Hoofdstuk I.
Algemene bepalingen betreffende meetinrichtingen


Afdeling 1.
Doel van meetgegevens


Art. 3.1.1.

§ 1

Elk toegangspunt vormt het voorwerp van een telling om de afname en/of de injectie van de actieve en/of reactieve energie te bepalen ten opzichte van het elektriciteitsdistributienet. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van een meetinrichting.

§ 2

Onder de voorwaarden en volgens de procedure vermeld in Onderafdeling 3. - Forfaitair bepaalde afname van de marktcode, kan met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een forfaitaire vaststelling van de energiehoeveelheden worden afgesproken, zonder gebruik te maken van een meetinrichting.

§ 3

De meetgegevens, resulterend uit de in § 1 vermelde telling, aangevuld met de gegevens vermeld in § 2, dienen voor de verrekeningen tussen de verschillende partijen. Ze dienen eveneens als basis om een goed beheer van het elektriciteitsdistributienet en de gesloten distributienetten mogelijk te maken en voor informatiedoeleinden zoals beschreven in de datacode.

Art. 3.1.2.

§ 1

De verrekeningen, vermeld in Art. 3.1.1, § 3, zijn gebaseerd op gegevens die betrekking hebben op elementaire perioden. Afhankelijk van de aard van de aansluiting worden die gegevens rechtstreeks betrokken uit de meetinrichting of zijn ze het resultaat van de toepassing van een berekening op basis van gebruiksprofielen toegepast op de meetgegevens.

§ 2

De elementaire periode, vermeld in § 1, bedraagt vijftien minuten.

Art. 3.1.3.

§ 1

De meetgegevens voor de actieve energie, evenals de allocatie- en reconciliatiegegevens, worden uitgedrukt in kWh. De meetgegevens voor reactieve energie worden uitgedrukt in kVarh.

§ 2

De meetgegevens voor de actieve energie worden ter beschikking gesteld van de betrokken partijen zoals vastgelegd in Afdeling 5 - Processen gekoppeld aan het ter beschikking stellen van meetgegevens ten behoeve van facturatie in het kader van een energiecontract van de marktcode.

§ 3

Indien van belang voor de facturatieprocessen, worden de meetgegevens voor de reactieve energie maandelijks overgemaakt als maandtotaal per allocatiepunt of alle kwartierwaarden van de maand voor dat allocatiepunt.

§ 4

Op vraag van de netgebruiker, worden de meetgegevens voor de reactieve energie overgemaakt voor alle kwartierwaarden van de maand voor dat allocatiepunt.

Afdeling 2.
Samenstelling, beheer en gebruiksrecht van meetinrichtingen


Art. 3.1.4.

§ 1

Een meetinrichting kan onder meer bestaan uit al dan niet geïntegreerde combinaties van:
stroomtransformatoren;
spanningstransformatoren;
meters;
dataloggers;
communicatie-uitrusting, met inbegrip van ontvangsttoestellen die gebruikt worden voor tariefomschakeling;
kast - klemmen - bedrading - beveiliging.

§ 2

Op de toegangspunten van nieuwe aansluitingen of bestaande aansluitingen waarop een verzwaring wordt uitgevoerd, met een toegangsvermogen voor afname groter dan of gelijk aan 56 kVA, plaatst de distributienetbeheerder een grootverbruiksmeetinrichting voor het meten van de afgenomen en/of geïnjecteerde actieve energie.
Op de toegangspunten van aansluitingen waarvoor het gemiddelde van het afgenomen of geïnjecteerde maximumkwartiervermogen op maandbasis, bepaald over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, minstens 56 kVA bedraagt, plaatst de distributienetbeheerder eveneens een grootverbruiksmeetinrichting.
De grootverbruiksmeetinrichting moet de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art. 4.2.12, ondersteunen.

