Afdeling 2.
Processen die een wijziging op het allocatiepunt teweegbrengen


Art. 4.3.2. Aanwijzing toegangshouder en evenwichtsverantwoordelijke

§ 1

Per allocatiepunt wijst de elektriciteitsdistributienetgebruiker een toegangshouder aan.

§ 2

Op een toegangspunt waarop het gebruik van het net afname en injectie betreft kan, in geval van een verschillende toegangshouder voor afname en injectie, de toegangshouder op het allocatiepunt voor injectie slechts aangewezen worden nadat de toegangshouder op het allocatiepunt voor afname werd geregistreerd.

§ 3

Per allocatiepunt wijst de toegangshouder de evenwichtsverantwoordelijke aan.

Art. 4.3.3. Activatie en de-activatie van een allocatiepunt

§ 1

De activatie van een allocatiepunt voor afname valt samen met de indienstname van het hieraan gekoppelde toegangspunt, zoals bepaald in Art. 2.3.1.

§ 2

Behoudens in de gevallen waar het gebruik van het net op het toegangspunt zich beperkt tot injectie, kan de activatie van een apart allocatiepunt voor injectie slechts plaatsvinden nadat het allocatiepunt voor afname werd geactiveerd.

§ 3

De de-activatie van een allocatiepunt voor afname valt samen met de buitendienststelling van het hieraan gekoppelde toegangspunt, zoals bepaald in Art. 2.3.2, en leidt bijgevolg tot de de-activatie van een eventueel apart allocatiepunt voor injectie.

Art. 4.3.4. Wissel van toegangshouder

§ 1

Elke wijziging van toegangshouder op een allocatiepunt, die niet gepaard gaat met een wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker, moet vooraf aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder aangevraagd worden door de nieuwe toegangshouder, met aanwijzing van de datum van verandering. De elektriciteitsdistributienetbeheerder verwerkt dit bericht conform de termijn zoals bepaald in art. 4.4.1 van het Energiedecreet. De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet een systeem om het respecteren van deze termijn te controleren en voorziet, voor zover afwijkingen mogelijk zijn, een rapportering via de monitoring bepaald in Art. 1.3.3, § 6.

§ 2

Op een allocatiepunt verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting gebeurt de meteropname naar aanleiding van een wissel van toegangshouder zoals bepaald in Art. 3.3.3 § 2.

§ 3

De wisselmeterstanden worden bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder via één van onderstaande methodes, waarbij de volgorde van onderstaande methodes wordt gerespecteerd en waarbij gegevens opgenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder voorrang hebben in geval van betwisting:
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting:
indien beschikbaar, op basis van de meterstand(en) verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum of, indien de elektriciteitsdistributienetbeheerder overgaat tot een meteropname op eigen initiatief of op vraag van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, door opname van de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse;
op basis van de door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgegeven en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstand(en);
bij gebrek aan bovenstaande meterstanden of als uit de validatie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder blijkt dat deze meterstanden onbruikbaar zijn en er uiterlijk op de tiende werkdag na de effectieve datum van de wissel van toegangshouder geen gevalideerde meterstanden beschikbaar zijn, door schatting volgens de methodieken beschreven in Art. 4.3.29.
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting of een toegangspunt van een aansluiting met een totale decentrale productie groter dan 10 kVA:
op basis van de meterstanden of volumes verkregen doortele-opname op de wisseldatum;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder opgenomen meterstanden of volumes;
op basis van de door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgegeven en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstanden of volumes;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder berekende of geschatte meterstanden of volumes.

