Hoofdstuk III.
Marktfacilitatie


Afdeling 1.
Proces ter consultatie van gegevens door de toegangshouder op een toegangspunt en allocatiepunt


Art. 4.3.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt een doorlopend beschikbare elektronische opzoeking door leveranciers van de EAN- codes van de toegangspunten op zijn net op basis van adresgegevens (straatnaam, huisnummer, busnummer, postnummer en gemeente) en meternummer(s) én vice versa, mogelijk. De inhoud, het formaat waarin en de drager waarop die opzoeking kan gebeuren, wordt in onderling overleg tussen leveranciers en elektriciteitsdistributienetbeheerders bepaald en beschreven in de handleiding voor informatie-uitwisseling. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk opgestelde beschrijving legt de VREG de inhoud, het formaat waarin en de drager waarop die opzoeking kan gebeuren op.

Afdeling 2.
Processen die een wijziging op het allocatiepunt teweegbrengen


Art. 4.3.2. Aanwijzing toegangshouder en evenwichtsverantwoordelijke

§ 1

Per allocatiepunt wijst de elektriciteitsdistributienetgebruiker een toegangshouder aan.

§ 2

Op een toegangspunt waarop het gebruik van het net afname en injectie betreft kan, in geval van een verschillende toegangshouder voor afname en injectie, de toegangshouder op het allocatiepunt voor injectie slechts aangewezen worden nadat de toegangshouder op het allocatiepunt voor afname werd geregistreerd.

§ 3

Per allocatiepunt wijst de toegangshouder de evenwichtsverantwoordelijke aan.

Art. 4.3.3. Activatie en de-activatie van een allocatiepunt

§ 1

De activatie van een allocatiepunt voor afname valt samen met de indienstname van het hieraan gekoppelde toegangspunt, zoals bepaald in Art. 2.3.1.

§ 2

Behoudens in de gevallen waar het gebruik van het net op het toegangspunt zich beperkt tot injectie, kan de activatie van een apart allocatiepunt voor injectie slechts plaatsvinden nadat het allocatiepunt voor afname werd geactiveerd.

§ 3

De de-activatie van een allocatiepunt voor afname valt samen met de buitendienststelling van het hieraan gekoppelde toegangspunt, zoals bepaald in Art. 2.3.2, en leidt bijgevolg tot de de-activatie van een eventueel apart allocatiepunt voor injectie.

Art. 4.3.4. Wissel van toegangshouder

§ 1

Elke wijziging van toegangshouder op een allocatiepunt, die niet gepaard gaat met een wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker, moet vooraf aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder aangevraagd worden door de nieuwe toegangshouder, met aanwijzing van de datum van verandering. De elektriciteitsdistributienetbeheerder verwerkt dit bericht conform de termijn zoals bepaald in art. 4.4.1 van het Energiedecreet. De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet een systeem om het respecteren van deze termijn te controleren en voorziet, voor zover afwijkingen mogelijk zijn, een rapportering via de monitoring bepaald in Art. 1.3.3, § 6.

§ 2

Op een allocatiepunt verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting gebeurt de meteropname naar aanleiding van een wissel van toegangshouder zoals bepaald in Art. 3.3.3 § 2.

§ 3

De wisselmeterstanden worden bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder via één van onderstaande methodes, waarbij de volgorde van onderstaande methodes wordt gerespecteerd en waarbij gegevens opgenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder voorrang hebben in geval van betwisting:
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting:
indien beschikbaar, op basis van de meterstand(en) verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum of, indien de elektriciteitsdistributienetbeheerder overgaat tot een meteropname op eigen initiatief of op vraag van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, door opname van de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse;
op basis van de door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgegeven en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstand(en);
bij gebrek aan bovenstaande meterstanden of als uit de validatie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder blijkt dat deze meterstanden onbruikbaar zijn en er uiterlijk op de tiende werkdag na de effectieve datum van de wissel van toegangshouder geen gevalideerde meterstanden beschikbaar zijn, door schatting volgens de methodieken beschreven in Art. 4.3.29.
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting of een toegangspunt van een aansluiting met een totale decentrale productie groter dan 10 kVA:
op basis van de meterstanden of volumes verkregen doortele-opname op de wisseldatum;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder opgenomen meterstanden of volumes;
op basis van de door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgegeven en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstanden of volumes;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder berekende of geschatte meterstanden of volumes.

Art. 4.3.5. Wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker en gecombineerde wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker en toegangshouder

§ 1

Elke wissel van een elektriciteitsdistributienetgebruiker op een allocatiepunt wordt door de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker gemeld aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder zodra hij daarvan op de hoogte wordt gebracht door de elektriciteitsdistributienetgebruiker. De elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting geeft hiertoe de datum van de wissel en de meterstand(en) op die datum door aan zijn toegangshouder. Zowel de wisseldatum als de wisselmeterstand(en) zijn bij voorkeur op tegenstelbare wijze tussen partijen vastgelegd. Dit kan gebeuren via het energieovernamedocument dat zowel ondertekend is door de uithuizende als de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar in afwezigheid van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 2

De wisselmeterstanden worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald via één van onderstaande methodes, waarbij de volgorde van onderstaande methodes wordt gerespecteerd en waarbij gegevens opgenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder voorrang hebben in geval van betwisting:
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting:
op basis van de meterstand(en) verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum of, indien de elektriciteitsdistributienetbeheerder overgaat tot een meteropname op eigen initiatief of op vraag van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, door opname van de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse;
op basis van de meterstand(en) op tegenstelbare wijze vastgesteld conform § 1 en door de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker overgemaakt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
op basis van de meterstand(en) op wisseldatum zoals bezorgd aan de toegangshouder door de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker;
bij gebrek aan bovenstaande, als er geen meterstand(en) bekend zijn of als uit de validatie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder blijkt dat deze meterstand(en) onbetrouwbaar zijn, op basis van een schatting van de meterstand(en) op de wisseldatum volgens de methodieken vermeld in Art. 4.3.29.
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting of een toegangspunt van een aansluiting met een totale decentrale productie groter dan 10 kVA:
op basis van de meterstanden of volumes verkregen doortele-opname op de wisseldatum;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder opgenomen meterstanden of volumes;
op basis van de door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgegeven en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstanden of volumes;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder berekende of geschatte meterstanden of volumes.

§ 3

Als de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting de gevalideerde wisselmeterstand(en) en wisseldatum ontvangt van de elektriciteitsdistributienetbeheerder (doorgegeven door de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker) controleert hij of dit overeenkomt met de meterstand(en) en wisseldatum zoals doorgegeven door de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 4

Bij gebrek aan overeenstemming van wisselmeterstand(en) of wisseldatum, kan de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting een rectificatiebericht sturen.

Art. 4.3.6. Verhuis geïnitieerd door de uithuizende klant en niet-gemelde verhuis

§ 1

Elke toegangshouder neemt in zijn energiecontract met zijn klant de verplichting op dat een elektriciteitsdistributienetgebruiker op een allocatiepunt verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting steeds aan zijn toegangshouder en via zijn toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder moet melden dat hij verhuist en aan die toegangshouder en via zijn toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder de volgende gegevens moet verstrekken, tenzij hij aangeeft, conform Art. 2.3.2, dat het toegangspunt op het oude adres op zijn kosten buiten dienst mag worden gesteld:
de wisseldatum waarop hij het oude adres verlaat of verlaten heeft;
indien niet beschikbaar bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder door uitlezing op afstand, de wisselmeterstand(en) vastgesteld door de elektriciteitsdistributienetgebruiker op die datum;
de naam en contactgegevens van de nieuwe elektriciteitsdistributienetgebruiker of van de eigenaar van het gebouw of de installatie waaraan het allocatiepunt verbonden is.
Hierbij worden de wisseldatum en de wisselmeterstand(en) bij voorkeur op tegenstelbare wijze tussen partijen vastgelegd. De elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting kan hiervoor gebruik maken van het energieovernamedocument dat zowel ondertekend is door de uithuizende als de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar in afwezigheid van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.
Wanneer de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker zijn verhuis meldt, maar nalaat een of meerdere van deze gegevens vermeld in § 1 mee te delen en er geen wisselaanvraag op naam van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar volgt, meldt de toegangshouder de verhuis aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform § 3.

