Afdeling 8.
Specifieke voorschriften voor toegang tot het net op midden- en hoogspanning


Onderafdeling 1.
Toegangsprogramma's


Art. 2.3.15.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder het nodig acht, kan hij op bepaalde toegangspunten volgens de grootte van het afgenomen of geïnjecteerd vermogen, of op basis van andere objectieve en niet-discriminerende criteria, dagelijks een toegangsprogramma eisen van de toegangshouder, alvorens toegang tot het elektriciteitsdistributienet te verlenen. Ook kan hij voor die toegangspunten jaarlijks vooruitzichten eisen van die partij.

§ 2

Als de toegangshouder voorziet dat het werkelijke afname- of injectieprofiel sterk zal afwijken van het opgegeven toegangsprogramma of de meegedeelde vooruitzichten, brengt hij de elektriciteitsdistributienetbeheerder daarvan onverwijld op de hoogte.

Onderafdeling 2.
Afname van reactieve energie


Art. 2.3.16.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kent aan de toegangshouder per tijdsinterval een hoeveelheid reactieve energie toe per allocatiepunt waarop het toegangscontract betrekking heeft.

Art. 2.3.17.
De hoeveelheden met betrekking tot de werking in inductief en capacitief regime worden afzonderlijk opgemeten en worden onderling niet gecompenseerd.

Art. 2.3.18.

§ 1

De partij, vermeld in Art. 2.3.16 geniet per tijdsinterval een afnamerecht op een forfaitaire hoeveelheid reactieve energie, in inductief en capacitief regime.

§ 2

Onder voorbehoud van de bepalingen van § 3 is die forfaitaire hoeveelheid reactieve energie per tijdsinterval gelijk aan 32,9 % van de hoeveelheid actieve energie, afgenomen op het allocatiepunt tijdens dat tijdsinterval voor een afname op een spanning groter dan of gelijk aan 30 kV of via een rechtstreekse aansluiting op een transformatiepost die het elektriciteitsdistributienet op hoogspanning voedt, en 48,4 % van de hoeveelheid actieve energie, afgenomen op het allocatiepunt tijdens dat tijdsinterval in alle andere gevallen.

§ 3

Die forfaitaire hoeveelheid reactieve energie per tijdsinterval mag niet lager zijn dan 3,29 %, respectievelijk 4,84 % van de hoeveelheid actieve energie die conform is met de looptijd van het tijdsinterval, vermenigvuldigd met het door de in Art. 2.3.16 vermelde partij op het betrokken allocatiepunt ter beschikking gesteld toegangsvermogen.

§ 4

Het positieve verschil tussen de hoeveelheid in inductief regime en de forfaitaire hoeveelheid, toegewezen overeenkomstig deze afdeling, komt voor rekening van de partij, vermeld in Art. 2.3.16, volgens het overeenkomstige tarief.

§ 5

Het positieve verschil tussen de hoeveelheid in capacitief regime en de forfaitaire hoeveelheid, toegewezen overeenkomstig deze afdeling, komt voor rekening van de partij, vermeld in Art. 2.3.16, volgens het overeenkomstige tarief.

§ 6

Voor de toepassing van deze afdeling is het desbetreffende tijdsinterval hetzij een kwartier, hetzij een maand, zoals vastgesteld door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en vermeld in het toegangscontract.

Onderafdeling 3.
Congestiebeheer


Art. 2.3.19.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt de nodige maatregelen om op een veilige, betrouwbare en efficiënte wijze de elektriciteitsstromen op het elektriciteitsdistributienet te beheren. [...]

§ 2

Bij het voorbereiden van de exploitatie laten de maatregelen, vermeld in § 1, onder meer toe:
in overleg met en via de transmissienetbeheerder de regeling van de productie-eenheden te coördineren;
de onderbreking of beperking van de afname door een elektriciteitsdistributienetgebruiker te voorzien in geval die aan het congestiebeheer deelneemt;
een noodsituatie in te roepen overeenkomstig Art. 1.5.1

§ 3

Bij de exploitatie van het elektriciteitsdistributienet door de elektriciteitsdistributienetbeheerder laten de maatregelen, vermeld in § 1, onder meer toe:
de regeling van de productie-eenheden te coördineren;
indien noodzakelijk, de afname van een elektriciteitsdistributienetgebruiker te onderbreken of beperken in geval die aan het congestiebeheer deelneemt;
een noodsituatie in te roepen overeenkomstig Art. 1.5.1.
Indien de maatregelen geïnitieerd worden of impact hebben bij een andere netbeheerder, plegen de netbeheerders vooraf overleg met elkaar.

Art. 2.3.20.

§ 1

De modaliteiten voor de onderbreking of beperking van de afname resp. de regeling van de productie-eenheden, vermeld in Art. 2.3.19 worden contractueel overeengekomen tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerderen de elektriciteitsdistributienetgebruikerof detoegangshouder.

§ 2

Als de modaliteiten met de toegangshouder werden vastgelegd, levert die het bewijs aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat hij die vermogensonderbreking of -beperking op het toegangspunt kan mobiliseren. De elektriciteitsdistributienetbeheerder beoordeelt de geldigheid van die mobilisatie op transparante en niet-discriminerende basis.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt de evenwichtsverantwoordelijke zo snel als mogelijk op de hoogte van de start en de ingeschatte duur voor de onderbreking of beperking van de afname respectievelijk de regeling van de productie-eenheden uit Art. 2.3.19.