Titel III.
Meetcode

De meetcode bevat de bepalingen betreffende de meetinrichtingen, zoals bijvoorbeeld de voorschriften inzake de terbeschikkingstelling, de nauwkeurigheid, de plaatsing, het gebruik en het onderhoud.

Hoofdstuk I.
Algemene bepalingen betreffende meetinrichtingen


Afdeling 1.
Doel van meetgegevens


Art. 3.1.1.

§ 1

Elk toegangspunt vormt het voorwerp van een telling om de afname en/of de injectie van de actieve en/of reactieve energie te bepalen ten opzichte van het elektriciteitsdistributienet. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van een meetinrichting.

§ 2

Onder de voorwaarden en volgens de procedure vermeld in Onderafdeling 3. - Forfaitair bepaalde afname van de marktcode, kan met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een forfaitaire vaststelling van de energiehoeveelheden worden afgesproken, zonder gebruik te maken van een meetinrichting.

§ 3

De meetgegevens, resulterend uit de in § 1 vermelde telling, aangevuld met de gegevens vermeld in § 2, dienen voor de verrekeningen tussen de verschillende partijen. Ze dienen eveneens als basis om een goed beheer van het elektriciteitsdistributienet en de gesloten distributienetten mogelijk te maken en voor informatiedoeleinden zoals beschreven in de datacode.

Art. 3.1.2.

§ 1

De verrekeningen, vermeld in Art. 3.1.1, § 3, zijn gebaseerd op gegevens die betrekking hebben op elementaire perioden. Afhankelijk van de aard van de aansluiting worden die gegevens rechtstreeks betrokken uit de meetinrichting of zijn ze het resultaat van de toepassing van een berekening op basis van gebruiksprofielen toegepast op de meetgegevens.

§ 2

De elementaire periode, vermeld in § 1, bedraagt vijftien minuten.

Art. 3.1.3.

§ 1

De meetgegevens voor de actieve energie, evenals de allocatie- en reconciliatiegegevens, worden uitgedrukt in kWh. De meetgegevens voor reactieve energie worden uitgedrukt in kVarh.

§ 2

De meetgegevens voor de actieve energie worden ter beschikking gesteld van de betrokken partijen zoals vastgelegd in Afdeling 5 - Processen gekoppeld aan het ter beschikking stellen van meetgegevens ten behoeve van facturatie in het kader van een energiecontract van de marktcode.

§ 3

Indien van belang voor de facturatieprocessen, worden de meetgegevens voor de reactieve energie maandelijks overgemaakt als maandtotaal per allocatiepunt of alle kwartierwaarden van de maand voor dat allocatiepunt.

§ 4

Op vraag van de netgebruiker, worden de meetgegevens voor de reactieve energie overgemaakt voor alle kwartierwaarden van de maand voor dat allocatiepunt.

Afdeling 2.
Samenstelling, beheer en gebruiksrecht van meetinrichtingen


Art. 3.1.4.

§ 1

Een meetinrichting kan onder meer bestaan uit al dan niet geïntegreerde combinaties van:
stroomtransformatoren;
spanningstransformatoren;
meters;
dataloggers;
communicatie-uitrusting, met inbegrip van ontvangsttoestellen die gebruikt worden voor tariefomschakeling;
kast - klemmen - bedrading - beveiliging.

§ 2

Op de toegangspunten van nieuwe aansluitingen of bestaande aansluitingen waarop een verzwaring wordt uitgevoerd, met een toegangsvermogen voor afname groter dan of gelijk aan 56 kVA, plaatst de distributienetbeheerder een grootverbruiksmeetinrichting voor het meten van de afgenomen en/of geïnjecteerde actieve energie.
Op de toegangspunten van aansluitingen waarvoor het gemiddelde van het afgenomen of geïnjecteerde maximumkwartiervermogen op maandbasis, bepaald over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, minstens 56 kVA bedraagt, plaatst de distributienetbeheerder eveneens een grootverbruiksmeetinrichting.
De grootverbruiksmeetinrichting moet de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art. 4.2.12, ondersteunen.