§ 2

In geval de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker de verhuis meldt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, wordt de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker geschrapt als elektriciteitsdistributienetgebruiker op het allocatiepunt op de in de aanvraag vermelde effectieve verhuisdatum. De toegangshouder blijft geregistreerd op het allocatiepunt tot ontvangst van de wisselaanvraag op naam van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar.

§ 3

Indien er geen wisselaanvraag op naam van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar ontvangen wordt, moet de toegangshouder van de uithuizende distributienetgebruiker de situatie binnen de termijn bepaald in art. 5.5.1 van het Energiebesluit melden aan de distributienetbeheerder. De uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker wordt geschrapt als elektriciteitsdistributienetgebruiker op het allocatiepunt op de in de aanvraag vermelde effectieve verhuisdatum. Na de melding blijft de toegangshouder ten laatste tot de termijn bepaald in art. 5.5.2 van het Energiebesluit geregistreerd op het allocatiepunt.

§ 4

De wisselmeterstanden worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald via een van onderstaande methodes, waarbij de volgorde van onderstaande methodes wordt gerespecteerd en waarbij gegevens opgenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder voorrang hebben in geval van betwisting:
op basis van de meterstand(en) verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum;
op basis van de meterstand(en) op wisseldatum op tegenstelbare wijze vastgesteld en door de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker overgemaakt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
op basis van de meterstand(en) op wisseldatum zoals bezorgd aan de toegangshouder door de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker;
op basis van de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder op vraag van de toegangshouder ter plaatse opgenomen meterstand(en);
bij gebrek aan bovenstaande, als er geen meterstanden bekend zijn of als uit de validatie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder blijkt dat deze meterstanden onbetrouwbaar zijn, op basis van een schatting op de wisseldatum volgens de methodieken vermeld in Art. 4.3.29.

§ 6

Als de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting in geval van een verhuis geïnitieerd door de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker en een niet-gemelde verhuis, de gevalideerde wisselmeterstand(en) en wisseldatum ontvangt van de elektriciteitsdistributienetbeheerder (doorgegeven door de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker) controleert hij of dit overeenkomt met de meterstand(en) en wisseldatum zoals doorgegeven door de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 7

Bij gebrek aan overeenstemming van wisselmeterstand(en) of wisseldatum, kan de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting een rectificatiebericht sturen.

§ 8

Na de lancering van de verhuisaanvraag door de toegangshouder zoals bepaald in § 3 krijgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de opdracht om, voor een elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting, de situatie op het allocatiepunt te regulariseren.

§ 9

Na het ontvangen van een door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker correct en volledig ingevuld regularisatiedocument, neemt de toegangshouder de nodige maatregelen om de levering op het betreffende allocatiepunt te regulariseren door het versturen van een wisselaanvraag, tenzij de toegangshouder deze distributienetgebruiker mag weigeren conform het Energiebesluit. De wisselaanvraag bevat als effectieve wisseldatum de datum vermeld op het regularisatiedocument, tenzij de verhuis van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker lopende is, dan wordt de datum en wisselmeterstand conform Art. 4.3.6, § 4 bepaald.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet in een opvolging van de termijn tot regularisatie, waarbij er enkel rekening gehouden wordt met de regulaisatiedocumenten die voldoen aan de voorwaarden van deze paragraaf en die conform deze paragraaf door de toegangshouder moeten worden verwerkt.

§ 10

Als de levering op het allocatiepunt niet werd geregulariseerd na afloop van de termijn vermeld in § 3 en het toegangspunt niet buiten dienst werd gesteld, neemt de elektriciteitsdistributienet-beheerder, zoals bepaald in art. 5.5.2 van het Energiebesluit, de levering op het betreffende allocatiepunt over.

Art. 4.3.7. Opzegging contract door de toegangshouder ten gevolge van wanbetaling

§ 1

De beëindiging van het contract met betrekking tot de afname of injectie op een allocatiepunt ten gevolge van wanbetaling van de elektriciteitsdistributienetgebruiker moet minstens dertig kalenderdagen vooraf door de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder gemeld worden.

§ 2

In afwijking van § 1 moet de beëindiging van het contract met betrekking tot afname op een allocatiepunt van een huishoudelijke afnemer ten gevolge van wanbetaling, conform de termijn in art. 5.2.1, § 1 van het Energiebesluit door de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder gemeld worden.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet een systeem om het respecteren van de termijnen bedoeld in § 1 en § 2 te controleren en voorziet, voor zover afwijkingen mogelijk zijn, een rapportering via de monitoring bepaald in Art. 1.3.3, § 6.

§ 4

De beëindiging van contracten geregistreerd op aparte, aan eenzelfde toegangspunt gekoppelde, allocatiepunten voor afname en injectie, beïnvloeden elkaar niet, met dien verstande dat de beëindiging van de toegang tot het net op het toegangspunt, conform Art. 2.3.10 bij gebrek aan een geregistreerde toegangshouder op het allocatiepunt voor afname, ook de diensten op het allocatiepunt voor injectie beëindigt.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt binnen tien werkdagen contact op met de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Hierbij wijst hij hem op zijn plicht om een toegangshouder aan te wijzen op het betreffende allocatiepunt uiterlijk tien kalenderdagen vóór het einde van de opzegtermijn, of acht kalenderdagen in het geval van een huishoudelijke afnemer. De elektriciteitsdistributienetbeheerder vermeldt eveneens de mogelijke gevolgen als de elektriciteitsdistributienetgebruiker geen nieuw energiecontract sluit, dat ingaat op de datum van het einde van de opzegtermijn.

Art. 4.3.8. Opzegging contract om andere redenen

§ 1

De beëindiging van het contract met betrekking tot de afname of de injectie op een allocatiepunt door de elektriciteitsdistributienetgebruiker moet minstens 28 kalenderdagen vooraf door de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder worden gemeld.

§ 2

In afwijking van § 1 moet de beëindiging van het contract met betrekking tot afname op een allocatiepunt van een huishoudelijke afnemer om een andere reden dan wanbetaling, conform de termijn in art. 5.2.1, § 1 van het Energiebesluit door de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder gemeld worden.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet een systeem om het respecteren van de termijnen vermeld in § 1 en § 2 te controleren en voorziet, voor zover afwijkingen mogelijk zijn, een rapportering via de monitoring bepaald in Art. 1.3.3, § 6.

§ 4

De beëindiging van contracten geregistreerd op aparte, aan eenzelfde toegangspunt gekoppelde, allocatiepunten voor afname en injectie, beïnvloeden elkaar niet, met dien verstande dat de beëindiging van de toegang tot het net op het toegangspunt, conform Art. 2.3.10 bij gebrek aan een geregistreerde toegangshouder op het allocatiepunt voor afname, ook de diensten op het allocatiepunt voor injectie beëindigt.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt binnen tien werkdagen contact op met de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Hierbij wijst hij hem op zijn plicht om een toegangshouder aan te wijzen op het betreffende allocatiepunt uiterlijk tien kalenderdagen vóór het einde van de opzegtermijn, of acht kalenderdagen in het geval van een huishoudelijke afnemer. De elektriciteitsdistributienetbeheerder vermeldt eveneens de mogelijke gevolgen als de elektriciteitsdistributienetgebruiker geen nieuw energiecontract sluit, dat ingaat op de datum van het einde van de opzegtermijn.

Art. 4.3.9. Onterechte wissel van toegangshouder

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker die meent onterecht van toegangshouder te zullen veranderen of te zijn veranderd, kan dat melden ofwel aan zijn eigenlijke toegangshouder, ofwel aan de toegangshouder die onterecht een wissel van toegangshouder op zijn allocatiepunt heeft aangevraagd. De gecontacteerde toegangshouder meldt de gecontesteerde wissel aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

Bij vaststelling van een onterechte leverancierswissel ontvangen beide toegangshouders stamgegevens en verbruiksgegevens van de betrokken distributienetgebruiker om deze situatie recht te zetten.

