Afdeling 2.
Samenstelling, beheer en gebruiksrecht van meetinrichtingen


Art. 3.1.4.

§ 1

Een meetinrichting kan onder meer bestaan uit al dan niet geïntegreerde combinaties van:
stroomtransformatoren;
spanningstransformatoren;
meters;
dataloggers;
communicatie-uitrusting, met inbegrip van ontvangsttoestellen die gebruikt worden voor tariefomschakeling;
kast - klemmen - bedrading - beveiliging.

§ 2

Op de toegangspunten van nieuwe aansluitingen of bestaande aansluitingen waarop een verzwaring wordt uitgevoerd, met een toegangsvermogen voor afname groter dan of gelijk aan 56 kVA, plaatst de distributienetbeheerder een grootverbruiksmeetinrichting voor het meten van de afgenomen en/of geïnjecteerde actieve energie.
Op de toegangspunten van aansluitingen waarvoor het gemiddelde van het afgenomen of geïnjecteerde maximumkwartiervermogen op maandbasis, bepaald over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, minstens 56 kVA bedraagt, plaatst de distributienetbeheerder eveneens een grootverbruiksmeetinrichting.
De grootverbruiksmeetinrichting moet de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art. 4.2.12, ondersteunen.

§ 3

Op de toegangspunten met een toegangsvermogen voor afname kleiner dan 56 kVA en met een toegangsvermogen voor injectie kleiner dan of gelijk aan 10 kVA plaatst de distributienetbeheerder een kleinverbruiksmeetinrichting voor het meten van de afgenomen en/of geïnjecteerde actieve energie. De kleinverbruiksmeetinrichting moet de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art 4.2.13, ondersteunen.

§ 4

Op de toegangspunten van nieuwe aansluitingen of bestaande aansluitingen waarop een verzwaring wordt uitgevoerd, met een toegangsvermogen voor afname kleiner dan 56 kVA en met een toegangsvermogen voor injectie groter dan 10 kVA, plaatst de distributienetbeheerder een meetinrichting die de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art. 4.2.12 ondersteund.

§ 5

De netbeheerder zal, op vraag en voor rekening van de netgebruiker en mits technisch mogelijk de meetinrichting aanpassen om een afwijking van de standaard allocatiepuntconfiguratie mogelijk te maken.

§ 6

De netbeheerder zal, op vraag en voor rekening van de netgebruiker en mits technisch mogelijk, de meetinrichting aanpassen om het aanbod van diensten door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan de partijen geregistreerd op allocatiepunten en datadienstenpunten, te verruimen.

Art. 3.1.5.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetgebruikerzelf eigenaar is van meetuitrustingen, die deel uitmaken van de meetinrichting, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder een gebruiksrecht op deze uitrustingen, en worden de modaliteiten van aanpassing, uitbreiding, onderhoud en uitbating, vastgelegd in een overeenkomst met de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 2

Meetuitrustingen die geen deel uit maken van de meetinrichting mogen door de netgebruiker of een door hem aangestelde partij geplaatst worden in zoverre ze geen aantoonbare negatieve invloed hebben op de werking van meetinrichting. De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt onder welke voorwaarden en binnen welke grenzen al dan niet een invloed op de meetinrichting toegestaan kan worden. De elektriciteitsdistributienetbeheerders kunnen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften bepalen en maken die bekend via hun websites.

Art. 3.1.6.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetgebruiker en de elektriciteitsdistributienetbeheerder hebben het recht in hun installaties op eigen kosten alle uitrustingen te plaatsen die zij nuttig achten om de nauwkeurigheid na te gaan van de meetinrichting, vermeld in Art. 3.1.4. Een dergelijke meetuitrusting, die eventueel toebehoort aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker, moet voldoen aan de voorschriften van dit reglement.

§ 2

Een meetuitrusting van een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan dienst doen als controlemeting voor metingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder na diens aanvaarding.

Art. 3.1.7.

§ 1

Als de distributienetgebruiker extra onderdelen op de meetinrichting, of op een ander element van de aansluiting, wenst aan te brengen, moet dit in overeenstemming zijn met de technische voorschriften van de distributienetbeheerders.

§ 2

Alle kosten met betrekking tot de integratie van die extra onderdelen worden gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 3.1.8.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht aan de meetinrichting alle extra apparatuur toe te voegen die hij nuttig acht voor de uitvoering van zijn taak, onder meer met het oog op het meten van kwaliteitsindicatoren van de spanning en/of de stroom, en de faseverschuiving tussen spanning en stroom.

Art. 3.1.9.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt het mogelijk voor de elektriciteitsdistributienetgebruiker om te allen tijde de in de meetinrichting lokaal beschikbare meetgegevens ter hoogte van de meetinrichting af te lezen.

§ 2

Bij de plaatsing van een nieuwe, op afstand uitleesbare meetinrichting, moeten meetgegevens afkomstig uit de meetinrichting op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker kosteloos beschikbaar gemaakt worden ter hoogte van de meetinrichting, voor toepassingen van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of een door de elektriciteitsdistributienetgebruiker aangewezen aanbieder van energiediensten of dienstverlener van flexibiliteit.

§ 3

Als de toegang tot de installatie onderworpen is aan voorwaarden, opgelegd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, worden die voorwaarden in het aansluitingscontract vastgelegd.

Art. 3.1.10.
Bij het vervangen of wegnemen van een meter moeten de genoteerde meterstanden zowel door de afnemer (of een vertegenwoordiger van de afnemer) als door de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse genoteerd, gedagtekend en ondertekend worden.
Als de afnemer in de mogelijkheid gesteld was om de genoteerde meterstanden te ondertekenen, maar hiervan geen gebruik maakte, heeft hij later niet meer de mogelijkheid deze meterstanden te betwisten. Dit is het geval als de afnemer verwittigd was van het moment waarop de meter wordt vervangen of weggenomen, en de afnemer niet aanwezig noch vertegenwoordigd is, alsook in het geval de afnemer aanwezig of vertegenwoordigd is, maar weigert de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder genoteerde meterstanden te ondertekenen.
Als de afnemer niet verwittigd was van het moment waarop de meter wordt vervangen of weggenomen en hij niet aanwezig noch vertegenwoordigd is op dat moment, noteert de netbeheerder de meterstanden en neemt bovendien een duidelijke foto van de meterstanden en de meter. In dat geval gelden deze meterstanden tot bewijs van het tegendeel door de netgebruiker.

Art. 3.1.11.
Een elektriciteitsdistributienetgebruiker die beschikt over een meter met rollentelwerk, waarop een meervoudig tariefmeting wordt geregistreerd, kan enkel overschakelen op een enkelvoudige tariefmeting mits vervanging van deze meter op eigen kosten, tenzij de DNB de mogelijkheid aanbiedt om de bestaande meter te gebruiken voor enkelvoudige tariefmeting.