Afdeling 2.
Storingen en fouten


Art. 7.3.4.
De beheerder van het gesloten distributienet voorziet in een procedure voor meldingen door de achterliggende netgebruiker van storingen of fouten bij de meting. Een achterliggende netgebruiker kan daarbij aan de beheerder een controle van de meetinrichting vragen.

Art. 7.3.5.
Een fout bij de meting wordt als significant beschouwd als ze groter is dan toegestaan is krachtens de toepasbare nauwkeurigheidsvereisten conform Art. 3.1.17 van de Meetcode.

Art. 7.3.6.
De beheerder van het gesloten distributienet zorgt ervoor dat een storing bij de meting of bij de dataoverdracht in een meetuitrusting die hij beheert, verholpen wordt binnen een termijn van zeven werkdagen tenzij anders vastgelegd in overleg met de achterliggende netgebruiker.

Art. 7.3.7.
De beheerder van het gesloten distributienet zorgt ervoor dat een fout, een defect of een onnauwkeurigheid aan de meetinrichting waarvoor hij verantwoordelijk is, verholpen wordt binnen een termijn van zeven werkdagen tenzij anders vastgelegd in overleg met de achterliggende netgebruiker.

Art. 7.3.8.
De beheerder van het gesloten distributienet draagt de kosten, verbonden aan de acties vermeld in Art. 7.3.7, als een significante fout kon worden vastgesteld. In het andere geval worden ze gedragen door de achterliggende netgebruiker die de controle aanvroeg.