Afdeling 3.
Processen gekoppeld aan het verwerken van meetgegevens


Onderafdeling 1.
Validatie en correctie van meetgegevens


Art. 4.3.15. In rekening brengen van verliezen

§ 1

Als de meetuitrustingen die deel uitmaken van de meetinrichting zich niet ter hoogte van het toegangspunt bevinden, worden de meetgegevens aangepast op basis van een schattingsprocedure die rekening houdt met de fysische verliezen tussen het meetpunt en het toegangspunt.

§ 2

Op voorstel van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en na goedkeuring door de VREG kunnen in bepaalde gevallen verliezen stroomopwaarts van het toegangspunt en die betrekking hebben op de aansluiting van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, in de aanpassing worden meegerekend.

§ 3

Als de wijze van aanpassing niet is beschreven in het aansluitingscontract, zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria bepalen welke wijze het meest geschikt is.

§ 4

De fysische verliezen of verliezen stroomopwaarts worden beschouwd als onderdeel van de meetconfiguratie en worden geregistreerd door de distributienetbeheerder.

§ 5

Op eenvoudige schriftelijke aanvraag worden de fysische verliezen of verliezen stroomopwaarts en de manier waarop die de meetgegevens aanpassen, bekendgemaakt binnen tien werkdagen na de aanvraag aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker op het toegangspunt.

Art. 4.3.16. Time slicing

Als de datum van de meteropname niet samenvalt met de datum waarop de meterstand bekend moet zijn, herleidt de elektriciteitsdistributienetbeheerder die meterstand op basis van de schattingsprincipes, beschreven in Art. 4.3.29.

Art. 4.3.17. Correctie van meetgegevens

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder niet kan beschikken over de werkelijke meetgegevens of als hij van oordeel is dat de beschikbare resultaten niet betrouwbaar of foutief zijn, worden de meetresultaten in kwestie in het validatieproces vervangen door waarden die de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria billijk acht.

§ 2

De waarden waardoor de onbetrouwbare of foutieve gegevens worden vervangen zijn de waarden die de uitkomst vormen van een van de volgende schattingsprocedures waarbij de elektriciteitsdistributienetbeheerder onderstaande volgorde van schattingsprocedures respecteert:
redundante metingen;
andere meetresultaten die de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruikerter beschikking heeft;
vergelijking met de gegevens van een periode die als equivalent wordt beschouwd.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert een gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de validatie van meetgegevens die gebruikt worden voor de toewijzing van energiehoeveelheden voor facturatie in het kader van een energiecontract of toewijzing van energiehoeveelheden in kader van allocatie, reconciliatie of evenwicht op het net.

Onderafdeling 2.
Gebruiksprofielen


Art. 4.3.18.

§ 1

De verrekeningen in het kader van allocatie, reconciliatie en/of facturatie op een allocatiepunt zijn gebaseerd op een reeks gegevens die elk betrekking hebben op een elementaire periode zoals bepaald in Art. 3.1.2, § 2. Een reeks dergelijke gegevens wordt hierna gebruiksprofiel genoemd.

§ 2

Er worden twee soorten gebruiksprofielen onderscheiden: gemeten gebruiksprofielen en berekende gebruiksprofielen.

Art. 4.3.19.

§ 1

Voor alle allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting of een toegangspunt van een aansluiting met een totale decentrale productie groter dan 10 kVA, waarop het meetregime conform de standaard allocatiepuntpuntconfiguratie bepaald in Art 4.2.12 van toepassing is, geschiedt de verrekening, vermeld in Art. 4.3.18, § 1, op basis van het gemeten gebruiksprofiel, behoudens in die gevallen waar het meetregime conform Art 4.2.12. § 2 afwijkt van de standaard allocatiepuntconfiguratie.

§ 2

Voor alle allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een op afstand uitleesbare kleinverbruiksmeetinrichting, waarop de elektriciteitsdistributienetgebruiker conform Art. 4.2.13, § 2 de keuze heeft gemaakt voor de allocatiepuntconfiguratie bedoeld in Art. 4.2.13, § 3, geschiedt de verrekening, vermeld in Art. 4.3.18, § 1, op basis van het gemeten gebruiksprofiel.

