevens blijkt dat een fysieke meteropname vereist is, gelden de vermelde termijnen vanaf de dag van deze extra meteropname. Gevalideerde meetgegevens die geschat werden op basis van de procedures, vermeld in Art. 4.3.17, § 3, zijn voorzien van een herkenningsvlag.

§ 3

Voor productie-installaties met een injectiemeter worden de gevalideerde meetgegevens, vermeld in dit artikel, tevens meegedeeld aan de betrokken producent volgens de principes van § 1 en § 2.

Art. 4.3.50.
Op verzoek van de toegangshouder kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder meetgegevens van een toegangspunt met verschillende fysieke meetpunten, ook uitgesplitst ter beschikking stellen van de aanvrager. De betrokkene richt zich daarvoor tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria de aanvraag evalueert en de daaruit voortkomende taken uitvoert. De daaraan verbonden kosten worden door de aanvrager gedragen.

Art. 4.3.51.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt uiterlijk dertig werkdagen na de volgende maand de allocatiegegevens op basis van de elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 van de maand ter beschikking van de toegangshouder voor de allocatiepunten zonder registratie van het gebruiksprofiel waarop hij als toegangshouder geregistreerd is.

§ 2

Die allocatiegegevens omvatten, naast het aan de toegangshouder toegekende totaal per kwartier van de energiehoeveelheden op allocatiepunten van zowel gemeten als berekende gebruiksprofielen voor de betrokken maand, ook minstens volgende opsplitsing:
de energiehoeveelheden afname of injectie of, indien van toepassing, verbruik of productie op allocatiepunten met een berekend gebruiksprofiel, gesommeerd over de allocatiepunten in kwestie;
de energiehoeveelheden afname of injectie of, indien van toepassing, verbruik of productie op allocatiepunten met een gemeten gebruiksprofiel, gesommeerd over de allocatiepunten in kwestie.

Art. 4.3.52.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt uiterlijk op dertig werkdagen na de volgende maand aan de evenwichtsverantwoordelijke de allocatiegegevens op basis van de elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 van de maand ter beschikking in geaggregeerde vorm per toegangshouder.

§ 2

Die allocatiegegevens omvatten, naast het aan elke toegangshouder toegekende totaal per kwartier van de energiehoeveelheden op allocatiepunten van zowel gemeten als berekende gebruiksprofielen voor de betrokken maand, ook minstens volgende opsplitsing:
de energiehoeveelheden afname of injectie of, indien van toepassing, verbruik of productie op allocatiepunten met een berekend gebruiksprofiel, gesommeerd over de allocatiepunten in kwestie;
de energiehoeveelheden afname of injectie of, indien van toepassing, verbruik of productie op allocatiepunten met een gemeten gebruiksprofiel, gesommeerd over de allocatiepunten in kwestie.

Art. 4.3.53.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt uiterlijk op de vijfentwintigste werkdag van de volgende maand aan de transmissienetbeheerder de al locatiegegevens op basis van de elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 van de maand ter beschikking in geaggregeerde vorm per evenwichtsverantwoordelijke.

§ 2

Die allocatiegegevens omvatten, naast het aan elke evenwichtsverantwoordelijke toegekende totaal per kwartier van de energiehoeveelheden op allocatiepunten van zowel gemeten als berekende gebruiksprofielen voor de betrokken maand, ook minstens volgende opsplitsing:
de energiehoeveelheden afname of injectie of, indien van toepassing, productie of verbruik op allocatiepunten met een berekend gebruiksprofiel, gesommeerd over de allocatiepunten in kwestie;
de energiehoeveelheden afname of injectie of, indien van toepassing, productie of verbruik op allocatiepunten met een gemeten gebruiksprofiel, gesommeerd over de allocatiepunten in kwestie.

Art. 4.3.54.
Uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na de maand, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de reconciliatiegegevens van die maand en de vorige vijftien maanden ter beschikking van de toegangshouder.

Art. 4.3.55.

§ 1

Uiterlijk op de laatste dag van de 32ste maand na de maand, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de voorlopige eindreconciliatiegegevens van die maand ter beschikking van de toegangshouder.

§ 2

Uiterlijk op de laatste dag van de 37ste maand na de maand, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de definitieve eindreconciliatiegegevens van die maand ter beschikking van de toegangshouder.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt ten laatste op het moment van het overmaken van de gegevens vermeld in Art. 4.3.54 en Art. 4.3.55, § 1 en § 2 (reconciliatiegegevens) een momentopname van de gegevens die gediend hebben voor de respectievelijke berekeningen ter beschikking van de toegangshouder. De gegevens die hij hierbij vastlegt en het moment waarop hij dat doet, worden in onderling overleg tussen toegangshouders en de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald en beschreven in de UMIG, alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die gegevens ter beschikking gesteld worden van de toegangshouder. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk bepaalde beschrijving legt de VREG de voorwaarden op van het vastleggen van gegevens alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die gegevens ter beschikking gesteld worden.

Art. 4.3.56.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verzamelt dagelijks de waarden per elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 van de netinvoer op het elektriciteitsdistributienet, aggregeert die en stelt die ter beschikking van de toegangshouders die toegang hebben tot het elektriciteitsdistributienet.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verzamelt dagelijks de waarden per elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 van energie die de elektriciteitsdistributienetgebruikers met een gemeten gebruiksprofiel van het elektriciteitsdistributienet hebben afgenomen, aggregeert die en stelt die ter beschikking van de toegangshouders die toegang hebben tot het elektriciteitsdistributienet.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt gelijktijdig met de gegevens in § 1 en § 2 de nodige informatie ter beschikking zodat de toegangshouders die toegang hebben tot het elektriciteitsdistributienet de netverliezen die door de vervoerde energie op het elektriciteitsdistributienet worden veroorzaakt, kunnen berekenen.

§ 4

Het formaat waarin, het moment waarop en de drager waarop die informatie ter beschikking gesteld wordt, worden in onderling overleg tussen toegangshouders en elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald en beschreven in de UMIG. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk bepaalde beschrijving legt de VREG het formaat waarin, het moment waarop en de drager waarop deze informatie ter beschikking gesteld wordt, op.

Art. 4.3.57.
Nadat de toegangshouder de meetgegevens voor een allocatiepunt van de distributienetbeheerder heeft ontvangen, moet hij binnen een termijn van zes weken een factuur opmaken en deze overmaken aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker, in geval van:
een periodieke meteropname,
tariefwissel,
wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker,
wissel van toegangshouder of gecombineerde wissel,
rechtzetting van energiehoeveelheden,
de-activatie van het allocatiepunt,
een vervanging van een meter die onderdeel uitmaakt van de meetinrichting en waarvan de meetgegevens worden gebruikt in het kader van de facturatie van een energiecontract
In afwijking van het eerste lid, laatste bullet, wordt geen factuur opgemaakt indien het handelt om een vervanging van een meter die betrekking heeft op een allocatiepunt voorzien van decentrale productie in compensatie.

Onderafdeling 3.
Ter beschikking stelling van historische verbruiksgegevens voor facturatiedoeleinden


Art. 4.3.58.

§ 1

Als een elektriciteitsdistributienetgebruiker verandert van toegangshouder, worden de beschikbare historische verbruiksgegevens op maand- of jaarbasis gratis ter beschikking gesteld van de nieuwe toegangshouder. De aanvraag voor de wissel van toegangshouder geldt gelijktijdig als een aanvraag tot het ter beschikking stellen van de historische verbruiksgegevens.

§ 2

De maandelijkse verbruiksgegevens van de laatste drie jaar voor allocatiepunten met registratie van het gebruiksprofiel en/of maandelijkse opnamefrequentie voor facturatie, en de jaarlijkse verbruiksgegevens van de laatste drie jaar voor de allocatiepunten met jaarlijkse opnamefrequentie voor facturatie voor zover de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker op hetzelfde allocatiepunt actief was in de referentieperiode en voor zover de gegevens beschikbaar zijn, worden doorgestuurd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder naar de nieuwe toegangshouder, uiterlijk vijftien werkdagen na de datum waarop de wissel van toegangshouder ingaat. De inhoud en samenstelling van dat bericht worden beschreven in de UMIG.

Onderafdeling 4.
Ter beschikking stelling van informatieve verbruiksgegevens voor het verstrekken van verbruiksinformatie


Art. 4.3.59.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder verstrekt de nodige meetgegevens van een elektriciteitsdistributienetgebruiker bedoeld als basis voor het verstrekken van verbruiksinformatie conform het Energiebesluit, aan zijn toegangshouder voor zover deze meetgegevens beschikbaar zijn.

Afdeling 6.
Processen gekoppeld aan de nettarieffacturatie


Art. 4.3.60.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt, gelijktijdig met de aanrekening van het gebruik van het elektriciteitsdistributienet door de distributienetbeheerder, een elektronisch bestand ter beschikking van de toegangshouder. In dat bestand wordt, per allocatiepunt, de gedetailleerde berekening van de kosten opgenomen voor het gebruik van het elektriciteitsdistributienet en de daarvoor gebruikte gegevens, voor de periode waarop de aanrekening betrekking heeft en waarin de toegangshouder geregistreerd stond op het allocatiepunt.

Art. 4.3.61.
De gegevens in dat bestand moeten de toegangshouder in staat stellen om zonder aanvullende informatie, de berekening van de aangerekende kosten te controleren.

Art. 4.3.62.
De gegevens die in dat bestand worden opgenomen, worden in onderling overleg tussen toegangshouders en elektriciteitsdistributienetbeheerders bepaald en beschreven in de UMIG, alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die gegevens ter beschikking gesteld worden. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk bepaalde beschrijving legt de VREG de gegevens in dat bestand op alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die bestanden ter beschikking gesteld worden.

Titel V.
Datacode


Artikel
De datacode (titel V) bevat de bepalingen met betrekking tot:
het verstrekken van meetgegevens voor informatieve doeleinden;
de registatie van gegevens;
datatoegang;
inzage door de netgebruiker in zijn gegevens via de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Hoofdstuk I.
Meetgegevens voor informatieve doeleinden


Art. 5.1.1.
Een meetgegeven wordt gebruikt voor informatieve doeleinden wanneer het gebruikt wordt voor andere doeleinden dan het verstrekken van verbruiksinformatie of de toewijzing van energiehoeveelheden voor facturatie in het kader van een energiecontract of toewijzing van energiehoeveelheden in kader van allocatie, reconciliatie of evenwicht op het net.

