Afdeling 3.
Meetuitrusting voor decentrale productie en valorisatie van flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt


Art. 3.2.7. Meetuitrustingen bij decentrale productie-installaties

§ 1

Als de meting op het toegangspunt of het allocatiepunt niet toelaat om de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit van een decentrale productie-installatie eenduidig te bepalen, kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker beroep doen op de diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder voor het plaatsen van bijkomende meetuitrusting, het uitlezen ervan en het beheer van de meetgegevens.

§ 2

Bij aansluitingen met decentrale productie waarvan de som van het totaal opgestelde productievermogen kleiner dan of gelijk is aan 10 kVA bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de voorwaarden waaraan de meetuitrusting van de decentrale productie-eenheid moet voldoen in geval de meetgegevens gebruikt worden ten behoeve van de facturatie van productie in het kader van een energiecontract en de berekening van groenestroomcertificaten en warmtekrachtcertificaten.

§ 3

Bij aansluitingen met decentrale productie waarvan de som van het totaal opgestelde productievermogen groter is dan 10 kVA plaatst de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen vijftien werkdagen, na een positief onderzoek van de conformiteit met de aansluitingsvoorschriften van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, de meetinrichting met uitlezing van de productie op afstand. De meetinrichting moet de standaard allocatiepuntconfiguratie, zoals bepaald in Art. 4.2.12, ondersteunen.
De afname- en injectiemeting wordt, indien ze niet geschikt is om op afstand uitgelezen te worden, aangepast. Het onderzoek moet plaatsvinden binnen de vijftien werkdagen na het uitvoeren van de eventuele aanpassing aan de aansluitingsinstallaties door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en/of de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 4

Voor productie-installaties met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 10 kVA in dienst genomen vanaf 1 september 2010 moet de meetuitrusting voor een decentrale productie-eenheid, in voorkomend geval, op een zichtbare plaats in de buurt van de meter op het toegangspunt geplaatst worden.

§ 5

Ongeacht het gaat om een klein- of grootverbruiksmeetinrichting kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meterstand opnemen bij de indienstname van de decentrale productie-installatie.

Art. 3.2.8. Meetuitrustingen voor valorisatie van flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt

§ 1

Als de meting op het toegangspunt of allocatiepunt niet toelaat om het geactiveerde volume flexibiliteit eenduidig te bepalen voor valorisatie van de flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt, kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker beroep doen op de diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder voor het plaatsen van bijkomende meetuitrusting, het uitlezen ervan en het beheer van de meetgegevens.

§ 2

De meetuitrusting voor valorisatie van flexibiliteit die een energieoverdracht met zich meebrengt kan door een derde partij geleverd, geplaatst en onderhouden worden volgens technische voorschriften opgesteld door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en goedgekeurd door de VREG. Deze voorschriften omvatten ook technische oplossingen ter ondersteuning van het uitlezen van deze meetuitrusting door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.