Art. 4.3.20. Gebruik van berekende gebruiksprofielen

Voor alle allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een kleinverbruiksmeetinrichting, waarop het meetregime conform de standaard allocatiepuntconfiguratie bepaald in Art. 4.2.13 van toepassing is en voor alle allocatiepunten verbonden aan een toegangspunt met een grootverbruiksmeetinrichting waarop het meetregime afwijkt van de standaard allocatiepuntconfiguratie conform Art 4.2.12. § 2, geschiedt de verrekening, vermeld in Art. 4.3.18, § 1, op basis van een berekend gebruiksprofiel toegewezen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 4.3.21.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is belast met het beheer van de gemeten en berekende gebruiksprofielen en deelt elke wijziging, in de mate dit relevant is in het kader van de toegang tot het net, mee aan de betrokken toegangshouder.

Art. 4.3.22. Classificatie van berekende gebruiksprofielen

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt een set van berekende gebruiksprofielen op voor elektriciteitsdistributienetgebruikers zonder registratie van het gemeten gebruiksprofiel. Het van toepassing zijnde gebruiksprofiel kan bepaald worden op basis van objectieve criteria, zoals de van toepassing zijnde tariefperioden, de aan- of afwezigheid van decentrale productie op het toegangspunt, het type elektriciteitsdistributienetgebruiker, het aansluitingsvermogen en de historische verbruiksgegevens. Volgende types van berekende gebruiksprofielen zijn mogelijk:
Synthetisch lastprofiel (SLP);
Synthetisch productieprofiel (SPP);
Reële lastprofielen (RLP).

§ 2

De set van berekende gebruiksprofielen vermeld in § 1 wordt goedgekeurd door de VREG. De synthetische profielen vermeld in °1 en °2 worden goedgekeurd door de VREG en gepubliceerd voor het volgende kalenderjaar.

§ 3

De set van berekende gebruiksprofielen vermeld in § 1 kan te allen tijde worden gewijzigd op basis van een statistische studie van werkelijk gemeten gebruiksprofielen, of op basis van de vastgestelde residu's bij de allocatie. De wijzigingen in de classificatie van de synthetische profielen worden ter goedkeuring voorafgaandelijk aan de VREG voorgedragen.

§ 4

Uiterlijk op 30 november van elk jaar moet de elektriciteitsdistributienetbeheerders, behoudens voor reële lastprofielen, na overleg met de toegangshouders, nieuwe berekende gebruiksprofielen voor het komende kalenderjaar voorstellen aan de VREG.

§ 5

De VREG publiceert de gebruiksprofielen vermeld in § 4 op zijn website met vermelding van de datum waarop ze van kracht worden.

Art. 4.3.23.
Voor de toegangspunten zonder registratie van het gebruiksprofiel slaat de elektriciteitsdistributienetbeheerder die gegevens op die hem in staat stellen om het gebruiksprofiel te herberekenen.

Onderafdeling 3.
Forfaitair bepaalde afname


Art. 4.3.24.
Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt de elektriciteitsafname van een op het elektriciteitsdistributienet aangesloten installatie forfaitair bepaald zonder de plaatsing van een meetinrichting, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de installatie heeft een aansluitingsvermogen dat beperkt is tot 1,4 kVA, dient voor de openbare verlichting of heeft een aansluitingsvermogen dat beperkt is tot 10 kVA en een gebruiksduur van minstens 4000 uur per jaar;
het afnamepatroon is bekend;
op de installatie kan geen aanvullende apparatuur worden aangesloten.

Art. 4.3.25.
De forfaitaire elektriciteitsafname wordt bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, afhankelijk van het afgenomen vermogen en de geplande gebruiksduur van de installatie. De VREG kan richtlijnen vastleggen ter bepaling van de afname en de toepassing van de afnameforfaits door alle elektriciteitsdistributienetbeheerders.

Art. 4.3.26.
Voor de vaststelling van het afgenomen vermogen kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, na overleg, een beroep doen op een geaccrediteerd laboratorium. De kosten van de vaststelling van het afgenomen vermogen worden gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. 4.3.27.
De elektriciteitsafname van de installaties in kwestie wordt verrekend volgens het meest aangewezen berekende gebruiksprofiel.

