Art. 2.2.41.

§ 1

Elke aansluiting, alsook elke installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die op het elektriciteitsdistributienet is aangesloten, moet voldoen aan de normen en de reglementering die op elektrische installaties van toepassing zijn, de voorschriften van dit reglement en het aansluitingscontact of -reglement.

§ 2

Een aansluiting of installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die bestond op 1 juli 2002 en die niet in overeenstemming is met de voorschriften van dit reglement, kan als dusdanig worden gebruikt zolang ze geen schade of hinder berokkent of zou kunnen berokkenen aan de installaties van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of aan de installaties van of de kwaliteit van de geleverde spanning bij een andere elektriciteitsdistributienetgebruiker. Bij de eerste ingrijpende wijziging of uitbreiding van de aansluiting of de installatie moet deze in overeenstemming gebracht worden met de bepalingen van dit reglement.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele schade bij de elektriciteitsdistributienetgebruiker die veroorzaakt wordt door de slechte werking van diens installaties omdat die niet in overeenstemming zijn met dit reglement.

§ 4

De elektriciteitsdistributienetgebruiker en de eigenaar van het goed in kwestie treffen de nodige voorzorgen om iedere beschadiging aan de aansluiting te voorkomen.

§ 5

Het tracé van de aansluiting, alsmede de opstelling en de karakteristieken van de samenstellende delen worden op zo'n wijze bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de algemene veiligheid en de normale werking van de deelelementen van de aansluiting verzekerd zijn en dat de meteropnamen, het toezicht, het nazichten het onderhoud gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd.

§ 6

De installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker mogen bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij derden geen risico's, schade of hinder van welke aard ook veroorzaken.