§ 3

Als de onterechte wissel van toegangshouder nog niet uitgevoerd werd in het toegangsregister en geannuleerd kan worden, dan annuleert de toegangshouder die onterecht de wissel van toegangshouder heeft aangevraagd de aanvraag gelijktijdig met de bevestiging aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de wissel verkeerdelijk of onterecht door hem werd aangevraagd.

§ 4

Als de onterechte wissel van toegangshouder al uitgevoerd werd in het toegangsregister of niet geannuleerd kan worden, dan vraagt de eigenlijke toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder om de fout ongedaan te maken. De elektriciteitsdistributienetbeheerder registreert zo snel mogelijk en indien mogelijk retroactief, opnieuw de juiste toegangshouder op het betreffende allocatiepunt in het toegangsregister, conform de principes beschreven in de UMIG.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt, voor zover de situatie niet retroactief kan worden rechtgezet, de wisselmeterstand op de wisseldatum door schatting volgens de methodieken beschreven in Art. 4.3.29, behoudens de beschikbaarheid van een gevalideerde meterstand verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum.

§ 6

De toegangshouder die onterecht de wissel van toegangshouder heeft aangevraagd verrekent geen kosten aan de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker. Indien van toepassing annuleert hij al verstuurde verrekeningen aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker of betaalt facturen die de elektriciteitsdistributienetgebruiker al heeft betaald terug.

§ 7

De eigenlijke toegangshouder meldt aan de getroffen elektriciteitsdistributienetgebruiker (zijn klant) binnen tien werkdagen na de bevestiging van de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de onterechte wissel werd rechtgezet.

Art. 4.3.10. Wijziging van informatie over toegangspunt

De toegangshouder meldt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder elke wijziging van informatie over de elektriciteitsdistributienetgebruiker, binnen twee werkdagen nadat hij van die wijziging op de hoogte werd gebracht.

Art. 4.3.11. Rechtzetting van fouten in het toegangsregister

Mogelijke fouten in de informatie van een allocatiepunt dat in het toegangsregister wordt beheerd, worden door de toegangshouder en de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk aan elkaar gemeld. Daarvoor stellen zij gezamenlijk een meldings- en afhandelingsprocedure op en beschrijven die in de UMIG. Typefouten of groepen van fouten en de bijbehorende behandeling worden beschreven in een catalogus die wordt geactualiseerd op basis van overleg tussen toegangshouders en de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 4.3.12.
Voor de verwerking van de correct toegepaste aanvragen en meldingen van toegangshouders, beschreven in deze afdeling, worden geen kosten aangerekend aan de betrokken toegangshouders.

Art. 4.3.13.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet in een procedure waardoor hij de aanwijzingen van toegangshouder en evenwichtsverantwoordelijke in het toegangsregister zelf kan aanpassen ingeval de toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke niet meer aan hun verplichtingen kunnen voldoen.

Art. 4.3.14. Opzegging van de samenwerking van de evenwichtsverantwoordelijke met een toegangshouder

§ 1

Indien de evenwichtsverantwoordelijke zijn verplichtingen met betrekking tot het evenwicht op het net ten aanzien van een toegangshouder wil beëindigen, moet de evenwichtsverantwoordelijke dit vooraf aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder en aan de VREG melden.

§ 2

Voor het einde van de eerste werkdag na ontvangst van de melding brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de VREG op de hoogte van deze melding.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt voor het einde van de eerste werkdag na ontvangst van de melding contact op met de toegangshouder. Hierbij wijst de elektriciteitsdistributienetbeheerder de toegangshouder op zijn verplichting om meteen een nieuwe evenwichtsverantwoordelijke te vinden.

§ 4

De evenwichtsverantwoordelijke is niet langer verantwoordelijk voor het evenwicht op het toegangspunt uiterlijk op 0u00 lokale tijd op de 21e kalenderdag na de melding van de evenwichtsverantwoordelijke aan de VREG en de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De evenwichtsverantwoordelijke is eveneens niet langer verantwoordelijk voor het evenwicht op het toegangspunt vanaf het moment dat de toegang tot het net voor de toegangshouder beëindigd wordt of vanaf het moment dat een andere evenwichtsverantwoordelijke het evenwicht voor het toegangspunt overneemt.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt de evenwichtsverantwoordelijke zo snel mogelijk op de hoogte van de datum waarop hij niet langer verantwoordelijk is voor het evenwicht op de betreffende toegangspunten waarop hij door de toegangshouder als evenwichtsverantwoordelijke werd aangeduid, en dit uiterlijk twee dagen voor die datum. Dit bericht is niet verplicht, indien:
de datum waarop de evenwichtsverantwoordelijke niet langer verantwoordelijk is voor het evenwicht valt op de 21e kalenderdag na de melding van de evenwichtsverantwoordelijke aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder; of
de toegang tot het net van de toegangshouder onvoorbereid wordt beëindigd.

Afdeling 3.
Processen gekoppeld aan het verwerken van meetgegevens


Onderafdeling 1.
Validatie en correctie van meetgegevens


Art. 4.3.15. In rekening brengen van verliezen

§ 1

Als de meetuitrustingen die deel uitmaken van de meetinrichting zich niet ter hoogte van het toegangspunt bevinden, worden de meetgegevens aangepast op basis van een schattingsprocedure die rekening houdt met de fysische verliezen tussen het meetpunt en het toegangspunt.

§ 2

Op voorstel van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en na goedkeuring door de VREG kunnen in bepaalde gevallen verliezen stroomopwaarts van het toegangspunt en die betrekking hebben op de aansluiting van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, in de aanpassing worden meegerekend.

§ 3

Als de wijze van aanpassing niet is beschreven in het aansluitingscontract, zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria bepalen welke wijze het meest geschikt is.

§ 4

De fysische verliezen of verliezen stroomopwaarts worden beschouwd als onderdeel van de meetconfiguratie en worden geregistreerd door de distributienetbeheerder.

§ 5

Op eenvoudige schriftelijke aanvraag worden de fysische verliezen of verliezen stroomopwaarts en de manier waarop die de meetgegevens aanpassen, bekendgemaakt binnen tien werkdagen na de aanvraag aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker op het toegangspunt.

Art. 4.3.16. Time slicing

Als de datum van de meteropname niet samenvalt met de datum waarop de meterstand bekend moet zijn, herleidt de elektriciteitsdistributienetbeheerder die meterstand op basis van de schattingsprincipes, beschreven in Art. 4.3.29.

Art. 4.3.17. Correctie van meetgegevens

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder niet kan beschikken over de werkelijke meetgegevens of als hij van oordeel is dat de beschikbare resultaten niet betrouwbaar of foutief zijn, worden de meetresultaten in kwestie in het validatieproces vervangen door waarden die de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria billijk acht.

§ 2

De waarden waardoor de onbetrouwbare of foutieve gegevens worden vervangen zijn de waarden die de uitkomst vormen van een van de volgende schattingsprocedures waarbij de elektriciteitsdistributienetbeheerder onderstaande volgorde van schattingsprocedures respecteert:
redundante metingen;
andere meetresultaten die de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruikerter beschikking heeft;
vergelijking met de gegevens van een periode die als equivalent wordt beschouwd.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert een gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de validatie van meetgegevens die gebruikt worden voor de toewijzing van energiehoeveelheden voor facturatie in het kader van een energiecontract of toewijzing van energiehoeveelheden in kader van allocatie, reconciliatie of evenwicht op het net.

Onderafdeling 2.
Gebruiksprofielen


Art. 4.3.18.

§ 1

De verrekeningen in het kader van allocatie, reconciliatie en/of facturatie op een allocatiepunt zijn gebaseerd op een reeks gegevens die elk betrekking hebben op een elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2. Een reeks dergelijke gegevens wordt hierna gebruiksprofiel genoemd.

§ 2

Er worden twee soorten gebruiksprofielen onderscheiden: gemeten gebruiksprofielen en berekende gebruiksprofielen.

Art. 4.3.19.

