DEFINITIES OPPERVLAKTEWATER- EN GRONDWATERBESCHERMING (INTEGRAAL WATERBELEID) (hoofdstukken 2.3, 4.2, 5.3 en 6.2 (oppervlaktewater) en 2.4, 4.3, 5.52, 5.53, 5.54, 5.55 en 6.9 (grondwater)
INTEGRAAL WATERBELEID (EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid)

De begrippen en definities, vermeld in artikel 3, § 2, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en de definities, vermeld in artikel 2 van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer zijn ook van toepassing op dit besluit.

ALGEMEEN

[...]

- "estuarium": het overgangsgebied aan de monding van een rivier, tussen zoet water en kustwateren;

- "hemelwater": verzamelnaam voor regen, sneeuw en hagel, met inbegrip van dooiwater;

- "bemalingswater": opgepompt grond- en bodemwater;

- "bodemwater": het water aanwezig in de onverzadigde zone tussen het aardoppervlak en de grondwatertafel;

- "lozing van afvalwater": de emissie van afvalwater door daartoe bestemde afvoerkanalen;

[...]

- "gewone oppervlaktewateren": alle oppervlaktewateren met uitzondering van de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater en de openluchtgreppels, behorend tot de openbare riolering;

- "openbare riolering": het geheel van openbare leidingen en openluchtgreppels bestemd voor het opvangen en transporteren van afvalwater;

- "gescheiden riolering": een dubbel stelsel van leidingen of openluchtgreppels waarvan het ene stelsel bestemd is voor het opvangen en transporteren van afvalwater en het andere stelsel bestemd is voor de afvoer van hemelwater;

- "collector(en)": de bovengemeentelijke openbare leidingen die bestemd zijn om de openbare riolering te verbinden met een openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie en die beheerd worden door de in art. 32 septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging bedoelde vennootschap;

- "openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie": een openbare installatie waarin afvalwater wordt gezuiverd; hiermee worden gelijkgesteld de installaties die beheerd worden door de in art. 32 septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging bedoelde vennootschap;

[...]

[...]

[...]

- "kunstmatige afvoerweg voor hemelwater": de greppels, grachten, duikers en leidingen bestemd voor het afvoeren van hemelwater, bodemwater, grondwater, bemalingswater en desgevallend ook afvalwater, behandeld conform de van toepassing zijnde wetgeving;

- "individuele voorbehandelingsinstallatie" : septische putten of gelijkaardige inrichtingen voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater ter verwijdering van vetstoffen, bezinkbare en drijvende stoffen;

- "septisch materiaal": bijzondere afvalstoffen afkomstig van septische putten resulterend uit bezinkingsprocessen en biologische omzettingsprocessen.

- "eutrofiëring": aanrijking van het oppervlaktewater door voedingsstoffen, vooral stikstof- en fosforverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en verslechtering van de waterkwaliteit;

- "sanering" : het ondernemen van alle acties nodig voor de organisatie en de uitvoering van het opvangen, transporteren, collecteren en zuiveren van afvalwater;

- "het centrale gebied" : het deel van het gemeentelijke grondgebied dat geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van een of meer agglomeraties;

- "het buitengebied" : het deel van het gemeentelijke grondgebied dat niet binnen het centrale gebied ligt;

- "het collectief geoptimaliseerde buitengebied" : het deel van het buitengebied waar, om de bestaande sanering van het afvalwater te optimaliseren, gekozen is voor collectieve inzameling en zuivering en waar die reeds gerealiseerd is;

- "het collectief te optimaliseren buitengebied" : het deel van het buitengebied waar, om de bestaande sanering van het afvalwater te optimaliseren, gekozen is voor collectieve inzameling en zuivering en waar die nog te realiseren is

- "het individueel te optimaliseren buitengebied" : het deel van het buitengebied waar, om de bestaande sanering van het afvalwater te optimaliseren, gekozen is voor individuele afvalwaterzuivering en waar voor de burger overeenkomstig dit besluit een individuele zuiveringsplicht geldt;

- "het gemeentelijk zoneringsplan" : het plan dat voor een gemeente een onderscheid maakt tussen de gebieden met collectieve sanering en de gebieden met individuele sanering. In het centrale gebied werd reeds in collectieve sanering voorzien;

- "het uitvoeringsplan" : het plan dat de uitvoering en de timing van de projecten regelt met betrekking tot de gemeentelijke en de bovengemeentelijke saneringsverplichting, evenals de noodzakelijke afstemming van de projecten;

- "individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater" of IBA : een lekvrije installatie die huishoudelijk afvalwater behandelt tot de vooropgestelde normen.

