Afdeling 3.
Locatie van de meetinrichting en toegang ertoe


Art. 3.1.12.
De meetinrichting wordt geplaatst ter hoogte van het toegangspunt of koppelpunt. Dit neemt niet weg dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker kunnen overeenkomen om de meetuitrusting die deel uitmaakt van de meetinrichting ergens anders te plaatsen.

Art. 3.1.13.
In afwijking van Art. 3.1.12 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, om economische redenen en voor zover dat technisch haalbaar is, beslissen om de meetinrichting met betrekking tot een aansluiting vanuit het middenspanningsnet en met een aansluitingsvermogen kleiner dan of gelijk aan 250 kVA, te plaatsen aan de laagspanningszijde van de vermogentransformator.

Art. 3.1.14.
In afwijking van Art. 3.1.12 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder beslissen om de meetinrichting ergens anders te plaatsen na motivering van de beslissing ten overstaan van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 3.1.15.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt op de meetinrichting van elke aansluiting die nieuw geplaatst wordt op een permanente wijze en duidelijk leesbaar de EAN-code aan van het toegangspunt.

Art. 3.1.16.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht op toegang tot de meetinrichting, met inbegrip van de uitrusting van de eventuele controlemeting, om een conformiteitscontrole uit te voeren met betrekking tot de bepalingen van dit reglement.