§ 3

Op de toegangspunten met een toegangsvermogen voor afname kleiner dan 56 kVA en met een toegangsvermogen voor injectie kleiner dan of gelijk aan 10 kVA plaatst de distributienetbeheerder een kleinverbruiksmeetinrichting voor het meten van de afgenomen en/of geïnjecteerde actieve energie. De kleinverbruiksmeetinrichting moet de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art 4.2.13, ondersteunen.

§ 4

Op de toegangspunten van nieuwe aansluitingen of bestaande aansluitingen waarop een verzwaring wordt uitgevoerd, met een toegangsvermogen voor afname kleiner dan 56 kVA en met een toegangsvermogen voor injectie groter dan 10 kVA, plaatst de distributienetbeheerder een meetinrichting die de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art. 4.2.12 ondersteund.

§ 5

De netbeheerder zal, op vraag en voor rekening van de netgebruiker en mits technisch mogelijk de meetinrichting aanpassen om een afwijking van de standaard allocatiepuntconfiguratie mogelijk te maken.

§ 6

De netbeheerder zal, op vraag en voor rekening van de netgebruiker en mits technisch mogelijk, de meetinrichting aanpassen om het aanbod van diensten door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan de partijen geregistreerd op allocatiepunten en datadienstenpunten, te verruimen.

Art. 3.1.5.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetgebruikerzelf eigenaar is van meetuitrustingen, die deel uitmaken van de meetinrichting, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder een gebruiksrecht op deze uitrustingen, en worden de modaliteiten van aanpassing, uitbreiding, onderhoud en uitbating, vastgelegd in een overeenkomst met de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 2

Meetuitrustingen die geen deel uit maken van de meetinrichting mogen door de netgebruiker of een door hem aangestelde partij geplaatst worden in zoverre ze geen aantoonbare negatieve invloed hebben op de werking van meetinrichting. De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt onder welke voorwaarden en binnen welke grenzen al dan niet een invloed op de meetinrichting toegestaan kan worden. De elektriciteitsdistributienetbeheerders kunnen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften bepalen en maken die bekend via hun websites.

Art. 3.1.6.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetgebruiker en de elektriciteitsdistributienetbeheerder hebben het recht in hun installaties op eigen kosten alle uitrustingen te plaatsen die zij nuttig achten om de nauwkeurigheid na te gaan van de meetinrichting, vermeld in Art. 3.1.4. Een dergelijke meetuitrusting, die eventueel toebehoort aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker, moet voldoen aan de voorschriften van dit reglement.

§ 2

Een meetuitrusting van een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan dienst doen als controlemeting voor metingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder na diens aanvaarding.

Art. 3.1.7.

§ 1

Als de distributienetgebruiker extra onderdelen op de meetinrichting, of op een ander element van de aansluiting, wenst aan te brengen, moet dit in overeenstemming zijn met de technische voorschriften van de distributienetbeheerders.

§ 2

Alle kosten met betrekking tot de integratie van die extra onderdelen worden gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 3.1.8.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht aan de meetinrichting alle extra apparatuur toe te voegen die hij nuttig acht voor de uitvoering van zijn taak, onder meer met het oog op het meten van kwaliteitsindicatoren van de spanning en/of de stroom, en de faseverschuiving tussen spanning en stroom.

Art. 3.1.9.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt het mogelijk voor de elektriciteitsdistributienetgebruiker om te allen tijde de in de meetinrichting lokaal beschikbare meetgegevens ter hoogte van de meetinrichting af te lezen.

§ 2

Bij de plaatsing van een nieuwe, op afstand uitleesbare meetinrichting, moeten meetgegevens afkomstig uit de meetinrichting op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker kosteloos beschikbaar gemaakt worden ter hoogte van de meetinrichting, voor toepassingen van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of een door de elektriciteitsdistributienetgebruiker aangewezen aanbieder van energiediensten of dienstverlener van flexibiliteit.

§ 3

Als de toegang tot de installatie onderworpen is aan voorwaarden, opgelegd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, worden die voorwaarden in het aansluitingscontract vastgelegd.