§ 1

Voor alle allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting of een toegangspunt van een aansluiting met een totale decentrale productie groter dan 10 kVA, waarop het meetregime conform de standaard allocatiepuntpuntconfiguratie bepaald in Art 4.2.12 van toepassing is, geschiedt de verrekening, vermeld in Art. 4.3.18, § 1, op basis van het gemeten gebruiksprofiel, behoudens in die gevallen waar het meetregime conform Art 4.2.12. § 2 afwijkt van de standaard allocatiepuntconfiguratie.

§ 2

Voor alle allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een op afstand uitleesbare kleinverbruiksmeetinrichting, waarop de elektriciteitsdistributienetgebruiker conform Art. 4.2.13, § 2 de keuze heeft gemaakt voor de allocatiepuntconfiguratie bedoeld in Art. 4.2.13, § 3, geschiedt de verrekening, vermeld in Art. 4.3.18, § 1, op basis van het gemeten gebruiksprofiel.

Art. 4.3.20. Gebruik van berekende gebruiksprofielen

Voor alle allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting, waarop het meetregime conform de standaard allocatiepuntconfiguratie bepaald in Art. 4.2.13 van toepassing is en voor alle allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting waarop het meetregime afwijkt van de standaard allocatiepuntconfiguratie conform Art 4.2.12. § 2, geschiedt de verrekening, vermeld in Art. 4.3.18, § 1, op basis van een berekend gebruiksprofiel toegewezen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 4.3.21.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is belast met het beheer van de gemeten en berekende gebruiksprofielen en deelt elke wijziging, in de mate dit relevant is in het kader van de toegang tot het net, mee aan de betrokken toegangshouder.

Art. 4.3.22. Classificatie van berekende gebruiksprofielen

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt een set van berekende gebruiksprofielen op voor elektriciteitsdistributienetgebruikers zonder registratie van het gemeten gebruiksprofiel. Het van toepassing zijnde gebruiksprofiel kan bepaald worden op basis van objectieve criteria, zoals de van toepassing zijnde tariefperioden, de aan- of afwezigheid van decentrale productie op het toegangspunt, het type elektriciteitsdistributienetgebruiker, het aansluitingsvermogen en de historische verbruiksgegevens. Volgende types van berekende gebruiksprofielen zijn mogelijk:
Synthetisch lastprofiel (SLP);
Synthetisch productieprofiel (SPP);
Reële lastprofielen (RLP).

§ 2

De set van berekende gebruiksprofielen vermeld in § 1 wordt goedgekeurd door de VREG. De synthetische profielen vermeld in °1 en °2 worden goedgekeurd door de VREG en gepubliceerd voor het volgende kalenderjaar.

§ 3

De set van berekende gebruiksprofielen vermeld in § 1 kan te allen tijde worden gewijzigd op basis van een statistische studie van werkelijk gemeten gebruiksprofielen, of op basis van de vastgestelde residu's bij de allocatie. De wijzigingen in de classificatie van de synthetische profielen worden ter goedkeuring voorafgaandelijk aan de VREG voorgedragen.

§ 4

Uiterlijk op 30 november van elk jaar moet de elektriciteitsdistributienetbeheerders, behoudens voor reële lastprofielen, na overleg met de toegangshouders, nieuwe berekende gebruiksprofielen voor het komende kalenderjaar voorstellen aan de VREG.

§ 5

De VREG publiceert de gebruiksprofielen vermeld in § 4 op zijn website met vermelding van de datum waarop ze van kracht worden.

Art. 4.3.23.
Voor de toegangspunten zonder registratie van het gebruiksprofiel slaat de elektriciteitsdistributienetbeheerder die gegevens op die hem in staat stellen om het gebruiksprofiel te herberekenen.

Onderafdeling 3.
Forfaitair bepaalde afname


Art. 4.3.24.
Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt de elektriciteitsafname van een op het elektriciteitsdistributienet aangesloten installatie forfaitair bepaald zonder de plaatsing van een meetinrichting, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de installatie heeft een aansluitingsvermogen dat beperkt is tot 1,4 kVA, dient voor de openbare verlichting of heeft een aansluitingsvermogen dat beperkt is tot 10 kVA en een gebruiksduur van minstens 4000 uur per jaar;
het afnamepatroon is bekend;
op de installatie kan geen aanvullende apparatuur worden aangesloten.

Art. 4.3.25.
De forfaitaire elektriciteitsafname wordt bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, afhankelijk van het afgenomen vermogen en de geplande gebruiksduur van de installatie. De VREG kan richtlijnen vastleggen ter bepaling van de afname en de toepassing van de afnameforfaits door alle elektriciteitsdistributienetbeheerders.

Art. 4.3.26.
Voor de vaststelling van het afgenomen vermogen kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, na overleg, een beroep doen op een geaccrediteerd laboratorium. De kosten van de vaststelling van het afgenomen vermogen worden gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 4.3.27.
De elektriciteitsafname van de installaties in kwestie wordt verrekend volgens het meest aangewezen berekende gebruiksprofiel.

Art. 4.3.28.
De overeenkomst met betrekking tot de forfaitaire bepaling van de elektriciteitsafname moet opgenomen worden in een contract als aanvulling van het aansluitingsreglement. In dit document kunnen eveneens aanvullende bepalingen over levensduur en slijtage van de installaties opgenomen worden.

Onderafdeling 4.
Schattingen


Art. 4.3.29. Schatting van afname of injectie

§ 1

De afname of injectie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker zonder registratie van het gebruiksprofiel in de periode tussen twee meteropnames kan geschat worden op basis van de totale afname of injectie over de vorige periode, op basis van de typisch gemiddelde afname of injectie van een vergelijkbaar type van eindafnemer over eenzelfde periode of op basis van hettoegangsvermogen of een latere testmeting over een relevante periode.

§ 2

Van zodra de meterstanden voor een allocatiepunt voor een afgelopen periode van minstens 2 opeenvolgende periodieke meteropnameperiodes werden geschat, kan, vanaf de tweede opeenvolgende schatting, een correctie op de schatting worden toegepast volgens een door de VREG goedgekeurde methodiek op voorstel van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert een gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de schatting. In geval een aangepaste schatting van toepassing is, gebeurt dit op de daartoe voorafgaandelijk, in overleg met de toegangshouders overeengekomen en in de UMIG gepubliceerde werkwijze.

Art. 4.3.30. Schattingsgronden voor afname of injectie

In de volgende gevallen mag een meterstand of afname of injectie geschat worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder overeenkomstig de bepalingen in Art. 4.3.29:
als in geval van een niet op afstand uitleesbare meetinrichting de meteropnamekaart “onbezorgd” teruggestuurd werd en een elektriciteitsdistributienetgebruiker niet tijdig reageert op de hem toegestuurde meteropnamekaart;
als werd vastgesteld dat een meetinrichting gedurende een bepaalde periode niet of incorrect de afname of injectie registreerde. In dat geval wordt de afname of injectie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Art. 4.3.33;
als werd vastgesteld dat meetgegevens van een allocatiepunt gedurende een bepaalde periode incorrect werden verwerkt en ter beschikking gesteld door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. In dat geval wordt de afname of injectie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Art. 4.3.33;
als werd vastgesteld dat een elektriciteitsdistributienetgebruiker gedurende een bepaalde periode onrechtmatig elektriciteit afnam van het elektriciteitsdistributienet en dit niet of slechts gedeeltelijk geregistreerd werd door een meetinrichting. In dat geval wordt de afname of injectie over die periode herberekend;
in toepassing van Art. 4.3.36.

Art. 4.3.31. Schatting van productie

§ 1

Indien de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meetgegevens met betrekking tot de productie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker gebruikt in het kader van allocatie, reconciliatie, facturatie en/of voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroom- en/of warmtekrachtcertificaten en garanties van oorsprong (in uitvoering van het Energiebesluit), kan de productie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker zonder registratie van het gebruiksprofiel in de periode tussen twee meteropnames geschat worden. Deze schatting gebeurt in dat geval op basis van de totale productie over de vorige periode, op basis van de gemiddelde productie van een vergelijkbaar type van elektriciteitsdistributienetgebruiker over eenzelfde periode, op basis van een andere meting voor een relevante periode, of op basis van het geïnstalleerd vermogen van de omvormer in combinatie met een relevante gebruiksduur.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert een gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de schatting.