§ 3

Op de toegangspunten met een toegangsvermogen voor afname kleiner dan 56 kVA en met een toegangsvermogen voor injectie kleiner dan of gelijk aan 10 kVA plaatst de distributienetbeheerder een kleinverbruiksmeetinrichting voor het meten van de afgenomen en/of geïnjecteerde actieve energie. De kleinverbruiksmeetinrichting moet de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art 4.2.13, ondersteunen.

§ 4

Op de toegangspunten van nieuwe aansluitingen of bestaande aansluitingen waarop een verzwaring wordt uitgevoerd, met een toegangsvermogen voor afname kleiner dan 56 kVA en met een toegangsvermogen voor injectie groter dan 10 kVA, plaatst de distributienetbeheerder een meetinrichting die de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art. 4.2.12 ondersteund.

§ 5

De netbeheerder zal, op vraag en voor rekening van de netgebruiker en mits technisch mogelijk de meetinrichting aanpassen om een afwijking van de standaard allocatiepuntconfiguratie mogelijk te maken.

§ 6

De netbeheerder zal, op vraag en voor rekening van de netgebruiker en mits technisch mogelijk, de meetinrichting aanpassen om het aanbod van diensten door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan de partijen geregistreerd op allocatiepunten en datadienstenpunten, te verruimen.

Art. 3.1.5.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetgebruikerzelf eigenaar is van meetuitrustingen, die deel uitmaken van de meetinrichting, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder een gebruiksrecht op deze uitrustingen, en worden de modaliteiten van aanpassing, uitbreiding, onderhoud en uitbating, vastgelegd in een overeenkomst met de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 2

Meetuitrustingen die geen deel uit maken van de meetinrichting mogen door de netgebruiker of een door hem aangestelde partij geplaatst worden in zoverre ze geen aantoonbare negatieve invloed hebben op de werking van meetinrichting. De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt onder welke voorwaarden en binnen welke grenzen al dan niet een invloed op de meetinrichting toegestaan kan worden. De elektriciteitsdistributienetbeheerders kunnen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften bepalen en maken die bekend via hun websites.

Art. 3.1.6.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetgebruiker en de elektriciteitsdistributienetbeheerder hebben het recht in hun installaties op eigen kosten alle uitrustingen te plaatsen die zij nuttig achten om de nauwkeurigheid na te gaan van de meetinrichting, vermeld in Art. 3.1.4. Een dergelijke meetuitrusting, die eventueel toebehoort aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker, moet voldoen aan de voorschriften van dit reglement.

§ 2

Een meetuitrusting van een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan dienst doen als controlemeting voor metingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder na diens aanvaarding.

Art. 3.1.7.

§ 1

Als de distributienetgebruiker extra onderdelen op de meetinrichting, of op een ander element van de aansluiting, wenst aan te brengen, moet dit in overeenstemming zijn met de technische voorschriften van de distributienetbeheerders.

§ 2

Alle kosten met betrekking tot de integratie van die extra onderdelen worden gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 3.1.8.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht aan de meetinrichting alle extra apparatuur toe te voegen die hij nuttig acht voor de uitvoering van zijn taak, onder meer met het oog op het meten van kwaliteitsindicatoren van de spanning en/of de stroom, en de faseverschuiving tussen spanning en stroom.

Art. 3.1.9.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt het mogelijk voor de elektriciteitsdistributienetgebruiker om te allen tijde de in de meetinrichting lokaal beschikbare meetgegevens ter hoogte van de meetinrichting af te lezen.

§ 2

Bij de plaatsing van een nieuwe, op afstand uitleesbare meetinrichting, moeten meetgegevens afkomstig uit de meetinrichting op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker kosteloos beschikbaar gemaakt worden ter hoogte van de meetinrichting, voor toepassingen van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of een door de elektriciteitsdistributienetgebruiker aangewezen aanbieder van energiediensten of dienstverlener van flexibiliteit.

§ 3

Als de toegang tot de installatie onderworpen is aan voorwaarden, opgelegd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, worden die voorwaarden in het aansluitingscontract vastgelegd.