Art. 5.1.2.

§ 1

Het validatieproces van meetgegevens die enkel worden gebruikt voor informatieve doeleinden beperkt zich tot een automatische validatie zonder bijkomende verificaties.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert een gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de validatie van meetgegevens die gebruikt worden voor informatieve doeleinden.

Art. 5.1.3.
De meetgegevens die enkel worden gebruikt voor informatieve doeleinden worden niet gerectificeerd. De netgebruiker kan zijn meetgegevens die ook gebruikt zijn voor facturatie in het kader van een energiecontract, met inachtname van de periode gespecifieerd in Art. 4.3.36, wel bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder betwisten, indien de aanvraag hiervan via zijn toegangshouder verloopt.

Hoofdstuk II.
Registratie van gegevens


Afdeling 1.
Toekenning van datadienstenpunten


Art. 5.2.1. Koppeling van datadienstenpunt(en) aan het toegangspunt

Aan een toegangspunt kunnen één of meerdere datadienstenpunten worden gekoppeld.

Afdeling 2.
Registratie


Art. 5.2.2. Doel van de registratie

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder registreert elke uitwisseling van meetgegevens voor informatieve doeleinden die verloopt via zijn systemen in het toegangsregister.

§ 2

Deze registratie heeft tot doel de derde partijen te registreren en deze toegang te verlenen tot de gegevens van de netgebruiker en in voorkomend geval de natuurlijke persoon van wie de persoonsgegevens worden verwerkt, verzameld uit de digitale, elektronische of analoge meter. Dat houdt onder meer in:
derde partijen actief op de datadienstenpunten kunnen geregistreerd en gevolgd worden;
de op basis van de op de allocatiepunten geregistreerde meetgegevens in het kader van een energiecontract, verbonden aan de afgenomen, geïnjecteerde, geproduceerde of verbruikte hoeveelheden elektriciteit, kunnen ter beschikking worden gesteld.

Art. 5.2.3. Inhoud van het toegangsregister

Onverminderd Artikel 4.1.5 § 1 worden onder andere volgende gegevens over de datatoegang in het toegangsregister opgenomen:
informatie over de data-uitwisseling, per datadienstenpunt:
de identificatie van de aan het toegangspunt gekoppelde datadienstenpunten;
de geregistreerde derde partijen conform Art. 5.2.2;
modaliteiten van de toestemming zoals onder meer gegevens met betrekking tot de informatie die werd opgevraagd; de start- en einddatum van het verkrijgen van datatoegang door een derde partij op het datadienstenpunt en het tijdstip waarop en de periode waarover gegevens worden opgevraagd.

Hoofdstuk III.
Datatoegang


Afdeling 1.
Algemeen


Art. 5.3.1. Geautomatiseerde en niet geautomatiseerde datatoegang

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt geautomatiseerde en niet geautomatiseerde uitwisseling van meetgegevens voor informatieve doeleinden op datadienstenpunten conform de datatoegangsvoorwaarden mogelijk voor derde partijen die op basis van artikel 4.1.22/5 punt 5° van het Energiedecreet toegang kunnen verkrijgen tot gegevens verzameld uit de digitale, elektronische of analoge meter.

§ 2

De geautomatiseerde gegevensuitwisseling gebeurt volgens de wijze beschreven in de protocollen voor geautomatiseerde gegevensuitwisseling met derde partijen.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder informeert de netgebruiker en in voorkomend geval de natuurlijke persoon van wie de persoonsgegevens worden verwerkt, over de derde partijen die toegang hebben verkregen tot zijn meetgegevens voor informatieve doeleinden.

Art. 5.3.2. Toegangsaanvraag

§ 1

Om datatoegang te verkrijgen moet een toegangsaanvraag bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder worden ingediend.

§ 2

Een aanvraag voor datatoegang wordt ingediend volgens de datatoegangsprocedure bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Het toegangsaanvraagformulier wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder beschikbaar gesteld.

Art. 5.3.3. Beschikbare meetgegevens

De beschikbare meetgegevens op een datadienstenpunt worden bepaald door de mogelijke combinaties van meetgegevens gemeten door de aanwezige meetinrichting.

Afdeling 2.
Geautomatiseerde datatoegang


Onderafdeling 1.
Datatoegangsvoorwaarden voor geautomatiseerde datatoegang



Algemene bepalingen

Art. 5.3.4.
Met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit reglement, worden nadere voorwaarden voor het op een geautomatiseerde en gestructureerde wijze verkrijgen van meetgegevens voor informatieve doeleinden opgenomen in het datatoegangscontract.


Datatoegangsprocedure

Art. 5.3.5. Inhoud van de aanvraag voor geautomatiseerde datatoegang

Een aanvraag voor geautomatiseerde datatoegang omvat minstens de volgende elementen:
de identiteit en contactgegevens van de aanvrager (naam, adres, ondernemingsnummer, GLN,...);
de ingangsdatum waarop geautomatiseerde datatoegang wordt aangevraagd.

Art. 5.3.6.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvraag volledig is. Als de aanvraag niet volledig is, meldt hij aan de aanvrager uiterlijk één maand na ontvangst van de aanvraag welke elementen er ontbreken.

Art. 5.3.7.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvrager voldoet aan de datatoegangsvoorwaarden.

Art. 5.3.8.

§ 1

Als de aanvraag niet wordt goedgekeurd, meldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan de aanvrager uiterlijk één maand na ontvangst van de volledige aanvraag welke voorwaarden niet zijn vervuld. Tevens wordt melding gemaakt van de bemiddelings- en beslechtingstaak van de VREG in geschillen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform de artikelen 3.1.4/2 en 3.1.4/3 van het Energiedecreet.

§ 2

Als de aanvraag voor geautomatiseerde datatoegang wordt goedgekeurd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, verkrijgt de aanvrager datatoegang na ondertekening van het door de VREG goedgekeurde datatoegangscontract.


Datatoegangscontract

Art. 5.3.9. Datatoegangscontract

Om geautomatiseerde datatoegang te verkrijgen moet de derde partij een datatoegangscontract afsluiten met de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 5.3.10. Inhoud datatoegangscontract

Het datatoegangscontract bevat, naast verwijzingen naar dit reglement, onder meer de volgende elementen:
de wederzijdse rechten en plichten;
de aansprakelijkheidsregeling;
de betalingsvoorwaarden;
de noodzaak tot certificatie;
eisen met betrekking tot de toestemming van de netgebruiker of in voorkomend geval de natuurlijke persoon van wie de persoonsgegevens worden verwerkt;
controles m.b.t. de noodzakelijke toestemming.

Onderafdeling 2.
Facilitatie van geautomatiseerde datatoegang


Art. 5.3.11. Toegang tot de meetgegevens

§ 1

Nadat de netgebruiker of in voorkomend geval de natuurlijke persoon van wie de persoonsgegevens worden verwerkt zijn toestemming heeft gegeven en deze toestemming door de elektriciteitsdistributienetbeheerder werd aanvaard en geregistreerd, verleent de elektriciteitsdistributienetbeheerder geautomatiseerde datatoegang tot de betreffende meetgegevens op dat datatoegangspunt. Een oplijsting van de beschikbare gegevens is opgenomen in de protocollen voor geautomatiseerde gegevensuitwisseling met derde partijen.

§ 2

De toegang tot de meetgegevens duurt zolang de derde partij beschikt over de toestemming van de netgebruiker of in voorkomend geval de natuurlijke persoon van wie de persoonsgegevens worden verwerkt. De derde partij waarschuwt de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk wanneer dit mandaat vervalt.

§ 3

De derde partij kan enkel historische meetgegevens verkrijgen indien de netgebruiker hiervoor ook toestemming heeft gegeven.

Art. 5.3.12. Processen gekoppeld aan het ter beschikking stellen van meetgegevens met als doel het aanbod van datadiensten

De opgevraagde meetgegevens moeten door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan de derde partij steeds uiterlijk vijf werkdagen na de aanvraag ter beschikking gesteld worden voor zover de betrokken netgebruiker op hetzelfde allocatiepunt actief was in de referentieperiode en voor zover de gegevens beschikbaar zijn.

Afdeling 3.
Einde van de datatoegang


Art. 5.3.13.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder beëindigt de datatoegang voor het betrokken datadienstenpunt onmiddellijk wanneer de derde partij
niet (langer) beschikt over de noodzakelijke toestemming van de netgebruiker;
de netgebruiker verzoekt om de datatoegang stop te zetten.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder beëindigt de datatoegang voor alle datadienstenpunten waarop een derde partij geregistreerd is wanneer deze derde partij niet meer voldoet aan de voorwaarden van datatoegang.

§ 3

Op het moment van een klantenwissel of gecombineerde wissel van klant en toegangshouder op een allocatiepunt, beëindigt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de toegang tot de meetgegevens op de datadienstenpunten gekoppeld aan hetzelfde toegangspunt.

Hoofdstuk IV.
Inzage door de netgebruiker in zijn gegevens


Art. 5.4.1. Aanvraag door de netgebruiker van informatie over het verbruiksverleden (verbruikshistoriek laatste drie jaar)

§ 1

De netgebruiker heeft de mogelijkheid om maximaal een keer per jaar zijn verbruiksgegevens van de laatste drie jaar op eenvoudig verzoek, met opgave van zijn EAN-code, gratis te verkrijgen bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Hij kan ook inzage krijgen in zijn verbruiksgegevens van de laatste drie jaar via een gemandateerde derde partij of via zijn toegangshouder die deze gegevens weergeeft conform het Energiebesluit.

§ 2

De opgevraagde informatie over het verbruiksverleden moet door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan de aanvrager ter beschikking gesteld worden uiterlijk vijftien werkdagen na de aanvraag, voor zover de betrokken netgebruiker op hetzelfde allocatiepunt actief was in de referentieperiode en voor zover de gegevens beschikbaar zijn.

