Onderafdeling 1.
Toegangsprogramma's


Art. 2.3.15.

ž 1

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder het nodig acht, kan hij op bepaalde toegangspunten volgens de grootte van het afgenomen of ge´njecteerd vermogen, of op basis van andere objectieve en niet-discriminerende criteria, dagelijks een toegangsprogramma eisen van de toegangshouder, alvorens toegang tot het elektriciteitsdistributienet te verlenen. Ook kan hij voor die toegangspunten jaarlijks vooruitzichten eisen van die partij.

ž 2

Als de toegangshouder voorziet dat het werkelijke afname- of injectieprofiel sterk zal afwijken van het opgegeven toegangsprogramma of de meegedeelde vooruitzichten, brengt hij de elektriciteitsdistributienetbeheerder daarvan onverwijld op de hoogte.