- afvalwater: het verontreinigde water waarvan men zich ontdoet, zich moet ontdoen of de intentie heeft zich van te ontdoen, met uitzondering van hemelwater dat niet in aanraking is geweest met verontreinigende stoffen;

- bedrijfsafvalwater: alle afvalwater dat niet voldoet aan de bepalingen van huishoudelijk afvalwater of koelwater;

- huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat alleen bestaat uit het water dat afkomstig is van:

normale huishoudelijke activiteiten;
sanitaire installaties;
keukens;
het reinigen van gebouwen, zoals woningen, kantoren, plaatsen waar groot- of kleinhandel wordt gedreven, zalen voor vertoningen, kazernen, kampeerterreinen, gevangenissen, onderwijsinrichtingen met of zonder internaat, zwembaden, hotels, restaurants, drankgelegenheden, kapsalons;
wassalons, waar de toestellen uitsluitend door het cliënteel zelf worden bediend.

 

Afvalwaterstromen van verzorgingsinstellingen die voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.49.0.4, worden voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met huishoudelijk afvalwater;

- koelwater: het water dat in de nijverheid voor afkoeling gebruikt wordt en dat niet in aanraking is gekomen met af te koelen stoffen of met andere verontreinigende stoffen;

- grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;

- gevaarlijke stoffen: met toepassing van artikel 1.4.1.2, §5, en bijlage 2 van dit besluit, afdeling 2.4.3, 4.2.2, 4.2.3, 4.2.5 en 4.3.1, artikel 2.3.6.1, 5.3.2.4, §7, 5BIS.15.5.4.3.4, 5BIS.15.5.4.3.5, 5BIS.19.8.4.5.4 en 5BIS.19.8.4.5.5, artikel 3 van bijlage 2.3.1 en bijlage 5.3.2, 21 van dit besluit, de toxische, persistente en bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen en andere stoffen of groepen van stoffen die aanleiding geven tot evenveel bezorgdheid;

- ontvangend waterlichaam: oppervlaktewater, grondwater en overgangswater als vermeld in artikel 3, §2, 3°, 4° en 10°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid;

- prioritaire stoffen: de stoffen die conform artikel 3, §2, 19°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid zijn opgesomd in lijst III van bijlage 2C bij dit besluit. Tot die stoffen behoren prioritaire gevaarlijke stoffen waarvoor maatregelen moeten worden getroffen conform artikel 5, eerste lid, 2°, van het voormelde decreet;

- verontreinigende stoffen: iedere stof die tot verontreiniging kan leiden, als vermeld in bijlage 2A, die bij dit besluit is gevoegd;

- directe lozing in grondwater: de inleiding van stoffen, vermeld in bijlage 2 B, die bij dit besluit is gevoegd, in het grondwater zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond;

- indirecte lozing in grondwater: de inleiding van stoffen, vermeld in bijlage 2 B, die bij dit besluit is gevoegd, in het grondwater na doorsijpeling door bodem of ondergrond;

- watervoerende laag: een of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;

MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR OPPERVLAKTEWATER (UITGEZONDERD BEHEER VAN ZWEMWATERKWALITEIT)

- "oppervlaktewater":

 

- het stilstaande of stromende zoet, brak of zout water dat permanent of op geregelde tijdstippen op natuurlijke of kunstmatige wijze een deel van het aardoppervlak inneemt en dat deel uitmaakt van een waterhuishoudkundig systeem;
- het stilstaande water dat permanent of op geregelde tijdstippen op natuurlijke wijze een deel van het aardoppervlak inneemt, dat niet in verbinding staat met het waterhuishoudkundig systeem maar wordt gevoed door hemelwater;

 

- "zoetwatergrens": de plaats in een waterloop waar bij hoog tij en in een periode met gering zoetwaterdebiet, het zoutgehalte stijgt ten gevolge van de aanwezigheid van al dan niet fossiel zeewater;