Art. 4.3.5. Wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker en gecombineerde wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker en toegangshouder

§ 1

Elke wissel van een elektriciteitsdistributienetgebruiker op een allocatiepunt wordt door de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker gemeld aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder zodra hij daarvan op de hoogte wordt gebracht door de elektriciteitsdistributienetgebruiker. De elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting geeft hiertoe de datum van de wissel en de meterstand(en) op die datum door aan zijn toegangshouder. Zowel de wisseldatum als de wisselmeterstand(en) zijn bij voorkeur op tegenstelbare wijze tussen partijen vastgelegd. Dit kan gebeuren via het energieovernamedocument dat zowel ondertekend is door de uithuizende als de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar in afwezigheid van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 2

De wisselmeterstanden worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald via één van onderstaande methodes, waarbij de volgorde van onderstaande methodes wordt gerespecteerd en waarbij gegevens opgenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder voorrang hebben in geval van betwisting:
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting:
op basis van de meterstand(en) verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum of, indien de elektriciteitsdistributienetbeheerder overgaat tot een meteropname op eigen initiatief of op vraag van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, door opname van de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse;
op basis van de meterstand(en) op tegenstelbare wijze vastgesteld conform § 1 en door de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker overgemaakt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
op basis van de meterstand(en) op wisseldatum zoals bezorgd aan de toegangshouder door de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker;
bij gebrek aan bovenstaande, als er geen meterstand(en) bekend zijn of als uit de validatie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder blijkt dat deze meterstand(en) onbetrouwbaar zijn, op basis van een schatting van de meterstand(en) op de wisseldatum volgens de methodieken vermeld in Art. 4.3.29.
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting of een toegangspunt van een aansluiting met een totale decentrale productie groter dan 10 kVA:
op basis van de meterstanden of volumes verkregen doortele-opname op de wisseldatum;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder opgenomen meterstanden of volumes;
op basis van de door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgegeven en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstanden of volumes;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder berekende of geschatte meterstanden of volumes.

§ 3

Als de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting de gevalideerde wisselmeterstand(en) en wisseldatum ontvangt van de elektriciteitsdistributienetbeheerder (doorgegeven door de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker) controleert hij of dit overeenkomt met de meterstand(en) en wisseldatum zoals doorgegeven door de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 4

Bij gebrek aan overeenstemming van wisselmeterstand(en) of wisseldatum, kan de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting een rectificatiebericht sturen.

Art. 4.3.6. Verhuis geïnitieerd door de uithuizende klant en niet-gemelde verhuis

§ 1

Elke toegangshouder neemt in zijn energiecontract met zijn klant de verplichting op dat een elektriciteitsdistributienetgebruiker op een allocatiepunt verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting steeds aan zijn toegangshouder en via zijn toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder moet melden dat hij verhuist en aan die toegangshouder en via zijn toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder de volgende gegevens moet verstrekken, tenzij hij aangeeft, conform Art. 2.3.2, dat het toegangspunt op het oude adres op zijn kosten buiten dienst mag worden gesteld:
de wisseldatum waarop hij het oude adres verlaat of verlaten heeft;
indien niet beschikbaar bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder door uitlezing op afstand, de wisselmeterstand(en) vastgesteld door de elektriciteitsdistributienetgebruiker op die datum;
de naam en contactgegevens van de nieuwe elektriciteitsdistributienetgebruiker of van de eigenaar van het gebouw of de installatie waaraan het allocatiepunt verbonden is.
Hierbij worden de wisseldatum en de wisselmeterstand(en) bij voorkeur op tegenstelbare wijze tussen partijen vastgelegd. De elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting kan hiervoor gebruik maken van het energieovernamedocument dat zowel ondertekend is door de uithuizende als de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar in afwezigheid van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.
Wanneer de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker zijn verhuis meldt, maar nalaat een of meerdere van deze gegevens vermeld in § 1 mee te delen en er geen wisselaanvraag op naam van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar volgt, meldt de toegangshouder de verhuis aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform § 3.

§ 2

In geval de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker de verhuis meldt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, wordt de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker geschrapt als elektriciteitsdistributienetgebruiker op het allocatiepunt op de in de aanvraag vermelde effectieve verhuisdatum. De toegangshouder blijft geregistreerd op het allocatiepunt tot ontvangst van de wisselaanvraag op naam van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar.

§ 3

Indien er geen wisselaanvraag op naam van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar ontvangen wordt, moet de toegangshouder van de uithuizende distributienetgebruiker de situatie binnen de termijn bepaald in art. 5.5.1 van het Energiebesluit melden aan de distributienetbeheerder. De uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker wordt geschrapt als elektriciteitsdistributienetgebruiker op het allocatiepunt op de in de aanvraag vermelde effectieve verhuisdatum. Na de melding blijft de toegangshouder ten laatste tot de termijn bepaald in art. 5.5.2 van het Energiebesluit geregistreerd op het allocatiepunt.