Art. 3.1.10.
Bij het vervangen of wegnemen van een meter moeten de genoteerde meterstanden zowel door de afnemer (of een vertegenwoordiger van de afnemer) als door de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse genoteerd, gedagtekend en ondertekend worden.
Als de afnemer in de mogelijkheid gesteld was om de genoteerde meterstanden te ondertekenen, maar hiervan geen gebruik maakte, heeft hij later niet meer de mogelijkheid deze meterstanden te betwisten. Dit is het geval als de afnemer verwittigd was van het moment waarop de meter wordt vervangen of weggenomen, en de afnemer niet aanwezig noch vertegenwoordigd is, alsook in het geval de afnemer aanwezig of vertegenwoordigd is, maar weigert de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder genoteerde meterstanden te ondertekenen.
Als de afnemer niet verwittigd was van het moment waarop de meter wordt vervangen of weggenomen en hij niet aanwezig noch vertegenwoordigd is op dat moment, noteert de netbeheerder de meterstanden en neemt bovendien een duidelijke foto van de meterstanden en de meter. In dat geval gelden deze meterstanden tot bewijs van het tegendeel door de netgebruiker.

Art. 3.1.11.
Een elektriciteitsdistributienetgebruiker die beschikt over een meter met rollentelwerk, waarop een meervoudig tariefmeting wordt geregistreerd, kan enkel overschakelen op een enkelvoudige tariefmeting mits vervanging van deze meter op eigen kosten, tenzij de DNB de mogelijkheid aanbiedt om de bestaande meter te gebruiken voor enkelvoudige tariefmeting.

Afdeling 3.
Locatie van de meetinrichting en toegang ertoe


Art. 3.1.12.
De meetinrichting wordt geplaatst ter hoogte van het toegangspunt of koppelpunt. Dit neemt niet weg dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker kunnen overeenkomen om de meetuitrusting die deel uitmaakt van de meetinrichting ergens anders te plaatsen.

Art. 3.1.13.
In afwijking van Art. 3.1.12 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, om economische redenen en voor zover dat technisch haalbaar is, beslissen om de meetinrichting met betrekking tot een aansluiting vanuit het middenspanningsnet en met een aansluitingsvermogen kleiner dan of gelijk aan 250 kVA, te plaatsen aan de laagspanningszijde van de vermogentransformator.

Art. 3.1.14.
In afwijking van Art. 3.1.12 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder beslissen om de meetinrichting ergens anders te plaatsen na motivering van de beslissing ten overstaan van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 3.1.15.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt op de meetinrichting van elke aansluiting die nieuw geplaatst wordt op een permanente wijze en duidelijk leesbaar de EAN-code aan van het toegangspunt.

Art. 3.1.16.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht op toegang tot de meetinrichting, met inbegrip van de uitrusting van de eventuele controlemeting, om een conformiteitscontrole uit te voeren met betrekking tot de bepalingen van dit reglement.

Afdeling 4.
Vereisten voor nauwkeurigheid en plaatsing van meetuitrustingen


Art. 3.1.17.

§ 1

De meetinrichtingen en daartoe behorende meetuitrustingen voldoen minimaal aan de vereisten opgenomen in BIJLAGE III - Vereisten voor meetuitrustingen, voor zover geen andere regelgeving terzake geldt.

§ 2

De meetuitrusting waarvan de meetresultaten worden gebruikt voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroom- en/of warmtekrachtcertificaten en garanties van oorsprong (in uitvoering van het Energiebesluit) of ten behoeve van het vermarkten van flexibiliteit moet voldoen aan de vereisten vermeld in BIJLAGE III - Vereisten voor meetuitrustingen.

§ 3

Voor grootverbruiksmeetinrichtingen bepaalt de distributienetbeheerder de modaliteiten met betrekking tot het periodiek nazicht van de nauwkeurige werking van deze meetinrichtingen. Dit wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de VREG en gepubliceerd op de website van de distributienetbeheerder.

Afdeling 5.
Sturing tariefperiodes


Art. 3.1.18.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder beheert en bedient de apparatuur die nodig is voor de sturing van meetinrichtingen en voedingscircuits en/of het configureren van de nodige instellingen in meetinrichtingen met het oog op het toepassen van verschillende tariefperiodes.