- "brak water": de wateren waarvan het chloridegehalte op natuurlijke wijze 600 mg Cl/l kan overschrijden;

- "zoet water": de oppervlaktewateren in het binnenland tot de plaats waar bij hoog tij en in een periode met gering zoetwaterdebiet, het zoutgehalte stijgt ten gevolge van de aanwezigheid van zeewater;

- "drinkwater A1, A2 en A3" : de niet brakke oppervlaktewateren bestemd voor de produktie van drinkwater vermeld in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, die als dusdanig zijn aangeduid door het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 1998 tot aanduiding van de oppervlaktewateren bestemd voor de productie van drinkwater categorie A1, A2 en A3, zwemwater, viswater en schelpdierwater en waarbij onder de groepen A1, A2 en A3 wordt verstaan de volgende wijze van behandeling waardoor het oppervlaktewater tot drinkwater kan worden verwerkt :

  1. groep A1 : eenvoudige fysische behandeling en desinfectie, bij voorbeeld : snelle filtratie en desinfectie ;
  2. groep A2 : normale fysische en chemische behandeling en desinfectie, bij voorbeeld : voorbehandeling met chloor, coagulatie, uitvlokking, decanteren, filtratie, desinfectie (definitieve behandeling met chloor) ;
  3. groep A3 : grondige chemische en fysische behandeling, raffinage en desinfectie, bij voorbeeld : chloorbehandeling op het "break point", coagulatie, uitvlokking, decanteren, filtratie, raffinage (actieve kool), desinfectie (ozon, definitieve chloorbehandeling) ;

[...]

[...]

 

- schelpdierwater

- "schelpdierwater" : de oppervlaktewateren die zo zijn aangeduid door de Vlaamse Regering

- "winplaats": de plaats waar het oppervlaktewater voor drinkwaterproduktie vóór de zuiveringsbehandeling wordt onttrokken;

[...]

[...]

- "natuurlijke aanrijking": het proces waarbij water, zonder invloed van de mens, bepaalde in de bodem aanwezige stoffen opneemt;

- "verontreiniging": het direct of indirect door de mens lozen van stoffen of energie in het aquatisch milieu, ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de eco-systemen in het water kunnen worden geschaad, of enig rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd;

- "ecologische kwaliteitscoëfficiënt (EKC)" : geeft de verhouding aan tussen de waarde van de voor een bepaald waterlichaam vastgestelde biologische parameter en de waarde van die parameter onder de voor dat lichaam geldende referentieomstandigheden. De coëfficiënt wordt uitgedrukt in een getalswaarde tussen nul en één, waarbij de waarden in de buurt van één op een zeer goede ecologische toestand wijzen en de waarden in de buurt van nul op een slechte ecologische toestand.

ZWEMWATERKWALITEIT (EG-Richtlijn 2006/7/EG van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG) (afdeling 2.3.3, afdeling 2.3.7, artikel 5.32.9.8.2 en deel II van bijlage 2.3.3)

1° ″oppervlaktewater″ : binnenwateren, met uitzondering van grondwater; overgangswater en strandwateren;

2° "binnenwater" : al het stilstaande of stromende water op het landoppervlak en al het grondwater aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten;

3° "overgangswater" : een oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een riviermonding dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van kustwateren, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromen beïnvloed wordt;

4° "strandwater" : de oppervlaktewateren, gelegen aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater;

5° "stroomgebied" : een gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water via een reeks stromen, rivieren en eventueel meren door één riviermond, estuarium of delta in zee stroomt;

6° "permanent" : met betrekking tot een zwemverbod of een negatief zwemadvies, voor de duur van ten minste één volledig badseizoen;

7° "groot aantal" : met betrekking tot zwemmers, een aantal dat op het ogenblik van de aanduiding als zwemwater, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, groot wordt geacht, met name gelet op tendensen uit het verleden of op de beschikbare infrastructuur of faciliteiten, dan wel op de maatregelen die getroffen zijn ter bevordering van het zwemmen;