Art. 4.3.32. Schattingsgronden voor productie

In de volgende gevallen mag een meterstand of geproduceerde hoeveelheid energie geschat worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, voor zover deze gegevens nodig zijn voor doeleinden van allocatie, reconciliatie, facturatie en/of voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroom- en/of warmtekrachtcertificaten en garanties van oorsprong (in uitvoering van het Energiebesluit, overeenkomstig de bepalingen in Art. 4.3.29:
als werd vastgesteld dat een meetinrichting gedurende een bepaalde periode niet of incorrect de productie registreerde of de meetuitrusting bij controle niet aan de vereisten opgenomen in BIJLAGE III - Vereisten voor meetuitrustingen of aan vereisten van certificatie of keuring blijkt te voldoen. In dat geval wordt de productie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Art. 4.3.33;
als werd vastgesteld dat een elektriciteitsdistributienetgebruiker gedurende een bepaalde periode foutieve productiemeterstanden heeft doorgegeven en de meetuitrusting niet op eenduidige wijze de productie weerspiegelt. In dat geval wordt de productie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Art. 4.3.33.

Onderafdeling 5.
Rechtzettingen


Art. 4.3.33.
Mogelijke fouten in de informatie van een toegangspunt of allocatiepunt met betrekking tot de uitgewisselde meetgegevens worden door de toegangshouder en de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk aan elkaar gemeld. Daartoe stellen zij gezamenlijk een meldings- en afhandelingsprocedure op en beschrijven die in de UMIG. Typefouten of groepen van fouten en de bijbehorende behandeling worden beschreven in een catalogus die wordt geactualiseerd op basis van overleg tussen toegangshouders en elektriciteitsdistributienetbeheerders.

Art. 4.3.34.
De meldings- en afhandelingsprocedure en de in de UMIG beschreven behandeling bevatten minstens volgende stappen:
De toegangshouder of elektriciteitsdistributienetbeheerder meldt de fout aan de andere partij, met aanduiding van de typefout;
De andere partij beoordeelt de gemelde fout, met terugmelding van de aanvaarding of verwerping van dat bericht binnen twee kalenderdagen na ontvangst. Bij aanvaarding wordt door de ontvangende partij een uniek referentienummer aan de foutmelding toegekend;
De aanvaarde foutmelding wordt behandeld conform de procedure en het tijdschema die in de UMIG vastgelegd zijn;
Beide partijen communiceren met elkaar over de nodige wijzigingen in de uitgewisselde meetgegevens ter correctie van de fout. Beide partijen nemen de nodige maatregelen om die fout in de eigen gegevensbestanden en processen recht te zetten;
Andere processen en verrekeningen worden al dan niet met terugwerkende kracht (nettarieffactuur, allocatie, reconciliatie) tussen beide partijen gelijktijdig rechtgezet, als dat is overeengekomen tussen toegangshouders en elektriciteitsdistributienetbeheerders en zoals vastgelegd in de UMIG.

Art. 4.3.35.

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan met inachtname van de periode gespecifieerd in Art. 4.3.36, zijn afgenomen, geïnjecteerde of geproduceerde energiehoeveelheden of zijn meterstanden die gebruikt worden voor de berekening van de afgenomen, geïnjecteerde of geproduceerde energiehoeveelheden betwisten bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of, indien ze doorgegeven zijn via zijn toegangshouder, bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder via zijn toegangshouder.

§ 2

In uitzondering op voorgaande paragraaf kunnen schattingen van meetgegevens in de specifieke gevallen, vermeld in Art. 3.3.3 en Art. 3.3.4, niet betwist worden, tenzij de elektriciteitsdistributienetgebruiker aangeeft dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder een fout heeft gemaakt bij het toepassen van de schattingsmethodieken, beschreven in Art. 4.3.29 en Art. 4.3.31.

§ 3

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker een nieuwe fysieke meteropname aanvragen bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder overeenkomstig Art. 3.3.3, § 7. Als die meteropname uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, worden de kosten voor die meteropname gedragen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. In dat geval worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Art. 4.3.33.

§ 4

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een meteropname door de elektriciteitsdistributienetgebruiker zelf via een meteropnamekaart, wordt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker de mogelijkheid geboden nieuwe (actuele) meterstanden door te geven aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als die meteropname uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Art. 4.3.33.

§ 5

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een schatting of correctie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, met uitzondering van de gevallen vermeld in Art. 3.3.3. en Art. 3.3.4. waarbij de geschatte meterstand niet meer betwist kan worden, wordt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker de mogelijkheid geboden nieuwe (actuele) meterstanden door te geven aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als die meteropname uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Art. 4.3.33.

§ 6

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een schatting of correctie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker aangeeft dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder een fout heeft gemaakt bij het toepassen van de schattingsprincipes, onderzoekt de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen tien werkdagen of hij een fout heeft gemaakt bij het toepassen van de schattingsmethodieken. Als dit onderzoek uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, herschat de elektriciteitsdistributienetbeheerder de betwiste meterstanden en worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Art. 4.3.33.

Art. 4.3.36.

§ 1

Wanneer een elektriciteitsdistributienetbeheerder overgaat tot een rechtzetting van afgenomen, geïnjecteerde of, indien van toepassing, geproduceerde energiehoeveelheden vooreen allocatiepunt of de inbreng van afgenomen, geïnjecteerde of, indien van toepassing, geproduceerde energiehoeveelheden voor een allocatiepunt waarvoor in het verleden geen energiehoeveelheden beschikbaar waren (spontaan, op vraag van een toegangshouder of een elektriciteitsdistributienetgebruiker) moet hij zich houden aan volgende voorwaarden:
De tijdspanne waarvoor de rechtzetting of inbreng kan, behoudens kwade trouw, maximaal plaatsvinden is:
voor allocatiepunten met een jaarlijkse opnamefrequentie voor facturatie:
o
vanaf de eerste dag van de laatste 2 periodieke meteropnameperiodes;
o
tot aan de dag van de gevalideerde meteropname die aanleiding gaf tot de rechtzetting;
o
met de beperking dat de periode van de rechtzetting of inbreng ten vroegste kan aanvangen op de eerste dag van de maand volgend op de 2 maanden die volgen op de maand van de eindreconciliatie, die geldt op het moment van de rechtzetting;
o
eventuele tussenliggende meteropnames vormen hierop geen uitzondering;
voor allocatiepunten met een maandelijkse opnamefrequentie voor facturatie: de laatste 24 volledig opgenomen maanden;
voor continu gemeten allocatiepunten: voor de elementaire meetgegevens die overeenstemmen met de laatste 24 volledig opgenomen maanden.
Voor een allocatiepunt zet de elektriciteitsdistributienetbeheerder de in het verleden ontbrekende, geschatte of foutief toegewezen energiehoeveelheden als volgt recht: de elektriciteitsdistributienetbeheerder verdeelt de nieuwe energiehoeveelheid over de periode tijdens dewelke deze energiehoeveelheid werd verbruikt, afgenomen, geïnjecteerd of, indien van toepassing, geproduceerd en dit volgens de schattingsregels zoals bepaald in Onderafdeling 4. – Schattingen van de marktcode. Voor de rechtzetting weerhoudt hij het aandeel uit deze verdeling van de tijdspanne van de rechtzetting zoals bepaald volgens 1°;
De tarieven die gehanteerd worden voor de facturatie van de rechtzetting of inbreng van deze energiehoeveelheden zijn de tarieven die gehanteerd werden in de verbruiks- of injectieperiode waarvan de energiehoeveelheden rechtgezet of ingebracht worden;
Deze rechtzetting of inbreng van energiehoeveelheden sluit evenwel de mogelijkheid tot een gemeenrechtelijke schadevergoeding niet uit.