Art. 3.1.19.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert de informatie over de toegepaste sturing met inbegrip van de uurregeling voor de tariefperiodes in zijn distributiegebied.

Art. 3.1.20.

§ 1

Aanpassingen van de sturing van meetinrichtingen, vermeld in Art. 3.1.18 op initiatief van de elektriciteitsdistributienetbeheerder kunnen pas worden uitgevoerd na overleg met de betrokken toega ngshouders.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetgebruikers of de toegangshouders op het elektriciteitsdistributienet kunnen verzoeken om de aanpassing van de sturing of van de periodes bij de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, die de technisch-economische haalbaarheid ervan beoordeelt op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria.

Afdeling 6.
Storingen en fouten


Art. 3.1.21.
Als bij een dubbele meting de hoofdmeting uitvalt, vervangt de controlemeting de hoofdmeting voor wat betreft de in de controlemeting beschikbare gegevens.

Art. 3.1.22.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder zorgt ervoor dat een storing bij de meting (exclusief dataoverdracht) in een meetuitrusting die hij beheert en deel uitmaakt van een meetin richting, verholpen wordt binnen een termijn van:
drie werkdagen, bij een meetin richting die betrekking heeft op een toegangspunt met een aansluitingsvermogen groter dan of gelijk aan 56 kVA;
zeven werkdagen, voor de overige meetinrichtingen.
Die termijn vangt aan op het ogenblik dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de hoogte is van de storing.

§ 2

In de mate van het mogelijke worden dezelfde termijnen gehanteerd in geval van een storing bij de dataoverdracht.

Art. 3.1.23.
Als door overmacht de storing niet binnen de termijn, vermeld in Art. 3.1.22 kan worden verholpen, neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder alle noodzakelijke maatregelen om het verlies van meetgegevens te beperken. Hij deelt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker en de betrokken partijen de vermoedelijke duur van de storing mee.

Art. 3.1.24.
Een fout bij de meting wordt als significant beschouwd als ze groter is dan toegestaan krachtens de toepasbare nauwkeurigheidsvereisten conform Afdeling 4. – Vereisten voor nauwkeurigheid en plaatsing van meetuitrustingen van de Meetcode.

Art. 3.1.25.
Een elektriciteitsdistributienetgebruiker of toegangshouder die in de meetgegevens een significante fout vermoedt, brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder daar onverwijld van op de hoogte en kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder schriftelijk een controle van de meetin richting aanvragen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder plant dan, na voorafgaandelijke analyse in de systemen en bij uitsluiting van een systeemfout, zo snel mogelijk de uitvoering van een testprogramma.

Art. 3.1.26.
Als de controle, vermeld in Art. 3.1.25, uitwijst dat een significante fout veroorzaakt wordt door een fout, een defect of een onnauwkeurigheid in de meetinrichting of een onderdeel ervan, waarvoor de elektriciteitsdistributienetbeheerder verantwoordelijk is, zorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder ervoor dat de fout wordt verholpen of de meter wordt vervangen binnen tien werkdagen, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, gemotiveerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 3.1.27.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder draagt de kosten verbonden aan de acties, vermeld in Art. 3.1.25 en in Art. 3.1.26, als een significante fout kon worden vastgesteld. In het andere geval worden ze gedragen door de aanvrager.

Afdeling 7.
Administratief beheer van technische gegevens


Art. 3.1.28.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor het bijhouden en archiveren van de administratieve gegevens die vereist zijn voor een goed beheer van de meetinrichtingen en de toepasselijke wettelijke controles (onder meer fabrikant, type, fabrieksnummer, bouwjaar, contrale- en ijktijdstippen).

Art. 3.1.29.
Wijzigingen aan de meetinrichtingen, voor zover ze betrekking hebben op de metingen met het oog op facturatie in het kader van het energiecontract, worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen tien werkdagen meegedeeld aan de toegangshouder op het toegangspunt.