Art. 5.4.2.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt binnen vijf werkdagen de eigen EAN-code van het toegangspunt van de elektriciteitsdistributienetgebruiker op basis van zijn naamgegevens, adresgegevens (straatnaam, huisnummer, busnummer, postnummer en gemeente) en meternummer(s) ter beschikking van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die erom verzoekt. Dat verzoek kan schriftelijk, via e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Het antwoord wordt verstrekt op de manier die de elektriciteitsdistributienetgebruiker verkiest, namelijk per brief, via e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt binnen tien werkdagen de eigen adresgegevens (straatnaam, huisnummer, busnummer, postnummer en gemeente) en meternummer van het toegangspunt van de elektriciteitsdistributienetgebruiker op basis van de EAN-code en zijn naamgegevens, ter beschikking van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die erom verzoekt. Dat verzoek kan per brief, via e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Het antwoord wordt verstrekt op de manier die de elektriciteitsdistributienetgebruiker verkiest, namelijk per brief, via e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Titel VI.
Samenwerkingscode

De samenwerkingscode bevat de bepalingen betreffende de koppeling tussen het transmissienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit enerzijds, en een elektriciteitsdistributienet anderzijds, en tussen elektriciteitsdistributienetten onderling.

Art. 6.1.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het net waaraan zijn net gekoppeld is, bepalen in onderling overleg de fysieke plaats van het koppelpunt of de koppelpunten.

Art. 6.1.2. Medewerking

De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het net waaraan zijn net gekoppeld is, verlenen elkaar wederzijds de noodzakelijke medewerking bij de uitvoering van de taken waartoe beide partijen wettelijk of contractueel verplicht zijn.

Art. 6.1.3. Overleg

De elektriciteitsdistributienetbeheerder pleegt overleg met de beheerder van het net waaraan zijn net gekoppeld is, met betrekking tot alle aspecten die direct of indirect gevolgen voor de betrokken beheerders kunnen hebben, en inzonderheid met betrekking tot:
de ontwikkeling, het onderhoud en de exploitatie van hun respectieve netten;
de ondersteunende diensten die zij respectievelijk ter beschikking stellen;
het evenwicht tussen de vraag naar en het aanbod van elektriciteit in de Belgische regelzone;
het technische beheer van de elektriciteitsstromen op hun respectieve netten;
de coördinatie van de inschakeling van de productie-eenheden die op hun respectieve netten aangesloten zijn;
de toegang tot hun respectieve netten;
de toepassing van het beschermings- en herstelplan.

Art. 6.1.4.
Minstens eenmaal per jaar pleegt de elektriciteitsdistributienetbeheerder overleg met de beheerders van de met zijn net gekoppelde netten over de geplande investeringen in zijn elektriciteitsdistributienet, met inbegrip van de ontwikkelingen van decentrale productie en de daaruit voortvloeiende knelpunten.

Art. 6.1.5.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder informeert minstens eenmaal per jaar de transmissienetbeheerder en de beheerders van de elektriciteitsdistributienetten die met zijn net gekoppeld zijn, over de ontwikkeling van de gegevens, vermeld in Art. 2.1.3 en Art. 2.1.4.
De netbeheerders komen onderling de vorm en de inhoud overeen van de gegevens die zij wederzijds moeten uitwisselen voor het opstellen van het investeringsplan, alsook de te respecteren termijnen.

Art. 6.1.6. Samenwerkingsovereenkomst

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder sluit met de beheerder van het net waaraan zijn net gekoppeld is, een exploitatieovereenkomst waarin onder meer het vermogen bepaald wordt dat die laatste ter beschikking kan stellen aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder op elk koppelpunt en, indien van toepassing, de evolutie van dit vermogen.

§ 2

De overeenkomst, vermeld in § 1, bepaalt eveneens de respectieve rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden, en de procedures met betrekking tot alle aspecten van de exploitatie die een indirecte of directe invloed kunnen hebben op de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van de betrokken netten, aansluitingen, of installaties van netgebruikers.

§ 3

Het beschermingsplan, opgesteld door de transmissienetbeheerder, wordt opgenomen in de overeenkomst die met de transmissienetbeheerder wordt gesloten.

§ 4

Het heropbouwplan, opgesteld door de transmissienetbeheerder, wordt opgenomen in de overeenkomst die met de transmissienetbeheerder wordt gesloten.

§ 5

Afspraken over de praktische uitvoering van het afschakelplan wat betreft onderbrekingen van koppelpunten tussen het transmissieneten de elektriciteitsdistributienetten en de herinschakeling van die koppelpunten en in het bijzonder van prioritaire afnemers worden opgenomen in de overeenkomst met de transmissienetbeheerder.

§ 6

Afspraken over de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aangeboden mogelijkheden om selectief belastingen af te schakelen in plaats van volledige koppelpunten, overeenkomstig de prioriteiten van het afschakelplan, worden opgenomen in de overeenkomst met de transmissienetbeheerder.

§ 7

De elektriciteitsdistributienetbeheerder sluit een samenwerkingsovereenkomst met de netbeheerder aan wiens net hij gekoppeld is. Die overeenkomst bepaalt onder meer de procedures voor de uitwisseling van gegevens met betrekking tot de aspecten, vermeld in Art. 6.1.2 - medewerking, alsook de respectieve verantwoordelijkheden voor de kwaliteit, de periodiciteit van de terbeschikkingstelling en de betrouwbaarheid van die gegevens, voor het naleven van de mededelingstermijnen en voor de confidentialiteit van de gegevens die onderling worden uitgewisseld of ter beschikking staan.

Art. 6.1.7.

§ 1

Elke versterking of uitbreiding van een bestaande koppeling wordt gezamenlijk door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het net waaraan zijn net gekoppeld is, beoordeeld op basis van de zorg voor de optimale ontwikkeling van de betrokken netten, en rekening houdend met de voorrang die moet worden gegeven aan kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallaties en productie-installaties die hernieuwbare energiebronnen gebruiken.

§ 2

De kwaliteit van de geleverde spanning op elk koppelpunt wordt bepaald in de exploitatieovereenkomst, vermeld in Art. 6.1.6 - samenwerkingsovereenkomst rekening houdend met de bepalingen, vermeld in Art. 2.1.15.

§ 3

Het toegestane niveau van storingen op het koppelpunt wordt bepaald door de normen die algemeen worden toegepast op Europees niveau, en meer bepaald de technische rapporten IEC 61000-3-6, 61000-3-7 en 61000-3-13.

Art. 6.1.8.

§ 1

In de koppelpunten geniet de elektriciteitsdistributienetbeheerder per tijdsinterval van een afnamerecht op een forfaitaire hoeveelheid reactieve energie, in inductief en capacitief regime.

§ 2

Onder voorbehoud van de bepalingen van § 3, is die forfaitaire hoeveelheid reactieve energie per tijdsinterval gelijk aan 32,9 % van de hoeveelheid actieve energie, afgenomen op het koppelpunt tijdens dat tijdsinterval.

§ 3

Die forfaitaire hoeveelheid reactieve energie per tijdsinterval mag niet lager zijn dan 3,29 % van de hoeveelheid actieve energie die conform is met de duurtijd van het tijdsinterval vermenigvuldigd met het op het koppelpunt ter beschikking gesteld vermogen, zoals vermeld in Art. 6.1..

§ 4

Het positieve verschil tussen de hoeveelheid in inductief regime en de forfaitaire hoeveelheid, toegewezen overeenkomstig dit artikel, wordt ten laste gelegd aan de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, volgens het overeenkomstige tarief.

§ 5

Het positieve verschil tussen de hoeveelheid in capacitief regime en de forfaitaire hoeveelheid, toegewezen overeenkomstig dit artikel, wordt ten laste gelegd aan de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, volgens het overeenkomstige tarief.

§ 6

Voor de toepassing van dit artikel is het desbetreffende tijdsinterval een kwartier.

Art. 6.1.9.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder licht de beheerder van het net waaraan zijn net gekoppeld is, tijdig in over de tijdelijke en permanente overschakelingen van belasting tussen de betrokken koppelpunten.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt op het gemotiveerde verzoek van de beheerder van het net waaraan zijn net gekoppeld is, de verdere informatie over het verwachte verbruiksprofiel per koppelpunt ter beschikking.

Art. 6.1.10.

§ 1

De beheerders van netten die geheel of gedeeltelijk onderling gekoppeld zijn, delen elkaar dagelijks de al dan niet gevalideerde energie-uitwisselingen op de koppelpunten mee binnen een werkdag.

§ 2

De transmissienetbeheerder deelt maandelijks de gevalideerde energie-uitwisselingen op de koppelpunten met het elektriciteitsdistributienet of de elektriciteitsdistributienetten mee aan de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder of elektriciteitsdistributienetbeheerders binnen vier werkdagen na het einde van de maand in kwestie.

§ 3

De beheerders van elektriciteitsdistributienetten die geheel of gedeeltelijk onderling gekoppeld zijn, delen elkaar maandelijks de gevalideerde energie-uitwisselingen op de koppelpunten mee binnen zes werkdagen na het einde van de maand in kwestie. In de periode tussen de dag van opname van de energie-uitwisseling en de zesde werkdag na het einde van de maand in kwestie, plegen zij overleg en corrigeren indien nodig de geregistreerde energie-uitwisselingen opdat de door en onder hen verdeelde energie-uitwisselingen overeenstemmen met de door de transmissienetbeheerder opgegeven energie-uitwisselingen op de koppelingspunten van het transmissienet met de elektriciteitsdistributienetten.

§ 4

De beheerders van onderling gekoppelde elektriciteitsdistributienetten delen de gevalideerde energie-uitwisselingen op de koppelpunten met het transmissienet mee aan de transmissienetbeheerder binnen de tien werkdagen na het einde van de maand in kwestie.

§ 5

De beheerders van onderling gekoppelde elektriciteitsdistributienetten delen de gevalideerde energie-uitwisseling tussen hun netten mee aan de transmissienetbeheerder binnen de tien werkdagen na het einde van de maand in kwestie.

§ 6

De elektriciteitsdistributienetbeheerder deelt aan de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit alle decentrale productie-eenheden mee groter dan of gelijk aan 400 kVA bij de indienstname of bij de uitdienstname van de installatie.

Art. 6.1.11.
Een elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor de tijdige uitvoering van de allocatieberekeningen over de allocatiepunten in zijn distributienet evenals het tijdig ter beschikking stellen aan de transmissienetbeheerder van de allocatieberekeningen op de achterliggende toegangspunten in de met zijn elektriciteitsdistributienet gekoppelde gesloten distributienetten voor elektriciteit.

Art. 6.1.12.
Alle aspecten van contracten of procedures die tussen elektriciteitsdistributienetbeheerder, enerzijds, en de transmissienetbeheerder of beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, anderzijds, opgesteld worden in uitvoering van de energieregelgeving, worden ter goedkeuring voorgelegd aan de VREG, conform de procedure beschreven in Art. 1.2.4, § 5. Hetzelfde geldt voor elke significante wijziging daaraan.