§ 4

De wisselmeterstanden worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald via een van onderstaande methodes, waarbij de volgorde van onderstaande methodes wordt gerespecteerd en waarbij gegevens opgenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder voorrang hebben in geval van betwisting:
op basis van de meterstand(en) verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum;
op basis van de meterstand(en) op wisseldatum op tegenstelbare wijze vastgesteld en door de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker overgemaakt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
op basis van de meterstand(en) op wisseldatum zoals bezorgd aan de toegangshouder door de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker;
op basis van de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder op vraag van de toegangshouder ter plaatse opgenomen meterstand(en);
bij gebrek aan bovenstaande, als er geen meterstanden bekend zijn of als uit de validatie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder blijkt dat deze meterstanden onbetrouwbaar zijn, op basis van een schatting op de wisseldatum volgens de methodieken vermeld in Art. 4.3.29.

§ 6

Als de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting in geval van een verhuis geïnitieerd door de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker en een niet-gemelde verhuis, de gevalideerde wisselmeterstand(en) en wisseldatum ontvangt van de elektriciteitsdistributienetbeheerder (doorgegeven door de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker) controleert hij of dit overeenkomt met de meterstand(en) en wisseldatum zoals doorgegeven door de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 7

Bij gebrek aan overeenstemming van wisselmeterstand(en) of wisseldatum, kan de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting een rectificatiebericht sturen.

§ 8

Na de lancering van de verhuisaanvraag door de toegangshouder zoals bepaald in § 3 krijgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de opdracht om, voor een elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting, de situatie op het allocatiepunt te regulariseren.

§ 9

Na het ontvangen van een door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker correct en volledig ingevuld regularisatiedocument, neemt de toegangshouder de nodige maatregelen om de levering op het betreffende allocatiepunt te regulariseren door het versturen van een wisselaanvraag, tenzij de toegangshouder deze distributienetgebruiker mag weigeren conform het Energiebesluit. De wisselaanvraag bevat als effectieve wisseldatum de datum vermeld op het regularisatiedocument, tenzij de verhuis van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker lopende is, dan wordt de datum en wisselmeterstand conform Art. 4.3.6, § 4 bepaald.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet in een opvolging van de termijn tot regularisatie, waarbij er enkel rekening gehouden wordt met de regulaisatiedocumenten die voldoen aan de voorwaarden van deze paragraaf en die conform deze paragraaf door de toegangshouder moeten worden verwerkt.

§ 10

Als de levering op het allocatiepunt niet werd geregulariseerd na afloop van de termijn vermeld in § 3 en het toegangspunt niet buiten dienst werd gesteld, neemt de elektriciteitsdistributienet-beheerder, zoals bepaald in art. 5.5.2 van het Energiebesluit, de levering op het betreffende allocatiepunt over.

Art. 4.3.7. Opzegging contract door de toegangshouder ten gevolge van wanbetaling

§ 1

De beëindiging van het contract met betrekking tot de afname of injectie op een allocatiepunt ten gevolge van wanbetaling van de elektriciteitsdistributienetgebruiker moet minstens dertig kalenderdagen vooraf door de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder gemeld worden.

§ 2

In afwijking van § 1 moet de beëindiging van het contract met betrekking tot afname op een allocatiepunt van een huishoudelijke afnemer ten gevolge van wanbetaling, conform de termijn in art. 5.2.1, § 1 van het Energiebesluit door de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder gemeld worden.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet een systeem om het respecteren van de termijnen bedoeld in § 1 en § 2 te controleren en voorziet, voor zover afwijkingen mogelijk zijn, een rapportering via de monitoring bepaald in Art. 1.3.3, § 6.

