Onderafdeling 4.
Specifieke voorschriften voor de aansluiting van elektriciteitsproductie-eenheden en energieopslagsystemen


Art. 2.2.51.
Elektriciteitsproductie-eenheden, aangesloten op het elektriciteitsdistributienet, zijn conform de Europese netcode RfG op basis van drempelcriteria als volgt geklasseerd in de types A, B, C of D:
type A: het maximaal vermogen van de eenheid is ≥ 0,8 kW en < 1 MW;
type B: het maximaal vermogen van de eenheid is ≥ 1 MW en < 25 MW;
type C: het maximaal vermogen van de eenheid is ≥ 25 MW en < 75 MW.
type D: het maximaal vermogen van de eenheid is ≥ 75 MW

Art. 2.2.52.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften voor aansluitingen van elektriciteitsproductie-eenheden van types A en B en energieopslagsystemen vast en maken die bekend via hun websites. De Algemene Toepassingseisen worden eveneens in deze aanvullende technische voorschriften opgenomen.
Voor noodgroepen kunnen afwijkingen op deze technische regels gelden.

§ 2

Nieuwe elektriciteitsproductie-eenheden van types A, B, C of D, alsook bestaande elektriciteitsproductie-eenheden van het type C of D die een substantiėle modernisering ondergaan, moeten voldoen aan de Algemene Toepassingseisen.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerders stellen in samenspraak met de transmissienetbeheerder de definitie, criteria en procedure voor substantiėle modernisering op en leggen deze na publieke consultatie voor aan de VREG ter goedkeuring.

Art. 2.2.53. Meldingsplicht

§ 1

De elektriciteitsdistributienetgebruiker moet de indienstname of significante wijziging van een productie-eenheid of energieopslagsysteem melden aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De wijze van melding wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald.

§ 2

In de aanvullende technische voorschriften zoals bepaald in Artikel 2.2.52 § 1 legt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de reden tot noodzaak voor een verplichte voorafgaandelijke detailstudie vast.

Art. 2.2.54. Telecontrole

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan een telecontrole opleggen aan de producent in volgende gevallen:
projecten met een elektriciteitsproductie-eenheid van het type B of C;
projecten met een globaal opgesteld productievermogen groter dan of gelijk aan 1000 kVA;
projecten waarvan uit de detailstudie blijkt dat bij lokale congestie op het elektriciteitsdistributienet, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of daarmee gekoppelde netelement, tijdelijke productiebeperkingen noodzakelijk zijn.
De telecontrole, vermeld in het eerste lid, geeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder de mogelijkheid om, door middel van een centraal besturingssysteem, productiebeperkingen op te leggen op basis van objectieve criteria die contractueel vastgelegd worden, in volgende gevallen:
in uitzonderlijke uitbatingsomstandigheden van het elektriciteitsdistributienet;
als de productie-installatie aangesloten is met flexibele toegang, zoals vermeld in Art. 2.2.35.
In geval dat met de elektriciteitsproductie-eenheid ondersteunende diensten aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder geleverd worden volgens de modaliteiten beschreven in Art. 2.3.22 § 2

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan een telecontrole opleggen voor energieopslagsystemen met een globaal opgesteld vermogen groter dan of gelijk aan 1000 kVA. Deze telecontrole geeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder de mogelijkheid om, in geval van uitzonderlijke uitbatingsomstandigheden van het elektriciteitsdistributienet, door middel van een centraal besturingssysteem, injectiebeperkingen op te leggen op basis van objectieve criteria die contractueel vastgelegd worden.