Titel VII.
Code gesloten distributienetten

Deze code bevat de bepalingen betreffende het beheer van, de aansluiting op en de toegang tot een gesloten distributienet dat gekoppeld is aan het elektriciteitsdistributienet, alsook de bepalingen met betrekking tot de koppeling tussen het elektriciteitsdistributienet en een gesloten distributienet.

Hoofdstuk I.
Algemene beginselen


Afdeling 1.
Taken en verplichtingen


Art. 7.1.1.
De beheerder van het gesloten distributienet voert alle taken uit en komt alle verplichtingen na die hem opgelegd worden krachtens de geldende wetgeving en reglementering, in het bijzonder deze die betrekking hebben op de veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en de exploitatie van installaties voor de distributie van elektriciteit door middel van leidingen.
De bepalingen in de titels I tot VI van dit reglement zijn niet van toepassing op gesloten distributienetten, behalve de definities bepaald in Art. 1.1.2 en behalve die specifieke artikelen in dit reglement waarin uitdrukkelijk bepaald is dat zij ook van toepassing zijn op gesloten distributienetten.

Art. 7.1.2.
De beheerder van het gesloten distributienet stelt al wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt in het werk om onderbrekingen van de toegang tot zijn net te voorkomen, of indien een onderbreking optreedt, die zo snel mogelijk te verhelpen.

Art. 7.1.3.
De beheerder van het gesloten distributienet stelt voorschriften, procedures, modelcontracten en formulieren op en maakt ze bekend aan een achterliggende netgebruiker, producent, leverancier, toegangshouder, evenwichtsverantwoordelijke of de VREG indien deze er om verzoekt.

Art. 7.1.4.
Met inachtname van de wettelijke en reglementaire bepalingen moet de beheerder van een gesloten distributienet technische en organisatorische maatregelen uitwerken met betrekking tot de met andere partijen uit te wisselen gegevens met het oog op het waarborgen van de confidentialiteit.

Afdeling 2.
Noodsituatie


Art. 7.1.5.

§ 1

De beheerder van het gesloten distributienet is bevoegd alle handelingen te stellen die hij nodig acht met het oog op de veiligheid en de betrouwbaarheid van zijn net in geval van een noodsituatie als vermeld in Art. 1.5.1.

§ 2

De handelingen die de beheerder van het gesloten distributienet bij een noodsituatie oplegt met betrekking tot de elektrische installaties aangesloten op zijn net, verbinden alle betrokken personen.

§ 3

Als een noodsituatie gelijktijdig betrekking heeft op het elektriciteitsdistributienet en het gesloten distributienet, moeten de maatregelen tussen de beheerders van deze netten onderling worden gecoördineerd.

§ 4

De handelingen van de beheerder van het gesloten distributienet volgens § 1 zijn in overeenstemming met deze die werden of worden uitgevoerd door de beheerder van het gekoppelde elektriciteitsdistributienet.

Afdeling 3.
Behandeling van gegevens


Art. 7.1.6.
De achterliggende netgebruiker heeft toegang tot de technische en relationele gegevens en meetgegevens gerelateerd aan zijn aansluiting binnen de termijnen en overeenkomstig de modaliteiten beschreven in dit reglement.

Hoofdstuk II.
Net

Dit hoofdstuk bevat de voorschriften met betrekking tot
de aansluiting op het gesloten distributienet;
de toegang tot het gesloten distributienet;
de wederzijdse rechten en plichten van de beheerder van het gesloten distributienet en de achterliggende netgebruiker.

Afdeling 1.
Aansluiting op het gesloten distributienet


Art. 7.2.1.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit voorziet:
in een procedure voor het verwerken en uitvoeren van aanvragen voor aansluiting op het gesloten distributienet;
in aansluitingsvoorwaarden geldend voor elke achterliggende netgebruiker; deze voorwaarden omvatten de rechten en plichten van de beheerder en de gebruiker m.b.t. de aansluiting op het gesloten distributienet;
in procedures voor het verwerken van aanvragen voor het wijzigen of verzwaren van een bestaande aansluiting op het gesloten distributienet;
in procedures voor het wegnemen of verzegelen van een bestaande aansluiting op het gesloten distributienet;
in een procedure voor de ontvangst, behandeling en registratie van klachten van achterliggende netgebruikers.

Art. 7.2.2.
Elke aansluiting, alsook elke installatie die op het gesloten distributienet is aangesloten, moet voldoen aan de normen en de reglementering die op elektrische installaties van toepassing zijn.

Art. 7.2.3.

§ 1

De voorwaarden voor injectie in het gesloten distributienet zijn gelijk aan de voorwaarden voor injectie in het elektriciteitsdistributienet waarmee het gesloten distributienet gekoppeld is.

§ 2

De beheerder van het gesloten distributienet die een aanvraag voor injectie ontvangt, overlegt hierover met de beheerder van het gekoppelde elektriciteitsdistributienet.

Art. 7.2.4.
Installaties gelegen achter verschillende koppelpunten mogen zonder expliciete toestemming van de beheerder van het gekoppelde elektriciteitsdistributienet op geen enkele manier met elkaar verbonden worden.

Art. 7.2.5. Classificatie van elektriciteitsproductie-eenheden

Elektriciteitsproductie-eenheden, aangesloten op een gesloten distributienet, zijn conform de Europese netcode RfG op basis van drempelcriteria, als volgt geklasseerd in de types A, B, C of D:
type A: het maximaal vermogen van de eenheid is ≥ 0,8 kW en < 1 MW;
type B: het maximaal vermogen van de eenheid is ≥ 1 MW en < 25 MW;
type C: het maximaal vermogen van de eenheid is ≥ 25 MW en < 75 MW.
type D: het maximaal vermogen van de eenheid is ≥ 75 MW

Art. 7.2.6. Technische voorschriften voor elektriciteitsproductie-eenheden

§ 1

De beheerder van het gesloten distributienet legt de Algemene Toepassingseisen vast voor aansluitingen van elektriciteitsproductie-eenheden van types A, B en C op zijn gesloten distributienet, en maakt die bekend aan de marktpartijen die erom verzoeken.

§ 2

Nieuwe elektriciteitsproductie-eenheden van types A, B en C, of bestaande elektriciteitsproductie-eenheden van het Type C of D die een substantiële modernisering ondergaan, moeten voldoen aan de Algemene Toepassingseisen, vermeld in § 1.

§ 3

Indien de beheerder van het gesloten distributienet geen eigen Algemene Toepassingseisen bepaalt, zijn de technische voorschriften voor elektriciteitsproductie-eenheden aangesloten op het elektriciteitsdistributienet, waarvan sprake in Art. 2.2.52, van toepassing.

Afdeling 2.
Toegang tot het gesloten distributienet voor de achterliggende netgebruiker


Art. 7.2.7. (Her)indienstname van een achterliggend toegangspunt

§ 1

De beheerder van het gesloten distributienet voorziet in een eigen procedure voor de aanvraag door een achterliggende netgebruiker tot (her)indienstname van zijn achterliggend toegangspunt.

§ 2

Een nieuw of buiten dienst gesteld achterliggend toegangspunt kan pas in dienst genomen worden als de volgende voorwaarden vervuld zijn:
de achterliggende netgebruiker heeft de aansluitingsvoorwaarden van de beheerder van het gesloten distributienet voor de betrokken aansluiting aanvaard;
de door de achterliggende netgebruiker aangewezen achterliggende toegangshouder heeft de toegangsvoorwaarden van de beheerder van het gesloten distributienet aanvaard;
de achterliggende toegangshouder is zelf erkend evenwichtsverantwoordelijke of heeft een overeenkomst met een erkende evenwichtsverantwoordelijke.

§ 3

Als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in § 2, stelt de beheerder van het gesloten distributienet het achterliggend toegangspunt binnen redelijke termijn in dienst.

§ 4

De wijziging in het toegangsregister gebeurt om 00u00 lokale tijd op de dag van indienstname. De achterliggende netgebruiker en - indien van toepassing - de leverancier en/of achterliggende toegangshouder op het achterliggend toegangspunt worden hiervan op de hoogte gebracht door de beheerder van het gesloten distributienet.

§ 5

Behoudens andersluidende bepaling zijn de kosten voor (her)indienstname van een achterliggend toegangspunt voor rekening van de achterliggende netgebruiker.

Art. 7.2.8. Buitendienststelling van een achterliggend toegangspunt

§ 1

De beheerder van het gesloten distributienet voorziet in een procedure voor de aanvraag, door een achterliggende netgebruiker, tot buitendienststelling van zijn achterliggend toegangspunt. De beheerder van het gesloten distributienet zal het achterliggend toegangspunt steeds binnen redelijke termijn buiten dienst stellen. De wijziging in het toegangsregister gebeurt om 00u00 lokale tijd op de dag van buitendienststelling. De achterliggende netgebruiker en - indien van toepassing - de leverancier en/of achterliggende toegangshouder op het achterliggend toegangspunt worden hiervan op de hoogte gebracht door de beheerder van het gesloten distributienet.

§ 2

Behoudens andersluidende bepaling zijn de kosten voor buitendienststelling van een achterliggend toegangspunt voor rekening van de achterliggende netgebruiker.

Art. 7.2.9. Geplande onderbrekingen van de toegang tot het gesloten distributienet

In geval de beheerder van het gesloten distributienet werkzaamheden aan zijn net plant die een onderbreking van de toegang op één of meer achterliggende toegangspunten tot gevolg zullen hebben, brengt hij de betrokken achterliggende netgebruikers en achterliggende toegangshouders op deze achterliggende toegangspunten voorafgaandelijk op de hoogte van tijdstip en duur van deze onderbreking.

Art. 7.2.10. Ongeplande onderbrekingen van de toegang tot het gesloten distributienet

§ 1

De beheerder van het gesloten distributienet voorziet in een telefoonnummer waarop hij permanent bereikbaar is voor meldingen van onderbrekingen van de toegang en informatie over onderbrekingen kan worden verstrekt.

§ 2

Een producent op het gesloten distributienet en de beheerder van het gesloten distributienet zijn voor elkaar permanent bereikbaar.

§ 3

Bij ongeplande onderbrekingen van de toegang tot het gesloten distributienet informeert de beheerder van het gesloten distributienet desgevraagd de achterliggende netgebruiker of zijn leverancier over de aard en de te verwachten duur ervan.