§ 4

De beëindiging van contracten geregistreerd op aparte, aan eenzelfde toegangspunt gekoppelde, allocatiepunten voor afname en injectie, beïnvloeden elkaar niet, met dien verstande dat de beëindiging van de toegang tot het net op het toegangspunt, conform Art. 2.3.10 bij gebrek aan een geregistreerde toegangshouder op het allocatiepunt voor afname, ook de diensten op het allocatiepunt voor injectie beëindigt.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt binnen tien werkdagen contact op met de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Hierbij wijst hij hem op zijn plicht om een toegangshouder aan te wijzen op het betreffende allocatiepunt uiterlijk tien kalenderdagen vóór het einde van de opzegtermijn, of acht kalenderdagen in het geval van een huishoudelijke afnemer. De elektriciteitsdistributienetbeheerder vermeldt eveneens de mogelijke gevolgen als de elektriciteitsdistributienetgebruiker geen nieuw energiecontract sluit, dat ingaat op de datum van het einde van de opzegtermijn.

Art. 4.3.8. Opzegging contract om andere redenen

§ 1

De beëindiging van het contract met betrekking tot de afname of de injectie op een allocatiepunt door de elektriciteitsdistributienetgebruiker moet minstens 28 kalenderdagen vooraf door de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder worden gemeld.

§ 2

In afwijking van § 1 moet de beëindiging van het contract met betrekking tot afname op een allocatiepunt van een huishoudelijke afnemer om een andere reden dan wanbetaling, conform de termijn in art. 5.2.1, § 1 van het Energiebesluit door de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder gemeld worden.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet een systeem om het respecteren van de termijnen vermeld in § 1 en § 2 te controleren en voorziet, voor zover afwijkingen mogelijk zijn, een rapportering via de monitoring bepaald in Art. 1.3.3, § 6.

§ 4

De beëindiging van contracten geregistreerd op aparte, aan eenzelfde toegangspunt gekoppelde, allocatiepunten voor afname en injectie, beïnvloeden elkaar niet, met dien verstande dat de beëindiging van de toegang tot het net op het toegangspunt, conform Art. 2.3.10 bij gebrek aan een geregistreerde toegangshouder op het allocatiepunt voor afname, ook de diensten op het allocatiepunt voor injectie beëindigt.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt binnen tien werkdagen contact op met de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Hierbij wijst hij hem op zijn plicht om een toegangshouder aan te wijzen op het betreffende allocatiepunt uiterlijk tien kalenderdagen vóór het einde van de opzegtermijn, of acht kalenderdagen in het geval van een huishoudelijke afnemer. De elektriciteitsdistributienetbeheerder vermeldt eveneens de mogelijke gevolgen als de elektriciteitsdistributienetgebruiker geen nieuw energiecontract sluit, dat ingaat op de datum van het einde van de opzegtermijn.

Art. 4.3.9. Onterechte wissel van toegangshouder

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker die meent onterecht van toegangshouder te zullen veranderen of te zijn veranderd, kan dat melden ofwel aan zijn eigenlijke toegangshouder, ofwel aan de toegangshouder die onterecht een wissel van toegangshouder op zijn allocatiepunt heeft aangevraagd. De gecontacteerde toegangshouder meldt de gecontesteerde wissel aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

Bij vaststelling van een onterechte leverancierswissel ontvangen beide toegangshouders stamgegevens en verbruiksgegevens van de betrokken distributienetgebruiker om deze situatie recht te zetten.

§ 3

Als de onterechte wissel van toegangshouder nog niet uitgevoerd werd in het toegangsregister en geannuleerd kan worden, dan annuleert de toegangshouder die onterecht de wissel van toegangshouder heeft aangevraagd de aanvraag gelijktijdig met de bevestiging aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de wissel verkeerdelijk of onterecht door hem werd aangevraagd.

§ 4

Als de onterechte wissel van toegangshouder al uitgevoerd werd in het toegangsregister of niet geannuleerd kan worden, dan vraagt de eigenlijke toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder om de fout ongedaan te maken. De elektriciteitsdistributienetbeheerder registreert zo snel mogelijk en indien mogelijk retroactief, opnieuw de juiste toegangshouder op het betreffende allocatiepunt in het toegangsregister, conform de principes beschreven in de UMIG.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt, voor zover de situatie niet retroactief kan worden rechtgezet, de wisselmeterstand op de wisseldatum door schatting volgens de methodieken beschreven in Art. 4.3.29, behoudens de beschikbaarheid van een gevalideerde meterstand verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum.

