Art. 3.3.4.

1

Als voor de jaarlijkse meteropname bij een meetinrichting die niet op afstand uitgelezen kan worden geen fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gebeurt, verstuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een meteropnamekaart naar het contactadres van de elektriciteitsdistributienetgebruiker op het toegangspunt. Op die meteropnamekaart wordt de elektriciteitsdistributienetgebruiker verzocht binnen tien werkdagen contact op te nemen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de meterstanden door te geven. De meteropnamekaart vermeldt dat als niet tijdig gereageerd wordt, de meterstanden geschat zullen worden en dat die niet betwist kunnen worden, tenzij de elektriciteitsdistributienetgebruiker uitdrukkelijk en op zijn kosten om een nieuwe meteropname verzoekt.

2

Als de meterstand bij een wissel van toegangshouder op een toegangspunt niet op afstand uitgelezen wordt, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder 10 werkdagen voor de effectieve wisseldatum, een meteropnamekaart naar de door de toegangshouder in zijn aanvraag vermelde elektriciteitsdistributienetgebruiker op het door de toegangshouder in zijn aanvraag vermelde contactadres. Op die meteropnamekaart vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de identificatie van het allocatiepunt en het adres van het toegangspunt waarop de wissel zal plaatsvinden, de contactgegevens van beide betrokken toegangshouders en de procedure voor het doorgeven van de meterstand en de meternummers conform 1. Tevens wordt verduidelijkt welke stappen kunnen worden ondernomen om een onterechte wissel van toegangshouder ongedaan te maken.

3

Bij uitlezing op afstand registreert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meterstand op het tijdstip 00:00 lokale tijd op de datum van de wissel van toegangshouder.