Art. 7.2.11. Toegangsprogramma's

§ 1

De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit kan voor bepaalde achterliggende toegangspunten, volgens de grootte van de afgenomen of geïnjecteerde capaciteit of op basis van andere objectieve en niet-discriminerende criteria, dagelijks een toegangsprogramma eisen van de achterliggende toegangshouder. Ook kan hij voor die achterliggende toegangspunten jaarlijks vooruitzichten eisen.

§ 2

Als de achterliggende toegangshouder voorziet dat het werkelijke afname- of injectieprofiel sterk zal afwijken van het opgegeven toegangsprogramma of de meegedeelde vooruitzichten, brengt hij de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit daarvan onverwijld op de hoogte.

Art. 7.2.12. Compensatie van de netverliezen

In het kader van de levering van ondersteunende diensten compenseert de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit de energieverliezen in zijn net voor elke gebruiker van zijn net.

Hoofdstuk III.
Meting

Dit hoofdstuk bevat de voorschriften betreffende de meetinrichtingen, zoals bijvoorbeeld de voorschriften inzake de terbeschikkingstelling en de nauwkeurigheid.
Bepalingen inzake het gebruik door marktpartijen van de data die voortkomen uit de meetinrichting maken géén deel uit van deze code.

Afdeling 1.
Algemeen


Art. 7.3.1.

§ 1

De beheerder van het gesloten distributienet rust zijn net uit met voldoende meetinrichtingen opdat de afgenomen en geïnjecteerde energiehoeveelheden door middel van meetgegevens aan alle achterliggende toegangspunten kunnen toegewezen worden. De aan elk achterliggend toegangspunt toegewezen hoeveelheid afgenomen of geïnjecteerde energie wordt bepaald door minstens één meetinrichting.

§ 2

In afwijking van § 1 kunnen de afgenomen energiehoeveelheden ook forfaitair bepaald worden op basis van een overeengekomen verbruiksprofiel. In voorkomend geval maakt de beheerder van het gesloten distributienet de technische voorschriften die deze werkwijze toelichten bekend.

Art. 7.3.2.
Indien de beheerder van het gesloten distributienet zelf instaat voor de taken met betrekking tot de meetinrichtingen, hanteert hij dezelfde termijnen als deze die van toepassing zijn voor een elektriciteitsdistributienetbeheerder zoals vermeld onder Artikelen 3.1.22, 3.1.23, 3.1.26, 3.1.29, 3.2.5 en 3.2.7 van de meetcode.

Art. 7.3.3.
De meetinrichting op een achterliggend toegangspunt voldoet aan de minimale nauwkeurigheidsvereisten opgelegd aan de elektriciteitsdistributienetbeheerders bepaald in artikel 3.1.17, § 1 en § 2 van de meetcode zodra een andere partij dan de gesloten distributienetbeheerder voorziet in (een deel van) de levering op dat achterliggend toegangspunt en in elk geval bij een vervanging van de meetinrichting of de plaatsing van een nieuwe meetinrichting voor het achterliggend toegangspunt, voor zover geen andere regelgeving ter zake geldt.

Afdeling 2.
Storingen en fouten


Art. 7.3.4.
De beheerder van het gesloten distributienet voorziet in een procedure voor meldingen door de achterliggende netgebruiker van storingen of fouten bij de meting. Een achterliggende netgebruiker kan daarbij aan de beheerder een controle van de meetinrichting vragen.

Art. 7.3.5.
Een fout bij de meting wordt als significant beschouwd als ze groter is dan toegestaan is krachtens de toepasbare nauwkeurigheidsvereisten conform Art. 3.1.17 van de Meetcode.

Art. 7.3.6.
De beheerder van het gesloten distributienet zorgt ervoor dat een storing bij de meting of bij de dataoverdracht in een meetuitrusting die hij beheert, verholpen wordt binnen een termijn van zeven werkdagen tenzij anders vastgelegd in overleg met de achterliggende netgebruiker.

Art. 7.3.7.
De beheerder van het gesloten distributienet zorgt ervoor dat een fout, een defect of een onnauwkeurigheid aan de meetinrichting waarvoor hij verantwoordelijk is, verholpen wordt binnen een termijn van zeven werkdagen tenzij anders vastgelegd in overleg met de achterliggende netgebruiker.

Art. 7.3.8.
De beheerder van het gesloten distributienet draagt de kosten, verbonden aan de acties vermeld in Art. 7.3.7, als een significante fout kon worden vastgesteld. In het andere geval worden ze gedragen door de achterliggende netgebruiker die de controle aanvroeg.

Afdeling 3.
Meetuitrustingen bij decentrale productie-installaties en valorisatie van de flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt


Art. 7.3.9. Meetuitrustingen bij decentrale productie-installaties

§ 1

Voor productie-installaties met een vermogen groter dan 10 kVA plaatst de elektriciteitsdistributienetbeheerder een meetinrichting met uitlezing van de productie op afstand.

§ 2

Voor het leveren, plaatsen en installeren van de meetinrichting van een decentrale productie-eenheid en voor het uitlezen en het beheer van de meetgegevens kan de achterliggende netgebruiker een beroep doen op de diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder waarmee het gesloten distributienet is gekoppeld of van de gesloten distributienetbeheerder, als de meting op het achterliggend toegangspunt niet toelaat om de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit eenduidig te bepalen. Die diensten en de verrekening van de kosten ervan worden contractueel bepaald.

Art. 7.3.10. Meetuitrustingen bij valorisatie van de flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt

§ 1

De beheerder van het gesloten distributienet wisselt met de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meetgegevens en andere gegevens, nodig voor de valorisatie van flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt, uit. Zij komen de meest efficiënte manier om deze informatie-uitwisseling te organiseren overeen.

§ 2

Als de beheerder van het gesloten distributienet geen eigen meetin richting heeft die toelaat om het geactiveerde volume flexibiliteit eenduidig te bepalen op het achterliggend toegangspunt, of als de meting dit niet toelaat, kan de achterliggende netgebruiker of zijn gemandateerde derde een beroep doen op de diensten van de beheerder van het net waarop het gesloten net gekoppeld is voor het installeren van de meetin richting, en het uitlezen en het beheer van de meetgegevens voor valorisatie van de flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt.
Die diensten, en de verrekening van de kosten ervan, worden contractueel bepaald.

§ 3

De beheerder van het gesloten distributienet kan de levering, plaatsing en het onderhoud van meetinrichting voor de valorisatie van de flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt door een derde partij toelaten. In dat geval bepaalt hij hiertoe de voorwaarden, die conform de bepalingen van dit reglement moeten zijn.

Hoofdstuk IV.
Markt

Dit hoofdstuk bevat de voorschriften met betrekking tot:
de voorwaarden en plichten gerelateerd aan het verkrijgen van toegang tot het gesloten distributienet;
de rollen en verantwoordelijkheden van de beheerder van het gesloten distributienet en de marktpartijen bij het uitwisselen van informatie in het kader van de toegang;
de registratie en het gebruik van technische, relationele en meetgegevens in het kader van toegang.

Afdeling 1.
Registratie van gegevens


Onderafdeling 1.
Toekenning van achterliggend toegangspunt


Art. 7.4.1.
Aan elke achterliggende netgebruiker wordt, voor zijn afname, minstens één achterliggend toegangspunt toegekend.
Aan een achterliggende netgebruiker die zowel elektriciteit injecteert op als afneemt van het gesloten distributienet wordt een apart achterliggend toegangspunt voor injectie en één voor afname toegekend.
De achterliggende netgebruiker heeft het recht op de mogelijkheid om, voor een oplaadpunt voor elektrische voertuigen, een aparte leverancier te kiezen. Zo nodig wordt hiertoe voorzien in een apart achterliggend toegangspunt voor dit oplaadpunt.

Art. 7.4.2.
Mits akk`1oord van de achterliggende netgebruiker kan de beheerder van het gesloten distributienet meerdere fysieke afnamepunten of injectiepunten van de achterliggende netgebruiker in het gesloten distributienet toewijzen aan één achterliggend toegangspunt voor afname of injectie. Deze groepering kan evenwel op gemotiveerde vraag van de achterliggende netgebruiker herzien worden.

Onderafdeling 2.
Toegangsregister


Art. 7.4.3.
Als verantwoordelijke voor het beheer van het toegangsregister houdt de beheerder van een gesloten distributienet de hierin opgenomen informatie actueel, met inbegrip van de verwerking van de gegevens van de achterliggende netgebruikers ook als die worden aangeleverd door de toegangshouders tot het gesloten distributienet.

Art. 7.4.4.
Het toegangsregister van een gesloten distributienet bevat dezelfde gegevens als deze voor elektriciteitsdistributienetten zoals vermeld onder art 4.1.5, voor zover deze van toepassing zijn in een gesloten distributienet.

Afdeling 2.
Toegang tot het net voor de toegangshouder


Art. 7.4.5. Toegangsprocedure

§ 1

Om toegang tot het gesloten distributienet te verkrijgen moet een toegangsaanvraag worden ingediend bij de beheerder van het gesloten distributienet.

§ 2

Elke toegangsaanvraag wordt ingediend volgens de procedure bepaald door de beheerder van het gesloten distributienet. De toegangsprocedure specificeert de ontvankelijkheidsvoorwaarden van een toegangsaanvraag.

Art. 7.4.6. Verklaringen en garanties van de toegangshouder en de evenwichtsverantwoordelijke

§ 1

De achterliggende toegangshouder verklaart en garandeert ten opzichte van de beheerder van het gesloten distributienet dat vanaf de datum van het verkrijgen van toegang en tot beëindiging van die toegang, alle door hem geplande afnames en injecties gedekt zijn of gedekt zullen zijn door een leverings- of aankoopcontract.

§ 2

Als de achterliggende toegangshouder niet zelf de evenwichtsverantwoordelijke is, moet hij voor elke evenwichtsverantwoordelijke met wie hij in dat verband samenwerkt, een door hem en de evenwichtsverantwoordelijke ondertekende verklaring aan de beheerder van het gesloten distributienet bezorgen. In die verklaring wordt de samenwerking van de beide partijen bevestigd met betrekking tot (een deel van) de achterliggende toegangspunten waarop de achterliggende toegangshouder toegang tot het gesloten distributienet heeft. De beheerder van het gesloten distributienet stelt een modelverklaring op.

