Art. 4.3.6. Verhuis geļnitieerd door de uithuizende klant en niet-gemelde verhuis

§ 1

Elke toegangshouder neemt in zijn energiecontract met zijn klant de verplichting op dat een elektriciteitsdistributienetgebruiker op een allocatiepunt verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting steeds aan zijn toegangshouder en via zijn toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder moet melden dat hij verhuist en aan die toegangshouder en via zijn toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder de volgende gegevens moet verstrekken, tenzij hij aangeeft, conform Art. 2.3.2, dat het toegangspunt op het oude adres op zijn kosten buiten dienst mag worden gesteld:
de wisseldatum waarop hij het oude adres verlaat of verlaten heeft;
indien niet beschikbaar bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder door uitlezing op afstand, de wisselmeterstand(en) vastgesteld door de elektriciteitsdistributienetgebruiker op die datum;
de naam en contactgegevens van de nieuwe elektriciteitsdistributienetgebruiker of van de eigenaar van het gebouw of de installatie waaraan het allocatiepunt verbonden is.
Hierbij worden de wisseldatum en de wisselmeterstand(en) bij voorkeur op tegenstelbare wijze tussen partijen vastgelegd. De elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting kan hiervoor gebruik maken van het energieovernamedocument dat zowel ondertekend is door de uithuizende als de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar in afwezigheid van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.
Wanneer de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker zijn verhuis meldt, maar nalaat een of meerdere van deze gegevens vermeld in § 1 mee te delen en er geen wisselaanvraag op naam van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar volgt, meldt de toegangshouder de verhuis aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform § 3.

§ 2

In geval de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker de verhuis meldt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, wordt de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker geschrapt als elektriciteitsdistributienetgebruiker op het allocatiepunt op de in de aanvraag vermelde effectieve verhuisdatum. De toegangshouder blijft geregistreerd op het allocatiepunt tot ontvangst van de wisselaanvraag op naam van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar.

§ 3

Indien er geen wisselaanvraag op naam van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar ontvangen wordt, moet de toegangshouder van de uithuizende distributienetgebruiker de situatie binnen de termijn bepaald in art. 5.5.1 van het Energiebesluit melden aan de distributienetbeheerder. De uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker wordt geschrapt als elektriciteitsdistributienetgebruiker op het allocatiepunt op de in de aanvraag vermelde effectieve verhuisdatum. Na de melding blijft de toegangshouder ten laatste tot de termijn bepaald in art. 5.5.2 van het Energiebesluit geregistreerd op het allocatiepunt.

§ 4

De wisselmeterstanden worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald via een van onderstaande methodes, waarbij de volgorde van onderstaande methodes wordt gerespecteerd en waarbij gegevens opgenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder voorrang hebben in geval van betwisting:
op basis van de meterstand(en) verkregen door uitlezing op afstand op de wisseldatum;
op basis van de meterstand(en) op wisseldatum op tegenstelbare wijze vastgesteld en door de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker overgemaakt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
op basis van de meterstand(en) op wisseldatum zoals bezorgd aan de toegangshouder door de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker;
op basis van de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder op vraag van de toegangshouder ter plaatse opgenomen meterstand(en);
bij gebrek aan bovenstaande, als er geen meterstanden bekend zijn of als uit de validatie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder blijkt dat deze meterstanden onbetrouwbaar zijn, op basis van een schatting op de wisseldatum volgens de methodieken vermeld in Art. 4.3.29.

§ 6

Als de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting in geval van een verhuis geļnitieerd door de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker en een niet-gemelde verhuis, de gevalideerde wisselmeterstand(en) en wisseldatum ontvangt van de elektriciteitsdistributienetbeheerder (doorgegeven door de toegangshouder van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker) controleert hij of dit overeenkomt met de meterstand(en) en wisseldatum zoals doorgegeven door de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 7

Bij gebrek aan overeenstemming van wisselmeterstand(en) of wisseldatum, kan de toegangshouder van de inhuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting een rectificatiebericht sturen.

§ 8

Na de lancering van de verhuisaanvraag door de toegangshouder zoals bepaald in § 3 krijgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de opdracht om, voor een elektriciteitsdistributienetgebruiker met een kleinverbruiksmeetinrichting, de situatie op het allocatiepunt te regulariseren.

§ 9

Na het ontvangen van een door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker correct en volledig ingevuld regularisatiedocument, neemt de toegangshouder de nodige maatregelen om de levering op het betreffende allocatiepunt te regulariseren door het versturen van een wisselaanvraag, tenzij de toegangshouder deze distributienetgebruiker mag weigeren conform het Energiebesluit. De wisselaanvraag bevat als effectieve wisseldatum de datum vermeld op het regularisatiedocument, tenzij de verhuis van de uithuizende elektriciteitsdistributienetgebruiker lopende is, dan wordt de datum en wisselmeterstand conform Art. 4.3.6, § 4 bepaald.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet in een opvolging van de termijn tot regularisatie, waarbij er enkel rekening gehouden wordt met de regulaisatiedocumenten die voldoen aan de voorwaarden van deze paragraaf en die conform deze paragraaf door de toegangshouder moeten worden verwerkt.

§ 10

Als de levering op het allocatiepunt niet werd geregulariseerd na afloop van de termijn vermeld in § 3 en het toegangspunt niet buiten dienst werd gesteld, neemt de elektriciteitsdistributienet-beheerder, zoals bepaald in art. 5.5.2 van het Energiebesluit, de levering op het betreffende allocatiepunt over.