Hoofdstuk II.
Bijzondere bepalingen betreffende meetinrichtingen


Afdeling 1.
Bijzondere bepalingen betreffende grootverbruiksmeetinrichtingen


Art. 3.2.1.
Het gebruiksprofiel wordt geregistreerd op basis van meetperioden die overeenstemmen met de elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2 § 2.

Art. 3.2.2.

§ 1

In overeenstemming met de bepalingen van het aansluitingscontract en/of de noden van de elektriciteitsdistributienetbeheerder registreert een meetinrichting per meetperiode de volgende data:
de aanduiding van de meetperiode;
de afgenomen en/of geïnjecteerde actieve energie;
desgevallend de afgenomen en/of geïnjecteerde reactieve energie.

§ 2

De meetinrichting heeft de mogelijkheid om alle kwartiervermogens van de voorbije twaalf maanden te registeren.

Art. 3.2.3.

§ 1

Om desgevallend de tele-opname van de meetin richting mogelijk te maken, zorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, op basis van technisch-economische criteria, voor de realisatie van de meest aangewezen telecommunicatieverbinding.

§ 2

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen eigenaar is van de meetuitrustingen, is de elektriciteitsdistributienetgebruiker verantwoordelijk voor de overdracht van de meetgegevens naar de elektriciteitsdistributienetbeheerder volgens de procedure die de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt.

§ 3

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen eigenaar is van de meetuitrustingen en de inzameling overeenkomstig § 2 onmogelijk is ten gevolge van een storing of een defect ervan, inclusief de overdracht naar de elektriciteitsdistributienetbeheerder, often gevolge van iedere andere oorzaak, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder te allen tijde het recht om op kosten van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de meetgegevens of ieder ander gegeven ter plaatse op de meetuitrustingen in kwestie te verzamelen, met naleving van de voorschriften die betrekking hebben op de toegang tot die uitrustingen.

Art. 3.2.4.

§ 1

Een meetperiode is gerelateerd aan het tijdstip 00:00:00 volgens de lokale tijd.

§ 2

De afwijking van de begin- en eindtijden van de meetperiode ten overstaan van de gehanteerde referentietijd mag niet groter zijn dan tien seconden.

Art. 3.2.5.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verstrekt de elektriciteitsdistributienetgebruiker het recht om te allen tijde de in de meetin richting lokaal beschikbare meetgegevens die betrekking hebben op het toegangspunt, te consulteren. In de uitzonderlijke gevallen waarbij de meetuitrustingzich bevindt op een plaats die niet rechtstreeks voor de elektriciteitsdistributienetgebruiker toegankelijk is, wendt de elektriciteitsdistributienetgebruiker zich tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die hem binnen een redelijke termijn toegang zal verschaffen overeenkomstig de bepalingen, vermeld in Art. 2.2.70.

§ 2

De meetgegevens, vermeld in § 1, omvatten minstens de meetgegevens die dienen voor de bepaling van de elektriciteitsafname of -injectie over een bepaalde maand.

§ 3

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op een toegangspunt verschaft de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen de tien werkdagen de nodige inlichtingen voor de interpretatie van de meetgegevens.

§ 4

De afleesmethode en de omrekeningsfactoren die toegepast moeten worden voor het bepalen van de elektriciteitsafname of -injectie, vermeld in § 2, worden bij nieuw geïnstalleerde meetin richtingen op een duidelijke manier aangebracht op of vlak naast de meter.

Afdeling 2.
Bijzondere bepalingen betreffende kleinverbruiksmeetinrichtingen


Art. 3.2.6.

§ 1

De niet op afstand uitleesbare kleinverbruiksmeetinrichting voorziet in een telwerk per toegepaste tariefperiode.

§ 2

De op afstand uitleesbare kleinverbruiksmeetinrichting voldoet aan de op het moment van plaatsing geldende functionaliteiten.

Afdeling 3.
Meetuitrusting voor decentrale productie en valorisatie van flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt


Art. 3.2.7. Meetuitrustingen bij decentrale productie-installaties

§ 1

Als de meting op het toegangspunt of het allocatiepunt niet toelaat om de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit van een decentrale productie-installatie eenduidig te bepalen, kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker beroep doen op de diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder voor het plaatsen van bijkomende meetuitrusting, het uitlezen ervan en het beheer van de meetgegevens.

