Art. 3.1.10.
Bij het vervangen of wegnemen van een meter moeten de genoteerde meterstanden zowel door de afnemer (of een vertegenwoordiger van de afnemer) als door de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse genoteerd, gedagtekend en ondertekend worden.
Als de afnemer in de mogelijkheid gesteld was om de genoteerde meterstanden te ondertekenen, maar hiervan geen gebruik maakte, heeft hij later niet meer de mogelijkheid deze meterstanden te betwisten. Dit is het geval als de afnemer verwittigd was van het moment waarop de meter wordt vervangen of weggenomen, en de afnemer niet aanwezig noch vertegenwoordigd is, alsook in het geval de afnemer aanwezig of vertegenwoordigd is, maar weigert de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder genoteerde meterstanden te ondertekenen.
Als de afnemer niet verwittigd was van het moment waarop de meter wordt vervangen of weggenomen en hij niet aanwezig noch vertegenwoordigd is op dat moment, noteert de netbeheerder de meterstanden en neemt bovendien een duidelijke foto van de meterstanden en de meter. In dat geval gelden deze meterstanden tot bewijs van het tegendeel door de netgebruiker.