Art. 3.1.10.
Bij het vervangen of wegnemen van een meter moeten de genoteerde meterstanden zowel door de afnemer (of een vertegenwoordiger van de afnemer) als door de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse genoteerd, gedagtekend en ondertekend worden.
Als de afnemer in de mogelijkheid gesteld was om de genoteerde meterstanden te ondertekenen, maar hiervan geen gebruik maakte, heeft hij later niet meer de mogelijkheid deze meterstanden te betwisten. Dit is het geval als de afnemer verwittigd was van het moment waarop de meter wordt vervangen of weggenomen, en de afnemer niet aanwezig noch vertegenwoordigd is, alsook in het geval de afnemer aanwezig of vertegenwoordigd is, maar weigert de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder genoteerde meterstanden te ondertekenen.
Als de afnemer niet verwittigd was van het moment waarop de meter wordt vervangen of weggenomen en hij niet aanwezig noch vertegenwoordigd is op dat moment, noteert de netbeheerder de meterstanden en neemt bovendien een duidelijke foto van de meterstanden en de meter. In dat geval gelden deze meterstanden tot bewijs van het tegendeel door de netgebruiker.

Art. 3.1.11.
Een elektriciteitsdistributienetgebruiker die beschikt over een meter met rollentelwerk, waarop een meervoudig tariefmeting wordt geregistreerd, kan enkel overschakelen op een enkelvoudige tariefmeting mits vervanging van deze meter op eigen kosten, tenzij de DNB de mogelijkheid aanbiedt om de bestaande meter te gebruiken voor enkelvoudige tariefmeting.

Afdeling 3.
Locatie van de meetinrichting en toegang ertoe


Art. 3.1.12.
De meetinrichting wordt geplaatst ter hoogte van het toegangspunt of koppelpunt. Dit neemt niet weg dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker kunnen overeenkomen om de meetuitrusting die deel uitmaakt van de meetinrichting ergens anders te plaatsen.

Art. 3.1.13.
In afwijking van Art. 3.1.12 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, om economische redenen en voor zover dat technisch haalbaar is, beslissen om de meetinrichting met betrekking tot een aansluiting vanuit het middenspanningsnet en met een aansluitingsvermogen kleiner dan of gelijk aan 250 kVA, te plaatsen aan de laagspanningszijde van de vermogentransformator.

Art. 3.1.14.
In afwijking van Art. 3.1.12 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder beslissen om de meetinrichting ergens anders te plaatsen na motivering van de beslissing ten overstaan van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 3.1.15.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt op de meetinrichting van elke aansluiting die nieuw geplaatst wordt op een permanente wijze en duidelijk leesbaar de EAN-code aan van het toegangspunt.

Art. 3.1.16.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht op toegang tot de meetinrichting, met inbegrip van de uitrusting van de eventuele controlemeting, om een conformiteitscontrole uit te voeren met betrekking tot de bepalingen van dit reglement.

Afdeling 4.
Vereisten voor nauwkeurigheid en plaatsing van meetuitrustingen


Art. 3.1.17.

§ 1

De meetinrichtingen en daartoe behorende meetuitrustingen voldoen minimaal aan de vereisten opgenomen in BIJLAGE III - Vereisten voor meetuitrustingen, voor zover geen andere regelgeving terzake geldt.

§ 2

De meetuitrusting waarvan de meetresultaten worden gebruikt voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroom- en/of warmtekrachtcertificaten en garanties van oorsprong (in uitvoering van het Energiebesluit) of ten behoeve van het vermarkten van flexibiliteit moet voldoen aan de vereisten vermeld in BIJLAGE III - Vereisten voor meetuitrustingen.

§ 3

Voor grootverbruiksmeetinrichtingen bepaalt de distributienetbeheerder de modaliteiten met betrekking tot het periodiek nazicht van de nauwkeurige werking van deze meetinrichtingen. Dit wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de VREG en gepubliceerd op de website van de distributienetbeheerder.

Afdeling 5.
Sturing tariefperiodes


Art. 3.1.18.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder beheert en bedient de apparatuur die nodig is voor de sturing van meetinrichtingen en voedingscircuits en/of het configureren van de nodige instellingen in meetinrichtingen met het oog op het toepassen van verschillende tariefperiodes.