8° "verontreiniging" : de aanwezigheid van microbiologische besmetting of van andere organismen of afval, die de zwemwaterkwaliteit aantast en een risico voor de gezondheid van de zwemmers inhoudt, vermeld in artikel 2.3.7.5.2, 2.3.7.5.3 en 2.3.7.5.4 en in artikel 1, § 1, kolom A van deel II van bijlage 2.3.3;

9° "badseizoen" : de periode waarin grote aantallen zwemmers kunnen worden verwacht;

10° "beheersmaatregelen" : de volgende maatregelen die met betrekking tot zwemwater worden genomen :

a) vaststelling en actualisering van een zwemwaterprofiel;
b) vaststelling van een tijdschema voor controle;
c) controle van het zwemwater;
d) beoordeling van de zwemwaterkwaliteit;
e) indeling van het zwemwater;
f) een beschrijving en beoordeling van oorzaken van verontreiniging die het zwemwater kunnen aantasten en schade toebrengen aan de gezondheid van de zwemmers;
g) verstrekken van informatie aan het publiek;
h) uitvoering van maatregelen om blootstelling van zwemmers aan verontreiniging te voorkomen;
i) uitvoering van maatregelen om de gevaren van verontreiniging te verminderen;

11° "kortstondige verontreiniging" : een microbiologische besmetting als vermeld in artikel 1, § 1, kolom A, van deel II van bijlage 2.3.3, met duidelijk aantoonbare oorzaken, waarvan normaliter niet wordt verwacht dat ze de zwemwaterkwaliteit langer zal aantasten dan ongeveer 72 uur vanaf het begin van de aantasting, en waarvoor de Vlaamse Milieumaatschappij overeenkomstig artikel 4, van deel II van bijlage 2.3.3 procedures voor de voorspelling en de aanpak heeft ingesteld;

12° "abnormale situatie" : gebeurtenis of combinatie van gebeurtenissen die de zwemwaterkwaliteit op de locatie in kwestie beïnvloedt, en die zich naar verwachting gemiddeld niet meer dan eens in de vier jaar zal voordoen;

13° "reeks zwemwaterkwaliteitsgegevens" : gegevens, verkregen overeenkomstig artikel 2 van deel II van bijlage 2.3.3;

14° "beoordeling van de zwemwaterkwaliteit" : het proces van de beoordeling van de zwemwaterkwaliteit, volgens de beoordelingsmethode vermeld in artikel 4 van deel II van bijlage 2.3.3;

15° "proliferatie van cyanobacteriën" : de ophoping van cyanobacteriën in de vorm van bloei, tapijt of drijflaag.

GRONDWATER

grondwaterkwaliteitsnorm: een milieukwaliteitsnorm, uitgedrukt als de concentratie van een bepaalde verontreinigende stof, groep van verontreinigende stoffen of indicator van verontreiniging in grondwater, die ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu niet mag worden overschreden;

achtergrondniveau: de concentratie van een stof of de waarde van een indicator in een grondwaterlichaam die overeenkomt met onbestaande of zeer geringe, antropogene alteraties van de ongerepte toestand;

drempelwaarde: een grondwaterkwaliteitsnorm voor alle verontreinigende stoffen, groepen van verontreinigende stoffen en indicatoren van verontreiniging waarvan is vastgesteld, conform de analyse van de kenmerken krachtens artikel 60 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, dat grondwaterlichamen of groepen van grondwaterlichamen het gevaar lopen geen goede chemische toestand van het grondwater te bereiken.

AFVALWATERCONTROLES

- "daggemiddelde": het/de gehalte of concentratie bepaald op basis van een met het debietevenredige 24-uurmonstername

- "maandgemiddelde": de waarde bepaald op basis van een met het debiet evenredige samenstelling van alle 24-uurmonsternames voor de betrokken maand.

[...]

- “aantoonbaarheidsgrens”: het uitgangssignaal of de concentratie waarboven met een vermeld betrouwbaarheidsniveau kan worden gesteld dat een monster verschilt van een blanco monster dat geen relevante te bepalen grootheid bevat.

– “bepalingsgrens”: een vermeld veelvoud van de aantoonbaarheidsgrens bij een concentratie van de te bepalen grootheid die redelijkerwijs met een aanvaardbaar nauwkeurigheids- en precisieniveau kan worden bepaald. De bepalingsgrens kan met behulp van een geschikte standaard of een geschikt monster worden berekend en kan vanaf het laagste kalibratiepunt op de kalibratiecurve, met uitzondering van de blanco, worden verkregen.