§ 2

De voorwaarden bepaald in § 1 gelden ook voor de toegangshouder(s) die deze rechtzetting zal/zullen factureren aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 3

De voorwaarden bepaald in § 1 gelden ook voor rechtzetting of inbreng van gegevens andere dan door de distributienetbeheerder aan de toegangshouder bezorgde energiehoeveelheden voor de facturatie aan een elektriciteitsdistributienetgebruiker in het kader van een energiecontract.

§ 4

In afwijking van § 1,1° wordt in ieder geval de rechtzetting van energiehoeveelheden niet beperkt tot de laatste 2 periodieke meteropnameperiodes voor toegangspunten met een jaarlijkse opnamefrequentie voor facturatie of tot de laatste 24 opnamemaanden voor toegangspunten met een maandelijkse opnamefrequentie voor facturatie als het gaat om een rechtzetting die het gevolg is van een foutieve registratie door de elektriciteitsdistributienetbeheerdervan gegevens met betrekking tot een allocatiepunt in het toegangsregister, als deze rechtzetting in het voordeel van de elektriciteitsdistributienetgebruiker is. In deze gevallen wordt de rechtzettingstermijn beperkt tot 5 jaar, te rekenen vanaf het moment dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de toegangshouder kennis heeft genomen van de foutieve registratie in het toegangsregister.

§ 5

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan een rechtzetting bedoeld in § 1 betwisten via zijn toegangshouder bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder tot twee jaar na ontvangst van de factuur die de rechtzetting vermeldt.

Afdeling 4.
Processen gekoppeld aan de toewijzing van afgenomen, geïnjecteerde, verbruikte en geproduceerde hoeveelheden elektriciteit


Onderafdeling 1.
Allocatie


Art. 4.3.37.

§ 1

Op basis van de geïnjecteerde of geproduceerde elektriciteit op het elektriciteitsdistributienet die geregistreerd werd door een meetinrichting of geschat werd aan de hand van een synthetisch productieprofiel, de uitgewisselde elektriciteit met andere netten, de berekende gebruiksprofielen, de gemeten gebruiksprofielen en een schatting van de elektriciteitsdistributienetverliezen wordt per elektriciteitsdistributienetbeheerder en per elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 het residu berekend. Dat residu wordt pro rata toegekend aan detoegangshoudersen hun respectievelijke evenwichtsverantwoordelijken voor de allocatiepunten met geschatte verbruiken. De VREG legt de gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de allocatie vast.t

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor de tijdige uitvoering van de allocatieberekening over de allocatiepunten in het elektriciteitsdistributienet. Die berekeningen worden maandelijks uitgevoerd op basis van de historiek van het toegangsregister over de voorgaande maand die op dat moment bekend is, op voorwaarde dat alle processen op het toegangsregister correct uitgevoerd werden of worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 3

Op basis van de resultaten van de allocatie verdeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de energie die geïnjecteerd, afgenomen en, indien van toepassing, geproduceerd en verbruikt werd door elektriciteitsdistributienetgebruikers over de toegangshouders en hun evenwichtsverantwoordelijken per elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2.

§ 4

De resultaten van de allocatie voor een bepaalde maand zijn definitief ten laatste op de eerste werkdag van de zesde maand die volgt op die maand.

Art. 4.3.38. Maandelijkse momentopname van het toegangsregister

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt maandelijks een momentopname van het toegangsregister zodat de overeenstemming van de informatie in het toegangsregister en de informatie in de bestanden van de toegangshouders gecontroleerd kan worden. De gegevens die hij daarbij vastlegt en het moment waarop hij dat doet, worden in onderling overleg tussen toegangshouders en de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald en beschreven in de UMIG.

§ 2

De toegangshouder maakt een momentopname van zijn bestand zodat de overeenstemming van de informatie in het toegangsregister van de elektriciteitsdistributienetbeheerderen de informatie in het bestand van de toegangshouder gecontroleerd kan worden. De gegevens die hij daarbij vastlegt en het moment waarop hij dat doet, worden in onderling overleg tussen toegangshouders en de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald en beschreven in de UMIG.

Art. 4.3.39. Provisionele allocatie

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verstuurt voorafgaandelijk aan de definitieve allocatie periodiek een schatting van de maandelijkse allocatievolumes naar de toegangshouders en hun evenwichtsverantwoordelijken. De frequentie van dit bericht wordt in overleg met de toegangshouders en hun evenwichtsverantwoordelijken vastgelegd. Dit proces wordt provisionele allocatie genoemd. Deze iteratieve schatting is indicatief en niet bestemd als definitief allocatieresultaat.

Onderafdeling 2.
Reconciliatie


Art. 4.3.40.

§ 1

De verdeling van de energie over de toegangshouders en hun evenwichtsverantwoordelijken die verkregen wordt door de allocatie, beschreven in Art. 4.3.37, moet op maandelijkse basis gecorrigeerd worden op basis van de werkelijk gemeten afnames of injecties of, indien van toepassing, verbruiken of productie op de allocatiepunten. De VREG legt de gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de reconciliatie vast.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor de uitvoering van de reconciliatieberekening over de allocatiepunten in het elektriciteitsdistributienet. De berekeningen voor een maand en de vijftien voorgaande maanden worden maandelijks en voor de eerste keer zes maand na deze maand uitgevoerd op basis van de historiek van het toegangsregister over de voorgaande maanden.

§ 3

Bij de eindreconciliatie van een maand wordt de restterm van die maand vastgesteld. Die restterm komt voor rekening van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De VREG legt de gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de eindreconciliatie vast.

§ 4

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor de uitvoering van de eindreconciliatieberekening over de allocatiepunten in het elektriciteitsdistributienet. De voorlopige berekeningen worden uiterlijk 32 maanden na de betrokken maand uitgevoerd op basis van de historiek van het toegangsregister over die maanden. De definitieve berekeningen worden uiterlijk 37 maanden na de betrokken maand uitgevoerd op basis van de historiek van het toegangsregister over die maanden.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerders en de toegangshouders op hun elektriciteitsdistributienetten, van zodra ze toegang tot het net krijgen, nemen deel aan de financiële afhandeling voor de betrokken maand die volgt uit de berekeningen vermeld in § 3 en § 4.

§ 6

Deelektriciteitsdistributienetbeheerdersen de toegangshouders stellen gezamenlijk een partij aan die instaat voor de uitvoering van de financiële afhandeling vermeld in § 5.

Art. 4.3.41.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan op elk moment een voorstel voor een nieuwe verbeterde methodiek van allocatie en reconciliatie ter goedkeuring bij de VREG indienen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt deze methodiek op na overleg met de evenwichtsverantwoordelijken, transmissienetbeheerders en toegangshouders en zorgt ervoor dat de methodiek in ieder geval voldoet aan volgende voorwaarden:
elk toegangspunt waarop krachtens Art. 4.3.19, § 2 het gemeten gebruiksprofiel van toepassing is, wordt als dusdanig verwerkt in de berekening van de allocatie en reconciliatie. Dit houdt in dat voor deze toegangspunten de reële afname, injectie en, indien van toepassing, productie en consumptie zoals gemeten per elementaire periode wordt gebruikt in de berekening bedoeld in Art. 4.3.37, § 1, of dat een alternatieve procedure wordt opgezet die tot een gelijkwaardige uitkomst voor de toegangshouders en evenwichtsverantwoordelijken leidt. Hieruit volgt dat de processen gekoppeld aan het ter beschikking stellen van meetgegevens ten behoeve van facturatie in het kader van een energiecontract verlopen volgens onderafdeling 1, afdeling 5, hoofdstuk III, titel IV van dit reglement;
de methodiek van allocatie leidt niet tot slechtere resultaten zoals een stijging van het residu bedoeld in Art. 4.3.37, § 1 of een minder correctere verdeling onder de marktpartijen.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder dient een eerste voorstel in voor 1 april 2020.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder voegt bij het voorstel bedoeld in § 1 een toelichting waaruit blijkt dat het gaat om een verbeterde methodiek van de allocatie en reconciliatie opgesteld in overleg, en dat de voorgestelde methodiek voldoet aan de voorwaarden vermeldt in § 1.

