Art. 3.1.22.

1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder zorgt ervoor dat een storing bij de meting (exclusief dataoverdracht) in een meetuitrusting die hij beheert en deel uitmaakt van een meetin richting, verholpen wordt binnen een termijn van:
drie werkdagen, bij een meetin richting die betrekking heeft op een toegangspunt met een aansluitingsvermogen groter dan of gelijk aan 56 kVA;
zeven werkdagen, voor de overige meetinrichtingen.
Die termijn vangt aan op het ogenblik dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de hoogte is van de storing.

2

In de mate van het mogelijke worden dezelfde termijnen gehanteerd in geval van een storing bij de dataoverdracht.