DEFINITIES ONTSPANNINGSINRICHTINGEN (Hoofdstuk 5.32.)
LOKALEN MET DANSGELEGENHEID (afdeling 5.32.2.) [...]
SCHOUWSPELZALEN (afdeling 5.32.3. en 5.32.4.)

- "langs boven met mechanische toestellen uitgerust": bovenste gedeelte van de toneelkooi (toneelzoldering) met uitgerust rooster, dat de behandeling en het bergen van onderdelen van schermen tijdens de vertoning, voor of na het gebruik ervan op het toneel, mogelijk maakt;

- "langs onder met mechanische toestellen uitgerust": ruimte gelegen onder het plateau (toneelvloer) uitgerust met één of meerdere mechanische toestellen die het bedienen of het bergen van één of meerdere schermen mogelijk maken;

- "uitgerust rooster": een opengewerkte zoldering, die de katrollen of de takels van de toneeluitrusting draagt, het is te zeggen, een geheel van koorden (kabels), katrollen, machines (windassen, trommels, tegengewichten, enz.) en draagbomen, dat de behandeling van onderdelen van schermen en van opgehangen verlichtingstoestellen toelaat.

- "brandwerendheid (of brandweerstand)": het vermogen van een bouwelement om gedurende een bepaalde tijdsduur te voldoen aan de voor de standaardproef voor de brandwerendheid gespecificeerde criteria ten aanzien van de dragende functie, de vlamdichtheid of thermische isolatie. De brandweerstand van constructie-elementen wordt aangegeven overeenkomstig het Europees classificatiesysteem van de brandweerstand, ingevoerd met de beschikking 2000/367/EG van de Commissie van 3 mei 2000 ter uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad inzake de indeling van voor de bouw bestemde producten, bouwwerken en delen daarvan in klassen van materiaalgedrag bij brand;

- "brandreactie": het geheel van eigenschappen die een invloed hebben op het ontstaan en de uitbreiding van een brand. De classificatie van de brandreactie wordt aangegeven overeenkomstig de beschikking 2000/147/EG van de Europese Commissie van 8 februari 2000 ter uitvoering van Richtlijn 89/106/EEG.

SCHIETSTANDEN IN LOKAAL (afdeling 5.32.7.)

- "schietstand": een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat minimum uit de volgende ruimten bestaat:

de schietruimte: de ruimte waar effectief geschoten wordt en waarin zich de schietzone bevindt;
de schietzone: de ruimte tussen de schutter en het objectief;

en waarin zich verder ook de volgende lokalen kunnen bevinden:

de wapenkamer: de ruimte waar wapens en munitie opgeslagen worden;
de onderhoudsplaats: de ruimte waar de wapens gebruiksklaar gemaakt of onderhouden worden voor of na het schieten;
de berging: de ruimte waar de schijveninstallatie wordt opgeborgen; deze ruimte dient te grenzen aan de schietruimte;
SCHIETSTANDEN OPEN LUCHT (afdeling 5.32.8.)

- "schietstand": het geheel van werpmachines, schietplaats en schietveld dat dienstig is voor één bepaalde discipline;

- "schietterrein": het geheel van de percelen waarop een schietstand ingericht is;

- "schietveld": het gedeelte van het schietterrein, te rekenen vanaf de standplaats der schutters, dat bij normaal schietgedrag kan bestreken worden door de projectielen;

- "werpplaats": plaats waar de werpmachine(s) opgesteld is (zijn);

- "schietplaats": plaats waar de schutters plaatsnemen wanneer zij schieten;

- "operatoren": de personen bij de werpmachines, die deze rechtstreeks bedienen;

- "werpleider": de persoon die vanop afstand de machine bedient of bevelen geeft aan de operatoren.

- “traditioneel buksschieten”: het schieten met een zware buks vanaf een vaste aanlegpaal op een hark in de buitenlucht. Het schieten vindt plaats in een schietstand, gekoppeld aan een folkloristische schuttersgilde;

- “HLTS”: de handreiking Limburgs traditioneel schieten opgemaakt onder de hoede van het college van gedeputeerde staten van Limburg (Nederland);

- “aanlegpaal”: een paal met bovenaan een horizontale steunbalk waarop de zware buks steunt tijdens het schieten;

- “hark”: schietdoel dat bestaat uit drie of vijf staanders, die elk weer voorzien zijn van dwarslatjes waarop houten bolletjes of blokjes zijn aangebracht;

- “schietboom”: een paal waarop de hark is aangebracht;

- “ogief”: de voorkant van een kogel;

- “affuit”: voorziening waarin de buks wordt geklemd op de aanlegpaal en die zo kan worden afgesteld dat de bewegingsvrijheid van de buks voldoende beperkt wordt om alle kogels in de kogelvanger af te vangen;

- “buksmeester”: functionaris die er tijdens schietactiviteiten verantwoordelijk voor is dat de regelgeving wordt nageleefd.

