Afdeling 1.
Meteropname bij grootverbruiksmeetinrichtingen


Art. 3.3.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder verzamelt dagelijks en per elementaire periode de meetgegevens door tele-opname.

Art. 3.3.2.
In afwijking van Art. 3.3.1 neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de afname en, indien van toepassing, de injectie, en indien ondersteund het maximumkwartiervermogen van de maand op toegangspunten met een meetinrichting zonder registratie van het gemeten gebruiksprofiel, maandelijks op alsook:
bij elke wissel van toegangshouder;
bij elke wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker;
bij het in dienst nemen van een toegangspunt en/of de activatie van een allocatiepunt;
bij het buiten dienst stellen van een toegangspunt en/of de activatie van een allocatiepunt;
bij aanpassing of vernieuwing van de aansluiting;
bij aanpassing of vervanging van de meetinrichting;
op verzoek van een toegangshouder;
op verzoek van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.
De meterstanden worden bepaald in de periode van zeven werkdagen voor en vijf werkdagen na het einde van de te meten maand.