Afdeling 1.
Bijzondere bepalingen betreffende grootverbruiksmeetinrichtingen


Art. 3.2.1.
Het gebruiksprofiel wordt geregistreerd op basis van meetperioden die overeenstemmen met de elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2 § 2.

Art. 3.2.2.

§ 1

In overeenstemming met de bepalingen van het aansluitingscontract en/of de noden van de elektriciteitsdistributienetbeheerder registreert een meetinrichting per meetperiode de volgende data:
de aanduiding van de meetperiode;
de afgenomen en/of geïnjecteerde actieve energie;
desgevallend de afgenomen en/of geïnjecteerde reactieve energie.

§ 2

De meetinrichting heeft de mogelijkheid om alle kwartiervermogens van de voorbije twaalf maanden te registeren.

Art. 3.2.3.

§ 1

Om desgevallend de tele-opname van de meetin richting mogelijk te maken, zorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, op basis van technisch-economische criteria, voor de realisatie van de meest aangewezen telecommunicatieverbinding.

§ 2

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen eigenaar is van de meetuitrustingen, is de elektriciteitsdistributienetgebruiker verantwoordelijk voor de overdracht van de meetgegevens naar de elektriciteitsdistributienetbeheerder volgens de procedure die de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt.

§ 3

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen eigenaar is van de meetuitrustingen en de inzameling overeenkomstig § 2 onmogelijk is ten gevolge van een storing of een defect ervan, inclusief de overdracht naar de elektriciteitsdistributienetbeheerder, often gevolge van iedere andere oorzaak, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder te allen tijde het recht om op kosten van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de meetgegevens of ieder ander gegeven ter plaatse op de meetuitrustingen in kwestie te verzamelen, met naleving van de voorschriften die betrekking hebben op de toegang tot die uitrustingen.

Art. 3.2.4.

§ 1

Een meetperiode is gerelateerd aan het tijdstip 00:00:00 volgens de lokale tijd.

§ 2

De afwijking van de begin- en eindtijden van de meetperiode ten overstaan van de gehanteerde referentietijd mag niet groter zijn dan tien seconden.

Art. 3.2.5.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verstrekt de elektriciteitsdistributienetgebruiker het recht om te allen tijde de in de meetin richting lokaal beschikbare meetgegevens die betrekking hebben op het toegangspunt, te consulteren. In de uitzonderlijke gevallen waarbij de meetuitrustingzich bevindt op een plaats die niet rechtstreeks voor de elektriciteitsdistributienetgebruiker toegankelijk is, wendt de elektriciteitsdistributienetgebruiker zich tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die hem binnen een redelijke termijn toegang zal verschaffen overeenkomstig de bepalingen, vermeld in Art. 2.2.70.

§ 2

De meetgegevens, vermeld in § 1, omvatten minstens de meetgegevens die dienen voor de bepaling van de elektriciteitsafname of -injectie over een bepaalde maand.

§ 3

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op een toegangspunt verschaft de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen de tien werkdagen de nodige inlichtingen voor de interpretatie van de meetgegevens.

§ 4

De afleesmethode en de omrekeningsfactoren die toegepast moeten worden voor het bepalen van de elektriciteitsafname of -injectie, vermeld in § 2, worden bij nieuw geïnstalleerde meetin richtingen op een duidelijke manier aangebracht op of vlak naast de meter.