ZWEMBADEN (afdeling 5.32.9.)

- "vaste baden":

a) zwem-, instructie-, en stoeibaden , al dan niet overdekt, met uitzondering van inrichtingen binnen privé-woningen die niet worden opengesteld tegen enige directe of indirecte vergoeding;
b) hot whirlpools, zijnde circulatiebaden voorzien van zitbanken met maximale diepte van 1 meter, waarin er vanuit de bodem of wand lucht geïnjecteerd wordt en die gevuld worden met water van meer dan 32° C;
c) plonsbaden, zijnde onverwarmde openlucht baden met een diepte van maximum 35 cm, continu doorstroomd met vers suppletiewater;
d) dompelbaden, zijnde baden, continu doorstroomd met vers suppletiewater, met een maximale diameter van 2.5 m, met temperaturen beneden de 20° C met als doel een kortstondige, plotse afkoeling van de gebruiker door middel van onderdompeling;
e) therapiebaden, zijnde circulatiebaden welke uitsluitend aangewend worden voor medische behandelingsdoeleinden.

- "zwemgelegenheden en waterrecreatie": vijvers, meren en waterlopen evenals inrichtingen voor waterrecreatie waar één of meerdere van volgende activiteiten worden beoefend: zwemmen, duiken, windsurfen, waterskiën, met uitzondering van zeebadzones.

- “vers water”: water dat voldoet aan de volgende kwaliteitsvereisten:

parameter

parameterwaarde

Escherichia coli

0 / 100 ml

enterokokken

0 / 100 ml

Pseudomonas aeruginosa

0 / 100 ml

totaal kiemgetal bij 22°C

≤ 100 / ml

totaal kiemgetal bij 37°C

≤ 20 / ml

pathogene micro-organismen en parasieten

afwezig

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen op advies van de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid, andere kwaliteitseisen worden opgelegd.

OMLOPEN VOOR MOTORVOERTUIGEN (afdeling 5.32.10.)

- “motorvoertuig”: voertuig aangedreven door een verbrandingsmotor, ongeacht de gebruikte brandstof;

- “motorvaartuig”: vaartuig aangedreven door een verbrandingsmotor, ongeacht de gebruikte brandstof;

- "omloop": de in niet gesloten ruimten en niet op de openbare weg of openbare waterweg gelegen terreinen of wateren, of gedeelten van terreinen of wateren, waarop snelheidswedstrijden, hinderniswedstrijden, testritten, oefenritten of ander recreatief gebruik van motorvoertuigen plaatsvindt;

- "stilte-behoevende inrichting": verplegingsinrichting, bejaardentehuis, wetenschappelijke en onderwijsinrichting, cultureel centrum, openbare bibliotheek of museum, in gebruik tijdens de exploitatie van een omloop voor motorvoertuigen;

- "natuurreservaat, natuurpark, bosreservaat": de gebieden als bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, als bedoeld in het Bosdecreet van 13 juli 1990 en als bedoeld in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.

Digitale bioscopen (afdeling 5.32.5bis)

1° ″digitale bioscoop″ : een inrichting waar als hoofdactiviteit beelden op een scherm worden geprojecteerd met behulp van een digitale cinema projector en geluiden worden weergegeven met behulp van een digitale cinema audio processor;

2° ″geluidzorgsysteem″ : de geschreven en voor het publiek toegankelijke regels en richtlijnen met betrekking tot het uitbaten en het onderhouden van een digitale bioscoop met het oog op de zorg voor het geluid en het beheersen van de geluidsniveaus in de bioscoop, met inbegrip van de toepasselijke in de sector geldende standaarden en de bij de betrokken beroepscategorie algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap.

HIPPOTHERAPIE
hippotherapie: het doelgericht therapeutisch (be)handelen met het paard als medium.