Art. 4.3.28.
De overeenkomst met betrekking tot de forfaitaire bepaling van de elektriciteitsafname moet opgenomen worden in een contract als aanvulling van het aansluitingsreglement. In dit document kunnen eveneens aanvullende bepalingen over levensduur en slijtage van de installaties opgenomen worden.

Onderafdeling 4.
Schattingen


Art. 4.3.29. Schatting van afname of injectie

§ 1

De afname of injectie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker zonder registratie van het gebruiksprofiel in de periode tussen twee meteropnames kan geschat worden op basis van de totale afname of injectie over de vorige periode, op basis van de typisch gemiddelde afname of injectie van een vergelijkbaar type van eindafnemer over eenzelfde periode of op basis van hettoegangsvermogen of een latere testmeting over een relevante periode.

§ 2

Van zodra de meterstanden voor een allocatiepunt voor een afgelopen periode van minstens 2 opeenvolgende periodieke meteropnameperiodes werden geschat, kan, vanaf de tweede opeenvolgende schatting, een correctie op de schatting worden toegepast volgens een door de VREG goedgekeurde methodiek op voorstel van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert een gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de schatting. In geval een aangepaste schatting van toepassing is, gebeurt dit op de daartoe voorafgaandelijk, in overleg met de toegangshouders overeengekomen en in de UMIG gepubliceerde werkwijze.

Art. 4.3.30. Schattingsgronden voor afname of injectie

In de volgende gevallen mag een meterstand of afname of injectie geschat worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder overeenkomstig de bepalingen in Art. 4.3.29:
als in geval van een niet op afstand uitleesbare meetinrichting de meteropnamekaart “onbezorgd” teruggestuurd werd en een elektriciteitsdistributienetgebruiker niet tijdig reageert op de hem toegestuurde meteropnamekaart;
als werd vastgesteld dat een meetinrichting gedurende een bepaalde periode niet of incorrect de afname of injectie registreerde. In dat geval wordt de afname of injectie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Art. 4.3.33;
als werd vastgesteld dat meetgegevens van een allocatiepunt gedurende een bepaalde periode incorrect werden verwerkt en ter beschikking gesteld door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. In dat geval wordt de afname of injectie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Art. 4.3.33;
als werd vastgesteld dat een elektriciteitsdistributienetgebruiker gedurende een bepaalde periode onrechtmatig elektriciteit afnam van het elektriciteitsdistributienet en dit niet of slechts gedeeltelijk geregistreerd werd door een meetinrichting. In dat geval wordt de afname of injectie over die periode herberekend;
in toepassing van Art. 4.3.36.

Art. 4.3.31. Schatting van productie

§ 1

Indien de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meetgegevens met betrekking tot de productie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker gebruikt in het kader van allocatie, reconciliatie, facturatie en/of voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroom- en/of warmtekrachtcertificaten en garanties van oorsprong (in uitvoering van het Energiebesluit), kan de productie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker zonder registratie van het gebruiksprofiel in de periode tussen twee meteropnames geschat worden. Deze schatting gebeurt in dat geval op basis van de totale productie over de vorige periode, op basis van de gemiddelde productie van een vergelijkbaar type van elektriciteitsdistributienetgebruiker over eenzelfde periode, op basis van een andere meting voor een relevante periode, of op basis van het geïnstalleerd vermogen van de omvormer in combinatie met een relevante gebruiksduur.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert een gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de schatting.

Art. 4.3.32. Schattingsgronden voor productie

In de volgende gevallen mag een meterstand of geproduceerde hoeveelheid energie geschat worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, voor zover deze gegevens nodig zijn voor doeleinden van allocatie, reconciliatie, facturatie en/of voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroom- en/of warmtekrachtcertificaten en garanties van oorsprong (in uitvoering van het Energiebesluit, overeenkomstig de bepalingen in Art. 4.3.29:
als werd vastgesteld dat een meetinrichting gedurende een bepaalde periode niet of incorrect de productie registreerde of de meetuitrusting bij controle niet aan de vereisten opgenomen in BIJLAGE III - Vereisten voor meetuitrustingen of aan vereisten van certificatie of keuring blijkt te voldoen. In dat geval wordt de productie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Art. 4.3.33;
als werd vastgesteld dat een elektriciteitsdistributienetgebruiker gedurende een bepaalde periode foutieve productiemeterstanden heeft doorgegeven en de meetuitrusting niet op eenduidige wijze de productie weerspiegelt. In dat geval wordt de productie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Art. 4.3.33.