§ 2

Bij aansluitingen met decentrale productie waarvan de som van het totaal opgestelde productievermogen kleiner dan of gelijk is aan 10 kVA bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de voorwaarden waaraan de meetuitrusting van de decentrale productie-eenheid moet voldoen in geval de meetgegevens gebruikt worden ten behoeve van de facturatie van productie in het kader van een energiecontract en de berekening van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten.

§ 3

Bij aansluitingen met decentrale productie waarvan de som van het totaal opgestelde productievermogen groter is dan 10 kVA plaatst de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen vijftien werkdagen, na een positief onderzoek van de conformiteit met de aansluitingsvoorschriften van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, de meetinrichting met uitlezing van de productie op afstand. De meetinrichting moet de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art. 4.2.12, ondersteunen.
De afname- en injectiemeting wordt, indien ze niet geschikt is om op afstand uitgelezen te worden, aangepast. Het onderzoek moet plaatsvinden binnen de vijftien werkdagen na het uitvoeren van de eventuele aanpassing aan de aansluitingsinstallaties door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en/of de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 4

Voor productie-installaties met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 10 kVA in dienst genomen vanaf 1 september 2010 moet de meetuitrusting voor een decentrale productie-eenheid, in voorkomend geval, op een zichtbare plaats in de buurt van de meter op het toegangspunt geplaatst worden.

§ 5

Ongeacht het gaat om een klein- of grootverbruiksmeetinrichting kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meterstand opnemen bij de indienstname van de decentrale productie-installatie.

Art. 3.2.8. Meetuitrustingen voor valorisatie van flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt

§ 1

Als de meting op het toegangspunt of allocatiepunt niet toelaat om het geactiveerde volume flexibiliteit eenduidig te bepalen voor valorisatie van de flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt, kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker beroep doen op de diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder voor het plaatsen van bijkomende meetuitrusting, het uitlezen ervan en het beheer van de meetgegevens.

§ 2

De meetuitrusting voor valorisatie van flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt kan door een derde partij geleverd, geplaatst en onderhouden worden volgens technische voorschriften opgesteld door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en goedgekeurd door de VREG. Deze voorschriften omvatten ook technische oplossingen ter ondersteuning van het uitlezen van deze meetuitrusting door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Afdeling 4.
Bijzondere voorschriften voor budgetmeters


Art. 3.2.9.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder zorgt ervoor dat er steeds een duidelijke gebruiksaanwijzing voor het budgetmetersysteem op eenvoudig verzoek en gratis aangevraagd kan worden. Deze gebruiksaanwijzing moet een handleiding bevatten voor zowel het gebruik van het budgetmetersysteem (als deze geactiveerd is) als voor het uitlezen van deze meter (in geval van een gedeactiveerde budgetmeter met oplaadbare kaart).

Art. 3.2.10.

§ 1

Een gedeactiveerde budgetmeter met oplaadbare kaart wordt niet weggenomen als er geen gebruik meer wordt gemaakt van zijn functionaliteiten, tenzij een elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar van het betrokken gebouw daar uitdrukkelijk om verzoekt.

§ 2

De kosten voor het wegnemen van de budgetmeter met oplaadbare kaart komen voor rekening van de aanvrager.

§ 3

Voor het wegnemen van de budgetmeter met oplaadbare kaart maakt de elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar van het betrokken gebouw een afspraak met de elektriciteitsdistributienetbeheerder, waarbij hij kan eisen dat de budgetmeter wordt weggenomen binnen vijftien werkdagen na ontvangst door de elektriciteitsdistributienetbeheerder van de betaling van de kosten. In uitzonderlijke omstandigheden kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, op gemotiveerde wijze, van die termijn afwijken.

Hoofdstuk III.
Meteropname


Afdeling 1.
Meteropname bij grootverbruiksmeetinrichtingen


Art. 3.3.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder verzamelt dagelijks en per elementaire periode de meetgegevens door tele-opname.

