Art. 4.3.5. Wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker en gecombineerde wissel van elektriciteitsdistributienetgebruiker en toegangshouder

1

Elke wissel van een elektriciteitsdistributienetgebruiker op een allocatiepunt wordt door de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker gemeld aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder zodra hij daarvan op de hoogte wordt gebracht door de elektriciteitsdistributienetgebruiker. De elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting geeft hiertoe de datum van de wissel en de meterstand(en) op die datum door aan zijn toegangshouder. Zowel de wisseldatum als de wisselmeterstand(en) zijn bij voorkeur op tegenstelbare wijze tussen partijen vastgelegd. Dit kan gebeuren via het energieovernamedocument dat zowel ondertekend is door de uithuizende als de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar in afwezigheid van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.

2

De wisselmeterstanden worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald via n van onderstaande methodes, waarbij de volgorde van onderstaande methodes wordt gerespecteerd en waarbij gegevens opgenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder voorrang hebben in geval van betwisting:
1
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting:
op basis van de meterstand(en) verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum of, indien de elektriciteitsdistributienetbeheerder overgaat tot een meteropname op eigen initiatief of op vraag van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, door opname van de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse;
op basis van de meterstand(en) op tegenstelbare wijze vastgesteld conform 1 en door de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker overgemaakt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
op basis van de meterstand(en) op wisseldatum zoals bezorgd aan de toegangshouder door de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker;
bij gebrek aan bovenstaande, als er geen meterstand(en) bekend zijn of als uit de validatie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder blijkt dat deze meterstand(en) onbetrouwbaar zijn, op basis van een schatting van de meterstand(en) op de wisseldatum volgens de methodieken vermeld in Art.4.3.29.
2
Voor allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting of een toegangspunt van een aansluiting met een totale decentrale productie groter dan 10kVA:
op basis van de meterstanden of volumes verkregen doortele-opname op de wisseldatum;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder opgenomen meterstanden of volumes;
op basis van de door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgegeven en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstanden of volumes;
op basis van door de elektriciteitsdistributienetbeheerder berekende of geschatte meterstanden of volumes.

3

Als de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting de gevalideerde wisselmeterstand(en) en wisseldatum ontvangt van de elektriciteitsdistributienetbeheerder (doorgegeven door de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker) controleert hij of dit overeenkomt met de meterstand(en) en wisseldatum zoals doorgegeven door de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker.

4

Bij gebrek aan overeenstemming van wisselmeterstand(en) of wisseldatum, kan de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting een rectificatiebericht sturen.