Art. 3.1.19.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert de informatie over de toegepaste sturing met inbegrip van de uurregeling voor de tariefperiodes in zijn distributiegebied.

Art. 3.1.20.

§ 1

Aanpassingen van de sturing van meetinrichtingen, vermeld in Art. 3.1.18 op initiatief van de elektriciteitsdistributienetbeheerder kunnen pas worden uitgevoerd na overleg met de betrokken toega ngshouders.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetgebruikers of de toegangshouders op het elektriciteitsdistributienet kunnen verzoeken om de aanpassing van de sturing of van de periodes bij de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, die de technisch-economische haalbaarheid ervan beoordeelt op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria.

Afdeling 6.
Storingen en fouten


Art. 3.1.21.
Als bij een dubbele meting de hoofdmeting uitvalt, vervangt de controlemeting de hoofdmeting voor wat betreft de in de controlemeting beschikbare gegevens.

Art. 3.1.22.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder zorgt ervoor dat een storing bij de meting (exclusief dataoverdracht) in een meetuitrusting die hij beheert en deel uitmaakt van een meetin richting, verholpen wordt binnen een termijn van:
drie werkdagen, bij een meetin richting die betrekking heeft op een toegangspunt met een aansluitingsvermogen groter dan of gelijk aan 56 kVA;
zeven werkdagen, voor de overige meetinrichtingen.
Die termijn vangt aan op het ogenblik dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de hoogte is van de storing.

§ 2

In de mate van het mogelijke worden dezelfde termijnen gehanteerd in geval van een storing bij de dataoverdracht.

Art. 3.1.23.
Als door overmacht de storing niet binnen de termijn, vermeld in Art. 3.1.22 kan worden verholpen, neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder alle noodzakelijke maatregelen om het verlies van meetgegevens te beperken. Hij deelt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker en de betrokken partijen de vermoedelijke duur van de storing mee.

Art. 3.1.24.
Een fout bij de meting wordt als significant beschouwd als ze groter is dan toegestaan krachtens de toepasbare nauwkeurigheidsvereisten conform Afdeling 4. – Vereisten voor nauwkeurigheid en plaatsing van meetuitrustingen van de Meetcode.

Art. 3.1.25.
Een elektriciteitsdistributienetgebruiker of toegangshouder die in de meetgegevens een significante fout vermoedt, brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder daar onverwijld van op de hoogte en kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder schriftelijk een controle van de meetin richting aanvragen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder plant dan, na voorafgaandelijke analyse in de systemen en bij uitsluiting van een systeemfout, zo snel mogelijk de uitvoering van een testprogramma.

Art. 3.1.26.
Als de controle, vermeld in Art. 3.1.25, uitwijst dat een significante fout veroorzaakt wordt door een fout, een defect of een onnauwkeurigheid in de meetinrichting of een onderdeel ervan, waarvoor de elektriciteitsdistributienetbeheerder verantwoordelijk is, zorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder ervoor dat de fout wordt verholpen of de meter wordt vervangen binnen tien werkdagen, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, gemotiveerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 3.1.27.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder draagt de kosten verbonden aan de acties, vermeld in Art. 3.1.25 en in Art. 3.1.26, als een significante fout kon worden vastgesteld. In het andere geval worden ze gedragen door de aanvrager.

Afdeling 7.
Administratief beheer van technische gegevens


Art. 3.1.28.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor het bijhouden en archiveren van de administratieve gegevens die vereist zijn voor een goed beheer van de meetinrichtingen en de toepasselijke wettelijke controles (onder meer fabrikant, type, fabrieksnummer, bouwjaar, contrale- en ijktijdstippen).

Art. 3.1.29.
Wijzigingen aan de meetinrichtingen, voor zover ze betrekking hebben op de metingen met het oog op facturatie in het kader van het energiecontract, worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen tien werkdagen meegedeeld aan de toegangshouder op het toegangspunt.