§ 3

De achterliggende toegangshouder verklaart en garandeert, voor wat de toegang tot gekoppelde netten betreft, ten opzichte van de beheerder van het gesloten distributienet, dat hij de nodige contracten zal afsluiten zodat de toegang tot het gesloten distributienet voor alle injecties en afnames gedekt is.

§ 4

De achterliggende toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke waarschuwt de beheerder van het gesloten distributienet onmiddellijk als de verklaringen of garanties bepaald in § 1, § 2 en § 3 vervallen.

Art. 7.4.7. Toegangsvoorwaarden

Om toegang tot het net te verkrijgen moet de toegangshouder de toegangsvoorwaarden, bepaald door de beheerder van het gesloten distributienet, aanvaarden.

Afdeling 2.
Marktfacilitatie


Onderafdeling 1.
Informatie-uitwisseling


Art. 7.4.8.
De beheerder van het gesloten distributienet voorziet in een transparant en toegankelijk systeem van informatie-uitwisseling met andere partijen. Wat betreft de informatiestromen en de termijnen voor de communicatie met de toegangshouders tot het gesloten distributienet, de evenwichtsverantwoordelijken en de beheerders van de gekoppelde netten, respecteert de beheerder van het gesloten distributienet de afspraken zoals verwoord in de UMIG, waarbij hij voor zijn gebied de rol van elektriciteitsdistributienetbeheerder overneemt.

Onderafdeling 2.
Processen die een wijziging op het toegangspunt teweegbrengen


Art. 7.4.9.
Elke wijziging van leverancier op een achterliggend toegangspunt moet minstens eenentwintig kalenderdagen vooraf aan de beheerder van het gesloten distributienet gemeld worden conform de voorwaarden die gelden op het gesloten distributienet.

Art. 7.4.10.
In het gesloten distributienet is voor alle achterliggende toegangspunten voor injectie het gemeten gebruiksprofiel van toepassing, d.w.z. dat de meetuitrusting(en) voor injectie worden uitgerust met tele-opname. De bepalingen onder Hoofdstuk II, Afdeling 1 (bijzondere bepalingen betreft grootverbruiksmeetinrichtingen) van de Meetcode zijn ook van toepassing voor de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit.

Art. 7.4.11.
Indien de beheerder van het gesloten distributienet het beheer van het toegangsregister uitbesteedt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, zijn dezelfde artikels voor berichten van wijziging van toepassing als deze voor het elektriciteitsdistributienet.

Art. 7.4.12.

§ 1

Als de beheerder van het gesloten distributienet het beheer van het toegangsregister niet uitbesteedt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, voorziet hij in een eigen interne procedure voor
de wijziging van leverancier op een achterliggend toegangspunt;
de wijziging van elektriciteitsdistributienetgebruiker en gecombineerde wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker en leverancier op een achterliggend toegangspunt;
de wijziging van evenwichtsverantwoordelijke op een achterliggend toegangspunt;
de opzegging van contract door een leverancier op een achterliggend toegangspunt;
de situatie waarbij een nieuwe leverancier zich meldt voor een achterliggend toegangspunt waarop een andere leverancier zijn contractuele overeenkomst beëindigt;
de melding van mogelijke fouten in de informatie van een achterliggend toegangspunt tussen de leverancier en de beheerder van het gesloten distributienet.

§ 2

De beheerder van het gesloten distributienet beantwoordt de verzoeken of vragen van achterliggende netgebruikers hieromtrent binnen redelijke termijn.

Art. 7.4.13.
Als er geen leverancierswissel heeft plaatsgevonden op de door de leverancier aangevraagde einddatum voor de levering, levert de beheerder van het gesloten distributienet tot op het moment van de afsluiting.

Onderafdeling 3.
Processen gekoppeld aan het verwerken van meetgegevens


Art. 7.4.14.
Indien de beheerder van het gesloten distributienet overeenkomstig art. 4.6.3. van het Energiedecreet bepaalde taken met betrekking tot de meetgegevens uitbesteedt aan de beheerder van het net waaraan zijn net gekoppeld is, handelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder hierbij niet-discriminatoir met de mogelijkheid de taak uit te voeren conform de werkwijze voor zijn eigen net met uitzondering van de bepalingen in Art. 7.3.3.

Art. 7.4.15. Validatie, correctie en schatting van meetgegevens

De beheerder van het gesloten distributienet voorziet in een eigen methodiek voor de validatie, correctie en schatting van de meetgegevens.

Art. 7.4.16. Rechtzettingen uitgewisselde meetgegevens

Mogelijke fouten in de informatie van een achterliggend toegangspunt met betrekking tot de uitgewisselde meetgegevens worden door de achterliggende toegangshouder en de beheerder van het gesloten distributienet onmiddellijk aan elkaar gemeld. De beheerder van het gesloten distributienet stelt een procedure op voor de melding en de rechtzetting van de fouten.

Art. 7.4.17. Rechtzettingen uitgewisselde meetgegevens

In geval van uitbesteding overeenkomstig Art. 7.4.14 mag de beheerder van het gekoppelde elektriciteitsdistributienet voor rechtzettingen handelen overeenkomstig Art. 4.3.36.

Onderafdeling 4.
Processen gekoppeld aan de toewijzing van afgenomen, geïnjecteerde, verbruikte en geproduceerde hoeveelheden elektriciteit


Art. 7.4.18. Reconciliatie

De beheerder van het gesloten distributienet en de toegangshouders tot het gesloten distributienet, zodra deze toegang krijgen, nemen deel aan de financiële afhandeling voor de betrokken maand zoals vermeld in Art. 4.3.40.

Onderafdeling 5.
Processen gekoppeld aan het ter beschikking stellen van meetgegevens ten behoeve van facturatie in het kader van een energiecontract


Art. 7.4.19. Ter beschikking stellen van meetgegevens

De beheerder van het gesloten distributienet stelt per achterliggend toegangspunt aan de achterliggende toegangshouder, leverancier of producent en de evenwichtsverantwoordelijke de nodige meetgegevens ter beschikking per elementaire periode, zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2, en per maand, in een vorm, met een snelheid en een frequentie zoals afgesproken met de betrokken partij, waarbij de bestaande marktprocessen voor elektriciteitsdistributienetten niet worden vertraagd.

Art. 7.4.20. Historische verbruiksgegevens

De beheerder van het gesloten distributienet voorziet in een procedure waarbij een nieuwe leverancier in geval van een leverancierswissel de beschikbare historische verbruiksgegevens van de laatste drie jaar op het achterliggend toegangspunt gratis kan opvragen.

Art. 7.4.21. Historische verbruiksgegevens

De beheerder van het gesloten distributienet voorziet in een procedure waarbij een achterliggende netgebruiker maximaal één keer per jaar de beschikbare historische verbruiks- of injectiegegevensvan de laatste drie jaar op zijn achterliggend toegangspunt gratis kan opvragen.

Hoofdstuk V.
Samenwerking

Dit hoofdstuk bevat de voorschriften met betrekking tot de koppeling tussen een gesloten distributienet en het elektriciteitsdistributienet.

Art. 7.5.1.
Het koppelpunt tussen het gesloten distributienet en het elektriciteitsdistributienet wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder uitgerust met een meetinrichting met afzonderlijke registratie van afnames en injecties per elementaire periode via tele-opname.

Art. 7.5.2.

§ 1

De installaties van het koppelpunt tussen het gesloten distributienet en het elektriciteitsdistributienet moeten beantwoorden aan alle wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op het gekoppelde net.

§ 2

Er wordt tussen de beheerder van het gesloten distributienet en de elektriciteitsdistributienetbeheerder een overeenkomst opgesteld die alle operationele bepalingen m.b.t. het koppelpunt bevat, zoals:
de wederzijdse rechten en plichten met betrekking tot het geheel van uitrustingen nodig om het gesloten distributienette koppelen aan het net. In afwachting van deze bepalingen blijven de vroeger gemaakte afspraken rond de aansluiting verder van kracht, voor zover ze niet strijdig zijn met dit reglement;
de afspraken, wederzijdse rechten en plichten met betrekking tot de uitwisseling van de gegevens op de achterliggende toegangspunten;
de modaliteiten van een eventuele uitbesteding van taken door de beheerder van het gesloten distributienet aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder en dit krachtens het Energiedecreet;
de afspraken omtrent de coördinatie van maatregelen te nemen tijdens incidenten, noodsituaties of operationele problemen overeenkomstig de bepalingen in Art. 1.5.3.;
de frequentie waarmee, de vorm waarin en de inhoud van de gegevens die de beheerder van het gesloten distributienet aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder zal overmaken in het kader van de opmaak van het investeringsplan voor het elektriciteitsdistributienet onder Art. 2.1.10.

Art. 7.5.3.
In geval van een aanvraag van de beheerder van een gesloten distributienet aan een elektriciteitsdistributienetbeheerder voor
een nieuwe koppeling of
een wijziging of verzwaring van een bestaande koppeling
zijn de procedures van aanvraag en behandeling volgens aansluiting met studie zoals beschreven onder Art. 2.2.23 en volgende overeenkomstig van toepassing.

Titel VIII.
Slotbepalingen


Hoofdstuk I.
Opheffingsbepaling


Art. 8.1.1.
Het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit van 5 mei 2015, goedgekeurd bij Besluit van de Vlaamse Regering houdende goedkeuring van het technisch reglement voor de distributie van elektriciteit in het Vlaamse Gewest, wordt krachtens dit reglement opgeheven.

Hoofdstuk II.
Overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen


Art. 8.2.1.
Dit reglement treedt in werking op datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, behoudens:
Art. 3.1.17 § 3 en Art. 3.2.8, § 2 die in werking treden op 1 januari 2021;
Art 4.2.13 § 2 en § 3, Art. 4.3.19 § 2 en Art. 4.3.39 die in werking treden op 1 januari 2021;
Art. 2.3.21 § 6 dat in werking treedt op 1 januari 2021.

Art. 8.2.2.
In afwijking van Art 4.1.2, § 2 geldt tot 1 januari 2021:
“In afwijking van Art 4.1.1, § 1 worden, als de elektriciteitsdistributienetgebruiker hiertoe verzoekt, twee toegangspunten toegekend, met daaraan telkens één allocatiepunt gekoppeld (één voor afname en één voor injectie), aan aansluitingen met een productie-installatie groter dan 10 kVA.”