§ 3

De VREG beoordeelt het nieuwe voorstel bedoeld in § 1 binnen een redelijke termijn na ontvangst ervan. De VREG kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder bijkomende inlichtingen vragen met betrekking tot het voorstel. De elektriciteitsdistributienetbeheerder beantwoordt dit verzoek om bijkomende inlichtingen binnen de termijn bepaald door de VREG. De VREG kan het voorstel, ingediend ter goedkeuring volgens § 1, wijzigen alvorens het goed te keuren. De nieuwe methodiek van de allocatie en reconciliatie kan ten vroegste van kracht worden twee maanden na publicatie ervan door de VREG. De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt bij zijn voorstel een datum voor inwerkingtreding voor, die voor het eerste voorstel bedoeld in § 1 uiterlijk 1 januari 2021 is.

Afdeling 5.
Processen gekoppeld aan het ter beschikking stellen van meetgegevens ten behoeve van facturatie in het kader van een energiecontract


Art. 4.3.42.
Hoewel in het toegangscontract voorzien wordtin een mogelijkheid tot schadeloosstelling ten aanzien van de toegangshouder voor de niet-naleving van zijn verplichting inzake het verstrekken van gegevens, is de elektriciteitsdistributienetbeheerder niet ontslaan van zijn verplichting om die gegevens alsnog onverwijld te bezorgen aan de toegangshouder zodra hij erover beschikt.

Onderafdeling 1.
Ter beschikking te stellen meetgegevens bij gemeten gebruiksprofielen


Art. 4.3.43.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de toegangshouder op elke werkdag de niet-gevalideerde meetgegevens per elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 per allocatiepunt van de voorgaande werkdag en de eventueel tussenliggende dagen ter beschikking voor de allocatiepunten die voorzien zijn van een grootverbruiksmeetinrichting.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder valideert de meetgegevens op basis van de elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 op elke werkdag voor de voorgaande werkdag en de eventueel tussenliggende dagen en deelt de eventuele afwijkingen ten opzichte van de niet-gevalideerde meetgegevens zo spoedig mogelijk mee aan de toegangshouder. Op de tiende werkdag na de dag van afname of injectie of, indien van toepassing, verbruik of productie zijn de meetgegevens gevalideerd. Ten minste voor 95 % van de allocatiepunten zijn de gevalideerde meetgegevens van een maand beschikbaar uiterlijk op de vierde werkdag van de volgende maand.

§ 3

Gevalideerde meetgegevens die geschat werden op basis van de procedures, vermeld in Art. 4.3.17, § 2, zijn voorzien van een herkenningsvlag.

§ 4

Voor productie-installaties worden de gevalideerde meetgegevens, vermeld in dit artikel, aan de betrokken producent meegedeeld op zijn eenvoudig verzoek volgens de principes van § 2 en § 3. In afwijking van Art. 1.3.3, § 1 kan die informatie-uitwisseling in overleg met de producent volgens een ander protocol gebeuren.

Art. 4.3.44.
Op verzoek van de toegangshouder kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder meetgegevens van een allocatiepunt met verschillende fysieke meetpunten, ook uitgesplitst ter beschikking stellen van de aanvrager. De betrokkene richt zich daarvoor tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria de aanvraag evalueert en de daaruit voortkomende taken uitvoert. De daaraan verbonden kosten worden door de aanvrager gedragen.

Art. 4.3.45.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de evenwichtsverantwoordelijke op elke werkdag voor de voorgaande werkdag en de eventueel tussenliggende dagen, de niet-gevalideerde meetgegevens per elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 in geaggregeerde vorm per toegangshouder ter beschikking, en deelt de geaggregeerde gegevens per evenwichtsverantwoordelijke gelijktijdig mee aan de transmissienetbeheerder.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de evenwichtsverantwoordelijke dagelijks de gevalideerde meetgegevens in geaggregeerde vorm per toegangshouder ter beschikking uiterlijk op de tiende werkdag na de dag van afname of injectie, en deelt de geaggregeerde gegevens per evenwichtsverantwoordelijke gelijktijdig mee aan de transmissienetbeheerder.

§ 3

De meetgegevens, vermeld in dit artikel, hebben alleen betrekking op de actieve energie.

Art. 4.3.46.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder motiveert, indien van toepassing, de aanpassingen en correcties die op basis van Art. 4.3.15 tot en met Art. 4.3.17 werden aangebracht.

Art. 4.3.47.
Op verzoek van de producent, de toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meetgegevens, al dan niet gevalideerd, met een grotere frequentie dan vermeld in Art. 4.3.43 ter beschikking stellen. De betrokkene richt zich daarvoor tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria de aanvraag evalueert en de daaruit voortkomende taken uitvoert. De daaraan verbonden kosten worden door de aanvrager gedragen.

Art. 4.3.48.
Na ontvangst van de meetgegevens vooreen allocatiepunt moet de leverancier, in geval van een wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker, wissel van toegangshouder of gecombineerde wissel, rechtzetting van energiehoeveelheden, de-activatie van het allocatiepunt of vervanging van de meter, binnen een termijn van zes weken een factuur opmaken gebaseerd op de meetgegevens zoals doorgegeven door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en deze overmaken aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Onderafdeling 2.
Ter beschikking te stellen meet-, allocatie- en reconciliatiegegevens bij berekende gebruiksprofielen


Art. 4.3.49.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de toegangshouder gevalideerde meetgegevens ter beschikking voor de allocatiepunten waarop hij als toegangshouder geregistreerd is en die een maandelijkse opnamefrequentie voor facturatie hebben. Voor minstens 95 % van de allocatiepunten moeten die gegevens worden meegedeeld uiterlijk op de vierde werkdag van de volgende maand en voor alle allocatiepunten uiterlijk op de tiende werkdag van deze maand. De elektriciteitsdistributienetbeheerder moet steeds de datum van de meteropname van de allocatiepunten vermelden. Gevalideerde meetgegevens die geschat werden op basis van de procedures, vermeld in Art. 4.3.17, § 3, zijn voorzien van een herkenningsvlag.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de toegangshouder gevalideerde meetgegevens ter beschikking voor de allocatiepunten waarop hij als toegangshouder geregistreerd is en die een jaarlijkse opnamefrequentie voor facturatie hebben. Voor minstens 95 % van de allocatiepunten moeten die gegevens worden meegedeeld uiterlijk op de vierde werkdag na de meteropname en voor alle allocatiepunten, uiterlijk op de tiende werkdag na de meteropname. De elektriciteitsdistributienetbeheerder moet steeds de datum van de meteropname vermelden. Als bij het valideren van de meetgegevens blijkt dat een fysieke meteropname vereist is, gelden de vermelde termijnen vanaf de dag van deze extra meteropname. Gevalideerde meetgegevens die geschat werden op basis van de procedures, vermeld in Art. 4.3.17, § 3, zijn voorzien van een herkenningsvlag.

§ 3

Voor productie-installaties met een injectiemeter worden de gevalideerde meetgegevens, vermeld in dit artikel, tevens meegedeeld aan de betrokken producent volgens de principes van § 1 en § 2.

Art. 4.3.50.
Op verzoek van de toegangshouder kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder meetgegevens van een toegangspunt met verschillende fysieke meetpunten, ook uitgesplitst ter beschikking stellen van de aanvrager. De betrokkene richt zich daarvoor tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria de aanvraag evalueert en de daaruit voortkomende taken uitvoert. De daaraan verbonden kosten worden door de aanvrager gedragen.

Art. 4.3.51.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt uiterlijk dertig werkdagen na de volgende maand de allocatiegegevens op basis van de elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 van de maand ter beschikking van de toegangshouder voor de allocatiepunten zonder registratie van het gebruiksprofiel waarop hij als toegangshouder geregistreerd is.

§ 2

Die allocatiegegevens omvatten, naast het aan de toegangshouder toegekende totaal per kwartier van de energiehoeveelheden op allocatiepunten van zowel gemeten als berekende gebruiksprofielen voor de betrokken maand, ook minstens volgende opsplitsing:
de energiehoeveelheden afname of injectie of, indien van toepassing, verbruik of productie op allocatiepunten met een berekend gebruiksprofiel, gesommeerd over de allocatiepunten in kwestie;
de energiehoeveelheden afname of injectie of, indien van toepassing, verbruik of productie op allocatiepunten met een gemeten gebruiksprofiel, gesommeerd over de allocatiepunten in kwestie.