— « rapportagegrens » : de waarde beneden welke een component als niet kwantificeerbaar (’<’) wordt gerapporteerd, deze bedraagt minimaal de bepalingsgrens.

[...]

[...]

- “referentiemeetmethode”: methode die voor de bepaling van een bepaalde parameter toegepast moet worden. Deze methode wordt beschreven in het compendium voor analyse van water (WAC), tenzij anders vermeld. Het compendium is een bundel met methoden voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen en analyses, die Europese (EN), internationale (ISO) of andere genormeerde methoden of methoden die door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest werden gevalideerd in opdracht van de Vlaamse overheid, omvatten. Het compendium wordt goedgekeurd bij ministerieel besluit en de inhoudstabel van het WAC wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

–“meetonzekerheid”: een niet-negatieve parameter die de spreiding karakteriseert van de kwantitatieve waarden die aan een te meten grootheid worden toegekend, gebaseerd op de gebruikte informatie. De in bijlage 4.2.5.2, artikel 4, opgegeven meetonzekerheid is de halve lengte van een interval rond het analyseresultaat waarbinnen de werkelijke waarde verwacht wordt te liggen bij een betrouwbaarheidsniveau van 95%, en is uitgedrukt als een percentage van het analyseresultaat. De meetonzekerheid is daarbij berekend volgens een door de minister vastgelegde methode.

STEDELIJK AFVALWATER

- "stedelijk afvalwater": huishoudelijk afvalwater of het mengsel van huishoudelijk afvalwater en/of bedrijfsafvalwater en/of afvloeiend hemelwater;

- "opvangsysteem": een systeem van ledingen waardoor stedelijk afvalwater wordt opgevangen en afgevoerd

- "primaire behandeling": behandeling van afvalwater door middel van een fysisch en/of chemisch proces van bezinking van gesuspendeerde stoffen, of andere processen waarbij het biochemisch zuurstofverbruik in 5 dagen bij 20° C van het binnenkomende afvalwater vóór de lozing met tenminste 20 % wordt verminderd en de totale hoeveelheid gesuspendeerde stoffen in het binnenkomende afvalwater met tenminste 50 % wordt verminderd;

- "secundaire behandeling": behandeling van afvalwater door middel van een proces waarbij in het algemeen biologische zuivering met secundaire bezinking plaatsvindt, of een ander proces waarbij de waarden van de sectoriële emissiegrenswaarden voor het effluentwater vastgesteld door dit reglement worden in acht genomen;

- "toereikende behandeling": behandeling van afvalwater door middel van een proces en/of afvoersysteem waardoor de ontvangende oppervlaktewateren na de lozing aan de relevante milieukwaliteitsnormen en aan de relevante bepalingen van dit reglement voldoen;

- "slib": uit waterzuiveringsinstallaties afkomstig behandeld of onbehandeld restslib;

- "agglomeratie": een gebied waar de bevolking en/of de economische activiteiten voldoende geconcentreerd zijn om stedelijk afvalwater op te vangen en naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie en/of een definitieve lozingsplaats af te voeren;

- "kwetsbare gebieden": overeenkomstig Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater wordt voor de toepassing van afdeling 2.3.6. en 5.3.1. onder kwetsbare gebieden verstaan een watermassa die onder een van de volgende groepen valt:

 

 

natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria en kustwateren die eutroof zijn of in de nabije toekomst eutroof kunnen worden indien geen beschermende maatregelen worden genomen;
voor de winning van drinkwater bestemde oppervlaktewateren, die een hogere nitraatconcentratie zouden kunnen bevatten dan is vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende immissienormen indien geen maatregelen worden genomen;
gebieden waar verdere behandeling dan bepaald in afdeling 5.3.1. nodig is om te voldoen aan Richtlijn 91/271/EEG.

