Art. 1.5.3. Ingrijpen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is bevoegd om, in geval van een noodsituatie als vermeld in Art. 1.5.1, alle uitzonderlijke en tijdelijke maatregelen te nemen die hij nodig acht met het oog op de veiligheid en de betrouwbaarheid van het elektriciteitsdistributienet, of om verdere schade te voorkomen.

§ 2

De maatregelen, bedoeld in § 1, die de elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt met betrekking tot de elektrische installaties aangesloten op zijn elektriciteitsdistributienet, verbinden alle betrokken personen.

§ 3

Als een noodsituatie gelijktijdig betrekking heeft op het transmissienet en één of meer elektriciteitsdistributienetten, moeten de maatregelen tussen de beheerders van deze netten onderling worden gecoördineerd.