Art. 8.2.3.
In afwijking van Art 4.1.2, § 3 geldt tot 1 januari 2022:
In afwijking van Art 4.1.1, § 1 worden, als de elektriciteitsdistributienetgebruiker hiertoe verzoekt, twee toegangspunten toegekend, met daaraan telkens één allocatiepunt gekoppeld voor afname, aan aansluitingen waarop een of meerdere oplaadpunten voor elektrische voertuigen of een publiek toegankelijke laadinfrastructuur met oplaadpunten voor elektrische voertuigen aangesloten is.

Art. 8.2.4.
In afwijking van Art 4.1.5 geldt tot 1 januari 2021:
In het toegangsregister worden de volgende gegevens opgenomen:
informatie over de aansluiting, per aansluitingspunt, zoals aangeleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder:
o
het energietype: elektriciteit;
o
het elektriciteitsdistributienet waarmee de aansluiting verbonden is;
o
het aansluitingsspanningsniveau;
o
het adres waar de aansluiting zich bevindt;
o
het toegangspunt of de toegangspunten verbonden aan de aansluiting;
informatie over de toegang tot het net, per toegangspunt, zoals aangeleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder:
o
de identificatie (EAN) van het toegangspunt;
o
de gebruiksrichting: injectie en/of afname;
o
het aansluitingsvermogen;
o
indien van toepassing, gegevens inzake de aanwezigheid van decentrale productie;
informatie over de meetinrichting op het toegangspunt, zoals aangeleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder:
o
de meternummer(s);
o
de aanwezigheid van een budgetmeter of stroombegrenzer;
informatie over de meteropname:
o
voor toegangspunten met jaarlijkse meteropname: de opnamemaand;
informatie over de elektriciteitsdistributienetgebruiker, per allocatiepunt, zoals aangeleverd door de toegangshouder:
o
de naam van de elektriciteitsdistributienetgebruiker;
o
het type elektriciteitsdistributienetgebruiker (huishoudelijk of niet-huishoudelijk);
o
indien van toepassing, het ondernemingsnummer en de NACE-BEL 2008 code;
o
de contactgegevens (adres en, indien beschikbaar, e-mailadres en telefoonnummer) van de elektriciteitsdistributienetgebruiker;
informatie over het gebruik van het allocatiepunt:
o
de partijen die als toegangshouder en evenwichtsverantwoordelijke zijn aangewezen;
o
de tariefperioden;
o
indien van toepassing, de voorafbetalingsstatus;
o
de datum na de indienstname waarop voor het eerst een toegangshouder geregistreerd werd op het allocatiepunt;
o
de datum waarop de huidige toegangshouder geregistreerd werd op het allocatiepunt;
o
de datum waarop een toegangshouder voor de huidige elektriciteitsdistributienetgebruiker geregistreerd werd op het allocatiepunt;
o
indien gekend, de einddatum van het energiecontract tussen de huidige toegangshouder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker op het allocatiepunt;
o
het gebruiksprofiel;
o
voor allocatiepunten met een berekend gebruiksprofiel, het standaard jaarverbruik of standaard maandverbruik of de forfaitair bepaalde afname;
o
de meest recente meterstanden en verbruiken voor facturatie;
o
historische verbruiken.

Art. 8.2.5.
In afwijking van art. 2.3.19, § 1, verleent de elektriciteitsdistributienetbeheerder, in geval van congestie, tot en met 30 juni 2021 bij voorrang toegang aan installaties die elektriciteit produceren op basis van hernieuwbare energiebronnen.

Bijlage I.
Rubrieken van gegevens gebruikt door de netbeheerder voor de uitvoering van zijn wettelijke taken

Rubrieken van gegevens
beschikbaarheidsgraad van het net of een netcomponent
calorische bovenwaarde
cosinus phi maximaal vermogen van een lokale productie-eenheid
ernst van een event of alarm op de meter of op het net
gegevens over artikels zoals merk, versie en type
gegevens over datatarieven (niet klantgebonden) zoals tariefdragers
gegevens over de installaties van een professionele verbruiker zoals geïnstalleerd vermogen en vermogen van de hulpvoeding
gegevens over de ontkoppelingsbeveiliging
gegevens over een toegangspunt zoals categorie (AMR, YMR, MMR,...) en voor toegangspunten elektriciteit zoals ijzer- en koperverliezen (actief en reactief), spanningsniveau (LS, MS, HS) en voor toegangspunten gas zoals debiet
gegevens over nettarieven (niet persoonsgebonden) oa tariefdrager
gegevens over storingen en onderbrekingen (oorzaak, actuele- en geschatte duur, status van de onderbreking (zonder link met individuele netgebruiker) etc.)
maximale- en ter beschikking gestelde capaciteit van een geaggregeerd ontvangststation
meterconfiguratiecertificaat (MCC)
obisCode van een berekend register
schijnbaar vermogen van een lokale productie-eenheid
technische gegevens over uitrustingen en assets, niet gelimiteerd tot assetgegevens, type uitrustingen en assets, connectiviteit- en configuratiegegevens (instelwaarden), locatie- en toegangsgegevens, gegevens over werken, meteropdrachten, keuringen
technische (bron-)gegevens voor settlement zoals klimaatcorrectiefactoren, gegevens over infeedgebieden elektriciteit en geaggregeerde ontvangststations (eangsrn, gemiddelde hoogte boven zeespiegel)
tijdstip van een event of alarm op de meter of op het net
type van een event of alarm op de meter of op het net

Bijlage II.
Overzicht van persoonsgegevens gebruikt door de distributienetbeheerder voor de uitvoering van zijn wettelijke taken