Onderafdeling 5.
Rechtzettingen


Art. 4.3.33.
Mogelijke fouten in de informatie van een toegangspunt of allocatiepunt met betrekking tot de uitgewisselde meetgegevens worden door de toegangshouder en de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk aan elkaar gemeld. Daartoe stellen zij gezamenlijk een meldings- en afhandelingsprocedure op en beschrijven die in de UMIG. Typefouten of groepen van fouten en de bijbehorende behandeling worden beschreven in een catalogus die wordt geactualiseerd op basis van overleg tussen toegangshouders en elektriciteitsdistributienetbeheerders.

Art. 4.3.34.
De meldings- en afhandelingsprocedure en de in de UMIG beschreven behandeling bevatten minstens volgende stappen:
De toegangshouder of elektriciteitsdistributienetbeheerder meldt de fout aan de andere partij, met aanduiding van de typefout;
De andere partij beoordeelt de gemelde fout, met terugmelding van de aanvaarding of verwerping van dat bericht binnen twee kalenderdagen na ontvangst. Bij aanvaarding wordt door de ontvangende partij een uniek referentienummer aan de foutmelding toegekend;
De aanvaarde foutmelding wordt behandeld conform de procedure en het tijdschema die in de UMIG vastgelegd zijn;
Beide partijen communiceren met elkaar over de nodige wijzigingen in de uitgewisselde meetgegevens ter correctie van de fout. Beide partijen nemen de nodige maatregelen om die fout in de eigen gegevensbestanden en processen recht te zetten;
Andere processen en verrekeningen worden al dan niet met terugwerkende kracht (nettarieffactuur, allocatie, reconciliatie) tussen beide partijen gelijktijdig rechtgezet, als dat is overeengekomen tussen toegangshouders en elektriciteitsdistributienetbeheerders en zoals vastgelegd in de UMIG.

Art. 4.3.35.

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan met inachtname van de periode gespecifieerd in Art. 4.3.36, zijn afgenomen, geïnjecteerde of geproduceerde energiehoeveelheden of zijn meterstanden die gebruikt worden voor de berekening van de afgenomen, geïnjecteerde of geproduceerde energiehoeveelheden betwisten bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of, indien ze doorgegeven zijn via zijn toegangshouder, bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder via zijn toegangshouder.

§ 2

In uitzondering op voorgaande paragraaf kunnen schattingen van meetgegevens in de specifieke gevallen, vermeld in Art. 3.3.3 en Art. 3.3.4, niet betwist worden, tenzij de elektriciteitsdistributienetgebruiker aangeeft dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder een fout heeft gemaakt bij het toepassen van de schattingsmethodieken, beschreven in Art. 4.3.29 en Art. 4.3.31.

§ 3

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker een nieuwe fysieke meteropname aanvragen bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder overeenkomstig Art. 3.3.3, § 7. Als die meteropname uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, worden de kosten voor die meteropname gedragen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. In dat geval worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Art. 4.3.33.

§ 4

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een meteropname door de elektriciteitsdistributienetgebruiker zelf via een meteropnamekaart, wordt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker de mogelijkheid geboden nieuwe (actuele) meterstanden door te geven aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als die meteropname uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Art. 4.3.33.

§ 5

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een schatting of correctie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, met uitzondering van de gevallen vermeld in Art. 3.3.3. en Art. 3.3.4. waarbij de geschatte meterstand niet meer betwist kan worden, wordt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker de mogelijkheid geboden nieuwe (actuele) meterstanden door te geven aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als die meteropname uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Art. 4.3.33.

§ 6

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een schatting of correctie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker aangeeft dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder een fout heeft gemaakt bij het toepassen van de schattingsprincipes, onderzoekt de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen tien werkdagen of hij een fout heeft gemaakt bij het toepassen van de schattingsmethodieken. Als dit onderzoek uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, herschat de elektriciteitsdistributienetbeheerder de betwiste meterstanden en worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Art. 4.3.33.

Art. 4.3.36.

