Onderafdeling 1.
Bevoegde netbeheerder, aansluitingsvermogen en wijze van aansluiten


Art. 2.2.1. Bevoegde netbeheerder

De aansluiting van een installatie in een gebouw of op een perceel wordt uitgevoerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder die is aangesteld voor het grondgebied waarop het gebouw of perceel zich bevindt.

Art. 2.2.2. Aansluitingsvermogen

Voor aansluitingen op het laagspanningsdistributienet is het aansluitingsvermogen gelijk aan het vermogen waarvoor de aansluiting beveiligd wordt door de automaat of de smeltzekering.
Voor aansluitingen op het midden- en hoogspanningsdistributienet wordt het aansluitingsvermogen vastgelegd in het aansluitingscontract.

Art. 2.2.3. Wijze van aansluiten

§ 1

Als het aansluitingsvermogen lager is dan 25 kVA, zal de aansluiting vanaf het laagspanningsnet worden uitgevoerd.

§ 2

Voor aansluitingsvermogens ≥25 kVA en <250 kVA zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van technisch-economische criteria, ofwel aansluiten op het laagspanningsnet, ofwel met een rechtstreekse verbinding op een middenspanning/laagspanning-transformatiepost ofwel op het middenspanningsnet.

§ 3

Als het aansluitingsvermogen ≥250 kVA en <15 MVA is, zal de aansluiting vanaf het midden- of hoogspanningsnet worden uitgevoerd door de beheerder van het elektriciteitsdistributienet.

§ 4

Als het aansluitingsvermogen ≥15 MVA en <25 MVA is kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, op basis van een eerste technisch-economische analyse, beslissen om de aanvraag eveneens over te maken aan de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Beide mogelijkheden worden technisch-economisch onderzocht en de kosten-batenanalyses worden geëvalueerd door beide netbeheerders en de aanvrager. De kosten die de netbeheerder heeft gemaakt van wie de oplossing niet gekozen werd, komen voor rekening van deze netbeheerder.

§ 5

Als het gevraagde aansluitingsvermogen ≥25 MVA wordt de installatie aangesloten op het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of het transmissienet.

§ 6

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan, in geval van een nieuwe aansluiting, de aansluiting uitvoeren via een rechtstreekse verbinding van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker met de secundaire rails van een transformatiepost die het elektriciteitsdistributienet op midden- of hoogspanning voedt als het aansluitingsvermogen, dat bij de aanvraag tot aansluiting vooropgesteld wordt, groter is dan 5 MVA.

§ 7

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan beslissen om voor een wijze van aansluiten te kiezen die afwijkt van de bepalingen in dit Artikel, afhankelijk van de karakteristieken van het lokale elektriciteitsdistributienet of als de installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker schadelijke storingen op het elektriciteitsdistributienet of overdreven spanningsschommelingen zou veroorzaken.