Afdeling 6.
Storingen en fouten


Art. 3.1.21.
Als bij een dubbele meting de hoofdmeting uitvalt, vervangt de controlemeting de hoofdmeting voor wat betreft de in de controlemeting beschikbare gegevens.

Art. 3.1.22.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder zorgt ervoor dat een storing bij de meting (exclusief dataoverdracht) in een meetuitrusting die hij beheert en deel uitmaakt van een meetin richting, verholpen wordt binnen een termijn van:
drie werkdagen, bij een meetin richting die betrekking heeft op een toegangspunt met een aansluitingsvermogen groter dan of gelijk aan 56 kVA;
zeven werkdagen, voor de overige meetinrichtingen.
Die termijn vangt aan op het ogenblik dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de hoogte is van de storing.

§ 2

In de mate van het mogelijke worden dezelfde termijnen gehanteerd in geval van een storing bij de dataoverdracht.

Art. 3.1.23.
Als door overmacht de storing niet binnen de termijn, vermeld in Art. 3.1.22 kan worden verholpen, neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder alle noodzakelijke maatregelen om het verlies van meetgegevens te beperken. Hij deelt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker en de betrokken partijen de vermoedelijke duur van de storing mee.

Art. 3.1.24.
Een fout bij de meting wordt als significant beschouwd als ze groter is dan toegestaan krachtens de toepasbare nauwkeurigheidsvereisten conform Afdeling 4. – Vereisten voor nauwkeurigheid en plaatsing van meetuitrustingen van de Meetcode.

Art. 3.1.25.
Een elektriciteitsdistributienetgebruiker of toegangshouder die in de meetgegevens een significante fout vermoedt, brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder daar onverwijld van op de hoogte en kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder schriftelijk een controle van de meetin richting aanvragen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder plant dan, na voorafgaandelijke analyse in de systemen en bij uitsluiting van een systeemfout, zo snel mogelijk de uitvoering van een testprogramma.

Art. 3.1.26.
Als de controle, vermeld in Art. 3.1.25, uitwijst dat een significante fout veroorzaakt wordt door een fout, een defect of een onnauwkeurigheid in de meetinrichting of een onderdeel ervan, waarvoor de elektriciteitsdistributienetbeheerder verantwoordelijk is, zorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder ervoor dat de fout wordt verholpen of de meter wordt vervangen binnen tien werkdagen, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, gemotiveerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 3.1.27.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder draagt de kosten verbonden aan de acties, vermeld in Art. 3.1.25 en in Art. 3.1.26, als een significante fout kon worden vastgesteld. In het andere geval worden ze gedragen door de aanvrager.