Meetgegeven
afnameprofiel (gemeten of berekende reeks van gegevens over de afname van elektriciteit op een toegangspunt per elementaire periode)
bron (foto, brief, fysieke opname, meterkaartje,...) van een meetwaarde
datum van berekening van een volume
datum van een index
gealloceerd jaar- of maand volume (toegewezen verbruik over periode)
gealloceerd kwartier- of uur volume (toegewezen verbruik over periode)
gebruiksperiode van een fysisch of berekend register (TH, LO,...)
geldigheidsperiode van standaardverbruik
gemeten jaar- of maand volume (verschil tussen indexen)
gemeten kwartier of uur volume
gereconcilleerd jaar- of maand volume (verrekening verbruik over periode)
gereconcilleerd kwartier- of uur volume (verrekening verbruik over periode)
geschat jaar- of maandvolume
granulariteit (15"/60") van een meetwaarde
historische meetwaarden (verbruik)
lastprofiel van een berekend register (SLP, SPP,...)
locked status van een meetwaarde ((tijdelijk verhinderen van markttransacties op een toegangspunt wegens bijvoorbeeld rectificatie)
meetwaarde afname, injectie, spanning,... (index of volume) + eenheid van een meetwaarde (kWh, kW, Volt,...)
meterstand van een groenestroomteller/-meter (allocatiepunt)
meterstand van een groenestroomteller/-meter (geen allocatiepunt, enkel voor steundoeleinden)
obisCode van een fysisch of berekend register (object identificatiesysteem van een digitale meter)
opnamefrequentie meteropname
opnamemaand van een allocatiepunt
productieprofiel (gemeten of berekende reeks van gegevens over de injectie/productie van elektriciteit op een toegangspunt per elementaire periode)
richting (Afname, Injectie) van een fysisch of berekend register
start- en eindtijdstip van een berekend volume
start- en eindtijdstip van een interval (timeslice waarover meetgegevens warden geaggregeerd)
tijdstip van een fysisch of berekend register
type standaardverbruik (eav, emv) van een berekend register
validatiestatus van een interval (validatie van een timeslice waarover meetgegevens geaggregeerd worden)
validatiestatus van een meetwaarde voor facturatie
validatiestatus van een meetwaarde voor informatie
versie van een meetwaarde
waarde + eenheid van standaardverbruik
Relationeel gegeven
aanduiding van de primaire component van de markt- en datadienst
aansluitingsadres van de netgebruiker
aansluitingscapaciteit van een aansluitingscontract
aansluitingsvermogen van een aansluitingscontract
aard van schorsing van een toegangspunt
administratieve gegevens ihkv groenstroomcertificaten (adres, infrastructuurgebied, datum milieuvergunning, datum bouwvergunning, EPB norm, isolatievoorwaarde) gelinkt aan de netgebruiker
administratieve gegevens ihkv premies (correspondentieadres, contactgegevens, rijksregisternummer)
adres (straat, huisnummer, postcode, gemeente) van de netgebruiker/betrokkene/marktpartij/derde partij verbonden aan een ODV (excl levering)
adres (straat, huisnummer, postcode, gemeente, deelgemeente, hoofdgemeente) van de netgebruiker/betrokkene/marktpartij verbonden aan toegang tot het net
adres (straat, huisnummer, postcode, gemeente, deelgemeente, hoofdgemeente) van de netgebruiker/betrokkene/derde partij verbonden aan datatoegang
aggregatieniveau op een datadienstenpunt
begin- en einddatum van een contract verbonden aan datatoegang (datatoegangscontract)
begin- en einddatum van een contract verbonden aan toegang tot het net (aansluitingscontract, toegangscontract, energiecontract, contract FSP,...)
berichtgegevens omtrent wijzigingen klantsituatie (leverancierswissel, verhuis, drop/eoc)
betaalgegevens ihkv aansluiting (betaald, teruggevorderd, rekeningnummer,..)
betaalgegevens ihkv betalingen en afbetaalplannen, solvabiliteit klant, schuldafbouw, schuldenregeling...
betaalgegevens ihkv premies (factuur, uitbetaald bedrag, rekeningnummer,..)
Bewijs van domicilie (inhuisdatum) of verhuur
bron (vb. foto) als bewijs van aanwezigheid van installaties, isolatie,...
contactgegevens van betrokkene/marktpartij (telefoonnummer, mailadres, gsm-nummer, contactpersoonnummer..)
contactgegevens van de netgebruiker verbonden aan datatoegang (telefoonnummer, mailadres, gsm-nummer, contactpersoon nummer,...)
contactgegevens van netgebruikers verbonden aan toegang tot het net (telefoonnummer, mailadres, GSM-nummer, contactpersoonnummer,...)
contactgegevens van de netgebruiker verzameld bij meteropname (telefoon, e-mail,..) (toestemming netgebruiker)
contactgegevens van de netgebruiker verzameld in het kader van een ODV zoals premietoekenning (telefoon, e-mail,..)
contractueel vermogen (profielcategorie, onderschreven vermogen) van een aansluitingscontract residentieel
contractuele cosinus phi van een aansluitingscontract
contractuele status van een contract verbonden aan toegang tot het net (aansluitingscontract, toegangscontract, energiecontract, contract FSP,...)
contractuele status van een contract verbonden aan datatoegang (datatoegangscontract)
datafrequentie op een datadienstenpunt
datum van overlijden van een netgebruiker
door de klant gekozen toegangsvermogen verbonden aan het gebruik van de aansluiting
EAN van een toegangspunt/netgebruiker
exclusieve gegevens van een leveringscontract (klantnummer, energieprijs)
exclusieve gegevens van een door de distributienetbeheerder zelfopgesteld contract (contractnummer, contractrekeningnummer)
exclusieve gegevens van een door de distributienetbeheerder zelfopgestelde factuur (factuurnummer, factuurrekeningnummer, ordernummer)
facturatie(verzend)adres van een netgebruiker (straat, huisnummer, busnummer, gemeente, postcode, land, regio, verdiep,...) verbonden aan toegang tot het net
facturatie(verzend)adres van een netgebruiker (straat, huisnummer, busnummer, gemeente, postcode, land, regio, verdiep,...) verbonden aan datatoegang
facturatiefrequentie op een allocatiepunt (klant keuze)
financiële gegevens netgebruiker ihkv groenstroomcertificaten
flexdienst gekozen door de netgebruiker (naam,...)
gegevens m.b.t. klantcabines (nummer, naam, EAN, contractueel vermogen, jaarverbruik, piekverbruik, adres)
gegevens over de derde partij die actief is op een individueel toegangspunt
gegevens over de toegangshouder/ARP/distributienetbeheerder op een individueel toegangspunt verbonden aan toegang tot het net
gegevens over de werkmaatschappij die actief is op een individueel toegangspunt verbonden aan toegang tot het net
gegevens van de uitvoerder/aannemer (adres, infrastructuurgebied, datum milieuvergunning, datum bouwvergunning, EPB norm, isolatievoorwaarde)
gegevens van een contactpersoon/medewerker (personeelsnummer, mail, adres, aanspreekgegeven, naam, voornaam...) verbonden aan toegang tot het net of ODV
gegevens over een derde partij in het kader van datatoegang
gegevens over de noodzakelijke toestemming in het kader van datatoegang
gezinssamenstelling netgebruiker (aantal bewoners, partner, gehuwd, ongehuwd...)
groenlichtstatus (actief leveringscontract)
ID op een allocatiepunt
identificatiegegevens met betrekking tot klantdossiers (E-ID, dossiercode, premies, dossierstatus, dossiertype: SocLev, Synergie)
indicatie “beschermd” of “beschermde klant” verbonden aan toegang tot het net
indicatie “residentiële klant” verbonden datatoegang (isResidentieel)
indicatie “residentiële klant” verbonden aan toegang tot het net
indicatie van leegstand, leegstandsvlag op een allocatiepunt (isLeegstand)
informatiefrequentie op een allocatiepunt (klantkeuze)
klantgegevens verbonden aan klacht-/melding-afhandeling (klacht-/melding-nummer, opdrachtgever, captatiekanaal, referentie, type, naam aannemer, klantnummer, foto) verbonden aan toegang tot het net of ODV
leveringsadres van de netgebruiker verbonden aan toegang tot het net
leveringsadres van de netgebruiker verbonden aan datatoegang
locatie van oplading voorafbetaling
loggegevens van klantcontacten (klantactie, creatiedatum, klasse, klantcontactnummer)
mandaat van de klant tot open/sluiten poort en klantenkeuze tot open/toe stellen poort
meetregime op een allocatiepunt
moment van oplading voorafbetaling
naam van de component van de datadienst
naam van de datadienst
naam en component van de marktdienst (bv. zuivere afname, beperkte vermarkting injectie, vermarkting injectie, zuivere injectie,...)
naam van het element van de dienstcomponent (consumptie,...)
naam voornaam, aanspreekgegeven, titel, voorkeurstaal van de netgebruiker/betrokkene/marktpartij verbondenaan toegang tot het net
naam, voornaam, aanspreekgegeven, titel, voorkeurstaal van de netgebruiker/betrokkene/marktpartij/derde partij verbonden aan ODV's (excl. levering)
naam, voornaam, aanspreekgegeven, titel, voorkeurstaal van de netgebruiker/betrokkene/derde partij verbonden aan datatoegang
oplaadbedrag (voorafbetaling))
soort woning (appartement of huis) van een netgebruiker
status van de gebruikerspoort van een digitale meter (klantkeuze)
status van een aansluiting
status van een allocatiepunt
status van een datadienstenpunt
status van een voorafbetaling
tariefcode verbonden aan klantkeuze - relationeel (oa datatarief)
timeframeset op een allocatiepunt
toegangscapaciteit (klantkeuze) i.v.m. gebruik aansluiting
toegangscodes (web) applicatie invoeren meterstanden
toegepast datatarief op een datadienstenpunt (datafee/servicefee)
toegepast nettarief (LS, MS, HS)
type premie
Technisch gegeven
aanduiding “eilandbedrijf” van een lokale productie-eenheid
aansluitingscapaciteit van een gasaansluiting
aansluitingsvermogen van een elektriciteitsaansluiting
adres van de aansluitobject
adres van de verbruiksplaats (verbruiksadres) inclusief appartement nummer en verdieping
beschikbare elementen van een dienstcomponentop een allocatiepunt
datum indienstname en uitdienstname van een aansluiting
datum van installatie en deïnstallatie van een lokale installatie
driefasig kortsluitvermogen
fysieke status van een toegangspunt
gegevens over gaslekken (dringendheid, oorzaak, melder, meldingswijze, omschrijving van het probleem, oplossingstermijn, tijdstippen van melding en oplossing)
gebruiksperiode van een berekend register (TH, LO,...)
gegevens over assets en lokale installaties (uitrusting van een laadpaal, type lokale energieopslag, type lokale productie-eenheid, zonnetracker, vermogen van de motor, vermogen van de condensatorbatterij, vermogen van de hulpvoeding, maximaal debiet (gas), aanduiding
zonnetracker en pvz-nummer voor lokale productie, parallelbedrijf, driefasig kortsluitvermogen, type generator (asynchroon, synchroon, inverter), vermogen van de generator etc.)
gegevens over de keuring van een installatie
gegevens over een oplaadpunt zoals type en vermogen
gegevens over een productie-eenheid zoals type en vermogen
gegevens over net- en meterincidenten (dringendheid, oorzaak, melder, meldingswijze, omschrijving van het probleem, oplossingstermijn en tijdstippen van melding en oplossing (gelinkt aan de individuele netgebruiker) etc.)
geïnstalleerd vermogen en vermogen van de omvormer van een lokale productie-eenheid
geografische locatie van een asset
handtekeningenrapport (pdf wijziging bij kiant op mobile)
indicatie (aanwezigheid) “begrenzer” van een elektriciteitsmeter
indicatie “actief” van een functie van een asset
indicatie “communicatie” van een elektriciteitsmeter
indicatie “connect & disconnect” van een elektriciteitsmeter
indicatie “gebruikerspoort” van een elektriciteitsmeter
indicatie “load limitation”/“oftware automaat” van een elektriciteitsmeter
installatiegegevens (type, producent, datum indienstname, AC vermogen, controlemeterfunctie, keuringsdatum,...)
installatiegegevens DCP (VREG-ID, type: warmtepomp, zonneboiler, condensatieketel, gegevens: datum indienstname, keuringsdatum, keuringsorganisme)
instelwaarde van een automaat
instelwaarde van een vermogenbegrenzer
keuringsdatum van een subtoegangspunt
maximaal debiet afname gas bij de netgebruiker
maximale productiehoeveelheid van een lokale productie-eenheid
meetmethode van het register (continue, niet-continu gemeten)
meternummer / ID van de meter
metertype (budgetmeter, normale meter, AMR, digitale, slimme)
opnamemethode van een allocatiepunt (manueel, automatisch)
opnameronde van een allocatiepunt
reden van desactivatie van een meter
richting (Afname, Injectie) van een berekend register
spanningsniveau van een aansluiting
tariefcode/tarieftype verbonden aan het nettarief - fysisch/technisch
tocCode van een aansluiting/toegangspunt
type energie van een toegangspunt (elektriciteit, gas, water, warmte)
type event van een meter tot op individueel niveau (inbreuk,...)
type generator (asynchroon, synchroon, inverter)
type lokale energieopslag
type lokale productie
uitrusting ladpaal
vermogen van de generator
vermogen van een warmtepomp
visuele voorstelling van de ligging van de aansluiting (obv. coördinaten GPS en XY)
woninggegevens ihkv premies (adres, bouwjaar, energiewaarden (Rd, lambda, U,...))
zendgebied van de klant

Bijlage III.
Vereisten voor meetuitrustingen

Onderstaande tabel vermeldt de minimaal vereiste nauwkeurigheidsklasse van bepaalde meetuitrustingen, afhankelijk van het aansluitingsvermogen en het spanningsniveau waarop de meetuitrusting is aangesloten, alsook het spanningsniveau waarop gemeten wordt.
Aansluitings-vermogen
Spanningsniveau waarop de meetinrichting aangesloten is
Minimaal vereiste nauwkeurigheidsklasse van de onderdelen in de meetinrichting
 
 
TP
TI
Wh-meter
VArh-meter
> 20 MVA
HS
0.2
0.2s
0.2s
0.5
≥ 5 MVA < 20MVA
HS
0.2
0.2
0.2 2
 
≥ 1 MVA tot 5 MVA
HS
0.2
0.2
0.5 2
 
≥ 250 kVA tot 1 MVA
HS
0.5
0.5 1 2
 
 
LS (uitzonderlijk)
n.v.t.
0.5 1 2
 
 
≥ 100 kVA tot 250 kVA
HS
0.5
0.5 1 2
 
 
LS
n.v.t.
0.5 1 2
 
 
< 100 kVA
LS
n.v.t.
 
meters conform aan bijlage MI-003 van het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten
LS
n.v.t.
n.v.t.
Met:
TP:...
spanningstransformator
TI:...
stroomtransformator
Wh-meter:...
meter voor actieve energie
VArh-meter:...
meter voor reactieve energie
PF:...
arbeidsfactor