Art. 4.3.52.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt uiterlijk op dertig werkdagen na de volgende maand aan de evenwichtsverantwoordelijke de allocatiegegevens op basis van de elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 van de maand ter beschikking in geaggregeerde vorm per toegangshouder.

§ 2

Die allocatiegegevens omvatten, naast het aan elke toegangshouder toegekende totaal per kwartier van de energiehoeveelheden op allocatiepunten van zowel gemeten als berekende gebruiksprofielen voor de betrokken maand, ook minstens volgende opsplitsing:
de energiehoeveelheden afname of injectie of, indien van toepassing, verbruik of productie op allocatiepunten met een berekend gebruiksprofiel, gesommeerd over de allocatiepunten in kwestie;
de energiehoeveelheden afname of injectie of, indien van toepassing, verbruik of productie op allocatiepunten met een gemeten gebruiksprofiel, gesommeerd over de allocatiepunten in kwestie.

Art. 4.3.53.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt uiterlijk op de vijfentwintigste werkdag van de volgende maand aan de transmissienetbeheerder de al locatiegegevens op basis van de elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 van de maand ter beschikking in geaggregeerde vorm per evenwichtsverantwoordelijke.

§ 2

Die allocatiegegevens omvatten, naast het aan elke evenwichtsverantwoordelijke toegekende totaal per kwartier van de energiehoeveelheden op allocatiepunten van zowel gemeten als berekende gebruiksprofielen voor de betrokken maand, ook minstens volgende opsplitsing:
de energiehoeveelheden afname of injectie of, indien van toepassing, productie of verbruik op allocatiepunten met een berekend gebruiksprofiel, gesommeerd over de allocatiepunten in kwestie;
de energiehoeveelheden afname of injectie of, indien van toepassing, productie of verbruik op allocatiepunten met een gemeten gebruiksprofiel, gesommeerd over de allocatiepunten in kwestie.

Art. 4.3.54.
Uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na de maand, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de reconciliatiegegevens van die maand en de vorige vijftien maanden ter beschikking van de toegangshouder.

Art. 4.3.55.

§ 1

Uiterlijk op de laatste dag van de 32ste maand na de maand, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de voorlopige eindreconciliatiegegevens van die maand ter beschikking van de toegangshouder.

§ 2

Uiterlijk op de laatste dag van de 37ste maand na de maand, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de definitieve eindreconciliatiegegevens van die maand ter beschikking van de toegangshouder.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt ten laatste op het moment van het overmaken van de gegevens vermeld in Art. 4.3.54 en Art. 4.3.55, § 1 en § 2 (reconciliatiegegevens) een momentopname van de gegevens die gediend hebben voor de respectievelijke berekeningen ter beschikking van de toegangshouder. De gegevens die hij hierbij vastlegt en het moment waarop hij dat doet, worden in onderling overleg tussen toegangshouders en de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald en beschreven in de UMIG, alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die gegevens ter beschikking gesteld worden van de toegangshouder. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk bepaalde beschrijving legt de VREG de voorwaarden op van het vastleggen van gegevens alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die gegevens ter beschikking gesteld worden.

Art. 4.3.56.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verzamelt dagelijks de waarden per elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 van de netinvoer op het elektriciteitsdistributienet, aggregeert die en stelt die ter beschikking van de toegangshouders die toegang hebben tot het elektriciteitsdistributienet.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verzamelt dagelijks de waarden per elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2 van energie die de elektriciteitsdistributienetgebruikers met een gemeten gebruiksprofiel van het elektriciteitsdistributienet hebben afgenomen, aggregeert die en stelt die ter beschikking van de toegangshouders die toegang hebben tot het elektriciteitsdistributienet.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt gelijktijdig met de gegevens in § 1 en § 2 de nodige informatie ter beschikking zodat de toegangshouders die toegang hebben tot het elektriciteitsdistributienet de netverliezen die door de vervoerde energie op het elektriciteitsdistributienet worden veroorzaakt, kunnen berekenen.

§ 4

Het formaat waarin, het moment waarop en de drager waarop die informatie ter beschikking gesteld wordt, worden in onderling overleg tussen toegangshouders en elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald en beschreven in de UMIG. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk bepaalde beschrijving legt de VREG het formaat waarin, het moment waarop en de drager waarop deze informatie ter beschikking gesteld wordt, op.

Art. 4.3.57.
Nadat de toegangshouder de meetgegevens voor een allocatiepunt van de distributienetbeheerder heeft ontvangen, moet hij binnen een termijn van zes weken een factuur opmaken en deze overmaken aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker, in geval van:
een periodieke meteropname,
tariefwissel,
wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker,
wissel van toegangshouder of gecombineerde wissel,
rechtzetting van energiehoeveelheden,
de-activatie van het allocatiepunt,
een vervanging van een meter die onderdeel uitmaakt van de meetinrichting en waarvan de meetgegevens worden gebruikt in het kader van de facturatie van een energiecontract
In afwijking van het eerste lid, laatste bullet, wordt geen factuur opgemaakt indien het handelt om een vervanging van een meter die betrekking heeft op een allocatiepunt voorzien van decentrale productie in compensatie.

Onderafdeling 3.
Ter beschikking stelling van historische verbruiksgegevens voor facturatiedoeleinden


Art. 4.3.58.

§ 1

Als een elektriciteitsdistributienetgebruiker verandert van toegangshouder, worden de beschikbare historische verbruiksgegevens op maand- of jaarbasis gratis ter beschikking gesteld van de nieuwe toegangshouder. De aanvraag voor de wissel van toegangshouder geldt gelijktijdig als een aanvraag tot het ter beschikking stellen van de historische verbruiksgegevens.

§ 2

De maandelijkse verbruiksgegevens van de laatste drie jaar voor allocatiepunten met registratie van het gebruiksprofiel en/of maandelijkse opnamefrequentie voor facturatie, en de jaarlijkse verbruiksgegevens van de laatste drie jaar voor de allocatiepunten met jaarlijkse opnamefrequentie voor facturatie voor zover de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker op hetzelfde allocatiepunt actief was in de referentieperiode en voor zover de gegevens beschikbaar zijn, worden doorgestuurd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder naar de nieuwe toegangshouder, uiterlijk vijftien werkdagen na de datum waarop de wissel van toegangshouder ingaat. De inhoud en samenstelling van dat bericht worden beschreven in de UMIG.

Onderafdeling 4.
Ter beschikking stelling van informatieve verbruiksgegevens voor het verstrekken van verbruiksinformatie


Art. 4.3.59.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder verstrekt de nodige meetgegevens van een elektriciteitsdistributienetgebruiker bedoeld als basis voor het verstrekken van verbruiksinformatie conform het Energiebesluit, aan zijn toegangshouder voor zover deze meetgegevens beschikbaar zijn.

Afdeling 6.
Processen gekoppeld aan de nettarieffacturatie


Art. 4.3.60.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt, gelijktijdig met de aanrekening van het gebruik van het elektriciteitsdistributienet door de distributienetbeheerder, een elektronisch bestand ter beschikking van de toegangshouder. In dat bestand wordt, per allocatiepunt, de gedetailleerde berekening van de kosten opgenomen voor het gebruik van het elektriciteitsdistributienet en de daarvoor gebruikte gegevens, voor de periode waarop de aanrekening betrekking heeft en waarin de toegangshouder geregistreerd stond op het allocatiepunt.

Art. 4.3.61.
De gegevens in dat bestand moeten de toegangshouder in staat stellen om zonder aanvullende informatie, de berekening van de aangerekende kosten te controleren.

Art. 4.3.62.
De gegevens die in dat bestand worden opgenomen, worden in onderling overleg tussen toegangshouders en elektriciteitsdistributienetbeheerders bepaald en beschreven in de UMIG, alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die gegevens ter beschikking gesteld worden. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk bepaalde beschrijving legt de VREG de gegevens in dat bestand op alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die bestanden ter beschikking gesteld worden.