Art. 3.3.2.
In afwijking van Art. 3.3.1 neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de afname en, indien van toepassing, de injectie, en indien ondersteund het maximumkwartiervermogen van de maand op toegangspunten met een meetinrichting zonder registratie van het gemeten gebruiksprofiel, maandelijks op alsook:
bij elke wissel van toegangshouder;
bij elke wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker;
bij het in dienst nemen van een toegangspunt en/of de activatie van een allocatiepunt;
bij het buiten dienst stellen van een toegangspunt en/of de activatie van een allocatiepunt;
bij aanpassing of vernieuwing van de aansluiting;
bij aanpassing of vervanging van de meetinrichting;
op verzoek van een toegangshouder;
op verzoek van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.
De meterstanden worden bepaald in de periode van zeven werkdagen voor en vijf werkdagen na het einde van de te meten maand.

Afdeling 2.
Meteropname bij kleinverbruiksmeetinrichtingen


Art. 3.3.3.

§ 1

De gemeten afname en, indien van toepassing, de injectie, gelinkt aan een of twee allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder minstens één keer per kalenderjaar opgenomen in de opnamemaand van het toegangspunt volgens het toegangsregister alsook:
bij elke wissel van toegangshouder;
bij elke wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker;
bij het in dienst nemen van een toegangspunt en/of de activatie van een allocatiepunt;
bij het buiten dienst stellen van een toegangspunt en/of de activatie van een allocatiepunt;
bij aanpassing of vernieuwing van de aansluiting;
bij aanpassing of vervanging van de meetinrichting;
op verzoek van een toegangshouder;
op verzoek van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.
De meetgegevens op basis van deze meterstand worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder overgemaakt aan de toegangshouder.

§ 2

Een meetgegeven wordt op een van volgende manieren bepaald:
op basis van een fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
op basis van een meterstand of meterstanden die de elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgeeft aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder (ofwel telefonisch, via e-mail, via website of met een meterkaartje);
op basis van een meterstand of meterstanden die de elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgeeft aan zijn toegangshouder en die de toegangshouder op zijn beurt doorgeeft aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder (bijvoorbeeld bij een wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker of correctie van een geschatte meterstand);
op basis van een uitlezing op afstand van kwartierwaarden of meterstanden;
als de bovenstaande manieren geen betrouwbare meterstanden opleverden, door schattingen conform Art. 4.3.29.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt per toegangspunt, vermeld in § 1, de maand waarin hij jaarlijks de meterstanden zal bepalen (= opnamemaand). Dat is een eigenschap van het toegangspunt dat bijgehouden wordt in het toegangsregister en waarvan de toegangshouder op het toegangspunt op de hoogte wordt gebracht (onderdeel van de stamgegevens). Voor niet op afstand uitleesbare kleinverbruiksmeetinrichtingen worden de meterstanden bepaald in een periode die loopt van tien werkdagen voor het begin van die maand tot tien werkdagen na het einde van die maand. Voor de op afstand uitleesbare kleinverbruiksmeetinrichtingen worden de meterstanden bepaald op de laatste kalenderdag van de opnamemaand.

§ 4

Bij kleinverbruiksmeetinrichtingen die niet op afstand uitgelezen kunnen worden en waar een fysieke opname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder noodzakelijk wordt geacht om de kwaliteit van de meetgegevens te garanderen, neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder minstens eenmaal in een periode van 24 maanden fysieke meterstanden op, voor zover hij toegang heeft of krijgt tot de meetinrichting. Als hij bij een eerste poging geen toegang krijgt tot de meetinrichting, laat hij een kaartje achter in de brievenbus met de vermelding van het tijdstip waartussen hij nogmaals een bezoek zal brengen. Die datum ligt maximaal tien kalenderdagen later. Het kaartje vermeldt eveneens de mogelijkheid om met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een afspraak te maken voor een bezoek op een andere datum of tussen andere uren als de elektriciteitsdistributienetgebruiker op de voorgestelde datum of tussen de voorgestelde uren verhinderd zou zijn. De elektriciteitsdistributienetgebruiker kan verzoeken om die afspraak buiten de kantooruren te laten plaatsvinden, als de elektriciteitsdistributienetbeheerder al 48 maanden lang geen fysieke meteropname kon uitvoeren. In dat geval kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder daar extra kosten voor aanrekenen. De VREG bepaalt, op voorstel van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, de situaties waarbij een fysieke opname al dan niet noodzakelijk wordt geacht.

