Afdeling 1.
Algemeen


Art. 7.3.1.

§ 1

De beheerder van het gesloten distributienet rust zijn net uit met voldoende meetinrichtingen opdat de afgenomen en geïnjecteerde energiehoeveelheden door middel van meetgegevens aan alle achterliggende toegangspunten kunnen toegewezen worden. De aan elk achterliggend toegangspunt toegewezen hoeveelheid afgenomen of geïnjecteerde energie wordt bepaald door minstens één meetinrichting.

§ 2

In afwijking van § 1 kunnen de afgenomen energiehoeveelheden ook forfaitair bepaald worden op basis van een overeengekomen verbruiksprofiel. In voorkomend geval maakt de beheerder van het gesloten distributienet de technische voorschriften die deze werkwijze toelichten bekend.

Art. 7.3.2.
Indien de beheerder van het gesloten distributienet zelf instaat voor de taken met betrekking tot de meetinrichtingen, hanteert hij dezelfde termijnen als deze die van toepassing zijn voor een elektriciteitsdistributienetbeheerder zoals vermeld onder Artikelen 3.1.22, 3.1.23, 3.1.26, 3.1.29, 3.2.5 en 3.2.7 van de meetcode.

Art. 7.3.3.
De meetinrichting op een achterliggend toegangspunt voldoet aan de minimale nauwkeurigheidsvereisten opgelegd aan de elektriciteitsdistributienetbeheerders bepaald in artikel 3.1.17, § 1 en § 2 van de meetcode zodra een andere partij dan de gesloten distributienetbeheerder voorziet in (een deel van) de levering op dat achterliggend toegangspunt en in elk geval bij een vervanging van de meetinrichting of de plaatsing van een nieuwe meetinrichting voor het achterliggend toegangspunt, voor zover geen andere regelgeving ter zake geldt.