Art. 5.

De Vlaamse bestuursrechtscolleges bestaan uit ten minste acht bestuursrechters, onder wie een eerste voorzitter, voorzitters en kamervoorzitters.

Bestuursrechters die benoemd of aangesteld zijn bij een Vlaams bestuursrechtscollege, kunnen door de eerste voorzitter ten behoeve van de goede werking van de Vlaamse bestuursrechtscolleges ter beschikking gesteld worden van een ander Vlaams bestuursrechtscollege.

Indien een bestuursrechter overeenkomstig het tweede lid wordt ter beschikking gesteld, hoort de eerste voorzitter de betrokken bestuursrechter en motiveert hij zijn beslissing.

De terbeschikkingstelling van een bestuursrechter aan een Vlaams bestuursrechtscollege kan enkel voor zover de bestuursrechter over voldoende kennis beschikt in de domeinen waarvoor dat Vlaams bestuursrechtscollege bevoegd is.

De aanvullende bestuursrechters, vermeld in artikel 49, 2, en 91, 3, de plaatsvervangende bestuursrechters, vermeld in artikel 91, 1, en de effectieve, aanvullende en plaatsvervangende bestuursrechters vermeld in artikel 91, 4, zijn uitgesloten van de toepassing van het tweede lid.