§ 5

Op de in § 4 vermelde voorgestelde of afgesproken datum en tussen de voorgestelde of afgesproken uren, bezoekt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meetinrichting opnieuw. Als hij daarbij opnieuw geen toegang krijgt tot de meetinrichting, laat de elektriciteitsdistributienetbeheerder een meteropnamekaartje achter met het verzoek binnen tien kalenderdagen contact op te nemen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de meterstanden door te geven. Het meteropnamekaartje vermeldt dat als niet tijdig gereageerd wordt, de meterstanden geschat zullen worden en dat die niet betwist kunnen worden, tenzij de elektriciteitsdistributienetgebruiker uitdrukkelijk en op zijn kosten om een nieuwe meteropname verzoekt.

§ 6

Als het meer dan 48 maanden geleden is dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder, voor een meetinrichting die niet op afstand uitgelezen kan worden, fysiek een meteropname heeft kunnen uitvoeren, moet de elektriciteitsdistributienetgebruiker toegang tot de meetinrichting verlenen aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De kosten die de elektriciteitsdistributienetbeheerder moet maken om toegang tot de meetinrichting te verkrijgen, worden door de elektriciteitsdistributienetgebruiker gedragen.

§ 7

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op het toegangspunt kan steeds een fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aanvragen. Bij de aanvraag wordt een afspraak gemaakt met de elektriciteitsdistributienetbeheerder over het tijdstip waarop deze meteropname uitgevoerd zal worden. Daarbij kan de aanvrager eisen dat die datum binnen vijftien werkdagen ligt. De kosten voor de meteropname worden gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker tenzij die een beschermde afnemer is volgens het Energiebesluit en het zijn eerste vraag is in het lopende kalenderjaar. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de datum en tussen de uren van de afspraak geen toegang krijgt tot de meetinrichting, vervalt de aanvraag en worden de kosten gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 8

De afname of de injectie, bepaald volgens § 1 en § 2, wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerd overeenkomstig de procedure, beschreven in artikels 4.3.15 t.e.m. 4.3.17.

Art. 3.3.4.

§ 1

Als voor de jaarlijkse meteropname bij een meetinrichting die niet op afstand uitgelezen kan worden geen fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gebeurt, verstuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een meteropnamekaart naar het contactadres van de elektriciteitsdistributienetgebruiker op het toegangspunt. Op die meteropnamekaart wordt de elektriciteitsdistributienetgebruiker verzocht binnen tien werkdagen contact op te nemen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de meterstanden door te geven. De meteropnamekaart vermeldt dat als niet tijdig gereageerd wordt, de meterstanden geschat zullen worden en dat die niet betwist kunnen worden, tenzij de elektriciteitsdistributienetgebruiker uitdrukkelijk en op zijn kosten om een nieuwe meteropname verzoekt.

§ 2

Als de meterstand bij een wissel van toegangshouder op een toegangspunt niet op afstand uitgelezen wordt, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder 10 werkdagen voor de effectieve wisseldatum, een meteropnamekaart naar de door de toegangshouder in zijn aanvraag vermelde elektriciteitsdistributienetgebruiker op het door de toegangshouder in zijn aanvraag vermelde contactadres. Op die meteropnamekaart vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de identificatie van het allocatiepunt en het adres van het toegangspunt waarop de wissel zal plaatsvinden, de contactgegevens van beide betrokken toegangshouders en de procedure voor het doorgeven van de meterstand en de meternummers conform § 1. Tevens wordt verduidelijkt welke stappen kunnen worden ondernomen om een onterechte wissel van toegangshouder ongedaan te maken.

§ 3

Bij uitlezing op afstand registreert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meterstand op het tijdstip 00:00 lokale tijd op de datum van de wissel van toegangshouder.