Art. 2.

In dit decreet wordt verstaan onder:

1 Vlaams bestuursrechtscollege: een van de volgende instanties:

a) het handhavingscollege, opgericht bij artikel 16.4.19, 1, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;

b) de Raad voor Vergunningsbetwistingen, opgericht bij artikel 4.8.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en waaraan tevens bevoegdheden toegekend worden bij artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en artikel 43 van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017;

c) de Raad voor Verkiezingsbetwistingen, opgericht bij artikel 202 van het Lokaal en Provinciaal Kiesdecreet van 8 juli 2011;

2 Vlaamse bestuursrechtscolleges: alle instanties, vermeld in punt 1, samen;

3 bestuursrechter: de effectieve, aanvullende of plaatsvervangende bestuursrechter;

4 voorzitter: de voorzitter van een Vlaams bestuursrechtscollege;

5 algemene vergadering: de effectieve bestuursrechters van de Vlaamse bestuursrechtscolleges, met uitzondering van de bestuursrechters, vermeld in artikel 91, 4, maar met toevoeging van de voorzitter van de Raad voor Verkiezingsbetwistingen;

6 eerste voorzitter: de voorzitter van de algemene vergadering;

7 bestreden beslissing: voorwerp van een jurisdictioneel beroep waarvoor een Vlaams bestuursrechtscollege bevoegd is;

8 beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen:

a) een aangetekend schrijven;

b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;

c) elke andere door de Vlaamse Regering toegestane betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.

9 vergunninghouder: de vergunninghouder, vermeld in artikel 105, 2, eerste lid, 1, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;

10 de persoon die de melding heeft verricht: de persoon die de melding heeft verricht, vermeld in artikel 105, 2, eerste lid, 1, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.