§ 1

Wanneer een elektriciteitsdistributienetbeheerder overgaat tot een rechtzetting van afgenomen, geïnjecteerde of, indien van toepassing, geproduceerde energiehoeveelheden vooreen allocatiepunt of de inbreng van afgenomen, geïnjecteerde of, indien van toepassing, geproduceerde energiehoeveelheden voor een allocatiepunt waarvoor in het verleden geen energiehoeveelheden beschikbaar waren (spontaan, op vraag van een toegangshouder of een elektriciteitsdistributienetgebruiker) moet hij zich houden aan volgende voorwaarden:
De tijdspanne waarvoor de rechtzetting of inbreng kan, behoudens kwade trouw, maximaal plaatsvinden is:
voor allocatiepunten met een jaarlijkse opnamefrequentie voor facturatie:
o
vanaf de eerste dag van de laatste 2 periodieke meteropnameperiodes;
o
tot aan de dag van de gevalideerde meteropname die aanleiding gaf tot de rechtzetting;
o
met de beperking dat de periode van de rechtzetting of inbreng ten vroegste kan aanvangen op de eerste dag van de maand volgend op de 2 maanden die volgen op de maand van de eindreconciliatie, die geldt op het moment van de rechtzetting;
o
eventuele tussenliggende meteropnames vormen hierop geen uitzondering;
voor allocatiepunten met een maandelijkse opnamefrequentie voor facturatie: de laatste 24 volledig opgenomen maanden;
voor continu gemeten allocatiepunten: voor de elementaire meetgegevens die overeenstemmen met de laatste 24 volledig opgenomen maanden.
Voor een allocatiepunt zet de elektriciteitsdistributienetbeheerder de in het verleden ontbrekende, geschatte of foutief toegewezen energiehoeveelheden als volgt recht: de elektriciteitsdistributienetbeheerder verdeelt de nieuwe energiehoeveelheid over de periode tijdens dewelke deze energiehoeveelheid werd verbruikt, afgenomen, geïnjecteerd of, indien van toepassing, geproduceerd en dit volgens de schattingsregels zoals bepaald in Onderafdeling 4. – Schattingen van de marktcode. Voor de rechtzetting weerhoudt hij het aandeel uit deze verdeling van de tijdspanne van de rechtzetting zoals bepaald volgens 1°;
De tarieven die gehanteerd worden voor de facturatie van de rechtzetting of inbreng van deze energiehoeveelheden zijn de tarieven die gehanteerd werden in de verbruiks- of injectieperiode waarvan de energiehoeveelheden rechtgezet of ingebracht worden;
Deze rechtzetting of inbreng van energiehoeveelheden sluit evenwel de mogelijkheid tot een gemeenrechtelijke schadevergoeding niet uit.

§ 2

De voorwaarden bepaald in § 1 gelden ook voor de toegangshouder(s) die deze rechtzetting zal/zullen factureren aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 3

De voorwaarden bepaald in § 1 gelden ook voor rechtzetting of inbreng van gegevens andere dan door de distributienetbeheerder aan de toegangshouder bezorgde energiehoeveelheden voor de facturatie aan een elektriciteitsdistributienetgebruiker in het kader van een energiecontract.

§ 4

In afwijking van § 1,1° wordt in ieder geval de rechtzetting van energiehoeveelheden niet beperkt tot de laatste 2 periodieke meteropnameperiodes voor toegangspunten met een jaarlijkse opnamefrequentie voor facturatie of tot de laatste 24 opnamemaanden voor toegangspunten met een maandelijkse opnamefrequentie voor facturatie als het gaat om een rechtzetting die het gevolg is van een foutieve registratie door de elektriciteitsdistributienetbeheerdervan gegevens met betrekking tot een allocatiepunt in het toegangsregister, als deze rechtzetting in het voordeel van de elektriciteitsdistributienetgebruiker is. In deze gevallen wordt de rechtzettingstermijn beperkt tot 5 jaar, te rekenen vanaf het moment dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de toegangshouder kennis heeft genomen van de foutieve registratie in het toegangsregister.

§ 5

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan een rechtzetting bedoeld in § 1 betwisten via zijn toegangshouder bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder tot twee jaar na ontvangst van de factuur die de rechtzetting vermeldt.