Met betrekking tot de groep sub 1° kunnen de volgende elementen in aanmerking worden genomen wanneer wordt bepaald welke nutriënten door verdere behandeling moeten worden verminderd:

 

 

 

 

a) meren en in meren, reservoirs of gesloten baaien uitmondende rivieren waarin een geringe wateruitwisseling wordt vastgesteld, waardoor accumulatie kan optreden; in deze gebieden moet ook fosfor uit het afvalwater worden verwijderd, tenzij kan worden aangetoond dat de verwijdering daarvan geen effect heeft op het eutrofiëringsniveau; waar lozingen van grote agglomeraties plaatsvinden kan ook de verwijdering van stikstof worden overwogen;
b) estuaria, baaien en andere kustwateren waarin een geringe wateruitwisseling wordt vastgesteld, of die grote hoeveelheden nutriënten ontvangen; lozingen van kleine agglomeraties zijn in deze gebieden meestal van minder belang, maar voor grote agglomeraties moeten ook fosfor en/of stikstof worden verwijderd tenzij kan worden aangetoond dat de verwijdering daarvan geen effect heeft op het eutrofiëringsniveau.

 

 

- "Inwonerequivalent (I.E.): de biologisch afbreekbare organische belasting met een biochemisch zuurstofverbruik gedurende vijf dagen bij 20° C (BZV520) van 60 g zuurstof.

AFVALWATERPARAMETERS Afkortingen:

a)"pH": zuurtegraad;
b)"BZV": biochemisch zuurstofverbruik in 5 dagen bij 20° C;
c)"CZV": het chemisch zuurstofverbruik;
d)"CCl4 extraheerbare stoffen": het gehalte aan apolaire koolwaterstoffen extraheerbaar met tetrachloorkoolstof;
e)"PCB": polychloorbifenylen;
f)"T.O.C.": het gehalte aan totaal organische koolstof;
g)"T.O.X.": het gehalte aan totaal organisch gebonden halogeen, uitgedrukt in chloor;
SECTORALE VOORWAARDEN: AFKORTINGEN
a)"n.v.t.": niet van toepassing;
b)"n.v.w.b.": niet visueel waarneembaar;
c)"v.g.t.g.": in de vergunning vast te stellen toegelaten gehalte in de gevallen waarin voor de betrokken parameter geen sectorale lozingsvoorwaarden zijn vastgesteld.
CONCORDANTIETABEL VOOR BEPAALDE LOZINGSPARAMETERS

In plaats van de benamingen van de eerste kolom worden de corresponderende benamingen van de tweede kolom gebruikt :

 

Oude terminologie

Nieuwe terminologie

actief chloor

vrije chloor

actief chloor en broom

vrije chloor

ammoniakale stikstof

ammonium

boraten

boor

CCl4 extraheerbare stoffen

perchloorethyleen extraheerbare apolaire stoffen

chlooranilines

gechloreerde aromatische amines

chloor oxideerbare cyaniden

vrije cyanide

cobalt

kobalt

cyanide(n)

totaal cyanide

DDT

som van p,p'-DDT, o,p'-DDT, p,p'-DDE en p,p'-DDD

detergent(en)

som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen

drins

som van aldrin, dieldrin, endrin en isodrin

faecale colibacteriën

E. coli

faecale streptokokken

enterokokken

fluoride

totaal anorganisch gebonden fluoride

fosfaten of totaal fosfaat

totaal fosfor

gechloreerde koolwaterstoffen of gehalogeneerde koolwaterstoffen of organohalogenen of organische halogeenverbindingen

som van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen, PCB's en organochloorpesticiden

geleidingsvermogen

elektrische geleidbaarheid

gemakkelijk ontbindbare cyanide

vrije cyanide

gemakkelijk ontbindbare cyanide (Bucksteeg)

vrije cyanide

hexachloorcyclohexaan (HCH)

som van α, β, γ en δ-HCH

kleuring

kleur

nitraten

nitraat

ontbindbare cyanide (Bucksteeg)

vrije cyanide

oppervlakteactieve stoffen

som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen

organische chloor

AOX

organische fosfor pesticiden

organofosforpesticiden

pesticiden

som van organochloorpesticiden, organofosforpesticiden, stikstofpesticiden, zure herbiciden en fenolen

selenium

seleen

sulfiden

som van opgelost sulfide en zuur milieu oplosbare sulfide

TOX

AOX

totaal fluor

totaal anorganisch gebonden fluoride

trichloorbenzeen (TCB)

som van 1,3,5-, 1,2,4-en 1,2,3-trichloorbenzeen