§ 6

De toegangshouder die onterecht de wissel van toegangshouder heeft aangevraagd verrekent geen kosten aan de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker. Indien van toepassing annuleert hij al verstuurde verrekeningen aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker of betaalt facturen die de elektriciteitsdistributienetgebruiker al heeft betaald terug.

§ 7

De eigenlijke toegangshouder meldt aan de getroffen elektriciteitsdistributienetgebruiker (zijn klant) binnen tien werkdagen na de bevestiging van de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de onterechte wissel werd rechtgezet.

Art. 4.3.10. Wijziging van informatie over toegangspunt

De toegangshouder meldt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder elke wijziging van informatie over de elektriciteitsdistributienetgebruiker, binnen twee werkdagen nadat hij van die wijziging op de hoogte werd gebracht.

Art. 4.3.11. Rechtzetting van fouten in het toegangsregister

Mogelijke fouten in de informatie van een allocatiepunt dat in het toegangsregister wordt beheerd, worden door de toegangshouder en de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk aan elkaar gemeld. Daarvoor stellen zij gezamenlijk een meldings- en afhandelingsprocedure op en beschrijven die in de UMIG. Typefouten of groepen van fouten en de bijbehorende behandeling worden beschreven in een catalogus die wordt geactualiseerd op basis van overleg tussen toegangshouders en de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 4.3.12.
Voor de verwerking van de correct toegepaste aanvragen en meldingen van toegangshouders, beschreven in deze afdeling, worden geen kosten aangerekend aan de betrokken toegangshouders.

Art. 4.3.13.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet in een procedure waardoor hij de aanwijzingen van toegangshouder en evenwichtsverantwoordelijke in het toegangsregister zelf kan aanpassen ingeval de toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke niet meer aan hun verplichtingen kunnen voldoen.

Art. 4.3.14. Opzegging van de samenwerking van de evenwichtsverantwoordelijke met een toegangshouder

§ 1

Indien de evenwichtsverantwoordelijke zijn verplichtingen met betrekking tot het evenwicht op het net ten aanzien van een toegangshouder wil beëindigen, moet de evenwichtsverantwoordelijke dit vooraf aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder en aan de VREG melden.

§ 2

Voor het einde van de eerste werkdag na ontvangst van de melding brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de VREG op de hoogte van deze melding.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt voor het einde van de eerste werkdag na ontvangst van de melding contact op met de toegangshouder. Hierbij wijst de elektriciteitsdistributienetbeheerder de toegangshouder op zijn verplichting om meteen een nieuwe evenwichtsverantwoordelijke te vinden.

§ 4

De evenwichtsverantwoordelijke is niet langer verantwoordelijk voor het evenwicht op het toegangspunt uiterlijk op 0u00 lokale tijd op de 21e kalenderdag na de melding van de evenwichtsverantwoordelijke aan de VREG en de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De evenwichtsverantwoordelijke is eveneens niet langer verantwoordelijk voor het evenwicht op het toegangspunt vanaf het moment dat de toegang tot het net voor de toegangshouder beëindigd wordt of vanaf het moment dat een andere evenwichtsverantwoordelijke het evenwicht voor het toegangspunt overneemt.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt de evenwichtsverantwoordelijke zo snel mogelijk op de hoogte van de datum waarop hij niet langer verantwoordelijk is voor het evenwicht op de betreffende toegangspunten waarop hij door de toegangshouder als evenwichtsverantwoordelijke werd aangeduid, en dit uiterlijk twee dagen voor die datum. Dit bericht is niet verplicht, indien:
de datum waarop de evenwichtsverantwoordelijke niet langer verantwoordelijk is voor het evenwicht valt op de 21e kalenderdag na de melding van de evenwichtsverantwoordelijke aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder; of
de toegang tot het net van de toegangshouder onvoorbereid wordt beëindigd.